‘De Ronde van Boogerd’

De brief van de UCI, met de schorsing voor twee jaar, was amper gelezen of het boek kwam uit. Wat planning betreft kan het wielerboek ‘De Ronde van Boogerd’ al niet stuk.  Auteur Filemon Wesselink, presentator en televisiemaker, blijkt ook over de gave van het geschreven woord te beschikken. Een jaar lang volgde Wesselink zijn grote held Michael Boogerd bij diens terugkeer in het wielerpeloton. Boogerd, kukelde na zijn wielercarrière in het berucht zwarte gat dat hij verwoordt als ‘geen raad weten met jezelf’. Als voormalige berggeit klom hij daar wonderbaarlijk uit, wat de opmaat was voor zijn tweede wielerleven. Niet op de koersfiets maar als ploegleider van Team Roompot.  Vanaf de openingskoers de Ster van Bessèges tot aan de sluitingskoers van Putte-Kapellen, was Wesselink daarbij. Vooral de sfeerverhalen in de koers lezen heerlijk weg. Hoewel Boogerd de grote held van de auteur is wordt deze niet gespaard. Wesselink, regelmatig aanwezig in het huis van Boogerd, beschrijft diens maatschappelijke worsteling. Het zijn spectaculaire onthullingen. Hoe zijn voormalige sponsor de Rabo-Bank hem liet vallen, zijn echtscheiding, maar vooral Boogerds biecht over diens dopingverleden. Op de vraag  hoe het voelde om na al die jaren zijn dopegebruik op te biechten, antwoordt Boogerd: ‘Kut. Je weet dat je op dat moment van een voetstuk valt. Ik wilde dat het publiek zou begrijpen waarom ik het had gedaan. Toch wist ik diep van binnen al dat het merendeel het nooit zal begrijpen.’  Dat laatste zal Filemon Wesselink ook nooit begrijpen. Aan het eind van het wielerseizoen 2015, loopt de schrijver in Amsterdam een renner tegen het lijf, die hem toevertrouwt dat hij, Wesselink, het echte verhaal over Boogerd eens moest weten. Wesselink verward achterlatend, beseft dat hij iets van Boogerd weet, maar tegelijkertijd ook helemaal niets.
‘De Ronde van Boogerd’
Uitgever Overamstel.
ISBN: 978.904.882.6728
E-Book: 978.904.882.6735
Paperback
Prijs; 17.50 euro.

Van stayeren tot de Vlaamse kermiskoers

Tien jaar gestayerd. Goed voor zo’n  tweehonderdvijftig koersen. De wielerbanen van Duitsland, Frankrijk en Nederland waren zijn jachtterrein. Had de yen de andere kant op gevallen, dan was Tadashi Sangu klimmer. Met een lichaamslengte van 1,55 een patent op ‘klimgeit’. Tadashi, geboren in Tokio, wielrenner, én studerend in het Amerikaanse Colorado van 1984. De Rocky Mountains in de achtertuin. Sangu, gesponsord door een wielerkledingfabrikant, en net warmgedraaid in de Rocky’s, kreeg van zijn toenmalige sponsor een aantrekkelijk voorstel. Of hij het gesponsorde product niet wilde promoten in Europa?
Als wielrenner zag hij zich terug in de Lage Landen. En dát viel even tegen. Niks bergen, ijle lucht, maar vlakke, eindeloos lijkende, kale polderwegen.  Dertig jaar later hoort hij nog de storm loeien in zijn oren. Trainend in Noord-Holland, werd hij op sleeptouw genomen door Matthé Pronk, een toenmalige wereldkampioen stayeren. Pronk zag meteen een stayer in zijn trainingsmaat. Niet veel later beleefde Sangu zijn debuut achter de zware motor.
Vier seizoenen werd achter de rug van gangmakers als een Cees Ruiter, Arie Simon en Cees Stam gekaggeld.  Dat had hij nog wel een aantal seizoenen volgehouden als er geen wereldkampioenschap in zijn eigen Japan werd gehouden. Op verzoek van de Keirinbond werd Tadashi prof. Dezelfde bond regelde ook een onervaren Japanse gangmaker. Om aan elkaar te wennen werd een maand lang getraind. Dan gebeurt er een schimmig, duister spel. De machtige Keirinbond torpedeerde  een week voor het wereldkampioen de samenwerking. Sangu’s gangmaker werd verordend keirinkoersen te rijden. Een nieuwe ‘trekker’ werd geregeld die er geen reet van kon. Slecht twee keer samen getraind, sneuvelde Sangu voor eigen volk in de series. Tikkeltje gedesillusioneerd kwam hij terug in Nederland. Waar meteen de zon in zijn spaken begon te schijnen.
Als exoot, tussen al die struise, blonde renners, werd de stayerende Japanner een graag geziene gast op de wielerbanen. De Man van Tokio had over de kwaliteit van gangmakers geen klagen. De ruggen van Walrave, maar vooral Noppie Koch kan hij nu nóg uittekenen. Of hij bang was? Natuurlijk niet. Jongens uit Nippon kennen geen angst. Ook niet in de Dortmunder Westfalenhalle tijdens de Weihnachtspreis, waar Sangu’s gangmaakmotor  hoog in de bocht de balustrade raakte.
Op tien centimeter afstand scheerde  de vallende motor langs hem. Even aardig voor de medische statistieken: de gangmaker werd met twee gebroken benen afgevoerd.

