De brief van de UCI, met de schorsing voor twee jaar, was amper gelezen of het boek kwam uit. Wat planning betreft kan het wielerboek ‘De Ronde van Boogerd’ al niet stuk. Auteur Filemon Wesselink, presentator en televisiemaker, blijkt ook over de gave van het geschreven woord te beschikken. Een jaar lang volgde Wesselink zijn grote held Michael Boogerd bij diens terugkeer in het wielerpeloton. Boogerd, kukelde na zijn wielercarrière in het berucht zwarte gat dat hij verwoordt als ‘geen raad weten met jezelf’. Als voormalige berggeit klom hij daar wonderbaarlijk uit, wat de opmaat was voor zijn tweede wielerleven. Niet op de koersfiets maar als ploegleider van Team Roompot. Vanaf de openingskoers de Ster van Bessèges tot aan de sluitingskoers van Putte-Kapellen, was Wesselink daarbij. Vooral de sfeerverhalen in de koers lezen heerlijk weg. Hoewel Boogerd de grote held van de auteur is wordt deze niet gespaard. Wesselink, regelmatig aanwezig in het huis van Boogerd, beschrijft diens maatschappelijke worsteling. Het zijn spectaculaire onthullingen. Hoe zijn voormalige sponsor de Rabo-Bank hem liet vallen, zijn echtscheiding, maar vooral Boogerds biecht over diens dopingverleden. Op de vraag hoe het voelde om na al die jaren zijn dopegebruik op te biechten, antwoordt Boogerd: ‘Kut. Je weet dat je op dat moment van een voetstuk valt. Ik wilde dat het publiek zou begrijpen waarom ik het had gedaan. Toch wist ik diep van binnen al dat het merendeel het nooit zal begrijpen.’ Dat laatste zal Filemon Wesselink ook nooit begrijpen. Aan het eind van het wielerseizoen 2015, loopt de schrijver in Amsterdam een renner tegen het lijf, die hem toevertrouwt dat hij, Wesselink, het echte verhaal over Boogerd eens moest weten. Wesselink verward achterlatend, beseft dat hij iets van Boogerd weet, maar tegelijkertijd ook helemaal niets.
‘De Ronde van Boogerd’
Uitgever Overamstel.
ISBN: 978.904.882.6728
E-Book: 978.904.882.6735
Paperback
Prijs; 17.50 euro.
Tien jaar gestayerd. Goed voor zo’n tweehonderdvijftig koersen. De wielerbanen van Duitsland, Frankrijk en Nederland waren zijn jachtterrein. Had de yen de andere kant op gevallen, dan was Tadashi Sangu klimmer. Met een lichaamslengte van 1,55 een patent op ‘klimgeit’. Tadashi, geboren in Tokio, wielrenner, én studerend in het Amerikaanse Colorado van 1984. De Rocky Mountains in de achtertuin. Sangu, gesponsord door een wielerkledingfabrikant, en net warmgedraaid in de Rocky’s, kreeg van zijn toenmalige sponsor een aantrekkelijk voorstel. Of hij het gesponsorde product niet wilde promoten in Europa?
Op tien centimeter afstand scheerde de vallende motor langs hem. Even aardig voor de medische statistieken: de gangmaker werd met twee gebroken benen afgevoerd.
Zomaar een foto. Oeroud, en romantisch. ‘Geschoten’ begin september 1903, op de wielerbaan van Friedenau, vóór de start van de de Friedenauer Goldpokal, een stayerskoers over twee uur. Op de volle tribunes de Berlijnse bourgeoisie. Aan de start de verworpenen der aarde want Thaddy Robl, Karl Käser, Alfred Görnemann, Paul Dangla en Piet Dickentman, acteurs in het lugubere Theater van de Dromen, waar het voor sommigen, fijn toeven is. Mannen, snakkend naar roem, eer, en rijkdom. Poserend, trots, tikkeltje angstig, en strak kijkend in de lens. Met een hoorbare klik drukte de fotograaf zijn sluiter in. Waarmee een onzichtbare, maar onafwendbare helse machinerie in werking wordt gesteld. Arme jongens, onwetend van hun lot. In een kort tijdsbestek vertrekken er vier naar een ‘betere wereld’. De vijfde ontsnapt aan het mortuarium door zich te verslapen. Bizar, maar waar. De Goldpokal dus, met op de aanplakbiljetten de namen van de drie sterkste stayers ter wereld. Enige weken eerder werd Dickentman wereldkampioen door Robl en Görnemann achter zich te houden.
