De wielerbaan lag er perfect bij. De Star and Stripes stonden strak aan de vlaggenstokken, op het middenterrein speelde de brassband The Battle Hymne of the Republic. En de zakken met popcorn waren niet aan te slepen. Gelokt door het topprogramma waren vijftienduizend Yanks erop af gekomen. De Charles River Track, houten tribunes én wielerbaan, kreunde en kraakte als een oud wijf in de winter. Dertig mei 1903, stayerskoers in Cambridge, Massachusetts.
Op het aanplakbiljet vier regionale helden. En geen aangewaaide boerenlullen. Stinson, Moran, Walthour en Elkes, outlaws, voormalige premiejagers in de beruchte Amerikaanse zesdaagsen, overgestapt naar het stayeren, stonden aan de start. De twee laatste, Walthour en Elkes, vers terug van een succesvolle Europese tournee.
Walthour had op de Duitse wielerbanen huis gehouden, en Elkes had heel Parijs versteld doen staan met een nieuw wereldrecord achter de motor. Bij het zien van Harry Elkes, een mooie jongen, begonnen de girls spontaan te soppen in hun directoire. Evengoed had Elkes, financieel goed geboerd, het stayeren wel gezien. Vond het iets te link. Vier Juli, dé Amerikaanse feestdag, zou zijn afscheidskoers worden. Harry, zijn toekomst goed uitgestippeld, had zich aan de universiteit van Pennsylvania laten inschrijven voor een studie medicijnen. Maar eerst nog even een vet contract verzilveren in Cambridge, een voorstad van Boston. De motoren werden gestart. De ’20 mile of Cambridge’ nam een aanvang. Begin van de zestiende mijl een luide knal. Klapband voor Harry Elkes.
Mooie Harry, met zeventig in het uur slingerend achter de motor. Stuurt in een reflex omhoog. Laat daarbij, als een rem, zijn voet slepen over de baan. Grijpt in doodsnood de balustrade beet in een wanhopige poging te stoppen. Harry valt en schuift over de baan naar beneden. Gangmaker Frank Gately en zijn renner Willie Stinson denderen over hem heen, en belandden in het publiek. Met ernstig schedelletsel wordt de recordhouder in paard en wagen naar het Homeopathic Hospital in Boston afgevoerd.
Op weg naar het ziekenhuis besluit Harry Elkes af te reizen naar de Grote Stayershemel. Harry Elkes, vijfentwintig geworden, wordt begraven op het Glens Falls Cemetery in zijn thuisstad Glens Falls, Warren County, New York. Vrienden en fans zorgden er voor dat de recordhouder niet vergeten wordt. Paar maanden na zijn hemelvaart verschijnt op zijn graf een groot granieten monument met een gevleugeld wiel met de tekst: Harry D. Elkes Champion Cyclist of The World.
En Willie Stinson? Deze werd zwaargewond afgevoerd. Om niet veel later zijn plekje achter de motor weer in te nemen. Hij kon het ongeluk navertellen: maar dan wél met één oog minder. Altijd al een mazzelpik geweest, die Willie.
Bron: New York Times jaargang 1903.




r Zondagmiddag 28 juli 1930. Niet alleen een prachtige dag maar ook de laatste voor Leo Leene op dit ondermaanse. Gecontracteerd voor een stayerskoers over twee manches met tegenstanders als een Snoek, Van de Wulp en de Duitser Neuman. Tweede manche. Leene gegangmaakt door Jan Slesker, slaat bij ‘tachtig in het uur’ een aanval van Snoek af, trekt daarbij iets te hard aan zijn stuur, begon te slingeren. Leene viel te pletter tegen de baan waarbij zijn valhelm eraf vloog. Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Had de Haagse stayer zijn valhelm een gaatje strakker getrokken dan had zijn buurt niet uit hoeven te lopen bij zijn begrafenis. Terwijl de grafdelver op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik de laatste schep aarde oplepelde, stopte de eerste rouwkoets voor Leenes huis. 














De gewone maatschappij lag hem niet. Huisje, boompje, beestje? Hij gruwde daarvan. De brave burgermaatschappij kon zijn rug op. Johnny Schlebaum, een vrije jongen die zich niet liet knechten. En al helemaal niet door een baas. Johnny, zoon van een kolenhandelaar uit de Jordaan. Sterk als een gorilla in de paartijd. Loste voor zijn ouwe heer regelmatig en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk daardoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum besloot stayer te worden. Beschouwde dat als een heus vak. En een vak moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.
Johnny Schlebaum, serieus genomen, kreeg in 1920 zowaar een contract voor de Grote Prijs van Antwerpen. Johnny kwam en won. Voor de Jordanees een zoete wraak. Hoe vaak had hij wel niet om een contractje gebedeld bij Jan van de Berg, directeur van het Amsterdamse Stadion? Van de Berg ging overstag en Schlebaums naam prijkte ook op de Mokumse affiches. Wat een journalist zich Johnny’s kolenloopbaan deed herinneren. Prompt verscheen een verhaal in de krant waarin de Jordanese stayer met de bijnaam ‘roetmop’ werd neergezet. De scribent, met gevoel voor sensatie maakte zijn lezertjes ook wijs dat ‘Roetmop’ een gewezen schoorsteenveger was. De media ging daarmee aan de haal. Kreeg er niet genoeg van. Foto’s, woeste verhalen wel of niet waar, en gedichten vulden de kolommen. Johnny, dat jochie uit de Lindenstraat, werd een cultheld. En met zijn niet aflatende aanvalslust in de koers was zijn kostje gekocht.
Johnny Schlebaum boerde als stayer financieel goed. Werd vier keer kampioen van Nederland en behoorde in het interbellum tot de beste rolrijders van Europa. Kocht van zijn geld een sigarenzaak. En dat laatste had hij nou nóóit moeten doen. Dodelijk voor zijn image. Het beeld van ‘a Rebel Without a Cause’, kantelde. De definitieve ‘doodsteek’ was dat er een sigaar naar hem werd vernoemd. De Schlebaumbolknak. Lulliger kon het niet. Was Johnny nou maar gestorven in het harnas… Dan had zijn naam nu nog rondgezongen. Maar Roetmop zakte weg in de grijze anonimiteit en stierf op achtenzestigjarige leeftijd.

