Een standbeeld voor de Elektricien van de Alcazar

Eerst moesten er wat koppen rollen, waarbij de  guillotine roodgloeiend stond na te sissen.  Maar dan kreeg je wél wat. ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ en dat soort gezwets. Iedereen gelijk. De jongens van de Franse revolutie hadden geen woord gelogen. Ruim een eeuw later werd dat goed verwoord. Werden eerst straten vernoemd naar de bourgeoisie. Midden jaren twintig viel ook die eer aan een elektricien, een simpelaar uit Marseille,  ten deel. Voor de laatste hing daar wél een kaartje aan: de Dood! Maar wat geeft dat. Je naam is gevestigd.  Op slag ben je voor altijd een bekende Fransman. Een straat, en een stadion werden naar je vernoemd. Dat hij ook nog een standbeeld kreeg was helemáál mooi meegenomen.
Dat had Gustav Ganay nooit kunnen vermoeden toen hij als soldaat  in de loopgraven van Verdun lag te creperen. In de modder en slijk van Noord-Frankrijk viel hooguit een lintje te verdienen. Anders een steen op een soldatengraf. Ganay, die de ‘gehaktmolen’ van Verdun, overleefde, kreeg geen medaille, en dat graf daar moest hij nog eventjes geduld voor hebben. Na zijn miltaire kloffie ingeleverd te hebben, trok Ganay zijn racefiets uit het vet. De oorlogsveteraan, een redelijk wegrenner, won in 1919 vier grote  wegkoersen waaronder  Marseille-Lyon. Aardig voor de statistieken maar niet meer dan dat. De Marseillaan, luisterend naar de bijnaam ‘de elektricien van de Alcazar’, ging voor het grote geld.
De wegfiets ging aan de kant en de wereld van ampères en voltages werden ingeruild voor het bloedlinke stayeren.  Ganay, niet echt een topper, maar door zijn niet te temmen aanvalslust toch rijkelijk bedeeld met contracten. Werd in 1922 derde bij het wereldkampioenschap. En in 1926 mocht hij de bleu-blanc-rouge trui als nationaal kampioen aantrekken. En dan is het augustus 1926. Stayerskoers op het Parc des Princes, Parijs. De brave Gustav ook aan de start.
De man  moet een gemakkelijke gozer zijn geweest. Gaf de uitdrukking ‘met de Franse slag’ een extra dimensie door met een voorwiel te starten waarvan de tube niet aan de velg was vast gekit. Dat is het zelfde als je kop onder een heiblok leggen. In de veertiende kilometer sprong de band van de velg. Ganay, aan de leiding, stortte neer, werd naar het hospitaal gebracht. Dezelfde nacht vertrok Frankrijks nationale kampioen naar een betere wereld.
Na Gustavs hemelgang gebeuren er zaken waar alleen Latijnse landen patent op hebben.  Van het stadsbestuur kreeg Ganay, vierendertig jaar, een heldenbegrafenis. Half Marseille deed hun gevallen held uitgeleide. Aan het vers gedolven graf een diepbedroefde weduwe en zijn twee jonge kindjes. Om het leed enigszins te verzachten, werd niet alleen één van de grootste straten in de Zuid-Franse havenstad naar Ganay vernoemd, maar ook een stadion én een standbeeld. 
Foto2: Ganay met gangmaker Pasquer.
Bron: Miroir des Sports jaargang 1926, Het Nieuws van den Dag jaargang 1926.

In regenboogtrui gaan ‘hemelen’

