De begrafenis van Jong Klaasje

De bladeren van de zwarte walnootbomen  ruisen zacht,  vogels kwinkeleren en met een   zacht ritmisch getik is een tuinman bezig een heg te knippen. Het is ’s morgens elf uur,  op een doordeweekse dag. Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam is het met recht doodstil. Deze maand, precies vijfenzeventig jaar geleden, was dat wel even anders. Op 20 september 1934 werd een jonge wielrenner begraven. Duizenden Amsterdammers dromden rond zijn graf, en ondanks de uitgebreide politiemaatregelen was de menigte niet in het gareel te houden. De begrafenis van ‘Jong’ Klaasje van Nek werd er één in Siciliaanse stijl.

Lees verder: http://stuyfssportverhalen.com/2009/09/06/de-begrafenis-van-jong-klaasje/

Gaat Maas van Beek het wereldsnelheidsrecord aanvallen?

 

v.l.n.r. Maas van Beek, Rini Wagtmans, Wilco van den Hoorn en Klaas Balk

 

Hij oogt strak en afgetraind. Die morgen had hij nog tien kilometer gerend waarbij hij zelf zijn ademhalingsritme bepaalde: om aan te geven dat het met de conditie goed zat. Maas van Beek, inwoner van Barneveld, heeft er weer zin in. Nadat hij in mei  het werelduurrecord achter de derny realiseerde, voelde de Barnevelder zich, de weken erna, gesloopt, leeg, ziek, zwak en misselijk. En dat had niet gelegen aan de race, noch aan zijn voorbereiding maar aan een buikgriep waarmee hij  zijn recordjacht begonnen was. Maandenlang kon Van Beek geen koers uitrijden, maar inmiddels  is ’s werelds snelste man achter de derny weer helemaal hersteld en heeft hij zijn doelen voor volgend jaar bepaald. In 2011 gaat Maas van Beek, 55 jaar, op de wielerbaan van Moskou, zijn eigen record scherper stellen, maar ook het werelduurrecord achter de grote motor aanvallen. Drie maanden van gerichte training denkt Maas van Beek daarvoor nodig te hebben. De recordtic van Van Beek is niet uniek, ook Fred Rompelberg is daarmee behept. De naam is gevallen: Rompelberg! De Limburgse renner, die zijn  maatschappelijke én sociale status ontleent aan zijn wereldrecords op de fiets, en daar niet ál te bescheiden mee omgaat. En wat dat laatste betreft, daar zit voor Maas van Beek nou juist de kneep.
‘Al jaren beweert  Fred dat hij, op de baan van Moskou,  met ruim 86 kilometer, het wereldrecord achter de motor pakte. En dat is niet waar. Fred haalde dat record in 1986 maar wat hij vergeet te meldde is dat een  Russische amateur, twee jaar later,  met vijf kilometer over heen is gegaan.’
Van Beek onderbouwt zijn beschuldiging met foto’s gemaakt in de catacombe van de wielerbaan waar zich de Wall of Fame bevindt.  Van iedere renner die op de Moskouse baan een wereldrecord vestigt worden naam, jaartal én record vermeld.
Wereldrecords achter de derny en motor zijn prachtig, schitterend maar halen het, publicitair gezien, niet bij het wereldsnelheidsrecord. En dat laatste is in handen van Fred Rompelberg die in 1995, op de zoutvlakte van Utah, het record  naar ruim 268 kilometer bracht. Als het aan Maas van Beek ligt niet voor lang. Atletisch gezien moet het voor Van Beek mogelijk zijn dat record te pakken, maar de organisatie er om heen is voor de recordman één duistere vlek. Om het laatste in goede banen te leiden vond afgelopen week met Rini Wagtmans een oriënterend gesprek plaats. ‘Rini is een pur sang wielerman’, onthult Van Beek. ‘Hij heeft de nodige internationale contacten, maar ik ga niet voor de muziek uit lopen. Het is nog allemaal heel prematuur.’
Fred van Rompelberg is ieder geval gewaarschuwd.

