Mooie Harry liet de girls soppen

De wielerbaan lag er perfect bij. De Star and Stripes stonden strak aan de vlaggenstokken, op het middenterrein speelde de brassband The Battle Hymne of the Republic. En de zakken met popcorn waren niet aan te slepen. Gelokt door het topprogramma waren vijftienduizend Yanks  erop af gekomen. De  Charles River Track, houten tribunes én wielerbaan, kreunde en kraakte als een oud wijf in de winter.  Dertig mei 1903, stayerskoers in Cambridge, Massachusetts.
Op het aanplakbiljet vier regionale helden. En geen aangewaaide boerenlullen. Stinson, Moran, Walthour en Elkes, outlaws, voormalige premiejagers in de beruchte Amerikaanse zesdaagsen, overgestapt naar het stayeren, stonden aan de start. De twee laatste, Walthour en Elkes, vers terug van een succesvolle Europese tournee.
Walthour had op de Duitse wielerbanen huis gehouden, en Elkes had heel Parijs versteld doen staan met een nieuw wereldrecord achter de motor. Bij het zien van Harry Elkes, een mooie jongen, begonnen de  girls spontaan te soppen in hun directoire. Evengoed had Elkes, financieel goed geboerd, het stayeren wel gezien. Vond het iets te link. Vier Juli, dé Amerikaanse feestdag, zou zijn afscheidskoers worden. Harry, zijn toekomst goed uitgestippeld, had zich aan de universiteit van Pennsylvania laten inschrijven voor een studie medicijnen. Maar eerst nog even een vet contract verzilveren in Cambridge, een voorstad van Boston.  De motoren werden gestart. De ’20 mile of Cambridge’ nam een aanvang. Begin van de zestiende mijl een luide knal. Klapband voor Harry Elkes.
Mooie Harry, met zeventig in het uur slingerend achter de motor. Stuurt in een reflex omhoog. Laat daarbij, als een rem, zijn voet slepen over de baan. Grijpt in doodsnood de balustrade beet in een wanhopige poging te stoppen. Harry valt  en schuift over de baan naar beneden. Gangmaker Frank Gately en zijn renner Willie Stinson denderen over hem heen, en belandden in het publiek. Met ernstig schedelletsel wordt de recordhouder in paard en wagen naar het Homeopathic Hospital in Boston afgevoerd. 
Op weg naar het ziekenhuis besluit  Harry Elkes af te reizen naar de Grote Stayershemel. Harry Elkes, vijfentwintig geworden, wordt begraven op het Glens Falls Cemetery in zijn thuisstad Glens Falls, Warren County, New York. Vrienden en fans zorgden er voor dat de recordhouder niet vergeten wordt. Paar maanden na zijn hemelvaart verschijnt op zijn graf een groot granieten monument met een gevleugeld wiel met de tekst: Harry D. Elkes Champion Cyclist of The World.
En Willie Stinson? Deze werd zwaargewond afgevoerd. Om niet veel later zijn plekje achter de motor weer in te nemen. Hij kon het ongeluk navertellen: maar dan wél met één oog minder. Altijd al een mazzelpik geweest, die Willie.
                                                                                                                                                                                                                                                          Bron: New York Times jaargang 1903.

