Een jaar geleden schreef Stuyfssportverhalen een stukje over de Amerikaanse stayer Bobby Walthour. Van Bobby, begin vorige eeuw actief op de Europese wielerbanen, vond Stuyfssportverhalen in zijn archief oeroude wedstrijdverslagen mét unieke foto’s Vanuit Californië werd op dat artikeltje gereageerd. Andrew Homan, schrijver, was bezig met de biografie over zijn illustere landgenoot. Aan de hand van verhalen van nazaten werd Bobby’s leven gereconstrueerd. Maar er was één probleem. Bij een brand was het familiearchief verloren gegaan: er waren niet genoeg foto’s . Stuyfssportverhalen mailden vervolgens een hele rits illustraties richting Westkust. Begin augustus kwam Life in the Slipstream uit. Homan beschrijft hierin de opkomst en carrière van een voormalige kruideniersjongen afkomstig uit Atlanta. Hoe Bobby, via successen in de Amerikaanse Zesdaagsen naar Europa trok om als stayer de wereldtop te halen. Het levensgevaarlijke fietsen achter de zware motor waarin Walthour twaalf collega’s zag doodvallen. Ook Walthour werd regelmatig wakker in het ziekenhuis: tot twee keer toe werd hij doodverklaard. Ook persoonlijke drama’s worden met vlotte pen beschreven. Zijn financiële ondergang: Walthour’s fortuin stond geparkeerd op Duitse banken dat na de Eerste Wereldoorlog met de grote geldontwaarding niets meer waard was, maar ook de huwelijksproblemen. Dat laatste liep helemaal uit de hand met als dieptepunt een moordpoging van mevrouw Walthour op de inmiddels voormalige wielerkampioen. Live in the Slipstream, 17 dollar, via internet te bestellen. Ongetwijfeld ook te bekomen bij the American Book Center in Amsterdam.
Begin november. Voor spiritisten, mediums en seanceliefhebbers altijd een fijne tijd, want Allerzielen maar ook Halloween. De overledenen worden herdacht. De geesten zijn onder ons. Welkom in de wereld van dansende tafels en draaiende glaasjes. Stuyfssportverhalen doet ook maar even een occulte duit in het zakje. Ruim honderd jaar geleden werd in Parijs George Leander richting hemelpoort afgeschoten. Georgieboy werd in thuisstad Chicago begraven. Maar in de Lichtstad waart zijn geest nog rond…
De pistolen waren achtergelaten op de tribunes. Evengoed werd het één grote bloederige slachtpartij. Want knuppels daalden neer op harde koppen en vuisten werden kapot geslagen op dronken smoelwerken. Ruim tweehonderd man ging met elkaar op de vuist. Een kloppartij die met de grootste moeite door een legertje politie kon worden beslecht. De Zesdaagse van Boston editie 1901 kende een, wat je noemt, roerig eind. Na zes etmalen van harde strijd was het Floyd Mac Farland die met een fietslengte George Leander klopte. George en Floyd dat lag elkaar niet. Volgens de Boston Globe sloegen ze, direct na de finish, elkaar flink op de bek. Voor supporters hét sein om hun steentje bij te dragen. Georgieboy, een aardige gozer, lief voor zijn acht broertjes en zusjes, een begenadigd wielrenner, maar ook een grote ongeluksvogel. Leander, luisterend naar de bijnaam ‘the Windy City Fat Boy’ was het koersen in de States ontgroeid. Na winst in de six van New York én nationaal kampioen achter de zware motor, vertrok de Fat Boy begin juli 1904 richting Europa. Zijn debuut op de Franse wielerbanen was een lekkere binnenkomer. Achter gangmaker Cissac werden in een tijdsbestek van twee weken drie wedstrijden gewonnen. Voor de vierde koers, gehouden in het Parijse Parc des Princes, was Georgie zwaar favoriet. Tegenstanders waren Eugenio Bruni en Bobby Walthour. Voor twintigduizend toeschouwers draaide Cissac de gashendel van zijn motor wagenwijd open. Ongetwijfeld had Leander de koers op zijn naam geschreven om daarna nog héél lang en gelukkig te leven. Maar niet heus. Iets lulligs als twee losse jasknopen werd voor George de opmaat voor een enkeltje richting ‘betere wereld’… Gangmakers, van oudsher onbetrouwbaar volk, doen alles wat verboden is om hun renner maar te bevoordelen. Ook Cissac. Twee knopen van zijn jas stonden ‘per ongeluk’ open. Verboden! De renner heeft dan te veel voordeel van de motorzuiging. Met George in winnende positie werd de koers gestopt. Jas dichtgemaakt. Opnieuw gestart. The Windy City Fat Boy trok woest ten aanval, lette één seconde niet op, en knalde tegen de motor. Zwaargewond werd de Amerikaan afgevoerd naar het Beauyon Hospital waar hij twee dagen later zijn laatste adem uitblies. George Leander, 21 jaar, werd in thuisstad Chicago begraven. En dan is het honderd jaar later. George heeft zijn plaatsje in de wielerhemel al lang en breed ingenomen. Het ‘oude’ Parc des Princes is inmiddels vervangen door een hypermodern stadion zonder wielerbaan. Maar er zijn toch talloze getuigenverklaringen die bij nacht en ontij uit het stadion een luguber geluid van een ploffende oude motor hadden gehoord. Je durft er toch niet aan te denken…?
