De hemelgang van een lieve jongen

‘Jongen, als jij nou een nieuwe motor koopt, word ik je gangmaker. En dan zul je eens zien.’ Profetische en onheilspellende woorden van Constant Ceuremans. Binnen een jaar werd een volkomen onbekende Antwerpse metselaar in Europa een beroemdheid. Met de snelheid van het licht steeg zijn ster om die binnen twee jaar weer te doven. Op 21 juli 1909, bij een stayerskoers op de Brusselse wielerbaan, luidde de bel voor de laatste ronde. Voor Kareltje Verbist, op dat moment op kop in de koers werd dat het geluid van de doodsklok.

Niemand die wist wie hij was. Voor de Duitse pers, renners, gangmakers en het grote publiek was hij een grote onbekende. Weer zo’n  buitenlandse avonturier die achter de motor zijn leven op het spel kwamen zetten in de hoop daar rijk van te worden. Bij de Grote Prijs van München gehouden op 21 juli 1907 werd meewarig naar Karel Verbist gekeken. Dat ventje uit Vlaanderen mocht blij zijn dat hij als programmavulling mocht dienen. Voor publiekstrekkers Contenent en thuisrijder Taddy Robl,  was Karel een programmavullertje dat maar niet te veel in de weg moest rijden.
In Vlaanderen wisten ze beter. Kareltje Verbist, een metselaar uit Antwerpen, won in 1906 een vierentwintiguursrace waarvan de laatste drie uur achter de motor verreden werd. Dat joch kan wat, moest gangmaker Contant Ceuremans gedacht hebben. Op advies van Ceuremans kocht Verbist met geleend geld een motor: wat uiteindelijk het voorspel was voor een drama. Ceuremans en Verbist vertrokken naar Duitsland waar het duo mocht startten in   in de Grote Prijs van München, die verpletterend gewonnen werd. Kareltje, die dat seizoen alle grote stayerskoersen met winst afsloot, werd nooit meer uitgelachen. Twee jaar lang was  Verbist onklopbaar.
Wat waren ze trots in Vlaanderen, want hun Kareltje flikte het toch maar. Nadat de voormalige metselaar, een jongen van de gestampte pot, aan de pers ‘verklapt’ had dat al zijn verdiende geld naar zijn nooddruftige moedertje, een arme weduwe ging, was in Vlaanderen de cultus ‘Kareltje Verbist’ geboren. Dan is het 21 juli 1909 in België een nationale feestdag. Op de wielerbaan van Brussel werd dat gevierd met een grote stayerskoers.
Het was dat hij voor eigen volk moest koersen want het liefst had hij afgezegd. Karel Verbist, de man die onklopbaar was achter de zware motor van Ceuremans, was bang geworden. Nachtmerries had hij gekregen van dat ene kranteberichtje. Drie dagen ervoor was op de  Berlijnse wielerbaan bij een apocalyptische stayerskoers acht doden én eenentwintig zwaar gewonden gevallen.
Rauwdauwers als een Piet Dickentman, Demke, Vanderstuyft, en een handvol andere stayerende collega’s hadden hoogstwaarschijnlijk even geslikt, de schouders opgehaald en ijzerenheinig hun plaatsje achter de motor ingenomen.  Kareltje niet.  Karel Verbist  hield van het leven, mocht graag met zijn vrienden een pint drinken en daar was ook nog zijn moeder. Wie moest voor haar zorgen als hij verongelukte? Verbist werd met de neus op de feiten gedrukt, ging nadenken waar hij mee bezig was en werd vervolgens bang. Karel Verbist, volksjongen uit Antwerpen, held van Vlaanderen had geen trek in die koers, maar liet zich door Ceuremans ompraten.
Had hij maar naar zijn gevoel geluisterd.  De bel voor de laatste ronde klonk,  wat later de doodsklok was. Het  publiek begon Verbist, op kop, al toe te juichen, een geluid dat overging in een massale kreet van afgrijzen  toen in de voorlaatste bocht een knal klonk.  De achterband van Ceuremans motor was ontploft. Verbist stuiterde over het cement. De achteropkomende motor met gangmaker Meinhold kachelde over Kareltje heen. Met een verbrijzelde ruggengraat, gekloofde schedel en bloedend uit vele wonden stierf Vlaanderens ‘liefste jongen’.
Bij de  begrafenis van Verbist op de Antwerpse begraafplaats van Wijneghem, liep heel Antwerpen uit. Na een leven als een smartlap werd sportheld Karel Verbist, niet vergeten. Tot ver na zijn dood zong het volk: ‘Kareltje, Kareltje Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge nu niet gelegen, In Uw kist’.
Een schrale troost voor een renner die maar 26 jaar werd.

Foto 1: Op de Rivierenbaan van Antwerpen achter Constant Ceuremans wiens noodlot al bepaald was. Drieëntwintig jaar later verongelukte Contstant.

Foto 2: 16 Mei 1909. Winnaar van het Gouden Wiel in Steglitz. Links naast Karel, gangmaker Ceuremans.

Foto 3: Karel met zijn ouders waarvan zijn vader niet veel later overleed.