Brandende motoren en stervende jongens

Gebroken rolde hij uit het ledikant. Geteisterd door angstvisoenen wéér de hele nacht wakker gelegen. Fietsen achter die pokkenmotor…  Was het dat allemaal nog wél waard? Krabbend aan zijn zak dacht hij aan z’n  bankrekening van  honderdzestigduizend goudmark.  Zoveel had hij als kleermaker  nooit kunnen verdienen. De punten van de snor werden met een flinke kluit pommade in vorm gedraaid. Nog maar een paar maanden dan is het voorbij, hield hij zich voor. Tijdens het toiletmaken zag hij in de scheerspiegel een man van bijna veertig jaar wiens beste jaren voorbij waren. Na het ontbijt controleerde hij zijn Brennabor-fiets, en pakte de valies. Richard Scheuermann, een gewezen kleermaker, was op weg naar de Richler-wielerbaan waar die dag de Grote Prijs van Keulen werd verreden. Zeven september 1913, was  ook de dag dat Richard Scheuermann afkomstig uit Breslau, ging sneuvelen  in één van de meest bloederige koersen ooit.
De tribunes waren angstig vol. Er kon geen Duitse muis meer bij. De kaarten waren in één dag uitverkocht. Max Hellrung, voorzitter van de Kölner-Renn-Verein,  had het weer voor elkaar gekregen. Vier topstayers, Günther, Stellbrink, Guignard en Scheuermann, had hij weten te strikken. Een mazzeltje voor de organisatie dat die  Guignard een week daarvoor wereldkampioen was geworden. Richard Scheuermann, dertien jaar prof, in het lijstje van veertig best verdienende Duitse stayers op de vierde plaats, gepokt en gemazeld in tientallen zware stayerskoersen maar ook een renner met beperkte houdbaarheidsdatum, zocht direct het duel met Guignard op. De Breslauer, gegangmaakt door Emile Meinhold, was niet te stuiten. Vloog er met zijn ouwe lijf vol in.
Het Rijnlandse publiek kreeg waar voor hun duur betaalde pfenningen en marken. Het werd een lekker spektakel, sensatie waar je fijne gevoelens in de onderbuik bij krijgt: maar dan wel één uit de twilight zone. Halverwege koers een harde klap; gangmaker Gus Lawsons voorband springt uit elkaar. Met  negentig in het uur stort Gus tegen het beton. Zijn renner Guignard stuurt er wonderlijk genoeg omheen. De aanstormende combinatie Meinhold/Scheuermann klapt er vol op. Een opmaatje voor een inferno. Brandende motoren  en stervende jongens. Zwaargewond werd Scheuermann afgevoerd.
brandgangmaakmotorSamen met  Gus Lawson  vertrok Richard Scheuermann een dag later naar de Grote Stayershemel. Gangmaker Meinhold, met ernstige brandwonden afgevoerd, werd eerst doodverklaard maar kwam  na een diepe coma weer bij kennis. Scheuermann, zevenendertig jaar geworden, werd begraven op de Pohlanowitz begraafplaats in Breslau. Drama in optima forma. Anno 1913 deed dat ’t heel goed, en dat werd er even goed in geramd. Scheuermanns hemelgang werd  met een ansichtkaart, in grote oplage herdacht. Een luguber kaartje compleet met de Engels des Doods, graftakken, geboorte- en sterfdatum. Moet een fijne verrassing zijn geweest om zo’n ansicht uit de brievenbus te vissen.

Bron: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1913.

Mooi grafmonument voor Gronings publiekslieveling

Cowboys waren het. Tikkeltje desolate figuren die voor de poen er altijd invlogen. Aardige stayers, maar tweede garnituur. Kerels die de  kleinere wielerbanen afstroopten waar bloederige duels werden uitgevochten. In de hoop door een  grote manager opgemerkt te worden en bereid tot het gaatje te gaan. Dat soort renners  kon in de povincie nog aardig verdienen. Leo Leene was er zo één.
Begonnen als sprinter. Nam deel aan de Spelen van Parijs 1924. Behoorde tot de beteren van het land.  Maar verdiende daar geen reet mee. Zette de zaken op een rijtje en kwam tot één conclusie. Leo Leene werd stayer en kocht van zijn broer een stayersfiets. Leene een maatje te klein voor de Europese wielerbanen, dook het provinciale circuit in. Terwijl op de Duitse wielerbanen met enige regelmaat de stayers van de baan werden geschraapt, gebeurden in het gezapige Holland ook spannende dingen. Zoals op de Groningse wielerbaan aan de Paterwoldschenweg. ‘Leo Leene en Van de Wulp komen’, kopte het Nieuwsblad van het Noorden.  Haagse  Leo, telg uit een roemrijk wielergeslacht, had in het noorden een reputatie te verdedigen. Was publiekslieveling nummer één. Leo, vier koersende broers waaronder een Olympisch kampioen,  gaf waar voor zijn geld. Zocht de uitdaging op, en dat kostte hem zijn leven.
r Zondagmiddag 28 juli 1930. Niet alleen een  prachtige dag maar ook de laatste voor Leo Leene op dit ondermaanse. Gecontracteerd voor een stayerskoers over twee manches met tegenstanders als een Snoek, Van de Wulp en de Duitser Neuman. Tweede manche. Leene gegangmaakt door Jan Slesker, slaat bij ‘tachtig in het uur’ een aanval van Snoek af, trekt daarbij iets te hard aan zijn stuur, begon te slingeren. Leene viel te pletter tegen de baan waarbij zijn valhelm eraf vloog. Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Had de Haagse stayer zijn valhelm een gaatje strakker getrokken dan had zijn buurt niet uit hoeven te lopen bij zijn begrafenis. Terwijl de grafdelver op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik de laatste schep aarde oplepelde, stopte de eerste rouwkoets voor Leenes huis.
Jong en dramatisch sterven staat garant voor een mooie uitvaart. Leo Leene, opgehaald door een lijkkoets getrokken door  paarden, gevolgd door zes koetsen en een tiental auto’s kreeg ook een onvergetelijke. De hele Haagse Newtonstraat stond op de stoep of hing uit het raam. Leene, dertig jaar geworden, kreeg van zijn sportvrienden een grafmonument opgetrokken uit Silezisch marmer voorzien van een bronzen plaat. Op zijn graf beloofden bewonderaars in toespraakjes hem nooit te vergeten. Loos gekletst.  Twintig jaar geleden werd het graf van de volkomen vergeten Leo Leene geruimd.