Hoe je ongelukken kunt voorkomen? Gewoon, door nooit onder een ladder te lopen. En mocht op vrijdag de dertiende een zwarte kat je pad kruisen, geef hem dan direct een schop onder zijn ‘derde oog’. Dan komt het geheid dik voor elkaar. Maar mócht je het levenslicht gezien hebben in een  dorpje met de naam Cieux, wat ‘hemelen’ in het Frans is, hou je dan maar voor de rest van je leven gedeisd. Zet je voeten dan maar in een teil water en leef  de rest van je bestaan als een geranium. Heel misschien dat je dan tussen de witte lakens je laatste adem uitblaast. Een ‘Hemelaar’ moet vooral het lot niet tarten. Dan kunnen de poorten van de hel wel eens open gaan.  
André Raynaud, geboren in Cieux, nog geen duizend inwoners, midden in het Franse Limousin, wist dat allemaal. Maar stak toch zijn nek in de strop. André werd stayer. Was geen winnaar. Op twee gewonnen zesdaagsen na, stond na acht jaar de teller onder de tien. André was geen ‘weggooier’, noch programmavulling. Er waren koersen dat hij het licht bij de tegenstanders uit de ogen reed.  Stond niet vaak met de bloemen te zwaaien. Er werd  rekening met hem gehouden. Vloog ieder koers, achter gangmaker Philippe, er vol in.
Na jaren boven de zuurton gehangen te hebben, kwam het zoet. In de herfst van zijn carrière want tweeëndertig jaar, werd hij  kampioen van Frankrijk. Om een jaar later als outsider wereldkampioen te worden. Voor André Raynaud afkomstig uit één van de armste streken van Frankrijk, begon de oogsttijd. Goedbetaalde contracten lagen voor het uitzoeken. Maart 1937. Het Antwerpse Sportpaleis trok voor de nieuwe wereldkampioen de beurs wagenwijd open. ‘De revanche van het wereldkampioenschap’, een koers over honderd kilometer, blokletterde de aanplakbiljetten. Goed voor een uitverkochte Sportpaleis. Het volk wordt spektakel beloofd. En krijgt dat ook. De 344e ronde. Hoog in de bocht op volle snelheid klapt de voorband van André Raynaud. De verse wereldkampioen valt, schuift naar beneden.
Was Raynaud nou maar geboren in welk ander gat dan ook, dan was er niets aan het handje. Maar in ‘Hemelen’… dat was de goden verzoeken. De stumper werd dan ook overreden door de achteropkomende motor met gangmaker Pasquier. Zwaargewond, met een snel aangebrachte ‘tulemuts’ op z’n hoofd, werd de wereldkampioen naar zijn cabine gesleept. Enige minuten later vertrok hij uit dit ondermaanse.
André Rayaud nam niet alleen plaats in het lugubere rijtje van verongelukte stayers maar was ook de eerste renner die stierf in een wereldkampioenshirt. Antwerpen liet André zijn laatste tocht richting station niet alleen doen. Meer dan honderdduizend mensen stonden langs de kant toen de verongelukte renner langskwam. Raynaud, 32 jaar, werd begraven op het dorpskerkhofje van Cieux.

Foto 1: André Raynaud met gangmaker Phillipe. Foto 2: Raynaud met regenboogshirt, Foto 3: Enige ogenblikken later stierf Raynaud.

 

 

Jozef hoorde die ene zo gevreesde klap

Een goedlachse charmeur, met een afgetraind lijf. Zo’n gladjakker waar meisjes ‘tochtig’ van werden.  Een type voor wie het glas altijd half vol was. Afkomstig uit Beieren. Voor Karl Käser lag een carrière als bedtijger in het verschiet.  Kon met zijn charmes een bruin leven leiden.  Of Karl, twintig jaar, van de herenliefde was, is niet bekend. Wel dat hij de wereld van koekoeksklokken, blaaskapellen, bierkelders en vakwerkhuizen achter zich liet. Trok met zijn racefietsje de wereld in. Op zoek naar avontuur.
Dat vond hij op de Duitse wielerbanen. Käser, akelige scherpe sprint in de benen, nam plaats op de tandem. Sensationeel fietsnummer anno 1895. Vormde met zijn kameraad Freddy Müller een geducht koppel. Maakte naam in heel Duitsland. Telkens tegen de toges van een vent aan te kijken verveelt. Karl ging solo. Werd de populairste baanrenner van zijn tijd. Kwam in heel Europa in actie. Won tussen 1896 en 1900 ruim negentig grote baankoersen, wat beloond werd met ruim achttienduizend goudmark. In 1900 vertrok hij samen met Fritz  Ryser  naar New York. Het koppel  Käser/Ryser  op de affiche van de lokale Zesdaagse. The Six van New York, de meest ruige koers uit de wielergeschiedenis, waar alles toegestaan had wat god verboden had. Zes dagen én nachten oorlog in Madison Square Garden.  Stampendvolle tribunes waar persoonlijke vendetta’s uitgevochten werden. Met de knuisten, maar ook met het pistool. Waar renners goed hun zakken konden vullen.
Een huiveringwekkende ervaring rijker en zesde in de uitslag keerde Karl en Fritz terug naar Europa. Karl Käser baanrenner, sprinter, premiejager. Aardig, maar niet meer dan dat. De echte sterren, de publiciteitstrekkers waren toch die kerels fietsend achter de motor. Bij de firma Brennabor kocht de Beier een gangmaakmotor. Broertje Jozef, een geflopte renner, nam daarop plaats. Karl, in de wintermaanden actief als baansprinter, was een geboren rolrijder. De Käser Bruder gingen de wielerbanen onveilig maken. Met succes. In de zomer van 1904 stond de teller van gewonnen koersen op vijfenentwintig.
Karl Käser kende geen angst. Of misschien ook wel. Geld vergoedde veel. Maar het leven is ook mooi. Op een fietsje, in de zuiging van een windscherm, achter een razende motor, zonder helm… Ongetwijfeld zal hij wel eens vertwijfeld hebben afgevraagd waar hij mee bezig was.  Op foto’s zie je de voorheen vrolijke Beier duidelijk versomberen. De Dood hing dan ook onzichtbaar om hem heen.
Tijdens de Grote Prijs van Plauen op zondag veertien augustus 1904, hoorde Jozef die ene zo gevreesde weeë klap achter zich. Het geluid van zacht vlees op beton. Twee dagen later stierf zijn broer aan de verwondingen. Karl, volgens het blad  Radwelt een ‘gemüst Bravourmensch’ werd dertig jaar.
Bron: Radwelt jaargangen 1902, 1903 en 1904.
Foto 1 De broertjes Kaser. (foto archief Wim van Eijle)
Foto 2: Der Karl achter een onbekende gangmaker.
Foto 3: ‘Op foto’s zie je de voorheen vrolijke Beier duidelijk versomberen. De Dood hing dan ook onzichtbaar om hem heen’.