Het leven van een fietsende jongen uit Japan kan vreemd verlopen. Ook voor Tadashi Sangu. Die tekende in 1992 een contract bij de Elro Snackploeg, een kleine profformatie. Dat laatste kan wel wezen, maar daardoor zijn er niet veel Japanse renners die zich kunnen beroepen aan de start gestaan te hebben gestaan  bij de Vlaamse kermiskoersen: trouwens ook de ‘kleine’  klassiekers als een E-Prijs, Rondom Keulen, en Het Volk. Tadashi Sangu, inmiddels 57 jaar, woont meer dan twintig jaar aan de Belgische grens waar hij  een sportmanagementbureau runt. Tadashi begeleidt onder meer jonge koersende landgenoten in Nederland en België.

 

Foto 1: Sangu achter Walrave. Foto 2: Als veteraan nog actief achter de derny.
Foto 3: Sangu was niet de eerste Japanse stayer op de Europese banen.  Deze primeur was voor ene Kawamuro Kisso in 1928.

Posted in Niet gecategoriseerd. 1 Comment »

In het Theater van de Dromen

 Zomaar een foto.  Oeroud, en romantisch. ‘Geschoten’ begin september 1903, op de wielerbaan van Friedenau, vóór de start van de  de  Friedenauer Goldpokal, een stayerskoers over twee uur. Op de volle tribunes de Berlijnse bourgeoisie. Aan de start de verworpenen der aarde want Thaddy Robl, Karl Käser, Alfred Görnemann, Paul Dangla en Piet Dickentman, acteurs in het lugubere Theater van de Dromen, waar het voor sommigen, fijn toeven is. Mannen, snakkend naar roem, eer, en rijkdom. Poserend, trots, tikkeltje angstig, en strak kijkend in de lens.  Met een hoorbare klik drukte de fotograaf zijn sluiter in. Waarmee een onzichtbare, maar onafwendbare helse machinerie in werking wordt gesteld. Arme jongens, onwetend van hun lot. In een kort tijdsbestek vertrekken er vier naar een ‘betere wereld’. De vijfde ontsnapt aan het mortuarium door zich te verslapen. Bizar, maar waar. De Goldpokal dus, met op de aanplakbiljetten de namen van de drie sterkste stayers ter wereld.  Enige weken eerder werd Dickentman wereldkampioen door Robl en Görnemann achter zich te houden.
Dat de koers mét zeventienhonderd goudmark, uiteindelijk werd  gewonnen door Robl  is af te doen als statistisch geneuzel.
Belángrijker zijn de foto én de renners. Door de geschiedenis bijna weggepoetst. Maar godzijdank wordt het een verhaal waar een gemiddelde ‘aanspreker’ zijn vingers bij aflikt. Waarbij Alfred Görnemann de bedenkelijke opening verricht. Alfred, brave kruidenierszoon uit Berlijn, staat op 11 oktober 1903 aan het vertrek van de 100-kilometer van Dresden. De laatste stayerskoers van het jaar. Ook voor Alfred. Die tijdens ‘de 100’ een dodelijke kukel maakt. Een half jaar later zag  Paul Dangla, op 4 juni 1904, voor de laatste keer de zon opgaan.  Paul, 26 jaar, een voormalig boekhouder aan de start van de Golden Rad von Magdenburg, krijgt een klapband en werd begraven op de begraafplaats Cimetière de Dolmayrac in zijn geboorteplaats l‘Agen.
Dan is er ook nog Karl Käser. Ach gut Karl, favoriet voor de Grote Prijs van Plauwen, gehouden in augustus 1904, waarbij Karl gegangmaakt werd door zijn broer Josef .
De laatste hoorde die ene weemakende klap achter zich. Enfin, Karl zou nooit meer een finishlijn passeren.
Robl ontsnapte aan het bloedbad. Bijna. In 1910 schaft de wereldkampioen stayeren 1901 én 1902, een vliegtuigje aan. Om op 18 juni in zijn tweedekkertje de maidentrip te maken. Makker en collega Piet Dickentman wordt uitgenodigd om Berlijn ook eens vanuit de lucht te bekijken. Piet verslaapt zich. Vanaf het vliegveld van Stettin stijgt Robl alleen op.  Op honderd meter hoogte stopt de motor. Het werd een ‘enkeltje’ richting hemel.