 

Foto 1: Leene achter Jan Slesker, Foto 2: Leo Leene, Foto 3: De Haagse Newtonstraat was er voor uitgelopen. foto: Haags Gemeentearchief

Bron oa: Nieuwsblad van het Noorden, Sport in Beeld jaargang 1930

Posted in Stayeren. Tags: . 2 Comments »

Arthur zag het allemaal niet meer zo

De man was een fenomeen en in heel Europa bekend. Zijn naam danste meer dan vijftig jaar in de kolommen van de sportpagina’s. En anno nu is hij nu totáál vergeten. Was hij maar in het harnas gestorven. Dan was zijn plekje in de sportgeschiedenis verzekerd: per slot moet je daar wat voor over hebben. Arthur Pasquier deed dat niet. Ging als gangmaker iets te lang door. Zat op het laatst half dementerend op de motor.

Als renner moest je wel  een beetje knetter zijn. Arthur Pasquier, een handige opdonder, construeerde zijn eigen gangmaakmotor. Wat hartstikke link was. Het was altijd maar de vraag of de moeren goed aangedraaid waren. In een sport waarin binnen enkele decennia tientallen beoefenaren de dood vonden, werd er niet zo nauw gekeken. Leon Didier, een aardige stayer, durfde het wel aan.  Achter  Pasquier op diens zelfgeknutselde motor reed Leon in een uur meer dan honderd kilometer. Een werelduurrecord. En dat in 1912. 
Pasquiers naam was gevestigd. De Parijzenaar was zo’n  gangmaker die niet alleen de gashandel bespeelde maar ook de intriges beheerste. Een gouden combinatie in het stayeren. Victor Linart, een talentvolle stayer, zag dat scherp. Linart en Pasquier terroriseerden meer dan dertig jaar de wielerbanen. Pasquier, meer dan duizend koersen gewonnen waaronder vier wereldkampioenschappen, dozijnen nationale kampioenschappen, had een lange gangmakerscarrière. Te lang. De man had eigenlijk op een grootste en meeslepende wijze de sport moeten verlaten. Het liefst zo dramatisch mogelijk. Een dodelijke val in  een bomvol stadion in Frankrijk is namelijk goed voor een heldenverering. Straten, sporthallen en stadions worden naar je vernoemd. Voor de naamsbekendheid, én het nageslacht altijd fijn.
Voor het geld hoefde hij het niet te doen want was  inmiddels binnengelopen. Woonde in een groot landhuis met de naam ‘Bij Arthur’. Maar de Fransman snakte naar aandacht. Was op hoge leeftijd nog actief. Werd als een stramme grijsaard op de motor geholpen. Ouwe kerels horen niet op gangmaakmotoren thuis. Ook niet ’s wereld beste gangmaker. Arthur zag het allemaal niet meer zo nauw en hoorde nog minder. Zijn renner kon ‘ho’ schreeuwen wat hij wilde, Arthur remde niet bij en kachelde gewoon door. Haalde met enige regelmaat zijn eigen renner in.
Voor Arthur Pasquier, decennialang de koning van de Europese wielerbanen kwam het afscheid in 1962. In het Parc des Princes werd hij op bijna tachtigjarige leeftijd voor het laatst op een gangmaakmotor gehesen. Of zijn renner Roger Godeau na afloop bruine strepen in zijn koersbroek had, is niet bekend.

Foto 1: 1912, Op zijn eigen geknutselde motor trok  Pasquier  Didier naar een werelduurrecord.

Foto 2: Victor Linart achter de ‘petroleumtandem’ met gangmaker Pasquier. 