Beginnersfout noodlottig in het Olympisch Stadion

Harry Miles beet de spits af. De man had de dubieuze eer om als eerste renner achter de motor te verongelukken. Op de baan van Walham, Massachuchetts viel de Bostonian, in 1900, te pletter.  Dan gebeuren er enge dingen waar Edgar Allan Poe patent op had. Terwijl de Amerikaan bezig was de overstap naar gene zijde te maken, wordt niet veel later in België  Felicien van Ingelghem geboren. Dood en geboorte, dé zekerheden van dit bestaan. Ook voor Harry en Felicien die aan elkaar werden gesmeed door een duistere, griezelige band. Tussen de Yank en de Vlaming lag namelijk een kerkhof vol lijken. Een dodenakker waar Harry als eerste werd bijgezet. Drieënzestig jaar later volgde Felicien, als laatste.
Voordat Van Ingelghem zijn plekje op het kerkhof innam, werd hij stayer: met een beperkte erelijst.  Kocht, na beëindigen van zijn carrière, een gangmaakmotor.  Als gangmaker kwam er succes, wat niet zijn portemonnee vulde. Het beleg werd op de wielerbaan verdiend. Het brood in de straten van Parijs, waar Van Ingelghem taxichauffeur was. Hoogstwaarschijnlijk nam Felicien de wilde mores van het Parijse verkeer mee naar de wielerbaan. Als gangmaker had hij een bedenkelijke reputatie. Een cowboy op de motor. Had schijt aan god en gebod. Was voor de duivel en zijn ouwe moer niet bang. 
Ook niet tijdens het wereldkampioenschap 1938 in het Olympisch Stadion. De eerste serie. Renners moeten zich plaatsen voor de finale. Nog vijf ronden te gaan en vier motoren, met Van Ingelghem én zijn renner Kraus, naast elkaar in de bocht. De winnaar ging meteen door naar de finale.  Kraus moet in die bewuste bocht doodangsten hebben uitgestaan. In plaats van te remmen gaf Felicien gas bij. Een catastrofe was een feit! Massale valpartij. Renners stuiterden over het beton. Een motor komt brandend op het middenterrein terecht.  De hoofdschuldige, Felicien van Ingelghem, kreeg niet alleen tweeduizend goudfranken boete maar werd ook een jaar geschorst.
Vijfentwintig jaar later, want donderdagavond 18 juli 1963.  Stayerskoers in het zelfde Olympisch Stadion. Motoren komen in de baan. Zoeken hun positie. Felicien van Ingelghem, gepokt en gemazeld op de gangmaakmotor, maar ook in de jungle van het Parijse verkeer, maakt daarbij een beginnersfout. Hij kijkt even achterom. Rijdt daarbij starter Muller aan. Van Ingelghem valt. Zwaar bloedend, met een schedelbasisfractuur,  wordt hij direct naar het Wilhelmina-Gasthuis afgevoerd. Twee dagen later gaf hij de geest. Op de Grote Dodenlijst van gesneuvelde renners en gangmakers neemt Felicien van Ingelghem de laatste plaats in.