Foto 1: v.l.n.r. Robl, Kaser, Gornemann, Dickentman, en Dangla.
Foto 3: Piet Dickentman.

Bron: jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1910.

‘Voetballen in oorlogstijd’

‘We proberen weer gewoon te doen’, schreef sportjournalist Ad van Emmenes in mei 1940. De rasopportunist Van Emmenes had nooit kunnen bedenken dat zijn uitspraak vijfenzeventig jaar later de titel van Harry Walstra’s nieuwe boek werd. ‘We proberen weer gewoon te doen, voetballen in oorlogstijd’, oorlogsverhalen gerelateerd aan voetbal, die zich afspelen in Duitsland én Nederland. Zoals over  Rudi Gramlich, een Duits international en aanvaller van Eintracht Frankfurt. Een gevierde voetballer maar wél één met een donkerbruin verleden. Gramlich, lid geworden van de beruchte SS Totenkopfregiments was in 1939 betrokken bij de ontruiming van het Joodse getto van Krakau. In 1946 werd de voormalige voetballer veroordeeld tot twee jaar gevangenis. Voor de Duitse voetbalbond én Eintracht Frankfurt was dat geen ethische belemmering om Gramlich later met alle egards te overladen.
Gramlichs diepe val was voor Walstra stof voor een prachtig maar ontluisterend verhaal. De zoektocht naar Gramlichs  verleden bracht de Friese auteur onder meer in Nederland waar de vroegere SS’er als voetballer ook actief was. Dat het nóg erger kon, beschrijft Walstra in het hoofdstuk over Tull Harder: onbetwist Duits voetbalidool die later de boeken inging als oorlogsmisdadiger.
‘We proberen weer gewoon te doen’ verhaalt niet alleen over foute Duitse voetballers. In vlotte schrijfstijl verhaalt Walstra over de lotgevallen van Oranjespelers als een Barend van Hemert, Jur Haak, Gejus van der Meulen en Rein Boomsma. De laatste, een vroegere aanvaller van Sparta die het concentratiekamp Neuengamme niet overleefde. Ook een niet-voetballer als Cor Coster, komt in Walstra’s boek voor. De oorlogsprofiteur Coster, zwarthandelaar, in 1942 betrapt met 72 kazen, ontleende later zijn status als de schoonvader van Cruijff. En dan is er ook nog het hoofdstuk ‘Neder-Duitse voetbalrivaliteit’. Met onder meer de vriendschappelijke wedstrijd Duitsland-Nederland gespeeld in 1975. Willem van Hanegem in de hoofdrol.
Voor Willem bestaan er geen vriendschappelijke duels. En al helemaal niet tegen ‘de mof’, waarin de vlam van zijn moffenhaat tegenstander Overath schroeide. Wie wil weten hoe dát afliep, moet snel Walstra’s nieuwe boek kopen.

Foto rechts: 1926, Duitsland-Nederland. Links aanvoerder Tull Harder met de Nederlandse aanvoerder Harry Dénis.

‘We proberen weer gewoon te doen’
Uitgeverij:  Boekscout.
206 pagina’s.
paperback 16×24
ISBN: 978-94-0222-240.
Auteur: Harry Walstra.
Prijs: 18,65 euro.