Foto 3: Antwerpen, winter 1934. Stayerskoers in twee manches. Arthur Pasquier met renner George Ronse. In de eerste manche moet er iets vreselijks zijn gebeurd. In Georges ogen staat pure doodsangst. En Pasquier maar kletsen tegen zijn poulain dat het allemaal wel meevalt.

 

In Alkmaar begon de victorie

Milaan 1951, de Vigorelliwielerbaan. Finale wereldkampioenschap stayeren met onder meer  Jan Pronk en Kees Bakker. Het werd een gedenkwaardige koers, met van die fijne en spannende incidenten. Gangmakers die na afloop hun collega’s met de dood bedreigden, supporters die er tussen moesten springen. Een renner als zesde geëindigd die de  huldigingsronde meereed. En een outsider als winnaar. Kortom een leuke finale, met alle ingrediënten die stayeren zo fascinerend maakten.  Jan Pronk ging de geschiedenis in als de terechte wereldkampioen 1951, maar wél met dank aan Kees Bakker. Pronk was  pas de tweede landgenoot die dat kunstje flikte. Bijna vijftig jaar eerder had Piet Dickentman de primeur.
Jan Pronk, ruim de dertig gepasseerd, had meerdere keren aan wereldkampioenschappen meegedaan. En stond na afloop altijd met lege handen. Op de Vigorellibaan stond voor hem nog een kleine rekening open.  Pronk was daar in 1939 ook in actie. Deed mee als sprinter aan het wereldkampioenschap en kwam de series niet door.  In de oorlog scharrelde Jan zijn kostje als prof bij elkaar. Werd nog een keer nationaal sprintkampioen en besloot na  de bevrijding achter de motor te rijden.  Pronk een degelijke en goed stayer, graag gezien op de Europese banen, werd gegangmaakt door Frits Wiersma. De Noord-Hollandse rolrijder was  zuinig op zijn lijf. Trainde niet meer dan zeventig kilometer per dag, maar wel het hele jaar door. 
En dan is het de finale om de mondiale stayerstitel. Pronk neemt direct de leiding.  Landgenoot Kees Bakker, achter Bertus de Graaf en op meerdere ronden achterstand, dekte zijn landgenoot af en ving alle aanvallen op. In de kleedkamer, onder toeziend oog van het journaille, bedankte Pronk zijn landgenoot uitvoerig. Aardig detail was dat Bakker, ondanks zijn zesde plek, ook de huldingsronde van Pronk, meereed. Wat niet echt handig was: ‘in de slag zitten’, hoort bij de koers, maar laat het niet overduidelijk blijken.
Wat er precies speelde is niet duidelijk, wél dat er  tussen de gangmakers een sluimerend conflict was.  Hoogstwaarschijnlijk hadden Frits Wiersma en Bertus de Graaf zich niet aan afspraken gehouden.
Want na  het verlaten van de baan werden ze opgewacht door de Duitse gangmakers. Een beginnende kloppartij werd door Nederlands supporters voorkomen. Renners, gangmakers en supporters, zo’n honderd man, gingen Jans titel vieren.
In een restaurant werden door chef d’équipe, John Stol, achtennegentig glazen Chianti besteld en twee glazen melk, waarmee geklonken werd op Pronks titel. Dat het laatste voor Pronk en Bakker was laat zich raden

Bij terugkeer in Alkmaar kreeg de verse wereldkampioen van het gemeentebestuur een grote tabakspot met de passende belettering dat ‘in Alkmaar de victorie’ begon. Pronk, inmiddels vierennegentig jaar en nog scherp van geest, bewaart zijn sporttrofeeën ergens in huis. Maar de tabakspot staat nog steeds pontificaal in zijn huiskamer. Als herinnering aan zijn allergrootste overwinning, van een groot sportman.

Bron: Sportief jaargang 1948, dagblad De Waarheid en Het Limburgs Dagblad, jaargangen 1951.

Henny Marinus zat twee keer in een ‘slaggie’

De Westertoren moet hij ieder dag zien, en horen.  Geboren en getogen Jordanees Hennie Marinus woont nog steeds in zijn geliefde buurt. Vierenzeventig jaar maar nog goed in conditie.  Fietsen doet hij regelmatig. Op een  toerfietsje, dertig kilometer,  met zijn hondje voorop in een mandje. De tijd dat hij als stayer achter een zware motor raasde ligt ver achter hem. Vaak denkt hij daar aan terug.  Op een terrasje in de Jordaan ziet Marinus zijn carrière weer aan zich voorbij trekken. Voor Stuyfssportverhalen vertelt hij zijn verhaal.