Foto 1: Links Martin Wierstra met Van Ingelghem. Foto: Guus de Jong

Bron: Het Parool jaargang 1963, Het Vaderland jaargang 1938.

Het publiek zat te schudden in hun tuig

Op de trukendoos had hij het patent. Voor een gangmaker altijd mooi meegenomen. Maar Hendrik Hayck mocht dan sluw en doortrapt zijn, hij had ook een groot nadeel: de man was een gratenpakhuis. Renners door hem ‘getrokken’,  kregen het gevoel achter een homp gatenkaas te rijden. Hendrik loste dat probleem uiterst creatief op. Zijn ruime leren jas werd opgevuld met dekens, en soms een olieblik. De man zat nergens mee, want reglementair verboden. Hendriks leerschool was dan ook de rauwe wereld van de Amsterdamse Wielerbaan, waar hij als renner wekelijks zijn koersjes reed. En daar leerde hij Jan van Gent kennen, een aanstormend stayerstalent. Hendrik en Jan, lefgozertjes, beiden Mokumers en  lid van Olympia.
 Van Gent zocht een gangmaker, eentje die in staat was om geel geschilderde mussen te verkopen als zijnde kanaries.   Hendrik Hayck, tweederangs renner, paste naadloos in dat profiel en nam plaats op de zware motor. Het debuut voor het koppel Van Gent/Hayck werd niet snel vergeten. Niemand minder dan Piet van Nek, op het punt van internationale doorbraak, werd uitgedaagd tot een tweestrijd.  Plaats van handeling: de Amsterdamse Wielerbaan.
Op een warme julizondag in 1908 brachten Jan en Hendrik rock-’n-roll op de wielerpiste. Na de eerste manche, gewonnen door Van Gent, volgde er op het middenterrein een woeste  matpartij tussen Van Nek en Van Gent. Maar tijdens de volgende koers zat het publiek pas echt te schudden in hun tuig. In volle race kreeg Hendrik Hayck het aan de stok met de gangmaker van Van Nek. Op de tribunes braken vechtpartijen uit. Volgens de Revue der Sporten kwam de massaal uitgerukte ‘Hermandad’ er aan te pas. Dat was dus in 1908! 
Voor Hendrik en Jan werd het brave Holland iets te klein. In 1909 vertrok het Amsterdamse koppel, voor een serie contracten, naar Duitsland.  Wat voor Hendrik fataal werd. Tijdens het uitrijden, na afloop van de Grote Prijs van Keulen, schakelde Hendrik zijn motor in de bocht iéts te vroeg uit.  Hayck, op een onderuitglijdende  motor, werd vol geraakt door een achteropkomende motor. ‘Deerlijk gewond’, zoals de Revue der Sporten schreef,  werd de Amsterdammer naar het krankenhaus afgevoerd waar hij na een ‘langdurig en smartelijk lijden’ zijn laatste adem uitblies.
Hendrik Hayck, achtentwintig jaar, kreeg waar hij recht op had. Zijn vrienden bezorgden hem op de Oosterbegraafplaats een heldenbegrafenis. Voor zijn arme, hulpbehoevende  weduwe en twee kleine kinderen, ‘trekkend’ van de Armenkas, werd op de wielerbaan een grote collecte gehouden. ‘Bevallige jongedames’ gingen met de collectebus rond en haalde 165. 57 gulden op. Hendrik Hayck, ‘rustend’ op het Ooster, kreeg vijf jaar later gezelschap van Piet van Nek: verongelukt in Leipzig. 

Foto 1: Hendrik Hayck met ‘gevulde jas’. Foto 2: Hayck en Van Gent.

Bron: Revue der Sporten jaargangen 1908 en 1909.