Foto 4: Voor stayers in de ‘oudheid’ kon iedere dag de laatste zijn. Van het leven werd genoten. Na de overwinning van Thuur Vanderstuyft in de Grote Prijs van Europa gehouden in Leipzig 1908 werd na aflopen even een pint genomen. Helemaal rechts d’n IJzeren Thuur, zesde van rechts met platte pet Kareltje Verbist.

Foto 5: Heel Antwerpen nam afscheid van ‘lieve’Kareltje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Heintje Zwijntje en knuppelende agenten op WK 1925

Het circus dat wereldkampioenschap wielrennen genoemd werd streek, in augustus 1925, neer in Amsterdam. Op de houten dwarslatjes van de toenmalige Stadionbaan ging de wereldtop zijn kunsten vertonen. Héél Amsterdam wilde dat zien. Iedere avond trokken vijftienduizend bezoekers richting Amstelveenseweg. Als het volk op de overvolle tribunes een plaatsje zocht en de burgemeester zijn kont in het pluche van de ere-loge parkeerde, testte de politie voor de poorten van het Stadion de kwaliteit van hun wapenstokken uit. En Heintje Zwijntje was er ook bij…

Het organisatiecomité had zó z’n best gedaan. Ze mochten in Europa eens denken dat Nederland een land vol met jochies was, die de hele dag hun vinger in de dijk staken gadegeslagen door bewoners op klompen. Een jaar voorbereiding was er aan voorafgegaan om het wereldkampioenschap foutloos op de kaart te zetten.  En evengoed eindigde de eerste avond in een echec, wat de schuld was van het stroperige optreden van de jury.
Het Amsterdamse publiek, gewend aan een snel programma tijdens de wekelijkse populaire koersen, moest tussen de stayersseries door steeds een half uur wachten. En dat werd niet gepikt. De ellende begon al om half acht als het startschot had moeten klinken voor de eerste stayersmanche. De spanning ruischt door de massa pent de sportverslaggever van het Algemeen Handelsblad. Maar wat er ook gebeurde, geen stayer te bekennen. Volgens de verslaggever kwam er op de tribunes een stemming die niet propagandistisch was voor het wielrennen.
Er werd gescholden, gevloekt, getierd, gefloten, en massaal met de voeten gestampt. Ook buiten de hekken gebeurden er spannende dingen. Achter de overdekte tribune stond iedere avond een grote ploeg opgeschoten jongens die hun uiterste best deden, om zonder kaartje binnen te komen. Nadat de politie dat verhinderd had, werd er met stenen gegooid, waarbij de ruiten van de kleedkamers sneuvelden. Met de lange wapenstok  knuppelde de massaal uitgerukte hermandad erop los en verdreef de ongewenschte gasten.
De hele week waren tienduizenden toeschouwers in het Stadion, waaronder, in de ere-loge, burgemeester De Vlugt, maar ook Prins Hendrik, de man van koningin Wilhelmina. De Prinsgemaal, een verwoed jager op vrouwen dan wel op zwijnen was ongetwijfeld heimelijk supporter van de favoriet, de Duitse stayer  Saldow. Heintje Zwijntje zoals zijn bijnaam in de Jordaan luidde, zag zijn voormalige landgenoot aan de dood ontsnappen toen de rol van zijn motor afbrak en Saldow daar miraculeus omheen zeilde.
Naast het fietsen was het organisatiecomité druk bezig met de pot stroop.  De vertegenwoordigers van de UCI en de internationale sportpers werden met reisjes naar Volendam, Marken en Edam gefêteerd. Bij die tripjes waren ook renners aanwezig zoals Ernest Kaufmann en Jaap Meyer. In Edam was er een ontvangst op het stadhuis waar iedereen, hoe origineel,  een edammerkaas kreeg.  De reis naar Volendam vond plaats op een trekschuit getrokken door paarden.
In het palingdorp woonde niet echt creatieve geesten die uitblonken in originaliteit. Met een ‘ter plaatse gemaakte’ aardewerkpijp gevuld met ‘goede tabak’, wat nog iets anders was dan een joint, stapte het gezelschap in het trammetje richting Amsterdam-Noord. Bij een van de tussenstops, vermoedelijk in Monnickendam, stapte Kaufmann uit en rende met de tram mee om op het laatste moment erin te springen: dát was even lachen.
Ging het in het Stadion niet helemaal soepel, anders was het gesteld met de huisvesting van de renners. Gelogeerd werd in hotel Hof van Holland waar de eigenaar een wielerfanaat bleek te zijn.
In het Hof kon je niet alleen actuele sportbladen uit de hele wereld lezen maar hing het ook vol met fietsen, banden en fietsshirts. Wat Gustave Ducoté, journalist  van het Franse sportblad le Miroir des Sports lyrisch deed uitroepen dat hij op al zijn reizen nog nooit zo’n wielerparadijs had gezien.
En wat Jaap Meiers en Ernst Kaufmann betreft, het tripje deed wonderen. Beiden werden wereldkampioen sprint. Meijer bij de amateurs en Kaufmann bij de profs.

Foto 1: Finale sprint proffesionals. Kaufmann wint met lengte van Schilles.