Dat de koers mét zeventienhonderd goudmark, uiteindelijk werd gewonnen door Robl is af te doen als statistisch geneuzel.
De laatste hoorde die ene weemakende klap achter zich. Enfin, Karl zou nooit meer een finishlijn passeren.
‘We proberen weer gewoon te doen’, schreef sportjournalist Ad van Emmenes in mei 1940. De rasopportunist Van Emmenes had nooit kunnen bedenken dat zijn uitspraak vijfenzeventig jaar later de titel van Harry Walstra’s nieuwe boek werd. ‘We proberen weer gewoon te doen, voetballen in oorlogstijd’, oorlogsverhalen gerelateerd aan voetbal, die zich afspelen in Duitsland én Nederland. Zoals over Rudi Gramlich, een Duits international en aanvaller van Eintracht Frankfurt. Een gevierde voetballer maar wél één met een donkerbruin verleden. Gramlich, lid geworden van de beruchte SS Totenkopfregiments was in 1939 betrokken bij de ontruiming van het Joodse getto van Krakau. In 1946 werd de voormalige voetballer veroordeeld tot twee jaar gevangenis. Voor de Duitse voetbalbond én Eintracht Frankfurt was dat geen ethische belemmering om Gramlich later met alle egards te overladen.
Voor Willem bestaan er geen vriendschappelijke duels. En al helemaal niet tegen ‘de mof’, waarin de vlam van zijn moffenhaat tegenstander Overath schroeide. Wie wil weten hoe dát afliep, moet snel Walstra’s nieuwe boek kopen.
De val zag hij aankomen. En hij kon geen kant op. Omhoog sturen was zelfmoord. Wat restte was rechtdoor. Evengoed was het onzeker of er een ziekenauto aan te pas kwam. Dat in doodsnood je leven in een splitsecond aan je voorbij trekt is niet waar. Het was gewoon een kwestie van levensinstinct. Lijfbehoud. Het nationale stayerskampioenschap afgelopen januari, met Mark Oostendorp op de deelnemerslijst. Mark Oostendorp, hovenier in dagelijks leven en stayer als roeping, was geen favoriet. Maar eiste wél een hoofdrol op. Een bedenkelijke weliswaar, maar toch.
Fijne horror, mét patent op een prachtig epos. Altijd leuk om later aan de kleinkinderen te vertellen, hoe opa als stayer een vreselijke val overleefde. Genoeg geleuterd. Laat Mark zelf zijn verhaal vertellen: ‘Ik werd ingehaald door twee motoren. Ik reed onder in de baan. Boven mij die twee combinaties. Wat er precies gebeurde was mij ontgaan. Wél dat gangmaker Uwe Smit ten val komt. In een flits zag ik renner Dex Groen onder een motor terecht komen. Ik kon geen kant op. Alleen recht uit rijden. En knalde vol op die vallende motor. Het achterwiel van die gecrashte motor bleef doorrazen en schraapte het vel van mijn been. Ik was helemaal ontveld en kon een paar weken niet goed lopen’.
Héél eng, volgens de hovenier. Gebeurde tijdens de training in het Sportpaleis. In de baan veel beginnende stayers.
‘Het is een armoedige boel’, bromt Willem Fack. De boomlange gangmaker had geen woord te veel gezegd. Het Nederlands kampioenschap derny, was dan ook één troosteloos gebeuren. Waarbij alle betrokkenen de beschuldigende vinger wijzen naar de KNWU. ‘Het is dodelijk dat bij dit kampioenschap profs samen rijden met jonge amateurs. Dat kan eigenlijk niet’, vat vroegere bondscoach Eric Geserick het probleem samen. De inschrijvingen waren een voorbode voor een echec. Vorige week hadden zich pas vijf renners gemeld. De rest had geen trek om als kanonnenvoer te dienen. Om de afgang van een geannuleerd kampioenschap te voorkomen werden uit alle hoeken en gaten renners benaderd. Dat leverde merkwaardige situaties op.
Het dernykampioenschap 2015 dus, georganiseerd door de geheimschrijvers van het Velodrome. Die er weer in geslaagd waren dit kampioenschap in volledige anonimiteit te laten verrijden. Op de burelen van het Velodrome is het begrip ‘public relations’ nog steeds onbekend. Geen aankondiging in de pers, helemáál niets. Eigenlijk maar goed. Het handvol toeschouwers kreeg een slaapverwekkende vertoning opgelepeld. Favorieten en smaakmakers als een Patrick Kos en Youri Havik, voormalige kampioenen, schitterden door afwezigheid. Kos gaf de voorkeur aan een strandrace. Havik zat in een trainingskamp in Spanje. Het enige bedenkelijke hoogtepuntje vond plaats in de eerste serie. Met in de hoofdrollen genoemde Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. De laatste passeerde de combinatie Christian Kos té strak. In een impuls gaf Kos zijn tegenstander een gooi. Waarbij de ketting van Haas’ derny er afliep.