Opgevouwen op zijn fietsje de dood tegemoet

 ‘Maak je nou maar geen zorgen ma. Er gebeurt echt niets! Alles is veilig. ’En’,  voegde hij  met een blik die geen tegenspraak duldde aan toe,  ‘Ik ben één van de weinige renners die óók nog ‘s een helm draagt.’ Verkneuterd dacht hij aan de  oude ‘pickelhelm’ van Oom Adolf, een feldwebel in ruste, die hij  omgebouwd had tot valhelm. Maar om zijn mutti echt gerust te stellen, gooide hij zijn laatste troef in de strijd. ‘En met Otto op de motor komt alles goed.’
Zondag 18 oktober 1908. Gustav Schadebrodt kon het gezeur van zijn moeder even niet aan zijn kop velen. Over een paar uur stond hij aan de start voor de laatste koers van het jaar. Want het Goldenes Rad von Brandenburg, een stayerskoers over vijftig kilometer. En Gustav was dé lokale favoriet.
Voor Frau Schadebrodt waren haar twee zoons één bron van onrust. Aardige gasten, hoor. Altijd behulpzaam voor moeder. Zaten voorin de kerk. Sliepen met de handen boven de lakens. Hadden een vaste baan in de lokale Brennaborfabriek, dé  motoren- en fietsenfabriek van Duitsland. En toch… toch knaagde de worm van onrust in haar lijf. Dat begon al met haar oudste Otto. Kwam die op een dag thuis met de mededeling dat hij een gangmaakmotor had gekocht. Notabene haar Otto, een lulletje rozenwater, op zo’n brullend monster, razend over die vreselijke wielerbanen waar met angstige regelmaat het bloed rijkelijk stroomde.
Nadat Gustav besloot stayer te worden, kwam moeder Schadebrodt in een levende nachtmerrie terecht.  Gustav gegangmaakt door broer Otto. Twee zoons balancerend op het randje van de dood. De Schadebrodt-Bruder gingen de Duitse wielerbanen bestormen.  Met redelijk succes. Nadat de broertjes de Grote Prijs van Zhelendorf hadden gewonnen, stonden ze op scherp. Nog één koers, dan zat het seizoen erop.
Terwijl de tribunes van de Treptow-wielerbaan vol zaten, de motoren in de baan kwamen, was moeder Schadebrodt thuis in gesprek  met Hem.  Ze had gebeden tot ze eelt op haar knieën had. Gute Gott laat het asjeblieft niet gebeuren. Blijkt dat die ‘goeie hierboven’   een selectief gehoor had. Waarmee het lot van haar jongste zoon bezegeld was.
Gustav, een broodmagere, lange deegstengel van bijna twee meter, opgevouwen op zijn fietsje, ging de strijd aan. Bracht zijn supporters in lekkere stemming. Vuurde zijn broertje aan. ‘Schneller’! Verlekkerd draaide Otto de gashandel helemaal open, hoort die opeens dat weemakende geluid van zacht vlees op hard cement. De gebroeders zouden nooit meer de wielerbanen gaan bestormen.
Gustav Schadebrodt werd vijfentwintig jaar. 

Foto 1: De broertjes Schadebrodt. Foto 2: Otto Schadebrodt: verkocht na de dood van zijn broertje zijn motor. Niet voor lang. In 1910 kocht Otto een nieuwe motor en was tot in de jaren twintig actief als gangmaker.

Bron: Radwelt jaargang 1908 én 1920.

Franz nam het leven als een pijp kaneel

Bekijk de oeroude, vergeelde foto’s. Zie die kerels met strakke, witte angstkoppen aan de start staan. Het waren stayers. Mannen die ’s morgens niet wisten of ze heelhuids de avond haalden. Arbeidsvreugde was ver weg. Alleen een halfgare met suïcidale trekjes had lol met de ‘roulette van de dood’.  Die stond ingehouden grinnikend met pretoogjes op het startschot te wachten.  ‘Vrolijke Franz’ werd hij genoemd. Maar het lachen verging hem. Bij een lullige avondkoers in Leipzig verongelukte Franz Krupkat.