Foto 1: The Windy City Fat Boy, Foto 2: De start van George’s laatste koers. Links Bruni, Leander en Bobby Walthour. Links: krantenknipsel uit de New York Times.
Bron: Radwelt jaargang 1905, The New York Times augustus 1904 , the Boston Globe, augustus 1904, Wikipedia.
Eind volgende maand vindt in Denemarken het wereldkampioenschap wielrennen plaats. Voor de Denen geen onbekend fenomeen. In 1914 werd er in Kopenhagen ook al om de mondiale titel gestreden: met een onbevredigend afloop.
Er was maar één renner die aan de wereldkampioenschappen 1914 goede herinneringen had. Cor Blekemolen was dan ook de enige van alle deelnemers die van de Ordruppbaan in Kopenhagen met een wereldtitel naar huis ging. Alle andere favorieten bleven met een gigantische kater zitten. De wereldkampioenschappen waren nog maar twee dagen aan de gang of de Eerste Wereldoorlog brak uit. Het kampioenschap werd afgelast. Renners, officials, trainers en verzorgers haasten zich naar hun thuislanden. Vier dagen had de organisatie er voor uitgetrokken. Op zondag twee augustus 1914 werd het eerste startschot voor het vijftiende wereldkampioenschap gegeven. Voor de titel bij de amateursprinters was Jonkheer Bosch van Drakensteijn dé favoriet. De wet van Murphy dat als er iets mis kan gaan, ook alles mis gaat, ging helemaal op voor de fietsende jonkheer. De ellende begon al bij aankomst in de Deense hoofdstad. Zijn fiets, opgestuurd met de pakketdienst, was niet aangekomen. Op een geleend karretje van de Belgische concurrent Davignon vocht Bosch zich met succes door de series heen naar de finale. En deze werd nooit verreden. Door aanhoudende regen, dat uiteindelijk drie dagen duurde, werd de finale uitgesteld. En na die drie dagen hoefde het ook niet meer. De Eerste Wereldoorlog was inmiddels in alle hevigheid losgebroken: het toernooi werd afgelast. Meer geluk had amateurstayer Cor Blekemolen voor wie de zon wel scheen. Voor de honderd kilometer achter de zware motor was de twintigjarige Amsterdammer alles behalve de favoriet. De te kloppen man was de zevenvoudige wereldkampioen Leon Merdith. Het liep voor de Engelsman uit op een zeperd. Door motorpech moest hij naar zesenzestig kilometer opgeven. Blekemolen, achter gangmaker Wrongker, greep voor de Belg Jaques van Ginkel de, naar later bleek, enige wereldtitel die verreden werd . De terugreis naar Amsterdam was voor Blekemolen een logistieke nachtmerrie. Omdat er niet door Duitsland gereisd kon worden, ging de reis per boot via Engeland naar IJmuiden. Veel profijt heeft de Amsterdammer, prof geworden begin september 1914, van zijn titel niet gehad. Alleen op de vaderlandse wielerbanen én met wedstrijden op hometrainers gehouden in theaters kon hij zich in leven houden. Dat laatste deed Blekemolen onder andere met Jaap Eden, een sportfenomeen op zijn retour, die als publiekstrekker fungeerde. Schrale troost voor Cor Blekemolen, hij was dan weer wél de enige renner die zijn wereldtitel meer dan veertig jaar in bezit hield. Na 1914 werd de mondiale titelstrijd voor amateurstayers van de kalender afgevoerd. Pas in 1958 was het de Duitser Lothar Meister die de toen opnieuw ingevoerde amateurtitel van Blekemolen overnam.
Foto 1: Blekemolen, zojuist gehuldigd als wereldkampioen. Foto 2: De start van de titelrace, v.l.n.r. Blekemolen, Van Ginkel, Stelzer en Meredith. Foto 3: Renners voor aanvang van het toernooi. Niet veel later, op de slachtvelden, stonden sommigen tegen over elkaar.
Bron: Halve Eeuw Wielersport, 1867-1917, van George Hogenkamp, Radwelt jaargang 1914 en het blad Sportief jaargang 1950 nummer 1.