Kijk ook op: www.maasvanbeek.com

Constant Huret de fietsende muze van Toulouse-Lautrec

Constant Huret en Henri Toulouse-Lautrec allebei Fransen, waar direct de overeenkomst mee ophield want ze leefden alle twee in verschillende werelden. Huret een ascetise, sobere  sportman die zijn dagen doorbracht op de wielerbanen, en Toulouse-Lautrec een zuipende bohémien die altijd te vinden was in de rosse buurt van Parijs.  En toch zijn hun namen voor eeuwig aan elkaar verbonden, want het was Toulouse-Lautrec, die Huret onsterfelijk maakte.
Toulouse-Lautrec, een misgroeide dwerg van nauwelijks anderhalf meter hoog, was de grondlegger van het impressionisme.
Henri zat niet alleen achter zijn schildersezel maar leidde ook nog eens een losbandig, spannend leven. Dat zijn atelier zich bevond op Monmartre, tussen de kroegen en bordelen,  was wél zo handig. Te midden van hoeren, lichtekooien, artiesten en misdadigers bracht hij zijn nachten door in ongure cabarets. Zoop absinth, dat gekmakende drankje, als water, en was bevriend met Vincent van Gogh. Woonde maanden achtereen in een bordeel, waar hij niet alleen zijn ‘pijp leegklopte’, maar ook de meisjes van plezier, óp linnen doek voor altijd jong liet blijven. Henri, een kleine man met een grote ‘jan’: hield niet alleen van de vrouwen maar ook van de spanning, de geluiden, de kleuren en opwinding van de wielerbaan.
De van God en klootjesvolk losgeslagen schilder bracht uren door op het Vélodrome des Arts Libéraux
, waar fietsen achter tandems dé sensatie was zoals in heel Parijs van eind negentiende eeuw. En de grote, absolute kampioen daarbij was Constant Huret.
Voor een verbaasd en uitzinnig Parijs publiek verbeterde Constant, op 1 juli 1896, het wereldrecord over honderd kilometer achter een zogenaamde quad wat staat voor een viermanstandem.
Dat record verbrak hij nog drie keer, maar won ook Bordeaux-Parijs: dat laatste in een recordtijd die 34 jaar standhield. Werd in Parijs in 1898 wereldkampioen. Won vier keer de Bol d’Or
, een vierentwintiguurskoers achter tandems. Kortom Huret was hot, dé vedette waar je graag mee gezien wilde worden.
Rene Bouglé, de vertegenwoordiger van het Engelse fietsenmerk L.B. Spoke maar ook van het kettingmerk Simpson, zag dat heel duidelijk. Het is rond 1900 als Bouglé, Toulouse-Lautrec de opdracht geeft tot het maken van een reclameaffiche voor zijn fiets- én kettingmerk. De kunstenaar annex koersliefhebber wist als geen ander hoe je, figuurlijk, een bed op moest schudden.
Want dat hij Constant Huret op een affiche voor eeuwig onsterfelijk maakte,  was logisch, maar het is voor toekomstige opdrachten altijd fijn als je ook de opdrachtgevers in de roem betrekt. Onder de letters La Châne Shimpson
staan achteloos William Spears Simpson én Louis Bouglé, directeur en vertegenwoordiger.
En wat Huret betreft: de man heeft niet lang kunnen genieten van zijn roem. Want twee jaar later, op vier september 1902, was het over en uit met zijn carrière. Tijdens een stayerskoers op de baan van het Parc des Princes werd hij door een motor aangereden, brak zijn enkel wat meteen het einde van zijn loopbaan was.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Vlaamse Zuiderzeeballade

Vanaf maandagmorgen tot zaterdagmiddag zaten de kerels op zee: op hun botters achter de haring aan. Stormen, wilde zeeën en kou trotserend, wat niet altijd lukte want met een verontrustende regelmaat vergingen de scheepjes bij de vleet.
Maar als ze dan eindelijk, zaterdagmiddag heelhuids thuiskwamen, hadden ze wél ‘lekkere trek’. Want het enige wekelijkse pleziertje vond plaats op de zaterdagavond tussen de dekens. Met zout in de haren en zilt op de ‘bast’ werd de liefde bedreven, maar nooit langer dan tot twaalf uur want dan begon de heilige zondagrust. Op de zondag ging men drie keer ter kerke waar, sidderend en bevend, de hel en verdoemenispreken van de dominee ondergaan werd.
Voor de bevolking van Harderwijk was het leven, zo’n vijfennegentig jaar geleden, hard, grijs, saai en wreed. En opeens…, opeens stond hun wereldje op z’n kop. Maar daar waren dan wel meer dan veertienduizend Vlamingen voor nodig.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trokken honderdduizenden Belgen, voornamelijk Vlamingen, de grens over van het neutrale Nederland. Veel burgers maar ook militairen die onmiddellijk werden geïnterneerd.
Harderwijk én omstreken, een soort Goelag-Archipel avant la lettre,  leek daarvoor een geschikte plek want ver buiten de bewoonde wereld. Hartstikke dom natuurlijk, want zet veertienduizend kerels, zonder afleiding bij elkaar en je krijgt gedonder. Door verveling dreigde een oproer uit te breken.
Om dat te beteugelen werd een ‘Sport en ontspanningsbureel’ opgericht, met aan het hoofd ene Leon van Gastel, een korporaal die bij de beschieting van Antwerpen gewond was geraakt en zijn heil in Holland zocht.
Van Gestel bleek een organisatorisch talent te zijn. Behalve een boksschool en toneelvereniging wist de man ook nog een wielerbaan van ‘aangestampte asch’ te realiseren.