Steeds die grijns. Dat gegiechel. Bloednerveus moeten ze van hem zijn geweest. Franz Krupkat nam het leven als een pijp kaneel met ieder zijn deel. Collega-stayers dachten daar iets anders over. Zo vrolijk was het allemaal niet in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog. De republiek van Weimar. Massale werkeloosheid, krankzinnige geldontwaarding. Het grauw vond afleiding op de vele wielerbanen. Koersen achter de zware motor gaf vertier. Voor Volk und Vaterlant én portemonnee kropen de renners achter de motor.  Niet voor de leut. Daarvoor lagen té veel collega’s op het kerkhof. En in die mallemolen was Franz Krupkat één van de beteren.
Der Franzl, met zijn aan krankzinnigheid grenzende vrolijkheid. Trok lachend en grinnikend door het leven. Vocht als soldaat in 1916 aan het  Westfront. Vermaakte zich opperbest in de Vlaamse loopgraven. Het Duitse opperbevel, had snel in de smiezen dat die Krupkat het thuisfront beter kon dienen op de racefiets. Won vervolgens als Militärradfahrer de wegkoers Berlijn-Cottbus-Berlijn. Beleefde zijn première als stayer in 1917. Won in twee jaar vijfentwintig koersen en beurde daarbij zestigduizend goudmark. Tot zo ver de kille cijfers.
Aan Franz zat hoogstwaarschijnlijk een steek los. Terwijl op de meer dan zestig Duitse wielerbanen wekelijks vreselijke dingen plaatsvonden, stond Krupkat ingehouden giechelend aan het vertrek. Een hedendaagse ‘psych’ had begrijpend staan te knikken. Maar niet in het interbellum. Lustige Franz noemde ze hem.  Waarschijnlijk had zijn moeder het wél goed begrepen.  Mutti leverde haar zoon af bij de lokale buurtsmedeij. ‘Ga jij maar een goed vak leren Jungen’, zei ze nog tegen de twaalfjarige Franzi. Franz Krupkat werd leerling-smid. Maar Franzl  maakte die ene fatale vergissing. Hij bezocht de Treptowerwielerbaan in Berlijn waar wekelijks achter de motor werd gekoerst. Heel slecht voor jochies met latente aanleg voor een adrenalinekick. Franz Krupkat werd wielrenner. Maar dat was ver voor de Grosse Krieg. Krupkat was nu stayer. En geen slechte. Was in de wintermaanden actief als zesdaagsenrenner. Won in 1924, met Willy Lorenz de Zesdaagse van Berlijn.  Wat hij daar had gelachen…
Maar de pot met het grote geld lag toch bij de stayerskoersen. Vrolijke Krupkat won in twee seizoenen een rits grote koersen waaronder het Preussenmeisterschaft waarin hij onder meer de oude Piet Dickentman klopte. Vertrok voor een serie vette contracten naar Amerika. Liet met zekere regelmaat op de wielerbanen van de Oostkust de rol achter de motor schroeien.
En dan is het 1 juni 1927! Leipzig! Op de wielerbaan waar Amsterdammer Piet van Nek, dertien jaar eerder ten hemel trok, gespte Franz Krupkat voor de laatste keer in zijn leven de toeclipriempjes vast. Tegenstanders waren Frans Leddy, Maronnier, Saldow en Lewanow.  Kilometer dertien!  Franz, achter gangmaker Walter Gedamke, krijgt, met negentig in het uur, een klapband en stuitert vervolgens over de baan. Met een zware schedelbasis wordt der Lustigen  naar het ziekenhuis gebracht. Franz Krupkat zou nooit meer lachen. Hij werd drieëndertig  jaar.

Foto 1: Lustige Franz. Foto 2: Krupkat, onder, slaat een aanval af. Foto 3: De allerlaatste foto van Frans Krupkat, gemaakt vlak voor zijn dodelijke race. Rechts gangmaker Walter Gedamke.

Bron: Kriegs-Album der Radwelt, jaargang 1917, Radwelt jaargangen 1918 t/m 1927.

Fietsende Lijk gaf iedereen nakijken

Zestien jaar profwielrenner én maar dertien overwinningen. Een mislukte carrière? Nee. Met twee Tour-etappes én winst in de allerzwaarste klassieker is je naam gebeiteld op de eeuwige uitslagenlijsten. Helaas voor Paul Chocque nam hij ook plaats op een ander lijstje: die van dood gevallen renners.