‘Mooie tijden waren dat. Ik was als stayer niet echt een topper, maar ik kon goed meekomen. Ik was begonnen als wegrenner. Won bij de aspiranten, nieuwelingen en amateurs meer dan honderd koersen. Ben prof geworden om mijn vader te helpen. Die ouwe had in de Jordaan een viszaak die niet goed liep. Ik kon dat niet langer aanzien, en wilde iets terug doen. Geld verdienen voor hem. Hij was altijd mijn grootste supporter. Ik ben daarom prof geworden.’
Voor een aankomend wielertalent, begin jaren zestig, een vrijwel onmogelijke opgave. Zonder goede kruiwagen kon je dat wel vergeten. Op advies van anderen werd  Henny Marinus stayer. Op de Hollandse en vooral Duitse banen lag voor een redelijk stayer een goede boterham mét beleg.   ‘Nop Koch was juist gestopt als renner en werd gangmaker. Met mij. We werden meteen kampioen van Nederland. Ik kon eindelijk wat verdienen. Ik moest daarvoor wel overál rijden. In Duitsland verdiende ik het meest.’ 
Wil je echt iets aan het stayeren overhouden, moet je als renner ‘in de slag zitten’. Geheimzinnig begrip voor een samenwerkingsverband tussen renners en gangmakers onderling. Razend moeilijk daar tussen te komen, wat  alleen lukt met uitslagen. ‘Ik heb twee keer in een slaggie gezeten’, vertelt de gewezen kampioen. ‘Dat was met vijfvoudig wereldkampioen Timoner, een stayerslegende. Daar hield ik altijd heel leuke contracten aan over. Die man wist hoe het moest. Altijd correct voor zijn collega’s.’ Hennie Marinus, een subtopper waar altijd rekening mee gehouden moest worden, had van die dagen dat hij alles kon.  Dat laatste had gangmaker Frits Wiersma ook in de smiezen.
‘Ik heb twee jaar achter Ome Frits gereden. Die man was al op leeftijd maar op de motor heel scherp. Keurige vent die zich door niemand om liet praten. Met Ome Frits beleefde ik het mooiste moment uit mijn stayerscarrière. Dat gebeurde tijdens de  revanche van het wereldkampioenschap hier in Amsterdam. Toen een heel groot gebeuren met meer dan veertigduizend toeschouwers. Timoner, juist wereldkampioen geworden, moest winnen. Weet niet waarom, maar Ome Frits besloot door de ‘slag’ heen te rijden. Met nog een enkele ronden te rijden lagen we op kop. Winst lag voor het oprapen. Besloot gangmaker Bertus de Graaf mij op te vangen. De Graaf die met zijn renner Depaepe drie ronden achter lag, moest ik passeren.  Daar had ik mij helemaal kapot op gereden want dat duurde ronden lang . Hierdoor kon Timoner uiteindelijk nipt winnen. Het publiek stond op de banken. Een dag later kwamen legio mensen  in de viswinkel van mijn vader vragen hoe dat nou allemaal kon.’ Een vraag die gemakkelijk te beantwoorden was. Het had allemaal met geld te maken. ‘De Graaf hoopte met zijn actie goede contracten van Timoner te krijgen. Gebeurde ook. Niet alleen dat, De Graaf kreeg ook duizend gulden boete van de wielerbond wegens onsportief gedrag. Dat werd meteen door Timoner betaald.’
Dat Hennie Marinus werd geflikt voor de ogen van zijn Amsterdamse supporters ontging stadiondirecteur Dick Bessems niet.
‘Na de koers moest ik bij Bessems op kantoor komen. Ik schrok daar van. Kwam ik daar kreeg ik van Bessems tweehonderd piek in mijn handen gedrukt. Hij vond het heel sneu dat ik zo geflikt was.’
Henny Marinus, in het leven de nodige tegenslagen gehad. Sinds tien jaar weduwnaar,  en werd ook getroffen door een hersentumor. Knokte na een zware operatie zich terug. Heeft zijn leventje weer op de rails staan. Is nu gelukkig in zijn Jordaan waar hij aan Stuyfssportverhalen zijn verhaal verteld had.  
Inmiddels komt zijn enige kind, dochter Monique, aangelopen. De begroeting is wederzijds meer dan lief. Dat er een innige band tussen vader en dochter bestaat lijdt geen twijfel. Marinus had nog één vraag. Of hij voor de foto samen met zijn dochter mag poseren.  Natuurlijk. Stuyfssportverhalen maakt voor echte kampioenen altijd een uitzondering.