Foto 2: Iedere avond vijftienduizend toeschouwers.

Foto 3: finale sprint amateurs. Links de latere winnaar Jaap Meijer, rechts Antoin Mazairac.

Foto 4: Lang wist Jan Snoek stand te houden maar ook de Hagenaar bezweek onder de aanvallen van Grassin.

Foto 5: Halve finale sprint. Moeskops geklopt door Schilles.

Bron: Gemeente-Archief Amsterdam Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

De lijdensweg van een kampioen

Vijf juli, voor hem was dat een pikzwarte ongeluksdag vol rampspoed, een dag voor altijd in zijn hersenen gekerfd. Al kwamen de baandirecties met zulke vette contracten, op die datum bleef hij thuis, ging niet de deur uit. Vijf juli bleef voor Peter Günther, de rest van zijn leven  een trauma. En niet alleen voor Peter maar voor zijn hele familie.

Na achttien overwinningen op de weg vond de eenentwintigjarige Günther het tijd om de overstap als stayer te maken. Koersen op de weg was voor dwangneuroten, waar geen hond naar kwam kijken en dat bovendien geen pfenning opleverde. Roem, publiciteit maar vooral het grote geld vielen achter de zware motor te verdienen. Op vijf juli 1903 was het dan zover: in thuisstad Keulen, maakte Günther zijn debuut als stayer.
Vader, moeder, broertjes, zusjes, ooms, tantes, neven, nichten en de hele straat zaten op de tribunes om hun Peter aan te moedigen. Tegenstanders waren Vendrudi en Heni. Achter de rug van gangmaker Otto werd razend gestart. In de derde ronde kreeg, vermoedelijk, de hele familie Günther een hartverzakking toen de motoren van Vendredi en Heni op elkaar knalden. De aanstormende Otto, met poulain Günther, kon het  inferno niet ontwijken. Peter Günther  voor dood van de wielerbaan geschraapt werd met ernstige inwendige kwetsuren, gebroken ribben, én een gebroken bekken naar het Krankenlager afgevoerd, waar hij vier maanden verbleef.
‘Zie je  wel, jungen’, moet zijn moeder gezegd hebben, ‘Dat komt er nou van met dat gekke gedoe.’ Vier maanden helse pijn met een lijf verpakt in het gips, dat doet een normaal mens nadenken. Hoogstwaarschijnlijk zat aan Peter een steekje los, want eenmaal uit het ziekenhuis besloot hij zijn loopbaan als stayer te vervolgen. Een fatale beslissing!  Peter Günther die sinds zijn val niet meer zonder pijnstillers kon, nam zijn plaatsje achter de motor weer in. In 1904 streed Günther volop mee in de voorste loopgraven. Mannen als een Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour en Bruno Demke, de gevestigde orde, hadden hun handen vol aan der Kölner.
Met zeventien overwinningen én achttienduizend goudmark in zijn buidel, werd het seizoen afgesloten. Peter Günther, half invalide, zat definitief bij de stayerstop. Tot 1918 won Günther meer dan honderdvijftig koersen, en doneerde daarbij ruim een kwart miljoen goudmark. Of Peter, in 1911 Duits kampioen én wereldkampioen, arbeidsvreugde kende is hoogst twijfelachtig.  Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is. Terecht! Peter Günther een volksjongen uit Keulen maakte op ‘zijn werk’ de meest vreselijke dingen mee. En alsof de duivel er mee speelde gebeurde dat altijd op ‘zijn’ Keulse wielerbaan.  Zoals op 9 juli 1905.
Tegenstanders waren Willy Schmitter en Cesar Simar. Die koers was een herhaling van zetten, want na een botsing van twee motoren werd Günther wakker in het ziekenhuis waar hij enkele weken verbleef. Na nog twee ongelukken op dezelfde baan te hebben overleefd, is het 7 september 1913 als de Grote Prijs van Keulen verreden wordt. Nadat de voorzitter van de Kölner-Renn-Verein, Max Hellrung, de week eerder wereldkampioen geworden Guignard had gehuldigd, viel het startschot voor wat de geschiedenisboeken zal ingaan als één van de bloederigste stayerskoers ooit.
Met vlaggen strak aan de mast, volle tribunes,  warme worstverkopers die goede zaken deden, ging de koers van start. Heel Keulen had er zin in, wilde zien hoe hun Peter de Fransman Guignard het leven zuur ging maken. Spektakel kwam er. Door een klapband kwam de motor van gangmaker Gus Lawson ten val.  Peter Günther vloog er rakelings langs.  Lawson en de aanstormende Richard Scheuerman hadden dat mazzeltje niet. Gezamenlijk kwamen ze aan hun eind.
Peter Günther voor militaire dienst afgekeurd, stierf uiteindelijk tóch op het veld van eer. Op 6 oktober 1918, tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf, verongelukte de Keulse rolrijder. Bij een aanval op concurrent Wiszmann stopte de motor van Günther plotseling. Met een schedelbreuk werd Peter Günther naar het ziekenhuis gebracht waar hij dezelfde nacht overleed. Günther werd 36 jaar.

Foto 1: Peter Gunther, 22 jaar.