De man moet een ongezond uiterlijk hebben gehad. Niet gehinderd door ethische mores noemde het Franse journaille hem dan ook ‘het fietsende lijk’. Beetje gelijk hadden ze wel. Foto’s bekijkend zie je een coureur met een pisgele, uitgemergelde kop. Paul Chocque mocht dan ogen als een tbc-lijder maar in dat schonkige lijfje school een grote motor. Hoewel…vier jaar prof met maar drie overwinningen deden het ergste vrezen. Rijdend in een lullig ploegje met als beloning  een fiets, broek en shirt stond het lijk overal aan de start. Er moesten franken verdiend worden, anders lagen de muizen dood in de broodtrommel.
Chocque wist dat hij meer kon dan alleen maar criteriums rijden. Waar kon je dat beter laten zien dan in Bordeaux-Parijs: dé uitputtingsslag bij uitstek over meer dan vijfhonderd kilometer. Jarenlang had  Paul bij de organisatie van B-P gezeurd of hij mee mocht doen. Al was het maar voor één keer. De organisatie zag hem aankomen. Ze keken wel mooi uit. Of die Chocque soms suïcidale trekjes had.  Pauls ongezonde uiterlijk én mager erelijstje gaven  natuurlijk de doorslag. Uiteindelijk kwam zijn woeste droom uit. Maar daarvoor was dan wel een nieuwe sponsor nodig.
Drie weken voor de start van B-P, editie 1936, vernam  Paul dat hij op de  deelnemerslijst stond. Tijd voor extra lange duurtrainingen was er niet.  Met maar drie trainingen  achter de motor van gangmaker Paillard vertrok het fietsende lijk voor wat later zijn eeuwige roem zou worden. Chocque mocht dan weinig getraind hebben, maar was wél goed geprepareerd. Want frustratie, gebrek aan erkenning, én een minderwaardigheidscomplex, daar kan geen doping tegen op. Paillard wiens motor, rijdend, vanuit een volgauto met een rubberen slang werd bijgetankt, hield  de naald van de snelheidsteller constant op vijftig. Achter de rug van zijn gangmaker ijlde de magere eenzaam en alleen richting Parijs.
Sportdrankjes, energierepen, en voedingsgels, waar de hedendaagse sporter niet zonder kan, blijkt dus gewoon flauwekul te zijn. Al trappende duwde Paul een kotelet, een portie  macaroni, een omelet, gekookt fruit, rijstepap, geklopte eierdooiers in suikerwater en een bakje ragout achterover. Voor een sportman is het altijd aardig om voor eigen volk op te treden. Ook voor Paul Chocque. De doorkomst in zijn geboortestad met straten vol juichende buurtgenoten moet tot zijn dood in het geheugen gegrift zijn.
In een kolkend Parc des Princes voor de ogen van zijn complete familie, kwam Paul Choque als winnaar over de streep. Dertien jaar later, op de plek van zijn grootste roem vertrok Paul naar zijn Schepper.  Na nog twee etappes in de Tour de France gewonnen te hebben is het dan vier september 1949: Chocques laatste dag op dit ondermaanse. Tijdens een stayerskoers in Parijs, op dezelfde baan waar hij dertien jaar eerder eeuwige roem vergaarde, verongelukte Paul Chocque. Het ‘fietsende lijk’ werd 39 jaar.

Foto 1 en 2. Chocque in Bordeaux-Parijs. Foto 3: Chocque na zijn val in Parijs. Niet veel later stierf hij. 

Voor Charles geen gladiolen maar de dood

Dertien jaar profrenner en het afscheid kwam er aan. Zijn tijd zat erop. Inmiddels dertig jaar oud, wist hij verdomd goed dat van zijn carrière niemand wakker lag. Frustraties gierden door het lijf van Charles Brécy. Als stayer waren er dagen dat hij alles kon. Het publiek op de Parijse Vélodrome scandeerde dan massaal zijn naam. Helaas voor hem, net zo snel als de vorm kwam, verdween die ook. Bij Charles viel daar geen pijl op te trekken: wat aan zijn  bankrekening af te zien was. Was de concurrentie schathemelrijk geworden, Brécy had zijn zuurverdiende franken geïnvesteerd in een bescheiden bloemenzaak.
Op het moment dat de berusting bijna toesloeg, flikkerde het bijna gedoofde vlammetje van eerzucht op. Tijdens het bloemenbinten brak het kille zweet hem uit bij de gedachte dat hij in het collectieve sportgeheugen bijgezet werd als een duffe bloemist. Merde! De tulpen, rozen, lelies én die hele bloemenzaak konden lekker zijn rug op. Charles Brécy, ging zich nog één keer bewijzen. En hoe kan je dat beter doen dat door het werelduurrecord aan te vallen. Brécy ging in training.
Achter gangmaker Bertin werden lange dagen gemaakt. De vorm kwam er langzaam aan. De benen werden scherp, wangen vielen in en de ogen verzonken diep in de kassen. De bloemist was er klaar voor.
Dan is het veertien november 1904. Het Parijse wielerpubliek liet ‘hun’ Charley niet vallen. Het Vélodrome was uitverkocht. ‘Allé Charley, Charley,’, rolde het lekker galmend van de tribunes. Brécy, de oude krijger, voelde de adrenaline door zijn knokige lijf stromen. ‘Nom de dieu, ik zal ze een poepie laten ruiken’, schoot het door zijn hoofd.
Charley stapte op zijn karretje. Monsterde het publiek. Draaide de punten van zijn snor nog even op. De pet ging achterstevoren. Het startschot viel. Charles Brécy, bloemist uit Parijs, ging het werelduurrecord aan vallen. Na drie kwartier achter de brullende motor van Bertin geraasd te hebben stond de kilometerteller op 91 kilometer. Goed voor een nieuw wereldrecord.
Brécy voelde zich goed. Vuurde zijn gangmaker nog een keertje aan. ‘Nog maar een kwartiertje jongen, en je bent voor altijd beroemd’, dacht hij bij zich zelf toen hij dat vreemde geluid hoorde. Met een luide ‘krak’ brak de voorvork van de motor. Door de vallende motor werd Charley gelanceerd. Met een klap stuiterde de bloemenman tegen de balustrade. De wielerbaan kleurde net zo rood als Brécy’s rozen. Bewusteloos werd de recordman in spe met paard en wagen naar het hospitaal afgevoerd, waar hij elf dagen later de geest gaf. Charles Brécy, 31 jaar geworden, werd begraven op kerkhof van Montparnasse. Aan zijn graf stonden zijn gebroken weduwe én zijn drie kleine kinderen.