Terwijl de bevolking van Harderwijk zich iedere zondag liet geselen door de stichtelijke woorden van mijnheer de dominee was het op het kamp een dolle boel want  koersdag. Rondom de wielerbaan stonden de geïnterneerden, tien rijen dik. Aan de start geen halfgare streekidioten, maar toenmalige vedetten als een Piet Moeskops, Bosch van Drakenstein, Klaas van Nek, en Piet van Kempen.
Van Gestel bleek niet alleen over organisatorische kwaliteiten te beschikken. Tijdens de strenge winter van 1916 lag de Zuiderzee tot aan de horizon ‘dicht’. Wekenlang werd geschaatst, ook door Van Gestel en zijn mannen. Zwierend en zwaaiend achter de meiden aan brak er onder de schaatsers een ‘geweldige beroering’ uit.
Een stuk schots was afgebroken en dreef met twee mensen erop naar de open zee. Op één man na, durfde niemand durfde actie te ondernemen. Van Gestel, op zijn Friese doorlopers wist met inzet van zijn leven het tweetal te redden en kreeg daarvoor, van de Nederlandse regering, een onderscheiding.
foto 1: Tien rijen dik stond het publiek.

Foto 2: Start van een koers over één uur. Uiterst links Van Gestel.

Foto 3:  Vijftig kilometerkoers gehouden op 5 mei 1918. rechts winnaar Klaas van Nek, links Luyckx.

Foto 4: Leon van Gestel.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Op jacht naar duizenden sigaretten


De lokale penoze, politieke patjepeeërs, en andere opportunistische gladjakkers zitten in de Vip-boxen. Op de tribunes de echte liefhebber, want de Amsterdamse Zesdaagse is een mix van topsport, amusement, kermis en een bruine kroeg. Maar wat is nou de echte charme van deze Zesdaagse? Natuurlijk het Velodrome zelf want klein, intiem, gezellig. Dat het ook nog eens in alle kieren en gaten ruikt naar de ‘koers’ is mooi meegenomen. Om te voorspellen dat de lokale pers van de Six  niet ‘los’ gaat, daar hoef je geen medium voor te zijn. 78 Jaar geleden ging dat wel even anders aan toe…

In de keukens hing de ‘zand-zeep-zoda-bakjes’, de was, en trouwens het hele huis, werd schoongemaakt met één staaf Sunlightzeep, gekookt werd in emaillen pannen van Brabantia, één keer in de week werd een schone onderbroek aangetrokken en uit de buizenradio liet Louis Davids weten dat die ‘naar de bollen ging’.
Welkom in de brave en sullige jaren dertig, waar toppunt van sensatie een overkomend vliegtuig was. Met de komst van de allereerste ‘Zesdaagsche Wielerwedstrijd’ sloeg de vlam in de pan, althans bij de lokale pers. Eindelijk reuring in de stad.
Van iedere spijker die in de demontabele baan, in de toenmalige Rai, werd geslagen, werd melding gemaakt,  en de vierentwintig gecontacteerde renners waren ‘helden’. Het favoriete koppel Piet van Kempen en Jan Pijnenburg daarvan werden mythologische daden verwacht.
En dan is het een vrijdagavond ergens in november 1932. Meer dan drieduizend toeschouwers horen en zien John Stol, de zesdaagsencrack van rond 1900, het startschot lossen. Hoogstwaarschijnlijk waren de rennerscontracten laag. Maar dat maakte ook geen reet uit want het was het tijdperk van de scherpschutters en premiejagers op de fiets. Vierentwintig renners jakkeren  honderdveerenveertig uur op een véél te klein baantje waarbij de snelheden opliepen tot vijfenvijftig kilometer: en  allemaal op jacht naar de premies.
In zes dagen tijd moesten de zakken gevuld worden!
Honderd gulden van dagblad Het Nieuws van de Dag voor het duo dat voor twaalf uur ‘s nachts een ronde voorsprong neemt, dat gewonnen wordt door het koppel Wals/Braspenning. Tussen de jachten door waren, ongetwijfeld, de soigneurs  in de afgesloten rennerscabines druk in de weer met de potten  strychnine-  en cocaïnetabletten…
‘Het publiek gilt, juicht, tiert en moedigt de renners aan om vooral te blijven jagen’ meldt het blad Sport In Beeld. Het Carlton Hotel looft premies van honderd piek uit, waarbij restaurant Witteveen niet onder kan blijven en gooit daar een geeltje boven op. Het is Jan Pijnenburg die alle grote geldpremies op strijkt. Als d’n Pijn ook nog een ‘electrische stofzuiger’ wint roept de omroeper, tot grote hilariteit, dat hij Jan had horen zeggen dat hij ‘nu aan trouwen dacht’. Nou, dat was even lachen zeg…
Ronduit verontrustend was de mededeling dat er ook flink gesprint werd om ‘duizenden sigaretten’. De firma Van Houten uit Weesp, ook niet mis, schonk ‘flinke premies in natura’ wat je niet af hoeft te vragen wat dat nou was…
In de Ferdinand Bolstraat was het zes avonden en nachten volle bak waar de Amsterdammers zich niet zaten te vervelen. In één van de jachten brak de voorvork van Klaas van Nek’s fiets waarbij Klaas, meer dan dood dan levend, naar het Wilhelmina Gasthuis werd afgevoerd. Wat het koppel Van Kempen/ Pijnenburg deed besluiten om een gewonnen prijs aan de ongelukkige Klaas te schenken. Als dat maar niet die sigaretten of die vreselijke Van Houten repen zijn geweest. Enfin uitstel van executie want een jaar later verongelukte Klaas in zijn auto bij een treinovergang…
Als filmoperateurs hun werk deden, de pers, met lekkende vulpennen, bloknootjes vol kalkten en radioverslaggever Han Hollander met neuzelige stem de superlatieven door de ether slingerde, kwamen Piet van Kempen en Jan Pijnenburg als overwinnaars uit de strijd.
Met ‘den wensch, dat deze Zesdaagschen nog door vele gevolgd zal worden’ besluit de verslaggever van Sport in Beeld zijn overspannen verslag.
Als over ruim drie weken de achttiende Zesdaagse van Amsterdam van start gaat, waarvan de renners het ruime startgeld al op de bankrekening heeft staan, denk dan ook even aan al die fietsende stumpers uit de jaren dertig, die met zakken vol repen, sigaretten, en radiotoestellen naar huis gingen …