De Vlaamse animositeit tegen alles wat Frans was, werd handig op ingespeeld. Want plaats twee Franse tegenover een koppel Vlamingen en je bent verzekerd van een volle bak. De letterzetter was dan ook snel klaar met zijn aanplakbiljet. De Grote Prijs van Antwerpen, editie 1909, een koers achter zware motoren werd betwist door maar vier renners. Voor een smak franken wilde Louis Darragon en George Parrent, drie jaar onafgebroken de beste ter wereld, best naar de Sinjorenstad komen om het duel aan te gaan met die twee Vlaamse jongens. Thuur Vanderstuyft en Kareltje Verbist voornamelijk actief op de buitenlandse wielerbanen waren langzaam, gestaag en een beetje stiekem de top genaderd. En die middag barsten ze van de goesting! Want wat is mooier dan om in eigen huis, voor eigen volk die arrogante Fransen een poepie te laten ruiken. Aan de sfeer zal het niet liggen. Tien minuten voor de start. Volle roezemoezende tribunes, zinderend van het komende spektakel. Mooie madammekes keken heimelijk maar zwoel naar blote rennersbenen. De harmoniekapel op het middenterrein speelde de longen uit het lijf. Gangmakers controleerden nog even de motor, fietsen werden klaar gezet. De fotograaf van de lokale gazet installeerde zijn camera, stak zijn hoofd onder het zwarte doek. Voor zijn lens verschenen vier kerels waarvan drie met ernstige, grimmige koppen. Logisch, want ondanks de vrolijke schettermuziek, het geluid van duizenden toeschouwers, was het net of ze op de achtergrond het sinistere geklepper van de doodsklok hoorde. Binnen tien jaar nadat de fotograaf zijn kiek schoot hadden Parrent, Darragon en Verbist zich bij hun Schepper gemeld. De jonge Kareltje Verbist beet de spits af. Twee weken later al gaf hij de geest. Tijdens de Grote Koningsprijs een stayerskoers in Brussel kreeg Verbist in de laatste ronde een klapband. Karel, zeventwintig jaar geworden, moest een eeuw wachten op erkenning. In 2009 werd in Wijnegem, zijn woonplaats, een straat naar hem vernoemd. Louis Darragon, veteraan van de Europese wielerbanen, betwiste honderden koersen achter de motor, was een internationale vedette, en werd twee keer wereldkampioen. Vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog in de voorste loopgraven. Zag, tijdens het offensief bij Casency, zijn dienstmaatje François Faber, winnaar van de Tour 1909, sneuvelen. Na zelf hersteld te zijn van opgelopen oorlogsverwondingen, stapte de gewezen wereldkampioen weer op de stayersfiets, wat uiteindelijk het voorspel werd van Louis’ hemelgang. Tijdens een stayerskoers op het Parijse Velodrome d’Hiver, 28 april 1918, brak zijn pedaal. De oorlogsheld, vijfendertig jaar, viel tegen de balustrade te pletter. In zijn geboortestad Vichy werden zijn verdiensten op waarde ingeschat. Als erkenning voor ’s mans prestaties werd het grote rugbystadion naar Darragon vernoemd. Een half jaar later werd George Parrent door De Dood ingehaald. Zoals zovelen meende ook George, drievoudig wereldkampioen, zijn land te moeten verdedigen. In diverse veldslagen raakte Parrent zwaar gewond. Opgelapt werd de altijd somber kijkende George weer terug gestuurd naar de voorste linies. Drie weken voor het einde van de Grote Oorlog stierf hij in de loopgraven van Saint-Germain-en-Laye aan de gevolge van Spaanse Griep. George Parrent werd drieëndertig jaar. En Thuur Vanderstuyft? De enige die onbevreesd grijnzend op de foto staat. D’n IJzeren zoals zijn bijnaam luidde, reed een decennia achter de zware motor, werd diverse keren voor dood van de wielerbaan geschraapt, maar stierf uiteindelijk op drieënzeventigjarige leeftijd in zijn bed. Foto 1: v.l.n.r. Parrent, Vanderstuyft, Verbist en Darragon. Foto 2: George Parrent, Foto 3: Parijs 1907 het Velodrome d’Hiver, links Darragon rechts Bobby Walthour. Bron: Radwelt jaargang 1907, 1909, en 1918.