 

De Val van de stayerende hovenier

De val zag hij aankomen. En hij kon geen kant op. Omhoog sturen was zelfmoord. Wat restte was rechtdoor. Evengoed was het onzeker of er een ziekenauto aan te pas kwam. Dat in doodsnood je leven in een splitsecond  aan je voorbij trekt is niet waar. Het was gewoon een kwestie van levensinstinct. Lijfbehoud.  Het nationale stayerskampioenschap afgelopen januari, met Mark Oostendorp op de deelnemerslijst. Mark Oostendorp, hovenier in dagelijks leven en stayer als roeping, was geen favoriet. Maar eiste wél een hoofdrol op. Een bedenkelijke weliswaar, maar toch.
In het Alkmaarse Sportpaleis  knalde Mark, halfweg koers met zeventig kilometer in het uur, tegen een gecrashte motor.  Waar hij uiteindelijk een ontveld been aan overhield. Een godswonder op zich, want de smakkerd  speelde zich af op de stoep van de hel.  Nee, hij heeft daar geen trauma aan over gehouden.  Ook hoefde hij een ‘psych’ geen hand te geven. In een sport waar de teller van de Dood op bijna zeventig staat moet je een realist zijn. Dat accepteer je. Over gevaar hoor je hem niet klagen.  Evengoed ziet hij  De Val, een enkele keer,  in slow motion, voor bij komen. Beeld voor beeld, haarscherp geprojecteerd in zijn geest. Met de bijbehorende lugubere geluiden.
Fijne horror,  mét  patent op een prachtig epos.  Altijd leuk om later aan de kleinkinderen te vertellen, hoe opa als stayer een vreselijke val overleefde. Genoeg geleuterd. Laat Mark zelf zijn verhaal vertellen: ‘Ik werd ingehaald door twee motoren. Ik reed onder in de baan. Boven mij die twee combinaties. Wat er precies gebeurde was mij ontgaan. Wél dat gangmaker Uwe Smit  ten val komt. In een flits zag ik renner  Dex Groen onder een motor terecht komen.  Ik kon geen kant op. Alleen recht uit rijden. En knalde vol op die vallende motor. Het achterwiel van die  gecrashte  motor bleef doorrazen en schraapte het vel van mijn been. Ik was helemaal ontveld en kon een paar weken niet goed lopen’.
Of hij bang was geworden op de stayersfiets?  Hij zal liegen als dat niet waar was. Na een paar weken herstel trainde Oostendorp weer achter de motor.
Héél eng, volgens de hovenier. Gebeurde tijdens de training in het Sportpaleis. In de baan veel beginnende stayers.

Kippenvel op zijn herstelde been, want griezelig met inhalen. Alles went. Ook het beoefenen van een discipline die je als bloedlink kunt bestempelen.  Inmiddels maakt het de man geen moer uit. Oostendorp heeft er gewoon zin in, zit barstensvol moraal. Voor dit winterseizoen kocht hij de hightech stayersfiets van de inmiddels gestopte Raymond Rol.  Een goede investering. In de komende weken rijdt hij waarschijnlijk een aantal koersen op de winterbaan van Berlijn.