Foto 2: ‘Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is’.

Foto 3: Keulen 1 oktober 1905, de Herfstprijs. Links, Rossini, Dubois, Gunther, de later doodgevallen Louis Darragon en Bruno Salzmann.

Foto 4: Grote Prijs van Keulen, 7 september 1913. Vlak voor de fatale race met wereldkampioen Guignard op de foto.  Links Peter Gunther, Richard Scheuermann, een half uur laterdood, Guignard en Stellbrink.

Met lichtsignaal naar de volgende ronde

Vandaag begint in het Olympisch Stadion het jaarlijkse gala voor de gehandicaptensport. Heel misschien dat ze ook even stil staan bij Gene Hairston, een pionier in de gehandicaptensport. Als profbokser haalde hij begin jaren vijftig de wereldtop. ‘Silent’ Hairston was doofstom.

Hij was een rare snuiter, waar niemand zich mee bemoeide. De ‘Stille’ werd hij heimelijk genoemd. Dagenlang hing hij als jochie van vijftien jaar, zwijgend rond bij één van de vele boksscholen die het New Yorkse Harlem rijk was. En geen boksschool die hem binnen durfde te halen. Gene Hairston, een lone wolf met een paar jeukende vuisten was namelijk doofstom. In het Harlem van de jaren dertig een héél eng gegeven.
Als kind van twee jaar werd Gene, geboren in 1929, getroffen door kinderverlamming en werd als gevolg doofstom. In een tijd dat de grote depressie door de wereld raasde, moest de zoon van straatarme ouders zelf zijn kostje bij elkaar scharrelen. Zielig maar wél een hardingsproces waar hij in de ring veel profijt van had. Arm, zwart, doofstom, totaal geïsoleerd, mensenschuw én een minderwaardigscomplex werd hij door Mike Steel bokstrainer bij de Tremont Athl
etic Club, van de straat gevist. Steel die potentie in zijn poulain zag leerde Gene niet alleen boksen maar ook het liplezen. 
Van een zielig hoopje mens veranderde Hairston binnen drie jaar in een gevreesde vechtmachine. Als amateur won hij het Golden Glove toernooi en werd Amerikaans amateurkampioen. Silent Hairston die leefde en knokte in een doodstille wereld heeft nóóit de ontploffing van gejuich in het Madison Square Garden gehoord toen hij als eerstejaarsprof de oersterke Paddy Young in de tweede ronde knock out sloeg. Beroemd werd hij in Amerika nadat hij de wereldtopper Lee Sala neer haalde. Gene Hairston die door lichtsignalen op attent gemaakt werd dat  een ronde op zat, bewees met zijn sport dat hij voor valide mensen niet onder deed. De Stille thans eenentachtig jaar, won in zijn carrière vijfenveertig gevechten waaronder vierentwintig door knock out en verloor dertien keer. In 1952 stopte hij al met het boksen.

Stayerende fatalist mét IJzeren Kruis eerste klas

Veertien jaar wist hij uit de knokige klauwen van de Dood te blijven. Dat waren jaren dat hij honderden keren  een blik aan gene zijde wierp, waarbij de adrenaline door zijn lijf gierde. Maar nu was het genoeg geweest. Zijn geluk was op. Op 24 augustus 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, vielen traag de laatste korrels van het leven van Bruno Demke door de zandloper van Magere Hein.