Dat renners met bosjes doodvielen, behoorde tot het risico van het vak. Daar kregen ze meer dan vorstelijk voor betaald. Maar dat toeschouwers hun leven niet meer veilig waren, dat werd het Pruisische ministerie van binnenlandse zaken té gortig. Nadat in het Berlijn van 1909 negen toeschouwers tijdens een stayerskoers de dood vonden, mochten er voorlopig geen koersen gehouden worden. Veel hielp het niet…. Bij zijn collega’s stond de man bekend om zijn zuinigheid, sommige anderen noemde hem gierig. Amsterdammer John Stol was zo’n echte ‘knakenpoetser’, die iedere zilveren gulden twee keer omdraaide om die vervolgens in een ouwe sok te stoppen. John was beroepsrenner die alleen voor de poen op de fiets zat. In 1907 won hij, in het Madison Square Garden, afgeladen met rokende, zuipende en vechtende Janken, samen met koppelgenoot Walter Rütt, als eerste niet-Amerikanen de verschrikkelijke Zesdaagse van New York. Zes dagen, en nachten je kloten ‘afdraaien’ wat staat voor 4398 kilometer, om dan met vijfhonderd dollar weer naar de Oude Wereld terug te reizen. Vijfhonderd dollar, een eeuw geleden een aardig bedrag maar niet in Duitsland. Op de Duitse wielerbanen pompten renners daar niet eens hun banden voor op, gewend als ze waren om in één koers met een veelvoud naar huis te gaan. Maar daarvoor moesten ze dan weer wél, als stayer, hun leven op het spel zetten. Fietsen achter zware motoren was dansen op een vulkaan, want een uiterst link bestaan. Ondanks dat er al een tiental renners een dodelijke smakkerd had gemaakt, maakte John Stol de afweging. En die sloeg door naar zijn portemonnee. Een stayersfietsje werd aangeschaft en gangmaker Krüger gecontracteerd. Verdiende Stol als sprinter in 1907 jaarlijks vierhonderd goudmark, twee jaar later rinkelden er meer dan elfduizend goudmark in zijn zak. Met een vette bankrekening en zeven gewonnen koersen stond der Kleine Höllander, zoals de Duitse pers hem noemde, zondag 18 juli 1909 aan de start op de pas geopende baan van de Berlijnse Botanische Garden. Johnny Stol mocht dan gek op geld zijn, maar liet zich niet helemaal daardoor verblinden. Ongetwijfeld speelde in zijn gedachten de Grote Prijs van Neurenberg, drie weken daarvoor, waar hij, in de vierennegentigste ronde een klapband kreeg. Met een ingezwachteld hoofd stond hij een week later in Spandau weer aan het vertrek om vervolgens wederom een smakkerd te vallen. De feestelijk versierde Botanische Garden was volgestroomd. De militaire kapel speelde op het middenterrein populaire deuntjes als Berliner Luft. Het massaal opgekomen publiek zong mee, de worstverkopers deden goede zaken, de zon scheen uitbundig, en de heren schoven hun strohoeden achteloos naar achteren toen het startschot viel. Brullende en grommende motoren in de baan. Met sluimerende angst én een schrijnende kop draaide Stol zijn rondjes. Driemaal is scheepsrecht moet in een flits door zijn hoofd gegaan zijn toen Stol die ene droge knal hoorde. Hoog in de bocht was de achterband van gangmaker Krügers motor gesprongen. De achteropkomende combinatie met gangmaker Borchhardt en Fritz Ryser trachtte de vallende motor te omzeilen. Scherp stuurde Borchhardt omhoog. Rysers motor vloog met negentig in het uur over de balustrade midden in de afgeladen tribunes, en ontplofte. Negen mensen waaronder vier uit één gezin vonden de dood en vijftien anderen werden met zware brandwonden afgevoerd naar het krankenhaus. Pruisische autoriteiten verboden onmiddellijk alle stayerskoersen in Berlijn. Veel hielp het niet. Veertien dagen later, toen het verbod opgeheven was, ontplofte op de baan van Chemnitz de achterband van gangmaker Wolff. Als een ongeleid projectiel vloog de motor het middenterrein op en botste tegen de Franse soigneur Deville, die onmiddellijk naar betere oorden vertrok. John Stol, wonderbaarlijk aan het inferno ontsnapt, trok zijn conclusie en koos eieren voor zijn geld wat staat voor een wielercarrière zonder zware motoren.
Foto 1: Tussen de negen doden en vijftien zwaar gewonden de smeulende motor van Fritz Ryser. Foto 2: De Grote Prijs van Zurich met winnaar John Stol. Foto 3: Fritz Ryser ontsnapt aan de ramp maar stierf in 1916 onder verdachte omstandigheden in zijn Berlijnse flat. Foto 4: De ansichtkaarten van het ongeluk waren niet aan te slepen. Altijd fijn om zo’n kaartje te ontvangen. Bron: Radwelt 1909, Revue der Sporten jaargang 1907, de biografie van John Stol geschreven door Fredy Budzinsky en uitgegeven in 1914.