En dan de finale, die verdacht veel leek op het kinderliedje van die tien kleine negertjes. Van wie de één na de ander sneuvelde. Met dank aan latere kampioen Jesper Asselman. De laatste had aan één flinke versnelling genoeg. Slechts drie renners konden enigszins mee komen. De rest was afgestapt. Twee ronden voor het einde was de kampioen al bekend. Aardig was de strijd om de derde plaats tussen Jeff Vermeulen en Dennis Bakker. De laatste greep door onervarenheid van pa uiteindelijk naast het brons.
Het lijf, tanig, afgetraind, in vorm. De geest scherp. Geriatrie, noch dementie kregen grip. Meer dan een kwart eeuw koerste hij achter de zware motor. Helse jaren. Waarbij vijftig collega’s dodelijk verongelukten. En de zeis van Hein nog steeds niet was uitgemaaid. Voor de eenenvijftigste stayer was al een plekje vrijgemaakt. Cijfers, gruwelijk in eenvoud. Evengoed had Piet Dickentman nog steeds courage. Waarbij geld dé motivatie was. Dickentman, wereldkampioen in 1903, won tijdens zijn lange carrière zo’n beetje alle grote koersen. Vaak meerdere keren. De Amsterdammer, als stayer een begrip. De allerbeste óóit. Maar de klok kon hij niet stoppen. Achtenveertig jaar oud. Bijna vijf kruisjes stonden achter zijn leeftijd. Biologisch gezien een ouwe man. Hij was niet meer die almachtige kampioen van weleer.
Ondanks dát kreeg hij nog steeds zijn contracten. Veel in Nederland, maar ook in Duitsland waar Piet in de ‘internationale extra klasse’ een divisie voor de allerbeste uitkwam. Het moet die ouwe goed gedaan hebben dat zijn naam de affiches én advertenties sierden. Ook tijdens het seizoen 1927. Alte Piet, zoals hij in de pers steevast werd aangesproken stelde het publiek namelijk nooit teleur. Daarvoor was hij te veel prof. Ook tijdens de Grossen Preis der Republik. Een koers over honderd kilometer gehouden in Dresden. Zeven stayers waaronder Ernst Freja en landgenoot Frans Leddy.
Hoewel er een toezegging is, heeft het Amsterdamse bestuur nog steeds geen straat naar deze grootste sportheld vernoemd.
Het clubhuis van de Wielervereniging Amsterdam. Tikkeltje rauw, volks, laagdrempelig. Waar de koers van de wanden spat. Met dank aan de vele wielermemorablia. Een plek met een heel hoog Vlaams gehalte. Maar dan wel op het wielerparkoers Sloten. Maar dát is inmiddels verleden tijd. De wielerschatten zijn verdwenen. Veilig opgeborgen. De sloophamer had zijn werk gedaan. Wielervereniging Amsterdam, in vervolg WVA genoemd, krijgt een nieuw clubhuis. En niet zo’n kleintje. Compleet met een twintig meter lange glazen tribune. Massage- én kleedkamers volgens de huidige tijd. Dat het WVA voor de wind gaat is duidelijk. Ruim tweehonderdvijftig fietsende leden. Tijdens het seizoen drie koersen per week. Wat staat voor zo’n zeshonderd renners. Die voor drie euro inschrijfgeld een koersje rijden. Profs, amateurs, veteranen en dames. Alles start bij elkaar. Koersen zonder enge juryleden, en met reglementen wordt soepel omgegaan. De gouden sleutel tot succes.
Ooit was dat anders. In de jaren zestig bestond WVA letterlijk uit drie leden. Decennia later behoort de club tot de succesvolle, en rijkste van het land. Succes kent vele vaders. Anno nu wordt dat bij WVA, door verschillende geclaimd. Dat kan zo zijn. Maar er is maar één man die dat op zijn conto kan en mag schrijven: Jaap Ruiter, indertijd voorzitter van WVA!
Uniek, nooit eerder vertoont, en tegen de reglementen van de bond in. Een schot in de roos. Clubkoersen met meer dan honderd renners. Vaak het dubbele.