Gevaarlijk? Niet voor hem! Wat kon hem nou de Dood schelen. Bruno Demke was daar niet zo bang meer voor. Bij honderden koersen had de Berlijner aan de roulettetafel van Magere Hein gezeten met als inzet zijn leven. Tientallen zware valpartijen werden overleefd. Hij stond aan de vers gedolven graven van zijn kameraden én stadgenoten Alfred Gornemann, en Karl Käser, jongens nog, gesneuveld in het stayersgeweld. Bruno Demke, een stayerende fatalist met eelt op zijn ziel. Het was de poen, de glorie en de lekkere meiden die daarop af kwamen, maar ook de adrenalinekick die hem steeds maar weer zijn plaatsje achter de Brennabor-motor deed innemen.
Bruno Demke, geboren in het Berlijn van 1880, maakte na een korte carrière op de weg in 1903 zijn opwachting als stayer. Zijn debuut was sensationeel. Demke, gegangmaakt door zijn vriend Paul Dunkel, won achtereenvolgens in Kopenhagen,  Dortmund, Hannover, Keulen, Hamburg en Maagdenburg. Hoog genoteerde koersen waarbij  vedetten als een  Robl, Dickentman en Contenet door Bruno werden vernederd.  Dat de Berlijner ook nog eens meer dan vierenhalfduizend goudmark op zijn bankrekening kon bijschrijven was lekker meegenomen. Met Demke op de affiches haalden  baandirecteuren spektakel in huis, zoals bij de Grote Prijs van Berlijn op 19 oktober 1906.
Het was de laatste grote stayerskoers van het jaar en tienduizenden Berlijners waaronder de Duitse kroonprins  waren naar de uitverkochte Treptowerbaan gekomen om getuigen te zijn hoe hun immens populaire stadsgenoot Bruno nog één keer ging vlammen. Het vuur kwam inderdaad uit het beton. In gewonnen positie met nog één ronde te gaan, kreeg de motor van Dunkel een klapband. Gangmaker en renner stuiterden over de baan. De zwaargewonde Dunkel, wiens leven aan een draadje hing, werd met paard en wagen ijlings afgevoerd naar het Krankenhaus. Demke kwam er met flinke vleeswonden vanaf.
Na die bijna doodsmakkert leek het wel of de man behept met pech was. Tijdens de Grote Prijs van Maagdenburg én het Gouden Wiel van Steglitz, met negentig in het uur, kreeg de Berlijner een klapband met een zware kukel als bonus. Ondanks de malheur die aan zijn kont geplakt leek, behoorde  Bruno Demke tot aan de Eerste Wereldoorlog tot de sterkste rolrijders ter wereld.
Vanaf 1906 tot 1914 reed hij zesentachtig keer een ereronde waarbij hij zachtjes de sound van een rinkelende kassa hoorde veroorzaakt door tweehonderdduizend goudmark.
Demke, een man in bonus, kon zich materieel van alles veroorloven, maar voelde zich zonder spanning toch niet senang. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moet de Berlijnse rolrijder ongetwijfeld een sprongetje van blijdschap gemaakt hebben. Als één van de eersten meldde Bruno zich als piloot bij de Fliegertruppe des Kaiserreich. Voor een adrenalinejunk als Demke die als stayer tientallen collega’s óf invalide dan wel dood zag vallen, moet het vliegen een genoegelijke bezigheid zijn geweest.
In zijn dubbeldeks Fokker mét mitrailleur, ging Demke, boven het Westfront, helemaal los, en werd hij binnen korte tijd met het IJzeren Kruis tweede klas en de Oostenrijkse Tapferkeitsmedaille onderscheiden. Zijn toekomstige plaatsje in het Walhalla werd veiliggesteld met het IJzeren Kruis eerste klas verkregen door met zijn in brand geschoten vliegtuig meer dan veertig kilometer over de Engelse linies te vliegen.
Als zwaargewonde oorlogsheld werd Demke naar de heimat getransporteerd. Hersteld maar mét afkickverschijnselen snakte Bruno Demke naar zijn dagelijkse adrenalineshot verkregen door spanning en sensatie: en die kreeg hij.
Op 24 augustus 1916 steeg van het vliegveld van Döberitz, in de buurt van Berlijn, een rode dubbeldeks Fokker op. Tien minuten later, hoog in de lucht, stokte de motor. Vliegtuig en piloot sloegen even later te pletter. Bruno Demke, de man bij wie de pechduivel op schoot zat, vervoegde zich niet veel later bij zijn gesneuvelde kameraden.

Foto 1:  1904, Met wapperende snor achter de  Brennarbormotor, mét windscherm en zonder helm. Op de motor Paul Dunkel die na zijn ongeluk nooit meer op een gangmaakmotor gesignaleerd werd.

Foto2 : Goldener Rad von Steglitz 1908. Van links naar rechts, Robl, Guignard, Ivan Goor, Piet Dickentman en Bruno Demke.

Foto 3: Oorlogsheld Bruno Demke.

Foto 4:  De Zehlendorfer Osterpreis 1911. Fritz Theile, boven, passeert Demke. Een paar ronde later klapte Fritz’ voorband. Fritz, 26 jaar, brak zijn nek.

Foto 4:  Na, van zijn oorlogsverwondingen hersteld te zijn begon Demke weer te stayeren.  De Grote Prijs van Hannover, 13 augustus 1916. Van links naar rechts Demke, Schipke, Thomas en Saldow. Het is de allerlaatste  foto van Bruno Demke. Elf dagen later verongelukte de Berlijner.

Foto 5: De onthulling van Demke’s  grafsteen.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Posted in Stayeren. Tags: . 1 Comment »

De profeet die nooit erkenning kreeg

Alhoewel nooit wereldkampioen geweest was hij één van de allersterkste stayers die dit land ooit had. Won in 1927 zesenvijftig grote internationale koersen. Heeft twintig jaar achter de motor gereden, verdiende bakken met geld maar scheerde ook regelmatig langs de afgrond van de dood. Anno nu is hij volkomen vergeten. Frans Leddy de stayerende profeet die in eigen land nooit geëerd werd.