Foto 1: Van iedere ingeslagen spijker in de baan werd melding van gemaakt.
Foto 2: Het Duitse koppel Gobel, liggend, en Schorn in hun box.
Foto 3: Het winnende koppel Piet van Kempen en Jan Pijnenburg.
Foto 4: De pers, niks gewend, was massaal opgekomen.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Walthour maakte bluf waar

Het was  één grote natuurlijke selectie, waarbij ‘fietsende bokken van de schapen’ werden gescheiden, en jongens transformeerden tot  kerels, want de Amerikaanse zesdaagsen, begin twintigste eeuw, waren berucht om hun hardheid.
Alles wat de grote wielergod verboden had, was er toegestaan. Renners die dat overleefd hadden, waren gehard voor de strijd, die maalden niet om een botbreukje meer of minder. Je kunt er gif op innemen dat in die koersen Bobby Walthour, afkomstig uit Atlanta, zijn hardheid had opgedaan. In de six van Boston, Nashville, Houston, Memphis en New York stond Walthour, die tijdens zijn carrière zeventien keer zijn sleutelbeen brak, op de deelnemerslijst.
Dat Walthour, met aan zijn zijde Munroe en McEachern, drie keer de zesdaagse van New York won was aardig voor de statistieken maar spekte niet Walthours  bankrekening. Terwijl Bobby met zijn collega’s op obscure wielerbaantjes hun kloten afdraaiden, verschenen, zo rond 1900, in Europa de eerste motorfietsen op de baan, waarmee stayeren een feit was.

Koersen achter motoren:  bloedlink, levensgevaarlijk, weggelegd voor fatalistische kerels,  maar wél lucratief. Renners vielen óf dood, óf werden miljonair.
Bobby Walthour nam dat eerste op de koop toe en stapte over naar het stayeren, werd in 1902 en 1903 nationaal kampioen en ving daarmee vijftigduizend dollar. Even ter vergelijking: bij het Amerikaanse profhonkbal verdiende de beste pitcher ruim vierduizend dollar…
Bobby Walthour, lang, blond, kon je niet betichten van valse bescheidenheid. Na zijn Amerikaanse titels riep hij tegen iedereen die het horen wilde dat hij ‘
the best of the world’ was. In 1904 vertrok hij naar het ‘oude continent’.
In Parijs was zijn Europese debuut. In een tweestrijd tegen lokale favoriet Paul Dangla moest hij het nog afleggen, maar liet daarbij genoeg indruk na voor een rits contracten in Duitsland. In het ‘avondland’ met zijn meer dan veertig wielerbanen waar fietsen achter motoren wekelijks honderdduizenden toeschouwers trok, won de Yank vijf koersen waaronder de Grote Prijs van Europa in Friendenau. Tussendoor vernederde Bobby, in een match voor twee, de onklopbare Thaddy Robl, wat gebeurde in Dresden.