Later! Nu niet! Dat opticiendiploma komt nog altijd van pas. Slechtziende mensen hou je altijd! Met die wetenschap in zijn achterhoofd gaf hij zijn baan als opticien op. Amper achttien jaar oud, ruilde hij de brillen en monturen in voor een racefiets. Een fataal besluit. Precies honderd jaar geleden, onder de ogen van zijn moeder, verongelukte Fritz Theile. Zie je wel dat ik gelijk had, riep Theile naar zijn moeder. Frau Theile, een sceptische toeschouwster bij de Goldener Rades, een sprinttoernooi op de Berlijnse wielerbaan, zag zojuist haar jongen de overwinning pakken. Voor moeder en zoon was het een beladen dag, bloednerveus als ze waren. Het was Fritz’ première als sprinter, waarbij hij meteen met de hoofdprijs naar huis ging. Hoewel Fritzie nog koersen won in Dresden, Keulen, Hamburg en Leipzig was het toch ‘eerste gewin kattengespin’. Fritz Theile, geboren en getogen Berlijner, bleek na zijn flitsend debuut als sprinter toch niet over zulke snelle benen te beschikken. Na drie achtereenvolgende jaren zijn prijsjes gepakt te hebben, maakte hij ook zijn financiële balans op: ruim negenduizend goudmarken. Niet echt een bedrag waar hij wakker van lag. Om als programmavulling te dienen, daar voelde de voormalige opticien niet veel voor. Maar om met de staart tussen de benen terug te keren in de wereld van brillen, monocles en monturen deed hem pas echt huiveren. De uitnodiging om met stadsgenoot Wegener een tandemkoppel te vormen kwam dan ook als geroepen. In de winter van 1907 reisden de jonge Berlijners af naar Parijs, waar op de lokale winterbaan de Grote Prijs van Parijs, een tandemkoers over honderd kilometer op het programma stond. Voor Fritz Theile werd het een gedenkwaardige avond, want de geflopte sprinter bleek tot zijn stomme verbazing over een ongekend duurvermogen te beschikken: wat uiteindelijk het voorspel tot zijn dood inluidde. In een veld van achttien koppels, geharde kerels afkomstig uit Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland grepen de Berlijnse jochies het zilver. Een tweede plaats die helemaal op rekening van Theile geschreven kon worden. Fritz Theile, lenzenslijper uit Berlijn, bleek een rationeel denkend mens te zijn voor wie één plus één nog steeds twee is, en koos direct voor de uiterst lucratieve, maar levensgevaarlijke stayerssport. 1908 was voor Theile nog een leerjaar maar de twee jaren daarop maakte der Fritzl korte metten met de concurrentie. In twee jaar won de Berlijner dertig grote koersen, waar hij meer dan tachtigduizend goudmark mee opstreek. En dan is het 4 juni 1911, de Grote Pinksterprijs van Berlijn. Aan de start in het uitverkochte Zehlendorfstadion de Amerikaan Bobby Walthour, de Deen Gustav Janke, de Franse stayer Jules Miquel en publieksfavoriet en stadsgenoot Fritz Theile. De dertigste ronde. Gangmaker Hodle draait hoog de bocht in als hij achter zich een doffe klap hoort. Fritz Theiles, wiens voorband was gesprongen, smakt op het beton. Tot ontzetting van iedereen maar vooral van moeder Theile, rijdt de achteropkomende motor van gangmaker Reckzeh met renner Miquel, over Fritz’ nek. Reckzeh en Miquel kunnen er niet omheen en vallen ook. Het inferno is kompleet als als de motor brandend op het middenterrein vliegt, en Fritz Theile zijn laatste adem uit blaast. Fritz, 27 jaar, werd onder massale belangstelling begraven op Friedhove zu Wilmersdorf. Twee jaar later, de Memorial Fritz Theile een jaarlijks terugkerende stayerskoers om de gedachtenis aan de stayerende opticien levend te houden. Het scenario voor de koers werd geschreven door Magere Hein himself. Hans Lange een jonge stayer komt ten val. Met een gebroken schedel meldde Lange zich drie dagen later bij Fritz Theile.
Foto 1: Theile achter Hodle en Schmidt, Foto 2: Fritz Theile passeert Reckzeh en Miquel, enige seconden later verongelukt Fritz.(foto: Theo Buiting). 3: Fritz Theile. Foto 3: Fritz’ graf.
Beetje oneerbiedig geformuleerd maar het graf is een publiekstrekker eerste klas. In bezoekersfolders van de Nieuwe Oosterbegraafplaats staat de monumentale laatste rustplaats van Piet én Klaas van Nek, in kleur, nadrukkelijk vermeld. Ook Stuyfssportverhalen, woonachtig op nog geen tweehonderd meter van het graf, fietst er regelmatig even langs want gefascineerd door het tragische verhaal van de familie Van Nek. Oom en neef, als wielrenners beiden doodgevallen, mogen zich dus ver na hun dood in een bedenkelijke populariteit verheugen. Op deze blog is al meerdere keren over Piet en Klaas geschreven (zie: ‘de begrafenis van Jong Klaasje’ en ‘Als beloning een monumentaal graf’ hieronder) waarbij flink gebruik gemaakt werd van het Amsterdamse Gemeentearchief en de jaargangen van Radwelt waarin met Deutsche pünktlichkeit de carrière van vooral Piet gereconstrueerd kon worden. Maar hoe de begrafenis van de laatste nou was? Hoe er ook in diverse archieven gezocht werd…, niets te vinden. Tot vanmorgen. Bij het zoeken in de boekenkasten viel een ordner gevuld met krantenknipsels op de grond. Vergeelde, stoffige en knisperende krantenstukjes, ooit gekregen van een bezoeker van dit blog, maar nooit goed ingekeken, dwarrelde rond. Bestaat het begrip ‘toeval’? Was het de geest van Piet van Nek himself…? Het was om bang van te worden. Want na vergeefse zoekpartijen in archieven én vier dagen nadat er een verhaal over Piet geschreven was (zie: hieronder) dwarrelde een groot krantenknipsel met verslag én foto van de begrafenis van Piet van Nek aan de voeten van Stuyfssportverhalen neer. Dat stayers voor de Eerste Wereldoorlog de status van filmsterren hadden werd goed duidelijk. Duizenden en duizenden Amsterdammers, tien rijen dik, stonden aan de kant toen de lijkstoet van het ouderlijke huis van Van Nek, een winkel in koffie en thee, gevestigd in de Van Woustraat, naar de ‘Ooster’ trok. Piet werd gevolgd door niet alleen alle Nederlandse renners van betekenis maar ook door drie rijtuigen gevuld met bloemen en kransen. Foto 1: De stoet in de Van Woustraat. Foto 2: Piet van Nek.