Hard zijn. Alleen maar aan jezelf denken. En letterlijk voor niemand opzij gaan. Dat was het leidmotief van Frans Leddy. Nóóit vergat hij zijn begin periode! Het stond in zijn geheugen gebrand dat hij met zijn petje in de ene hand en vijf gulden in de ander op de Rijswijkse wielerbaan had moeten bedelen of hij, op zijn oude, aftandse materiaal, mocht trainen achter de motor.
Uit dié vernedering putte hij zijn latere hardheid, en egoïsme. In de beginjaren twintig  was het als beginnende stayer vrijwel onmogelijk om er ‘tussen’ te komen.  De gevestigde orde zat nou niet bepaald op dat piepeltje uit Den Haag te wachten. Mannen als Koos Storm, Schlebaum, Snoek, Blekemolen en Piet Dickentman, waren de renners die uit de ruif aten.
Van de baandirecties hoefde Leddy ook niet veel te verwachten. Die Leddy moest zich maar eerst in de kleinere koersjes bewijzen: wat hij ook deed. Na veel gelobby en gezeur kreeg de Haagse rolrijder in 1923 een contractje los in Parijs wat bijna zijn laatste optreden op dit ondermaanse werd.
Gereden werd achter de zogenaamde ‘petroleumtanden’ een loodzware motor bemand door twee man die op volle snelheid  ten val kwamen. Met gillende sirene werd Leddy, zwaar gewond, afgevoerd naar het ziekenhuis, waar artsen direct zijn been wilde amputeren. Door zich hier heftig te verzetten wist Leddy zijn been én  zijn stayerscarriere te redden.
Frustraties, weten dat je het kan maar niet erkend worden, dát is de beste dope voor een aankomende renner. Nog harder werd er getraind, nog meer werd er ontzegd. En bij het nationale kampioenschap van 1925 was de doorbraak.
Het was zo’n kampioenschap dat alleen maar in jongensboeken voortkomt. Na vijftig kilometer pech krijgen, voordat een nieuwe motor in de baan kwam vijf ronden achterstand die Haagse Fransje nét voor de finale goed maakt. Enfin, publiek op de banken en baandirecties met wapperende contracten.
Frans Leddy een simpele rolrijder uit Den Haag wist verdomd goed dat, als het pap regent, je je bordje buiten dient te zetten. En die pap viel met bakken uit de hemel in Duitsland. In de stayersgekke heimat met zijn vijfenveertig wielerbanen, jaarlijks honderden koersen, vijftig topstayers, onderging Leddy, tijdens de Grote Prijs van Hannover, zijn vuurdoop die hij met een overwinning afsloot.
Voor het grote publiek kreeg  Leddy’s naam een magische klank na een valpartij tijdens de Grote Prijs van Munster. Niets gebroken maar totaal ontveld werd Frans door het Deutsche Rote Kreuz in verband gewikkeld. Om zijn komende contracten te redde startte hij opnieuw in de inmiddels stilgelegde race om die, als een rijdende ‘verbanddoos’ vervolgens met vier ronden voorsprong te winnen.
Voor Leddy, 28 jaar, was de oogsttijd aangebroken. Achter gangmaker Ceuremans reed hij  over een periode van zes jaar, in Duitsland, gemiddeld drie keer in de week een koers van honderd kilometer.  In 1927 publiceerde het Duitse tijdschrift Radwelt een lijst van zeventig renners waarin  Leddy met zevenenvijftig overwinningen boven aan stond.
Wereldkampioenschappen waren voor Leddy steevast kommer en kwel.  Altijd was er pech zoals het WK van 1927 waarin hij, in de series, met één ronde voorsprong de latere wereldkampioen Linart klopte. Tijdens de finale na vijfenzeventig kilometer met uitzicht op winst ontplofte twee bougies van Ceuremans motor. Hoe sterk Leddy was bewees hij in de revanchekoersen. In één week won hij vier van dergelijke koersen.
Leddy, nationaal kampioen van 1929 en ’34, na zijn carierre financieel onafhankelijk,  overleed in 1966 op vijfenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: de Grote Prijs van Dresden 1927. Van links naar rechts, de latere winnaar Leddy, Parisot, de, een paar weken later dodelijke verongelukte Ernst Feja, Saldow, Erxleben, de ‘oude’Piet Dickentman, en Lewanow.

Foto 2: Parijs 1923. Frans Leddy, nog onwetend wat voor iets verschrikkelijks hem te wachten stond, achter de ‘petroleumtandem’  in de aanval.

Foto 3: Leipzig 1927. De latere winnaar Leddy, rechts,  valt Moller en Rosellen aan.

Foto 4: Leddy was één van de eerste sporthelden die zijn naam verbond aan de commercie.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Van Beek zilver op wereldkampioenschap

Bij de laatste gehouden Zesdaagsen van Amsterdam kletste de microfonist van dienst  honderd lettergrepen in een minuut maar of hij echt verstand van wielrennen had was  nog maar de vraag. Bij de voorstelling van de renners voerde hij, bombastische,  Matthe Pronk op als de ‘wereldrecordhouder achter de derny’. Een regelrechte leugen die bij iemand op de tribune, want Maas van Beek, voor heel veel pijn en frustratie bezorgde. Want het was de bijna zesenvijftig jarige Van Beek die afgelopen mei, het record van Pronk uit de boeken fietste.