En in september maakte Bobby Walthour zijn bluf waar door in Londen wereldkampioen te worden. Een titel zonder enig glamour want door de platte bochten in de piste werd gereden met lichte motortjes. Een jaar later nam de inwoner van Atlanta wraak door in Antwerpen zijn titel te prolongeren. Op de Zurenborgbaan stonden tien stayers aan het vertrek. Gekoerst werd over honderd kilometer waarbij de rol slechts vijf centimeter achter de motor stond: lekker link maar wél spectaculair want de snelheden waren angstaanjagend hoog. Overigens: Piet Dickentman werd derde…
Met zijn wereldtitels schoot ook zijn prijs omhoog. Voor een lullig koersje vroeg en kreeg Walthour contracten van tussen de vijftienhonderd en tweeduizend gulden: een arbeider verdiende tien gulden per week… Iedereen wilde de vliegende Yank aan het werk zien. Ook in Holland waar de Amerikaan, in 1910 op de wielerbaan van Scheveningen, aan de start stond.
Tijdens één van die koersen vond een incident plaats. Piet van Nek kreeg tijdens de koers bonje met Walthour, stapte af en wilde zijn fiets gooien voor de aanstormende Walthour, wat verhinderd werd. Na afloop vond er tussen de Amsterdammer en Amerikaan een vuistgevecht plaats. Niet veel later vertrok Bobby Walthour terug naar de States om nooit meer terug te komen.

Op 5 augustus 1949 stierf Walthour in Boston. Bobby werd 71 jaar.

Foto 1: Keulen juni 1909: Parent achter gangmaker Lauthier passeert Walthour die gegangmaakt wordt door Gus Lawson die vier jaar later op dezelfde baan dodelijk verongelukte.

Foto 2: Parijs 19 mei 1909 de tweekamp Louis Darragon links tegen Bobby Walthour. Negen jaar na dato verongelukte Louis op dezelfde baan

Foto 3: Reclameposter voor de Zesdaagsen van New York. In het voorprogramma de tweekamp Parent, met rechts, Walthour. Op de voorgrond de Amerikaanse sprinter Frank Kramer.

Foto 4:  1904 De tweekamp Robl versus Walthour. Zes jaar later stortte Robl, in een zelf in elkaar geknutselde vliegtuigje, neer wat hij niet overleefde.

Foto 5: Scheveningen 28 juni 1909. Links Bruni, Jan van gent en Bobby Walthour.

Bronnen: Radwelt jaargangen 1904 tot 1910, Revue der Sporten jaargangen 1908 tot en met 1910.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Bertus Raats overleden

Rugnummers afhalen en omkleden was in café Laponder, Ilpendam, en gekoerst werd in de polders rondom het dorp. Het was voorjaar 1965 als ik mijn vuurdoop als wielrenner kreeg. Bloednerveus, niet precies wetende hoe alles in elkaar stak, werd ik opgevangen door een oudere renner: wat mijn allereerste kennismaking met Bertus Raats was. Sindsdien zijn we elkaar niet uit het oog verloren.
We zaten niet alleen, meer dan veertig jaar, in dezelfde club, woonden decennialang op een steenworp van elkaar en hadden dezelfde  passies als wielrennen en schrijven maar waren ook gefascineerd door het fenomeen fietsen achter motoren. Als, inmiddels gepensioneerde gangmaker,  kon Bertus daar smeuïg over vertellen. Dat waren verhalen over intriges, hoe het spel gespeeld moest worden, domme gangmakers, complotten en verkochte koersen.
Voor mijn nieuwe, nog uit te geven boek met wielerverhalen, had ik daar twee maanden geleden dankbaar gebruik van gemaakt, door Bertus te interviewen over zijn belevenissen als gangmaker tijdens Bordeaux-Parijs. Het werd een prachtig verhaal van bijna tweeduizend woorden waarvan een klein uittreksel op dit blog staat.
Er waren ook hoog oplopende conflicten tussen ons. Als ik, als toenmalig redacteur van het clubblad van Ulysses weer eens meende om een ‘fout’ iemand aan de schandpaal te moeten nagelen,werd dat door Bertus niet in dank afgenomen. Na tijden elkaar niet te willen zien werd het weer bijgelegd.
In de fietsenzaak van Ger Hermans, hier in de Watergraafsmeer, zagen we elkaar wekelijks, dronken een bak koffie en kletsen wat bij.
Raats, freelance sportjournalist bij de Telegraaf, haalde ook de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen boven water en beschreef dat in een serie boeken dat bij iedere liefhebber in de boekenkast behoort te staan.
Vorige week mailde Bertus nog dat hij, voor een door mij te schrijven verhaal, nog wat informatie had die hij deze week zou opsturen. Dat kan helaas niet meer. Afgelopen weekend stierf Bertus Raats in het harnas, om maar een vreselijk cliché te gebruiken. Tijdens zijn andere passie, het organiseren van rally’s voor oldtimers, kwam zijn auto in botsing met een bestelbus. Bertus Raats werd 72 jaar.