Het seizoen 1907 zal zijn laatste zijn. Voor een eenvoudige jongen, afkomstig uit Roxbury, een arbeidersbuurt van Boston was de aandacht, publiciteit, én de reizen naar het Oude Continent, verslavend. Maar hij liet zich daardoor niet verblinden. Louis Mettling wist verdomd goed waar hij mee bezig was. Als jochie van zeventien jaar werd Louis amateurkampioen van zijn land, wat beloond werd met contracten voor de Zesdaagsen van New York, Chicago, Atlanta, Milwaukee en Boston. De Amerikaanse Six, waar de geest van het Wilde Westen rondwaarde, waar het recht van de sterkste mores was, waar letterlijk alles was toegestaan en waar je als renner nooit wist of je heelhuids thuiskwam. Spektakel en bloed op de piste, dát werk dus. Mettling, die vaak optrok met zijn stadsgenoot, stayerscollega en vriend Hugh Mc Lean, had een stevige en soepele stamp in de benen maar een nog beter stel hersens. Ongetwijfeld is hij door McLean, een afgestudeerd chemicus, daarop gewezen. Met de verdiende dollars werden eerst zijn straatarme ouders geholpen, waarna Louis zich inschreef aan de Universiteit van Boston. Als je geboren bent voor een dime word je nooit een dollar, om maar even de Amerikaanse munteenheid aan te houden. Na een jaar studie was het geld op. Voor Mettling, die weer in training was gegaan, kwam het aanbod, in 1907, van een Franse manager als geroepen. In het spoor van andere Yankee-stayers als een Nat Butler, Hugh McLean en Bobby Walthour verkaste Mettling naar Frankrijk, waar hij op het Parc des Princes zijn illustere landgenoten maar ook de Franse top het nakijken gaf. Dat Mettling daarbij alle baanrecords tussen de tien en vijftig kilometer verbrak, was lekker meegenomen. Louis Mettling viel niet alleen op de wielerbanen op maar ook door zijn onberispelijke uiterlijk. Met een perfect studentenhoofd waar geen haartje verkeerd op zat, kreeg hij al snel de bijnaam de Schooljongen van Roxbury. Bobby Walthour, afkomstig uit het diepe donkere zuiden van Amerika, had in Duitsland een grote naam op te houden. Herr Knorr, dé Duitse manager met een neus voor publiciteit, lokte de Schooljongen met een tiental contracten naar de Germaanse stadions. Niets leuker voor het volk dan een tweestrijd Mettling tegen Malle Bobby. Vrijwel direct in Duitsland ging het mis. Op 9 juni, tijdens een koers in Dresden kwam Mettling zwaar ten val, brak zijn schedel en lag een tijdje bewusteloos op het cement. Om zijn studie én de toekomst van zijn ouders veilig te stellen startte de student, mét zware hoofdpijnen, twee weken later in de Grote Prijs van Dresden, waar de race wonderwel perfect verliep. Met zeven ronden voorsprong op de concurrentie ging Louis de honderdtweeendertigste ronde in. Door nooit opgehelderde reden, hoogstwaarschijnlijk een hersenattaque, kwam Mettling ten val en sloeg met zijn hoofd tegen de baan. Na niet meer bij kennis geweest te zijn, stierf de Schooljongen twee weken later. Geld om zijn lijk naar huis te brengen was er niet. Op het kerkhof van Tolkewitz, in de buurt van Dresden, mocht the Bostonian op de jongste dag wachten.
