Eerst moesten er wat koppen rollen, waarbij de guillotine roodgloeiend stond na te sissen. Maar dan kreeg je wél wat. ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ en dat soort gezwets. Iedereen gelijk. De jongens van de Franse revolutie hadden geen woord gelogen. Ruim een eeuw later werd dat goed verwoord. Werden eerst straten vernoemd naar de bourgeoisie. Midden jaren twintig viel ook die eer aan een elektricien, een simpelaar uit Marseille, ten deel. Voor de laatste hing daar wél een kaartje aan: de Dood! Maar wat geeft dat. Je naam is gevestigd. Op slag ben je voor altijd een bekende Fransman. Een straat, en een stadion werden naar je vernoemd. Dat hij ook nog een standbeeld kreeg was helemáál mooi meegenomen.
Dat had Gustav Ganay nooit kunnen vermoeden toen hij als soldaat in de loopgraven van Verdun lag te creperen. In de modder en slijk van Noord-Frankrijk viel hooguit een lintje te verdienen. Anders een steen op een soldatengraf. Ganay, die de ‘gehaktmolen’ van Verdun, overleefde, kreeg geen medaille, en dat graf daar moest hij nog eventjes geduld voor hebben. Na zijn miltaire kloffie ingeleverd te hebben, trok Ganay zijn racefiets uit het vet. De oorlogsveteraan, een redelijk wegrenner, won in 1919 vier grote wegkoersen waaronder Marseille-Lyon. Aardig voor de statistieken maar niet meer dan dat. De Marseillaan, luisterend naar de bijnaam ‘de elektricien van de Alcazar’, ging voor het grote geld.
De wegfiets ging aan de kant en de wereld van ampères en voltages werden ingeruild voor het bloedlinke stayeren. Ganay, niet echt een topper, maar door zijn niet te temmen aanvalslust toch rijkelijk bedeeld met contracten. Werd in 1922 derde bij het wereldkampioenschap. En in 1926 mocht hij de bleu-blanc-rouge trui als nationaal kampioen aantrekken. En dan is het augustus 1926. Stayerskoers op het Parc des Princes, Parijs. De brave Gustav ook aan de start.
De man moet een gemakkelijke gozer zijn geweest. Gaf de uitdrukking ‘met de Franse slag’ een extra dimensie door met een voorwiel te starten waarvan de tube niet aan de velg was vast gekit. Dat is het zelfde als je kop onder een heiblok leggen. In de veertiende kilometer sprong de band van de velg. Ganay, aan de leiding, stortte neer, werd naar het hospitaal gebracht. Dezelfde nacht vertrok Frankrijks nationale kampioen naar een betere wereld.
Na Gustavs hemelgang gebeuren er zaken waar alleen Latijnse landen patent op hebben. Van het stadsbestuur kreeg Ganay, vierendertig jaar, een heldenbegrafenis. Half Marseille deed hun gevallen held uitgeleide. Aan het vers gedolven graf een diepbedroefde weduwe en zijn twee jonge kindjes. Om het leed enigszins te verzachten, werd niet alleen één van de grootste straten in de Zuid-Franse havenstad naar Ganay vernoemd, maar ook een stadion én een standbeeld.
Foto2: Ganay met gangmaker Pasquer.
Bron: Miroir des Sports jaargang 1926, Het Nieuws van den Dag jaargang 1926.
Hoe je ongelukken kunt voorkomen? Gewoon, door nooit onder een ladder te lopen. En mocht op vrijdag de dertiende een zwarte kat je pad kruisen, geef hem dan direct een schop onder zijn ‘derde oog’. Dan komt het geheid dik voor elkaar. Maar mócht je het levenslicht gezien hebben in een dorpje met de naam Cieux, wat ‘hemelen’ in het Frans is, hou je dan maar voor de rest van je leven gedeisd. Zet je voeten dan maar in een teil water en leef de rest van je bestaan als een geranium. Heel misschien dat je dan tussen de witte lakens je laatste adem uitblaast. Een ‘Hemelaar’ moet vooral het lot niet tarten. Dan kunnen de poorten van de hel wel eens open gaan. 
André Rayaud nam niet alleen plaats in het lugubere rijtje van verongelukte stayers maar was ook de eerste renner die stierf in een wereldkampioenshirt. Antwerpen liet André zijn laatste tocht richting station niet alleen doen. Meer dan honderdduizend mensen stonden langs de kant toen de verongelukte renner langskwam. Raynaud, 32 jaar, werd begraven op het dorpskerkhofje van Cieux.


Harry Miles beet de spits af. De man had de dubieuze eer om als eerste renner achter de motor te verongelukken. Op de baan van Walham, Massachuchetts viel de Bostonian, in 1900, te pletter. Dan gebeuren er enge dingen waar Edgar Allan Poe patent op had. Terwijl de Amerikaan bezig was de overstap naar gene zijde te maken, wordt niet veel later in België Felicien van Ingelghem geboren. Dood en geboorte, dé zekerheden van dit bestaan. Ook voor Harry en Felicien die aan elkaar werden gesmeed door een duistere, griezelige band. Tussen de Yank en de Vlaming lag namelijk een kerkhof vol lijken. Een dodenakker waar Harry als eerste werd bijgezet. Drieënzestig jaar later volgde Felicien, als laatste.









Zestien jaar profwielrenner én maar dertien overwinningen. Een mislukte carrière? Nee. Met twee Tour-etappes én winst in de allerzwaarste klassieker is je naam gebeiteld op de eeuwige uitslagenlijsten. Helaas voor Paul Chocque nam hij ook plaats op een ander lijstje: die van dood gevallen renners.

Dertien jaar profrenner en het afscheid kwam er aan. Zijn tijd zat erop. Inmiddels dertig jaar oud, wist hij verdomd goed dat van zijn carrière niemand wakker lag. Frustraties gierden door het lijf van Charles Brécy. Als stayer waren er dagen dat hij alles kon. Het publiek op de Parijse Vélodrome scandeerde dan massaal zijn naam. Helaas voor hem, net zo snel als de vorm kwam, verdween die ook. Bij Charles viel daar geen pijl op te trekken: wat aan zijn bankrekening af te zien was. Was de concurrentie schathemelrijk geworden, Brécy had zijn zuurverdiende franken geïnvesteerd in een bescheiden bloemenzaak.
Brécy voelde zich goed. Vuurde zijn gangmaker nog een keertje aan. ‘Nog maar een kwartiertje jongen, en je bent voor altijd beroemd’, dacht hij bij zich zelf toen hij dat vreemde geluid hoorde. Met een luide ‘krak’ brak de voorvork van de motor. Door de vallende motor werd Charley gelanceerd. Met een klap stuiterde de bloemenman tegen de balustrade. De wielerbaan kleurde net zo rood als Brécy’s rozen. Bewusteloos werd de recordman in spe met paard en wagen naar het hospitaal afgevoerd, waar hij elf dagen later de geest gaf. Charles Brécy, 31 jaar geworden, werd begraven op kerkhof van Montparnasse. Aan zijn graf stonden zijn gebroken weduwe én zijn drie kleine kinderen.