Armoede troef in Velodrome

‘Het is een armoedige boel’, bromt Willem Fack. De boomlange gangmaker had geen woord te veel gezegd. Het Nederlands kampioenschap derny, was dan ook één troosteloos gebeuren. Waarbij alle betrokkenen de beschuldigende vinger wijzen naar de KNWU. ‘Het is dodelijk dat bij dit kampioenschap profs samen rijden met jonge amateurs. Dat  kan eigenlijk niet’, vat vroegere bondscoach Eric Geserick het probleem samen. De inschrijvingen waren  een voorbode voor een  echec.  Vorige week hadden zich pas vijf renners gemeld. De rest had geen trek om als kanonnenvoer te dienen. Om de afgang van een geannuleerd kampioenschap te voorkomen werden uit alle hoeken en gaten renners benaderd. Dat leverde merkwaardige situaties op.
Renners die vlak voor de start voor het eerst kennis maakte met hun gangmaker. Zoals Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. Geen meter getraind samen, laat staan een koers gereden. In de serie ging dat bijna mis, maar daarover straks. Eerst even vertellen over Dennis Bakker, talentvol renner gegangmaakt door zijn vader Alphons. De laatste kon gebrek  aan lef niet ontzegd worden. Zijn tweede wedstrijd pas. Zelf nooit gekoerst. Voor hem is het een leerjaar. Met Dennis als leermeester. Na de serie werd senior door zoonlief,  uitfietsend op de rollen, fijntjes op zijn fouten gewezen.
Het dernykampioenschap 2015 dus, georganiseerd door de geheimschrijvers van het Velodrome. Die er weer in geslaagd waren dit kampioenschap in volledige anonimiteit te laten verrijden. Op de burelen van het Velodrome is het begrip ‘public relations’ nog steeds onbekend. Geen aankondiging in de pers, helemáál niets.  Eigenlijk maar goed. Het handvol toeschouwers kreeg  een slaapverwekkende vertoning opgelepeld. Favorieten en smaakmakers als een Patrick Kos en Youri Havik, voormalige kampioenen, schitterden door afwezigheid. Kos gaf de voorkeur aan een strandrace. Havik zat in een trainingskamp in Spanje. Het enige bedenkelijke hoogtepuntje vond plaats in de eerste serie. Met in de hoofdrollen genoemde Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. De laatste passeerde de combinatie Christian Kos té strak. In een impuls gaf Kos zijn tegenstander een gooi. Waarbij de ketting van Haas’ derny er afliep.
En dan de finale, die verdacht veel leek op het kinderliedje van die tien kleine negertjes. Van wie de één na de ander sneuvelde. Met dank aan latere kampioen Jesper Asselman.  De laatste had aan één flinke versnelling genoeg. Slechts drie renners konden enigszins mee komen. De rest was afgestapt. Twee ronden voor het einde was de kampioen al bekend. Aardig was de strijd om de derde plaats tussen Jeff Vermeulen en Dennis Bakker. De laatste greep door onervarenheid van pa uiteindelijk naast het brons.

Uitslag: 1: Jesper Asselman. 2. Melvin van Zijl, 3. Jeff Vermeulen.

Met dan aan fotograaf Javelin.

In Dresden zat de duivel op de hielen

Het lijf, tanig, afgetraind, in vorm. De geest scherp. Geriatrie, noch dementie kregen grip. Meer dan een kwart eeuw koerste hij achter de zware motor. Helse jaren. Waarbij vijftig collega’s dodelijk verongelukten. En de zeis van Hein  nog steeds niet was uitgemaaid. Voor  de eenenvijftigste stayer was al een plekje vrijgemaakt. Cijfers, gruwelijk in eenvoud. Evengoed had Piet Dickentman nog steeds courage. Waarbij geld dé motivatie was.  Dickentman, wereldkampioen in 1903, won tijdens zijn lange carrière zo’n beetje alle grote koersen. Vaak meerdere keren. De Amsterdammer, als stayer een begrip. De allerbeste óóit. Maar de klok kon hij niet stoppen. Achtenveertig jaar oud. Bijna vijf kruisjes stonden achter zijn leeftijd. Biologisch gezien een ouwe man. Hij was niet meer die almachtige kampioen van weleer.
Ondanks dát kreeg hij nog steeds zijn contracten. Veel in Nederland, maar ook in Duitsland waar Piet in de ‘internationale extra klasse’ een divisie voor de allerbeste uitkwam. Het moet die ouwe goed gedaan hebben dat zijn naam de affiches én advertenties sierden. Ook tijdens het seizoen 1927.  Alte Piet, zoals hij in de pers steevast werd aangesproken stelde het publiek namelijk nooit teleur. Daarvoor was hij te veel prof. Ook tijdens de Grossen Preis der Republik. Een koers over honderd kilometer gehouden in Dresden. Zeven stayers waaronder Ernst Freja en landgenoot Frans Leddy.
Dickentman had zo zijn dagen. Kende van die oprispingen. Dan voelden de benen weer goed, liet hij de rol achter de motor schroeien. Ook op de wielerbaan van Dresden. Wat de journalist van de Illustrierter Radrenn-Sport deed neerpennen dat Piet met jeugdig elan een ronde voorsprong nam of de teufel hem op de hielen zat. Een mooie actie waarbij Dickentman zichzelf opblies. Uiteindelijk eindigt hij als zesde. Frans Leddy won de koers. Der Alte  mocht met de winnaar de ereronde rijden. Schrale troost voor een renner die tijdens zijn carrière meervoudig Europees kampioen was en die jarenlang heerste als een koning achter de zware motor. Ouwe Piet, meer dan duizend koersen gereden. Wedstrijden waar het ziekenhuisbed nooit ver weg was. Waar De Dood op de tribunes zat.  Een gódswonder dat de man het overleefd had. Om Dickentman als mazzelpik te betitelen gaat te ver. De stayerssport bracht hem alles. Maar nam het ook weer af. Voor de Eerste Wereldoorlog miljonair. Na de Krieg door de geldontwaarding berooid. Om zijn jonge gezin tijdens de Grote Depressie draaiende te houden, moest er gekoerst worden. Reed Dickentman tijdens zijn hoogtijdagen iedere week in Duitsland, in het seizoen 1927 zette hij tien keer zijn handtekening onder een contract.  Koersen als het Gouden Wiel van Frost,  der Grossen Herbstpreis en de Grote Prijs van Dresden. Voor aanvang van deze laatste koers werd door de renners een zogenaamde herdenkingsronde gehouden voor de enkele weken eerder doodgevallen collega Ernst Feja. Piet kende de twijfelachtige eer om op kop te mogen rijden.