Bron: Radwelt jaargang 1906 en 1907, Boston Herald jaargang 1909
‘Jungen, doe het asjeblieft niet. Mutti maakt zich zo bezorgd over je, ik heb er slapeloze nachten van’. Ondanks de smeekbede van zijn moeder deed hij het tóch! Willy Schmitter, leerling apotheker, liet de pillen, potjes met zalf en hoestdrankjes voor wat ze waren en koos voor de levensgevaarlijke stiel van stayer. Willy, een jochie van nog geen twintig, tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.
Willy was eigenlijk best tevreden met zijn leventje. Als leerling in de knusse apotheek, bij het goudgele licht van een olielamp, ontspannen, hoofdpijnpoeders in papiertjes vouwen, hoestdrankjes klaarmaken en, als de gelegenheid zich voordeed, even met de winkelmeid in het magazijn rollebollen. Zo kon hij wel honderd jaar worden. Maar Willy Schmitter maakte die ene fatale vergissing: hij bezocht, voor de eerste keer van zijn leven, de wielerbaan van Keulen. De apothekersleerling was verkocht! Hij moest en zou ook wielrenner worden. Een koersfiets werd aangeschaft en Willy werd sprinter. Schmitter, inwoner van Mülheim aan de Rijn, een voorstad van Keulen, was niet alleen handig met de distilleerkolven, kon als geen ander mooie, puntige zetpillen draaien, maar was ook op de piste talentvol. Net achttien jaar, ging hij, in thuisstad Keulen, met de prestigieuze Rheingold-Pokal aan de haal. In zijn eerste jaar won de jonge pillendraaier elf koersen, eindigde acht keer op de tweede plaats en pakte zeven keer het brons. Aardig maar niet meer dan dat. Als sprinter kon je wekelijks de spijkers uit de wielerbaan rijden, maar meer dan een tweekolomsberichtje in de plaatselijke Zeitung leverde dat niet op. Nee, dan zijn stadsgenoot Peter Günther, die als stayer bakken met goudmarken verdiende, een lawine publiciteit kreeg en daardoor alle lekkere Keulse meiden achter zich aan kreeg. Snel leven en jong sterven! Vijftig jaar voor James Dean met deze kreet aan de haal ging, was het al van toepassing op die jongens achter de zware motor. Ook voor Willy, die in 1904 zijn witte jasschort definitief omruilde voor een proflicentie. Willy Schmitter, het ventje met een babyface, net droog achter de oren, werd stayer. Voor het komende succes werd geïnvesteerd. Een peperdure gangmaakmotor, – betaald door pa en ma Schmitter, die zich hadden neergelegd bij Willy’s bloedlinke sport – werd gekocht. Eerst met jeugdvriend Peter Eiffels en vervolgens met Charles Pequi op de motor, werden de wielerbanen bestormd. Thaddy Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour, Paul Guignard, Bruno Demke, Thuur Vanderstuyft en stadsgenoot Peter Günther, dé wereldklasse, de mannen die alle prijzen verdeelden, waar wekelijks honderdduizenden moffen naar kwamen kijken, kregen van het jeugdige duo ‘patje en klop’ waar ze maar wilden. Willy Schmitter, het jochie uit de apotheek, won vijftien koersen op rij, waarbij vijfentwintigduizend goudmark op zijn rekening werden gestort. Evenwijdig aan zijn bankrekening steeg ook zijn populariteit. Vooral in Keulen. ‘Ein Schmitter-Sieg’ was synoniem voor een Keulse uitbarsting van geestdrift als Willy weer een grote koers gewonnen had. En dan is het 18 september 1905, het Europese kampioenschap, gehouden op de al wekenlang uitverkochte wielerbaan van Leipzig. Zenuwachtig om zich heen kijkend stond Willy naast Thaddy Robl, Paul Guignard, Louis Darragon, en Contenet. Hij kon het nog maar nauwelijks bevatten, als de motoren in de baan kwamen. Het startschot viel en Willy zal nooit meer het water door de Rijn zien stromen. Het Keulse bravourejochie dat dacht de hele wereld aan te kunnen, kwam ten val en werd door de motor van Contenet overreden. Met zware hersenletsel stierf Willy Schmitter, 21 jaar. Nadat Willy zijn plekje in de Grote Stayershemel ingenomen had, werd hij Duitsland’s eerste cultheld. De media doken er massaal bovenop. De ansichtkaarten met Willy’s beeltenis waren niet aan te slepen: een horrorachtig plaatje van stayer Schmitter, met Mager Hein op de motor. Willy’s laatste rit naar het kerkhof hoefde hij niet alleen af te leggen. Meer dan vijftigduizend Keulenaars volgden de stoet, waarbij de politie de straten moest vrijhouden.Anno 2011 is Willy Schmitter in Keulen nog steeds niet vergeten. De grootste wielerclub van Rijnland draagt zijn naam.
Foto 1: De jeugdvrienden Peter Eiffels en Willy Schmitter.
Foto 2: Peter en Willy.
Foto 3: Het Europees kampioenschap, Schmitters laatste race. v.l.n.r. Schmitter, Robl, Guignard, Darragon en Contenet.