Foto: Hilco Koke

Hoe Jules de geest kreeg in het Vondelpark

 

De start in het Vondelpark

Parijs had zijn Criterium der Azen, een prestieus stratenrondje waaraan alleen uitgenodigde profrenners aan deel namen. In 1923 werd deze gewonnen door de Flandrien Jules Vanhevel. Dat zelfde jaar kreeg Amsterdam zijn eigen Azencriterium, dat gehouden werd in het Vondelpark. Vijfendertig toenmalige toprenners waaronder klassiekerswinnaars waren naar Mokum gekomen.
Om ‘vedetten’te zien koersen, daarvoor moest in de buidel gegraaid worden, want de toegangsprijs was 1.20 gulden: toentertijd een kapitaal. Omdat het Vondelpark langzaam in het moeras dreigde weg te zakken, iets dat de laatste tien jaar ook bijna gebeurde, en er een herstelprogramma voor op stapel stond, was de netto opbrengst voor de restauratie van het park.
Hoogstwaarschijnlijk kon dat laatste het massaal opgekomen volk geen ene moer schelen. Die kwamen voor de Vlaamse ‘kleppers’, zoals Vanhevel, winnaar van de ronde van Vlaanderen 1920. En laat die Jules in het park nou ook nog eens de geest krijgen…

Om op eigen bodem ‘Ollanders’ een pak ros te geven is voor Vlamingen altijd lekker. Na afloop van de koers, met links Omer Huysse, Lucien Buysse en Amaat Dossche.

Na tachtig kilometer had Jules twee kilometer voorsprong en toen, toen was er geen koffie maar brak zijn ketting. Het was uiteindelijk Omer Huysse, afkomstig uit Kortrijk, die won. Zijn Vlaamse streekgenoten Lucien Buysse en Amaat Dossche werden twee en drie. Lokale favoriet Piet Ikelaar werd vierde. Heel raar, maar koersen op de stoffige grindpaden die het park rijk was, daar wordt een renner hard van en  het schijnt ook nog eens gezond te zijn…
Drie jaar later, in  een verschrikkelijke sneeuwstorm, tijdens de beklimming van de col d’Aspin, danste Lucien van al zijn tegenstanders weg en won daardoor de Tour d’France van 1926 met één uur voorsprong.

Onder de kreet ‘opdat we nooit mogen vergeten’ staat er sinds afgelopen juni, aan de voet van de col de Aubisque, Luciens borstbeeld: geschonken door inwoners van Wondergem, Buysse’s  geboorteplaats. Overigens: Jules werd 74 jaar, Buysse 88 jaar, Huysse 87 jaar.  Piet Ikelaar nam revanche door 96 jaar te worden…
Het park was dé uitgelezen plek voor de sport. In 1932 werd de jaarlijkse Vondelparkloop gehouden waarbij gestreden werd om de Ovolmatine-Beker. Tientallen politieagenten moesten de massaal toegestroomde menigte in bedwang houden. Het publiek, tien rijen dik, zag Jan Zegers, een atleet van A.A.C., winnend over de streep gaan.
Na de oorlog werd jaarlijks de wielerronde van het park gehouden, een koers die zo’n vijftien jaar geleden zielloos ten onder ging.

Rijen dik waren getuigen van de overwinning van Jan Zegers

Het park is nu het domein voor le tout Amsterdam. Gesport wordt er nog volop. Soapsterretjes, artiesten, zogenaamde BN-ers, rennen op kekke  loopschoentjes over de paden. En vorige week zag Stuyfssportverhalen ‘met eigen ogen’ zanger Dries Roelvink, in een té strak loopbroekje  door het park stakkeren.
Je zou toch bijna wensen dat het moeras terugkwam…
Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

 