Foto 1: Henny Marinus achter gangmaker Frits Wiersma. 

Josef, twee voor de prijs van één

Vóór de Eerste Wereldoorlog. Ruige tijd van wildwest op de wielerbanen. Koersen achter zware motoren. Rondspattend  bloed én de sound van brekende botten.  Hangplek voor ijzerenheinige kerels. Gangmakers én stayers balancerend op het slappe koord  richting ‘gene zijde’. Afgeladen stadions. Op de tribunes, opgewonden grauw met lekkere gevoelens in de onderbuik. Josef Schwarzer voelde zich tot dát metier aangetrokken. Werd zijn wereldje.  ‘Sepp’ Schwarzer,  handige jongen, met koelvloeistof in de aderen. Kende als aankomend gangmaker alle geheime vakjes van de trukendoos. Was ook nog een verdienstelijk mecanicien. Onderhield perfect zijn motor.
Met Josef onder contract had je twee man voor de prijs van één. Piet Dickentman, Amsterdams stayerslegende, herkende dat. Nam vervolgens Schwarzer op in zijn renstal. Josef op de motor en na de koers eronder.  Voor Sepp maakte dat niets uit. De verdiensten waren goed. Avontuur volop. Met de  jongens fijn door Duitsland en Europa trekken: van wielerbaan naar wielerbaan.  En bij iedere koers nog een adrenalineshot als toetje. Wat wil je als simpele jongen nog meer?
Dickentman, inmiddels schathemelrijk, kocht de auto van koningin Wilhelmina. Schwarzer werd zijn privéchauffeur. Amsterdamse Piet,  met gevoel voor status, voorzag Sepp  van een  chauffeursuniform voorzien van koperen knopen met zijn initialen  PD. Sepp zo trots als een aap met twee lullen aan het stuur van ‘den automobiel’.
Ondanks dat vond  Schwarzer  het tijd om op eigen benen te staan. Kocht van zijn spaarcentjes een fonkelnieuwe motor en ging met de Amerikaan Louis Mettling in de slag. Mettling tweeëntwintig jaar, kampioen van Amerika, student aan de universiteit van Boston, won achter Jozef een rits koersen.
Schwarzer/Mettling kregen als beloning een contract voor de grote Oktober-Prijs van Dresden. Met negen ronden voorsprong op nummer twee lag de overwinning voor het grijpen. Louis kreeg een klapband en zou nooit meer zijn geliefde Boston terug zien.  Josef Schwarzer kon op zoek naar een andere renner. Vond die in de vijfendertigjarige Fritz Ryser. Eindelijk na jaren van sappelen kwam dan het grote succes.
Acht augustus 1908, wereldkampioenschap stayeren gehouden op de baan van Steglitz. Met de rol op de angstaanjagende afstand van slechts twintig centimeter achter de motor  leidde Sepp zijn poulain naar de wereldtitel.  Voor Josef Schwarzer en zijn renner was de grote oogsttijd aangebroken. De zakken gingen gevuld worden. Maar niet heus. Een week later tijdens de Grote Prijs van Düsseldorf ontplofte de voorband van Sepp’s motor. Schwarzer, achtentwintig jaar geworden liet een vrouw en drie kleine kinderen achter.

Foto 1: De  auto van Piet Dickentman, links, aan het stuur  Schwarzer. Links Piet Dickentman. Foto 2:  Schwarzer met stuurman Gerrit de Regt, aan de rol Fritz Ryser. Foto 3: Josef Schwarzer.