Piet Dickentman, Amsterdams allereerste wereldkampioen én de eerste grote internationale sportheld afkomstig uit Mokum. Dickentman, nooit zijn afkomst vergeten, koersend in een shirt met het Amsterdamse wapen, maakte tientallen jaren reclame voor zijn stad. Hoewel er een toezegging is, heeft het Amsterdamse bestuur nog steeds geen straat naar deze grootste sportheld vernoemd.

Foto2: De herdenkingsronde voor de omgekomen Ernst Feja. Dickentman voorop. Foto 3: tweede van rechts Piet Dickentman.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport jaargang 1927.

Architect succes vergeten

Het clubhuis van de Wielervereniging Amsterdam. Tikkeltje rauw, volks, laagdrempelig. Waar de koers van de wanden spat. Met dank aan de vele wielermemorablia. Een plek met een heel hoog Vlaams gehalte. Maar dan wel op het wielerparkoers Sloten.  Maar dát is inmiddels verleden tijd. De wielerschatten zijn verdwenen.  Veilig opgeborgen. De sloophamer had zijn werk gedaan. Wielervereniging Amsterdam, in vervolg WVA genoemd, krijgt een nieuw clubhuis. En niet zo’n kleintje. Compleet met een twintig meter lange glazen tribune. Massage- én kleedkamers volgens de huidige tijd.  Dat het WVA voor de wind gaat is duidelijk. Ruim tweehonderdvijftig fietsende leden. Tijdens het seizoen drie koersen per week. Wat staat voor zo’n zeshonderd renners. Die voor drie euro inschrijfgeld een koersje rijden.  Profs, amateurs, veteranen en dames. Alles start bij elkaar. Koersen zonder enge juryleden,  en met reglementen wordt soepel omgegaan. De gouden sleutel tot succes.
Ooit was dat anders. In de jaren zestig bestond WVA letterlijk uit drie leden.  Decennia later behoort de club tot de succesvolle, en rijkste  van het land.  Succes kent vele vaders. Anno nu  wordt dat bij WVA, door verschillende geclaimd. Dat kan zo zijn. Maar er is maar één man die dat op zijn conto kan en mag schrijven: Jaap Ruiter, indertijd voorzitter van WVA!
De laatste, een gepassioneerd wielerliefhebber die op de Haarlemmerdijk een slagerij uitbaatte. Ruiter, een man met visie. Een gewiekste en handige onderhandelaar. Nadat de Amsterdamse clubs uit de polders rondom de stad werden verbannen gloorde, begin jaren zeventig, aan de horizon het splinternieuwe wielerparkoers Sloten. Vers opgeleverd. WVA, dat nietige, lullige kluppie, met zijn handvol leden mocht daar ook gebruik van maken. Van de vijf clubs die daarvoor in aanmerking kwamen, bleven er twee over: Olympia en WVA. De onderhandelingen werden door Ruiter slim gevoerd.
De man eiste dat de finishstreep voor de deur van ‘zijn’ clubhuis kwam. Dat de slager, als eerste zijn zaterdagmiddagkoersen openstelde voor renners uit het hele land was ongekend.
Uniek, nooit eerder vertoont, en tegen de reglementen van de bond in. Een schot in de roos. Clubkoersen met meer dan honderd renners. Vaak het dubbele.
Al dertig jaar raast de WVA-trein van succes onverminderd door. Jaap Ruiter heeft dat nooit meer mee kunnen maken. Tijdens een trainingsritje, in de jaren tachtig, verongelukte hij. Of Jaap Ruiter van WVA nog erkenning krijgt? Nee! Ruiter is vergeten. In de zogenaamde eregalerij, op de website van de club, pronken vijf clubcoryfeeën. Jaap Ruiter ontbreekt.  Voorzitter Maurice Willems geeft dat eerlijk toe. Volgens hem heeft dat te maken dat de huidige generatie WVA’ers daar weinig van meegekregen hebben. Geef de informatie maar, voegt hij daar aan toe. Dan plaatsen wij dat wel. Bij deze dus!