Gisteren heeft Van Beek een kleine wraak genomen. In  het Portugese Anida, waar onder de vlag van de UCI, het wereldkampioenschap baanrijden voor masters gehouden werd greep Van Beek het zilver op de sprint. Opmerkelijk voor iemand die te boek staat als een man van de lange adem. Driehonderd renners, afkomstig uit de ‘hele wereld’, hadden zich voor het nummer ingeschreven. Op een monsterlijk zware versnelling (voor de kenners: 65 voor en 17 achter) wist Van Beek ze, op één na, allemaal te verschalken. Het waren geen sprints uit de goocheldoos van wijlen Piet Moeskops maar meer het eerlijke hotseknost rammen op de fiets. Beetje dom maar wel heel effectief. Voordat critici gaan grinniken: Van Beek reed de laatste tweehonderd meter in een tijd van 12.4 seconden. In de finale was het de Australiër  David Willmott die de recordhouder achter de derny wist te kloppen.
Na afloop sprak Maas van Beek zijn teleurstelling uit over de K.N.W.U. ‘Ik schaam mij,  hoe amateuristisch ik hier aanwezig ben. Iedere deelnemer was afgevaardigd in een nationaal tenue of werd op één of andere manier gesponsord door hun bonden. Wij niet. De masters is één van de grootste categorieën in Nederland en het is telkens weer frutrerend te merken dat er na ons helemaal niet omgekeken wordt. Dit kampioenschap is wel één van de grootste die de UCI organiseert.’

D’n IJzeren in een helse kermis

Reglementen? Hoe bedoel je? Het enige reglement dat bestond was dat alles toegestaan was. Voor de Eerste Wereldoorlog was stayeren wildwest op de wielerbaan, anarchie achter de motor. Gangmakers bouwden motoren zoals het hun uitkwam. Ook de renners mochten graag aan hun karretje knutselen: vaak met fatale afloop.

D’n IJzeren werd hij genoemd, om maar even aan te geven dat Thuur Vanderstuyft allesbehalve een mietje was. Voor dat zijn eerste baardharen er goed en wel door kwamen had Thuur al meegevochten in de frontlinies van Bordeaux-Parijs, werd tweede in Parijs-Roubaix, won drieënvijftig kermiskoersen, en voor een fistful dollars stond hij op de deelnemerslijst  van de six van New York, wat stond voor zes dagen én nachten wildwest op de wielerbaan.
Je gezondheid op het spel zette dat is één, maar daar moet financieel wél wat tegenover staan: wat dus niet het geval was. En het was alléén voor de poen die er te verdienen viel dat Vanderstuyft in 1905 de overstap naar het fietsen achter zware motoren maakte.
Stayerskoersen van voor de Eerste Wereldoorlog, het moet de kermis in de hel geweest zijn, waarbij het bloed rijkelijk over de wielerbanen stroomde. Thuur, de Vlaamse kasseienstoemper, schrok zich het lazerus van de snelheden die gehaald werden. Er werd enorm hard gereden. Te hard eigenlijk. Er waren meer dan  veertig topstayers actief, die koersen reden met een gemiddelde snelheid van tegen, én over  de honderd kilometer waarbij niet iedere stayer op basis van atletische gave de motor kon bijhouden.
D’n IJzeren, die, achter Jan Olieslagers, inmiddels de Grote Prijs van Leipzig gewonnen had, kwam er snel achter dat er twee soorten kampioenen bestonden: mét  én zonder klasse. De laatsten waren volgens hem ‘draaiers’, mannen met ongelofelijke souplesse die in de zuiging van de motor alles konden. Maar zodra er wind op kwam zetten of de baan was te zwaar, dan gaf de klasse, de ausdauer, de doorslag. Als jongens als een Vanderstuyft, Dickentman, Robl, Guignard en andere échte’ kampioenen op de weg gingen trainen dan bleven de ‘draaiers’ thuis want ze werden gelost als postduiven. Om met een granietharde Flandrien als Vanderstuyft de weg op gaan dat moet geen pretje zijn geweest, maar dat terzijde…
Voor optimale zuiging waren ‘draaiers’ bereid héél ver te gaan. Met afgrijzen verhaalt d’n Thuur dat ze fietsjes lieten bouwen waarbij de afstand van de as van het voorwiel tot de bracket slechts veertig centimeter was. Om dat te realiseren was de schuine buis van het balhoofd naar de trapas krom gebogen. De abri, oftewel de zuiging, was optimaal, de renner zat bijkans in de nek van de gangmaker te hijgen maar had wel één nadeel: omdat de pedaal naast het voorwiel kwam was er maar een paar centimeter stuurruimte. Als de motor een slingerbeweging maakte en de voet raakte het voorwiel was het over en uit…
Volgens Vanderstuyft was Willy Schmitter de ergste. Ach gut, de brave Willy, een jochie van net twintig jaar, afkomstig uit Mulheim aan de Rijn, drogist in opleiding, verruilde de hoestdrankjes en pillen voor de stayersfiets. In 1905, tijdens het Europees kampioenschap in Leipzig,  kwam Willy ten val en stierf ter plekke.

Ook gangmakers deden een griezelige duit in het zakje. Sommigen plaatsen het zadel tot achter de motor. Je hoeft geen Pieter van Vollenhove te zijn om te weten dat dat bloedjelink was.   Als de snelheid omhoog ging begon de motor te steigeren wat weer opgelost werd door blokken lood aan het stuur te hangen. Je moet er toch niet aandenken dat met honderd in het uur zo’n stuk lood losliet…
Thuur Vanderstuyft won tientallen grote stayerskoersen, verbrak wereldrecords en was in Vlaanderen ongekend populair. Maar roem is vergankelijk als de liefde van een hoer. Terwijl  de ‘mof’ tussen 1914 en 1918 Vlaanderen én heel België in een ijzeren greep hield, reed Thuur Vanderstuyft zijn koersen in Duitsland: wat hem aan het thuisfront niet in dank afgenomen werd. In 1923 begon d’n IJzeren corrosie te vertonen en was het gedaan met zijn rennersloopbaan. In 1956, op drieënzeventigjarige leeftijd vervoegde  Thuur Vanderstuyft zich bij Willy Schmitter en andere doodgevallen stayers.