De Dood had het scenario al klaar

Juli 1967. Stayerskoers. Een van de combinaties is voor honderd procent Mokums. Gangmaker Joop Stakenburg leidt renner Bertus Raats veilig naar de finish. Staak en Raats, twee ras-Amsterdammers.  Joop lid van Olympia, Bertus van Ulysses. Waren decennialang actief in de wielersport, en  gefascineerd door het stayeren.  Dat De Dood  een wrede en onvoorspelbare rukker is blijkt wel weer. Want het scenario van  Raats en Stakenburg had hij al klaar. Beiden zouden omkomen bij een bizar dodelijk ongeluk.
Joop Stakenburg, twaalf jaar professional stayer. Behalve een derde plaats bij het nationaal kampioenschap in 1961, viel er weinig voor hem te lachen.  Wat hij als renner tekort kwam maakte hij als gangmaker meer dan goed. Behoorde tot de top. Loodste Cees Stam drie keer naar een wereldtitel. Verdiende niet alleen zijn brood op de wielerbaan maar was een groot liefhebber van het metier. Was vrijwel wekelijks met zijn renners onderweg door Europa. Op alle Europese wielerbanen was Joop kind aan huis. Dan is het 1989. Staak met zijn renner Mario van Baarle op weg naar een stayerskoers in Wenen. Het werd Stakenburg’s laatste reis. Op de autobahn in de buurt van Ausbach verongelukte  Joop Stakenburg, 61 jaar.
Raats, na zijn rennerscarrière, werd ook gangmaker. Was voornamelijk actief op de derny. Werkzaam als amanuensis bij een scholengemeenschap, ontdekte Bertus ook  ‘de gave van het geschreven woord’. Werd gewaardeerd wielerjournalist bij een hoofdstedelijke krant. Bertus Raats, zo’n man die niet moe te krijgen was. Barstensvol energie. Was betrokken bij organisaties van diverse wielerkoersen en schreef tussen door ook nog de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen, uitgegeven in een serie boekjes.
De voormalige amanuensis, want inmiddels in de vut, begaf zich ook in de wereld van de autorally: wat zijn dood tot gevolg had. September 2010. Bij het uitzetten van een rallyparkoers verongelukte de Amsterdamse wielerhistoricus.  Bertus Raats  had gisteren 74 jaar geworden. Op Bertus’ geboortedag werd zijn kleinzoon Sven clubkampioen tijdrijden. Sven verrichte dat kunstje op de fiets van zijn opa. Was Raats toch een klein beetje bij aanwezig…

Foto 1: Raats in het shirt van Ulysses achter Stakenburg. Foto 2: Een maand na het nemen van deze foto verongelukte Bertus Raats.

Foto’s: Guus de Jong en Hilco Koke

Hoe een bolknak een rebel op de knieën kreeg

De gewone maatschappij lag hem niet. Huisje, boompje, beestje? Hij gruwde daarvan. De brave burgermaatschappij kon zijn rug op. Johnny Schlebaum, een vrije jongen die zich niet liet knechten. En al helemaal niet door een baas. Johnny, zoon van een kolenhandelaar uit de Jordaan. Sterk als een gorilla in de paartijd. Loste voor zijn ouwe heer regelmatig en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk daardoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum besloot stayer te worden. Beschouwde dat als een heus vak. En een vak moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.
De voormalige kolensjouwer liep in moffenland stage. Was, als onbekende noodgedwongen alleen actief op de kleine baantjes. Van die wielerpistes die graag een héél goedkope buitenlander op de affiche  hadden. Schlebaum reed daarom voor noppes of heel weinig geld zijn koersjes. Johnny, de rebel uit de Jordaan, vocht in het ruige circuit van kanslozen om zijn plekje. Dat waren jaren van anoniem lijden, sappelen en afzien. Een harde leerschool waarbij de kloten regelmatig eraf werden gedraaid. Na drie jaar was de opleiding voltooid. De kolensjouwer uit de Jordaan was stayer.
Johnny Schlebaum, serieus genomen, kreeg in 1920  zowaar een contract voor de Grote Prijs van Antwerpen. Johnny kwam en won. Voor de Jordanees een zoete wraak. Hoe vaak had hij wel niet om een contractje gebedeld bij Jan van de Berg, directeur van het Amsterdamse Stadion? Van de Berg ging overstag en Schlebaums naam prijkte ook op de Mokumse affiches. Wat een journalist zich Johnny’s kolenloopbaan deed herinneren. Prompt verscheen een verhaal in de krant waarin de Jordanese stayer met de bijnaam ‘roetmop’ werd neergezet. De scribent, met gevoel voor sensatie maakte zijn lezertjes ook wijs dat ‘Roetmop’ een gewezen schoorsteenveger was. De media ging daarmee aan de haal. Kreeg er niet genoeg van. Foto’s, woeste verhalen wel of niet waar, en gedichten vulden de kolommen. Johnny, dat jochie uit de Lindenstraat, werd een cultheld. En met zijn niet aflatende aanvalslust in de koers was zijn kostje gekocht.
Schlebaum, een mooie jongen, voelde zich artiest. En had maar één missie: het publiek vermaken. En die kwamen aan hun trekken. Als Johnny, razend populair in Amsterdam, voor de zoveelste keer woest ten aanval trok, loeide het hele stadion de oeroude schoorsteenvegerskreet ‘hoeiii’.
Johnny Schlebaum boerde als stayer financieel goed. Werd vier keer kampioen van Nederland en behoorde in het interbellum tot de beste rolrijders van Europa. Kocht van zijn geld een sigarenzaak. En dat laatste had hij nou nóóit moeten doen. Dodelijk voor zijn image. Het beeld van ‘a Rebel Without a Cause’, kantelde. De definitieve ‘doodsteek’ was dat er een sigaar naar hem werd vernoemd. De Schlebaumbolknak. Lulliger kon het niet. Was Johnny nou maar gestorven in het harnas… Dan had zijn naam nu nog rondgezongen.  Maar Roetmop zakte weg in de grijze anonimiteit en stierf op achtenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: Het ‘oude’ Amsterdamse Stadion. Links Johnny Schlebaum.
Foto 2:  Johnny Schlebaum, boven, trekt ten aanval.
Foto 3: Schlebaum met de naar hem vernoemde sigaar.