Met getrokken pistool bij de motor…

Foto 1

Na een jaar speuren en onderzoek verschijnt het boek ‘Flirt met de Dood’, dat, gezien de recensies en verkoop,  een succes blijkt te zijn. Maar het verhaal vertoont toch ‘witte vlekken’, feiten waar niet meer achter te komen is. Om de biografie van Piet Dickentman, Amsterdams allereerste international sportheld, te schrijven was een heidense klus, want de man was meer dan honderd jaar geleden actief. Dan is het maanden na het uitkomen van het boek! Struinend op een boekenmarkt worden drie vooroorlogse jaargangen  van een het Vlaamse sportblad  gescoord. Beduimelde, fragiele en kwetsbare tijdschriftjes maar barstensvol wielerverhalen, uitslagen én foto’s. En bladerend in één van die blaadjes stuit Stuyfssportverhalen op een interview met…Dickentman. In het drie pagina lange verhaal vult   Piet, dan vier jaar gestopt als stayer, de ‘witte vlekken’ in . Een nachtmerrie voor de biograaf, maar ook weer niet. Want Mokums allereerste wereldkampioen vertelt een prachtig, smeuïg verhaal over de ‘cowboytijd’ van het stayeren waarbij renners miljonair werden maar ook als witjes dood vielen. De lezers maar ook de vaste bezoekers van deze blog, willen we dat niet onthouden…
‘Ik ben begonnen op de fameuze quint Mulder’, begint Piet zijn verhaal. ‘Wij reisden heel Europa af en op één van deze reizen ontdekte ik mijzelf als stayer. Piet, jongen, daar zit wat in, dacht ik. Ik probeerde het en het ging meteen goed, ik maakte naam waarna ik mij in Berlijn vestigde.’
Voor Dickentman was Berlijn het middelpunt van waaruit hij heel Duitsland en Frankrijk bestreek: de stayerslanden bij uitstek. ‘In mijngoede tijd’, gaat hij verder, ‘Was het stayeren de hoofdschotel van elk programma. Iedere zondag waren de banen afgestampt vol, of het nu in Berlijn, Dresden, Parijs, Maagdenburg of waar dan ook was.’Volgens Dickentman was dat geen kleinigheidje, want de Amsterdammer kon en moest volle bak geven. ‘Elke koers moest je de volle honderd kilometer rijden en goed ook, want steeds wist je dat je gevaarlijke concurrenten had, die op je plaats loerden. Die je wilden verdrijven.’

Foto 2

Brandenburg
In de geraadpleegde archieven kwam een beeld naar voren dat Dickentman een trainingsbeest was dat zijn lijf goed verzorgde, maar in de Sport Revue geeft hij nog niet bekende details prijs. ‘Het publiek eiste veel, het publiek eiste alles en daarom moest je je body tot het uiterste trainen. Zo reed ik steevast iedere morgen achter de motor, maar dat was nog niet alles. Vrijwel ieder dag ging ik de weg op en reed van Berlijn naar Brandenburg en terug en dat is een afstand van honderdveertig kilometer.’ Van Dickentman was ook bekend dat hij regelmatig op de fiets naar Amsterdam reed.
Ruige wereld
In Kopenhagen 1903 behaalde Dickentman de wereldtitel bij de profstayers, de enige in zijn indrukwekkende carrière die bijna dertig jaar duurde. Het prehistorische stayeren was een ruige wereld waarin renners en gangmakers wekelijks hun leven op het spel zetten, en dat laatste leverde bij de beoefenaars een bepaalde vorm van fatalisme op, dat op de toenmalige wielerbanen tot uiting kwam in een woeste, en wilde mores. Ook bij de wereldtitelstrijd in Denemarken.
‘Het was een mooie maar uiterst moeilijke race’, vertelt Dickentman. ‘De toestand was nogal gespannen. De nacht voor de race sliep mijn gangmaker met een getrokken pistool bij zijn motor. Zo bang waren wij dat de concurrentie de motor zou saboteren, want dat was géén bijzonderheid in die dagen. Robl (dé onklopbare stayer in die dagen: Stuyfssportverhalen), die ook in 1901 en 1902 de wereldtitel veroverde, was de grote favoriet. De avond voor de koers trakteerde hij al zijn vrienden op champagne, zó zeker was hij van zijn overwinning. Verder waren Contenent en Görnemann ernstge kandidaten voor de titel. Zestig kilometer lang heb ik gestreden voordat ik hen, maar vooral Robl, van mij afgeschud had. Maar het lukte, want daarna was ik zeker van de overwinning. Robl liet ik ten slotte negen ronden achter mij, terwijl Görnemann vijftien banen verloor. Later heeft de koning van Denemarken, die de gehele race meemaakte, mij eigenhandig de overwinningsmedaille uitgereikt’.
Herr Knorr
De wereldtitel was lekker meegenomen, verhoogde zijn marktwaarde maar was niet zijn belangrijkste overwinning. ‘Mijn mooiste overwinning was op de wielerbaan van Steglitz in het Berlijn 1910. Herr Knorr (dé allerbelangrijkste manager in die tijd: Stuyfssportverhalen) had ruzie met de UCI en wij, zijn renners, mochten van hem niet aan het wereldkampioenschap in Antwerpen meedoen. Als wraak organiseerde Knorr, in Berlijn, het Oberweltmeisterschaft. Daar deden tien gewezen wereldkampioenen aan mee. Deze honderd kilometerrace die de mooiste van mijn leven was, won ik. De Steglitzbaan was binnen een dag uitverkocht. Er zaten meer dan dertigduizend man. De minste plaatsen kosten toen drie mark, in die tijd een heel bedrag. Knorr heeft er schatten aan verdiend. Toen ik na afloop van die wedstrijd aan hem vroeg of het goed gegaan was met de financiën, antwoordde hij met Nah gerade ausgekommen. Hij vroeg er ook bij of ik ’s nachts om vier uur met mijn automobiel even op de baan wilde komen. Om hem met iets te helpen. Ik ben gegaan en zal die tocht nooit meer vergeten. Samen hebben wij het geld, dat Knorr die avond verdiend had, in mijn wagen geladen. Tientallen zakken met klinkende munt heb ik toen naar de bank gereden, omdat mijnheer Knorr Gerade auskomen was.’