Foto 1: De Grote Prijs van Breslau, 7 juni  1909. Met v.l.n.r. Karel Verbist, Thuur Vanderstuyft, Peter Gunther en Fritz Scheuermann. Tijdens het maken van de ‘kiek ‘ was Magere Hein niet ver weg. Twee weken later, tijdens een stayerskoers in Brussel, verongelukte Karel Verbist die maar 26 jaar werd. Met Peter Gunther en RichardScheuermann liep het niet veel beter af.  Tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden op 7 september 1913, was er een vreselijk ongeluk  waarbij niet alleen  Scheuermann het leven liet maar ook gangmaker Gust Lawson (foto onder). Peter Gunther tenslotte, viel, op 6 oktober 1918,  dood tijdens de Grote Herfstprijs van Dusseldorp. Peter werd 36 jaar.


Foto 2: D’n IJzeren in volle glorie.

Foto 3: Wereldkampioenschap 1908 gehouden in Steglitz. Links Bedell, gevolgd door Vanderstuyft, Stellbrink, en Ryser.

Foto 4 Links Vanderstuyft met Kareltje Verbist.

Foto 5:  Willy Schmitter achter gangmaker Charles Pequa met wie het ook niet goed afliep. Tijdens de ‘300 Kronen von Spandau’ op 7 juni 1907,was Fransman Pequa gangmaker van Paul Guignard toen zijn voorband sprong. Charles werd naast zijn eerder gestorven vrouw begraven. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Voor de ‘echte’liefhebber: lees ‘Flirt met de Dood’: zie elders op deze blog.

Oprapen van lijken bij kampioenschap stayeren


Nou mag je vader dan twee keer wereldkampioen stayeren zijn geweest, en dan mag je ook nog eens op zijn fiets rijden maar dat wil niet zeggen dat je dan een schriftelijke bevestiging krijgt dat je Europees kampioen wordt. Beroepsrenner Matthé Pronk kwam daar pijnlijk achter.
Afgelopen weekend vond in Alkmaar het Europees kampioenschap stayeren plaats waarvoor genoemde Pronk torenhoog favoriet was. Achttien renners afkomstig uit zeven landen moesten zich via series zien te plaatsen voor de finale op zondagmiddag.
Alles wat het fietsen achter motoren zo aantrekkelijk maakt gebeurde in de Kaasstad, tot een valpartij aan toe. Het laatste kwam op conto van de Engelse gangmaker Graham Brislow die, vrijdagavond,  even iets te lang omkeek, de balustrade raakte en omlaag stortte. Met een gekneusde duim kon de onfortuinlijke Brit, de inmiddels opnieuw gestarte race vervolgen.  Pronk, links, een redelijke goede wegrenner,  was dus de grote favoriet, maar kwam s erachter dat stayeren iets anders is dan de Grote Prijs Zottegem: exit voor Pronk die de finale niet haalde.
Door malafide praktijken van de gangmakers was het bijna over en uit met de stayerssport want op sterven na dood. Er werd teveel van het ‘briefie’ gereden wat stond voor een geregisseerde uitslag. Zo’n vijftien jaar geleden besloot de UCI er de bezem door te halen. De meest corrupte gangmakers hebben daar hun conclusie uit getrokken en zijn óf gestopt of gepensioneerd. En wat er nu op de motor zit kijkt wel uit: althans dat was de indruk bij de finale. Er werd ‘rechtuit’ gekoerst. Volgens sommigen een beetje domme manier van rijden maar voor publiek aantrekkelijk. Renners die erin vlogen, zich zelf opbliezen, maar ook combinaties die het spel slim speelde.
Zoals Willem Fack met zijn poulain Patrick Kos (foto boven). Terwijl alles en iedereen zich de pletter liep op koploper Bob Stöpler was Fack/Kos bezig met het ‘oprapen van lijken’. Heel even leek het erop dat Kos, die op een veel te grote fiets reed, de koppositie ging pakken. Uiteindelijk was het tweevoudig Europees kampioen de Zwitser Giuseppe Atzeni, rechts, die  de winst pakte. Zilver was voor Kos en brons voor Bob Stöpler.
Met de aankoop, alweer enige jaren geleden, van de motoren van de failliete wielerbaan van Stuttgard, kan het sportpaleis van Alkmaar niet genoeg geprezen worden. Alleen héél jammer dat de wedstrijdleiding de rol achter de motor op 1.20 meter geplaatst heeft. Voor een fatsoenlijke stayerskoers té ver. Die rol moet dus minstens twintig centimeter  korter op de motor komen. Doen ‘Alkmaar’….!

Foto’s: bf-one