Het was pas dertig jaar daarvoor dat Duitse troepen Parijs in brand schoten. De Frans-Duitse oorlog van 1870, bezorgde Frankrijk een collectief trauma en een brandende haat naar alles wat naar Pruis rook. Als een Fransman de kans kreeg de mof te vernederen, werd dat in het hele land toegejuicht. Op zestien augustus 1903 werd een kleine rekening ingelost. Voor een afgeladen Parc des Princes, dé wielerbaan van Parijs, raasde Paul Dangla naar een nieuw werelduurrecord achter de motor. Met tachtig kilometer reed Dangla het onaantastbaar geachte record van de Duitser Thaddeus Robl uit de boeken. Voor het Franse journaille, niet vies van chauvinisme, was Pauls prestatie het sein om de kast met superlatieven open te trekken. In Dangla, 26 jaar, werd de toekomstige wereldkampioen gezien, de man die landgenoot én stayer, Emile Bouhours, wekelijks strijdend in Duitsland, kwam aflossen. Voor Dangla, een voormalige boekhouder afkomstig uit l’Agen in het zuiden van Frankrijk, lagen de vette contracten al klaar. Duitsland met zijn veertig wielerbanen en jaarlijks honderden stayerskoersen lag aan zijn voeten. Maar het was een klein lefgozertje afkomstig uit Londen dat Paul’s toekomstige tournee verstoorde. Nog geen maand later, notabene in het zelfde Parc des Princes, reed de, eveneens zesentwintigjarige Tommy Hall, (foto: rechts beneden) een dreumes van nog geen 1.60 meter, het record van Dangla, met vierentachtig kilometer, de Seine in. Halls record was een opmaat voor een huiveringwekkende revanche. Met veel gevoel voor spektakel zag de baandirectie van het Parc wel iets in een duel Hall-Dangla: en die kwam ook. De fietsende boekhouder versus Londense Tommy. Inzet: een grote zak geld, maar vooral de eer. Overvolle tribunes en op de wielerbaan twee brullende motoren in volle jacht. Sensatie op de Parijse piste. Dangla en Hall, (foto boven) zonder valhelm, met de kop naar beneden, enkele centimeters jagend en jakkerend achter de motor. Er was maar één seconde van onoplettendheid nodig. Een weemakende klap. Het publiek hield de adem in. Tommy Hall, héél even de zijkant van de motor rakend, stuiterde op het cement en werd zwaargewond naar de kleedkamers gesleept (foto: linksboven). Een week later pakte de inwoner van l‘Agen zijn record terug, vertrok vervolgens richting oosterburen, om oppermachtig de Dreistundenren von Leipzig te winnen. Na een druk winterprogramma op de Parijse wielerbaan was Dangla klaar om definitief de Duitse wielerbanen te bestormen. Hooggespannen verwachtingen bij het Franse volk én de pers. Dangla, voordat hij stayer werd een topsprinter met meer dan zeventig overwinningen, zal zich, eenmaal in de Heimat, ongetwijfeld afgevraagd hebben waar hij mee bezig was. Frankrijks hoop in bange dagen kwam tijdens een training in Berlijn zwaar ten val en was een maand uitgeschakeld. En dan is het 18 juni, de Golden Rad von Magdenburg. Een week eerder pakte Dangla op dezelfde baan de winst. Paul Dangla, (foto: boven) dé favoriet voor het Gouden Wiel ging van start en zal nooit meer zijn geliefde l‘Agen terugzien. Door een schedelbreuk, veroorzaakt door een klapband, stierf Dangla in het harnas. Op het cimetiére de Dolmayrac, in zijn geboorteplaats, werd de voormalige boekhouder begraven. Ter waarschuwing aan al die snelheidsduivels werd, op het graf, zijn ongeluksfiets geplaatst maar ook een granieten gebroken kolom met de tekst ‘Paul Dangla, 1878-1904. Record du Monde Demi Fond 84 km575. Precies honderd jaar later, enkele dagen voor zijn sterfdatum werd de fiets van het graf gestolen. Frankrijk weet zijn sporthelden op waarde in te schatten, laat ze niet in de vergetelheid wegzinken. Het gemeentebestuur van l‘Agen vernoemde een middelbare school naar hun illustere inwoner. Het Paul Dangla-College is ook nog eens gevestigd aan de Rue de Paul Dangla. En Tommy Hall? Tommy de Mazzelaar! De eeuwige geluksvogel uit Londen. Een tiental keer zwaar gevallen, kende een succesvolle stayerscarriere, stierf in 1949 op tweeënzeventig jarige leeftijd. Tommy, begraven op het Londense Abney Park Cementery, kreeg van zijn vrienden een grafsteen(foto: links) waarvan de laatste regel luidt: A Great Rider and Sportsman. En zo is het maar net!
Bron: Radwelt jaargangen 1903, 1904, de website van de gemeente l ‘Augen