Adolf ‘gevallen’ aan het Westfront?

Copy of schulze‘Doe er maar meteen twee!’ De man hield duidelijk niet van halve maatregelen. De winter van 1905. Bij de motorenfabriek van Brennabor bestelde ene Adolf Schulze twee, monsterlijk zware gangmaakmotoren. Schulze, jong, ambitieus én stayer, maar ook een gewezen loodgieter en zeeman. Koerste  als amateur  achter een tweedehands, lullig ééncilindermotortje. Won evengoed het Gouden Wiel van Zehlendorf. Dat laatste was kattenpis. Adolf, perfecte naam voor een hemelbestormer, had woestere plannen. Waarbij medailles én lauwerkransen zijn rug op kunnen.  Fietsen achter zware motoren: altijd riskant. Als er dan toch op het levenstouwtje gebalanceerd moest worden dan maar voor harde goudmarken, dacht Adolf. Behalve hagelnieuwe motoren werd onder meer gangmaker Alfred Starke geëngageerd.  Adolf Schulze,  werd beroepsstayer, wat meteen het begin was van één groot raadsel…     
Eerst even vertellen over het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog. Niet alleen tjokvol kazernes maar ook zestig wielerbanen. Ieder weekend tientallen stayerskoersen. Uitverkochte bak. Zo’n honderdtachtig renners, naar sterkte verdeeld  over drie klassen.   Adolf Schulze, had een horrorachtige binnenkomer, want maakte bij zijn debuut als profstayer een bijna doodval. Of de man geestelijk niet helemaal joppe was, is niet duidelijk.
staatEnfin, een jaar later blokletterde zijn naam de aanplakbiljetten. Adolf mocht als b-renner, meedoen in de Grote Prijs van Treptow. Sensatie! Toenmalige wereldkampioen Darragon werd door Schulze op vele ronden gereden.
De voormalige loodgieter  mocht voortaan zijn ballen schroeien in de A-Klasse, de Premier League van de Duitse stayerssport.  Met winst in Baden, Pforzheim, Karlsruhe, Keulen, Nürnberg, Dusseldorf, Plauwen en Munster: af te doen als kleine koersen.
Tóch kon je Adolf niet in het vakje van ‘weggooiers’ stoppen. Met dank aan de Duitse statistici. Die met een dwangmatige ijver, iedere uitslag en de daarbij verdiende goudmarken, noteerde tot achter de komma. De zogenaamde jaarboeken van Radwelt staan er vol mee. Bij dé belangrijkste koersen schittert Adolf’s naam door afwezigheid. Niet in de lijsten van de ‘grootverdieners’, waar Schulze, zijn geld schrapend op de kleinere wielerbanen, steevast  bij de eerste vijf staat. En niet met onbenullige bedragen.
Zoals in 1909. Eenentwintig koersen  gewonnen, én zesentwintigduizend goudmark. Dan is het 28 juli 1914: de zegeteller van Schulze staat op zeven. En daar blijft het bij. Op die dag breekt ook de Eerste Wereldoorlog los.  De naam ‘Adolf Schulze’, honderd gewonnen koersen,  gedoteerd met honderdvijfenveertigduizend goudmark, lost langzaam op in de geschiedenis. De man neemt dienst als kriegsfreiwilliger bij het Keizerlijke leger.
Schulze_AdolfOf Adolf zijn laatste adem uitgeblazen heeft op de slachtvelden? Op 4 november 1918 wordt aan het Westfront een Adolf Schulze vermist. Of deze stakker Adolf de stayer is..? Nergens wordt dat duidelijk. Ach, wat maakt dat ook uit. Laat deze column een laatste eerbetoon zijn aan een jonge, inmiddels vergeten stayer.

Foto 3: Winnaar Grote Prijs van Keulen 1909.

Bron: Radwelt, jaargangen 1905 t/m 1914. Oorlogsgraven 1914-1918.