Foto 4:

Foto 1: Vlak voor het startschot van de Grote Prijs van Berlijn. Rechts Piet Dickentman, naast hem, met witte pet, herr Knorr, en uiterst links Franz Krupkat: in 1927, tijdens de Grote Prijs van Leipzig doodgevallen.

Foto 2: Diploma behorende bij de wereldtitel en hangend in de kantine van Olympia, de club van Piet Dickentman.

Foto 3: De strijd is gestreden en Piet Dickentman heeft de wereldtitel binnen. Links gangmaker Adolf Thormann. De twee mannetjes naast Dickentman zijn bondsbobo’s  Jacq Heck en J. Gelderman.

Foto 4: de kantine van de Amsterdamse wielervereniging Olympia waar zich de fiets, shirts, diploma en overwinningslint van Piet Dickentman zich bevinden. Belangrijke Nederlandse sportrelikwieën dat eigenlijk in een museum thuis hoort.

Foto’ s: Archief Stuyfssportverhalen, Hilco Koke

 

 

Bloemen en erkenning voor Van Bruggen

Ze zijn  er niet veel, wielerverenigingen met een wereldkampioen op de ledenlijst.  Wielervereniging Amsterdam dus wél. Sinds vorige week mag Herman van Bruggen, lid van WVA, zich de snelste master ter wereld noemen (zie verhaal hieronder).
Voor aanvang van de wekelijkse koers, georganiseerd door WVA en gehouden op parkoers Sloten, kreeg de verse wereldkampioen bloemen en het daarbij behorende toespraakje. En er was maar één man die dat laatste kon en mocht doen: Tim Krabbé.
Voor het front van bijna honderdvijftig renners waaronder profs als een Kenny van Hummel had schrijver  Krabbé iets ‘recht te zetten.’  Krabbé heeft een haatliefde relatie met Van Bruggen maar dan op sportief vlak. Als jochie was de schrijver getuige dat Van Bruggen in het Olympisch Stadion, bij de nationale kampioenschappen achtervolging, achter Geldermans het zilver pakken. Niet wetende dat ze twintig jaar later als koersmakkers met elkaar zouden optrekken.

Voor de aanwezige jeugdige renners merkte de schrijver fijntjes op, dat die de wereldtitel van een vierenzeventigjarige vooral niet moeten onderschatten. ‘Probeer het maar eens om op een geaccidenteerd terrein met een stilstaande bocht een afstand van dertig kilometer met een gemiddelde van veertig kilometer te rijden.’
Krabbé had altijd bewondering voor Van Bruggen maar ‘haatte’ hem soms ook. ‘Haat’ die alles te maken had met de ploegentijdrit.
In de zeventiger jaren maakte Krabbé, samen met onder andere Fred van Lachterop, deel uit van de fameuze tijdritploeg van GGMC, waar Van Bruggen de machinist van was.  Met een tempobeul als Van Bruggen, die tijdrijden tot een soort levendoel had en heeft gemaakt, moet dat geen pretje zijn geweest.
In het boek ’42 Wielerverhalen
’ van Krabbé, verplichte kost voor iedere sportliefhebber, speelde Herman een hoofdrol: zei het dat Krabbé hem opvoerde met het synoniem, ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij, op een zaterdagmiddag op Sloten uiteindelijk kreeg. Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé af.