Bron: Radwelt jaargang 1905.

Foto’s: Charley Brécy, bloemist in Parijs.

Foto 2 en 3: Archief Theo Buiting

Max overleefde kogels, handgranaten, gifgasaanvallen én de blanke bajonet…

Elf november, Wapenstilstanddag!  Engeland, Frankrijk en België herdenken de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. Ook in Duitsland met zijn ‘Volkstrauertag’ waarbij stil gestaan wordt dat er meer dan anderhalf miljoen jongens niet meer thuis kwamen. Soldaat Max Bauer had de hel wél overleefd en kwam heelhuids terug in zijn geliefde Berlijn. Maar niet voor lang…  

Twee jaar vocht hij aan het front. De vreselijke Slag bij Warschau had hij overleefd. De  overmacht van hordes Russen die, dag in dag uit, op zijn loopgraaf afstormden. De nachtelijke beschietingen, de bajonetgevechten van man tegen man. Nachtmerries hield hij er aan over. Als soldaat in het Pruisische Negende Leger had hij zijn portie meer dan gehad. Maar dan is het zomer 1916, voor soldaat Max Bauer breekt het grote verlof aan. Snel naar huis.  Terug naar zijn geliefde Berlijn.  Na de natte zoenen van zijn moeder weg geveegd te hebben werd Max door zijn acht jaar jongere broertje Fritz even apart genomen.
Fritzl, een aanstormend stayerstalent zat om een goede gangmaker te springen. En op wie kon hij meer vertrouwen dan op zijn bloedeigen broer. En behoorde der Maxl voor de oorlog niet tot de gangmakerstop? Fritz kon zich dat nog goed herinneren. De Treptowerwielerbaan. Volle tribunes. Max op de brullende Brennabormotor met achter zich kampioenen als Demke, Robl en Verbist. Met die kerel die hij nu op de motor had was het behelpen. Achter gangmaker Bajorath was het stumperen. Altijd was er wel wat. En Fritz had het donker bruine vermoeden dat hij door Bajorath geflikt werd.
Maar nu was Max terug van het front.  Na een paar keer trainen waren de broertjes Bauer er klaar voor. Dan is het twintig augustus 1916. De Memento-race een koers op de Treptowerbaan. Of het door de jarenlange beschietingen kwam, de granaatinslagen of het geknetter van zijn mitrailleur. Het is niet meer na te gaan. Feit was dat Max gehoorproblemen had. Tijdens een aanval op renner Stellbrink raakte Fritz los van de motor. En hoe hard Fritz  ook schreeuwde om gas terug te nemen,  zijn broer hoorde het niet, kaggelde met een snelheid van negentig kilometer lekker verder en viel in zijn eentje Stellbrink aan. Door het schreeuwende en zwaaiende publiek voelde Max ‘nattigheid’. Keek even achterom en raakte daarbij de motor van Stellbrink. Max Bauer werd 29 jaar.

Foto 1: De broertjes Bauer. Rechts: der Maxl. Bron: Kriegsalbum der Radwelt, jaargang 1916.

Posted in Stayeren. Tags: . 1 Comment »