Bron: Sportief jaargang 1947, Het Nieuws van de Dag jaargang 1958.

Ernst Feja had het niet goed begrepen

De republiek van Weimar. Hyperinflatie. Een brood voor vijfhonderd mark. Armoe troef. Ook in het wielrennen. Een beetje prof koos voor het fatalisme. Werd stayer. Lucratief maar link. Eén stuurfoutje of materiaalpech? Een ‘enkeltje’ richting kerkhof. Of anders een invalidenkarretje. Geklaagd werd er niet. Er stond een flinke zak geld tegenover. En mocht het fout gaan, dan werd er wél op spektakel gerekend. Wat dat betreft had die rits verongelukte Franse stayers dat goed begrepen. De hemelgang was Darragon, Brécy, Dangla, en Ganay was groots, meeslepend, stond bol van dramatiek. Die jongens stootten  de laatste adem uit in afgeladen stadions. Hun hemelgang deed tienduizenden tegelijk sidderen. Veroorzaakte een collectief orgasme. Bosjes vrouwen vielen in katzwijm. Massahysterie bij de begrafenis. Kranten waren dagenlang niet aan te slepen. Sensatiejournalistiek avant le lettre
Wat dat betreft had Ernst Feja het niet goed begrepen. De man piepte er haast stiekem tussen uit. Feja afkomstig uit Breslau kende een late roeping. Na een carrière als tandemrijder waarbij de muizen dood in de broodtrommel lagen, ging Ernst voor zijn portemonnee. Liet zich omscholen tot stayer. Met behulp van vrienden en supporters werd materiaal aangeschaft. Op thuisbaan Breslau ging Ernst bij gangmaker Thomas in de leer. Na een paar maanden stage verruilde Feja, zoon van een spoorwegbeambte, Thomas in voor gangmaker Junggeburth: een geharde oorlogsveteraan.
Ernst Feja mocht zich eerst bewijzen in de b-klasse. In drie seizoenen loodste de sluwe Jungeburth, middels acht gewonnen koersen, zijn poulain de hoogste klasse binnen. Feja kon zijn borst nat maken: veertig topstayers wisten wel raad met dat lulletje uit Breslau. De voormalige tandemrijder, in de voorgaande winter samen met Piet van Kempen nog winnaar van de Zesdaagse van Breslau, stond op scherp. Feja zocht de confrontatie. Met succes.
De Breslauer  won achttien hoog genoteerde koersen. Stond op de lijst van grootverdieners op de vijfde plaats. Het oogsten kon beginnen. De zakken werden gevuld. Contracten voor het uitzoeken. Feja, dromerige blik in de ogen, koos voor de ‘harde’ Zwitserse frank. Eind augustus 1927 vertrok Ernst naar Zürich. Op de lokale Oerlikonbaan werd de Duitse opkomende ster geacht  de rol van de motor te laten schroeien. Als voorbereiding werd, met een training de baan verkend. Dan gebeurd er iets heel treurigs.  In een godverlaten stadion springt de tube van zijn voorwiel. Ernst Feja, de trots van Breslau en omgeving, de hoop van zijn ouders, stort tegen het harde cement.  Tijdens zijn crash schiet ook nog zijn helm los. Met een zwaar schedelletsel sterft hij dezelfde nacht. Ernst Feja werd achtentwintig jaar.

Foto 2: Start van de Grote Prijs van Dresden 1927. Links Frans Leddy, Parisot, Ernst Feja, Saldow, Erxleben en de ‘oude’ Piet Dickentman.
Foto 3: Gangmaker Jungeburth

Bron: Radwelt jaargang 1926 en 1927.