Erectiespecialist wint op heilige wielergrond

Copy of tour2015bim2Viagra kwam alleen voor in woeste, natte dromen.  Had je lekkere trek om met moeders een ‘doppie’ te maken en die kleine rakker weigerde dienst, dan was je aangewezen op het potentiemiddel Yohimbix, in de volksmond Bim genoemd. Alleen te verkrijgen bij de apotheek. God hielp je de brug over. Je moet er maar niet aan denken wat dáár voor gif in zat. De jaren dertig, harde tijden. In bijzonder voor de impotente man in Esch-sur-Alzette, stadje in het Groothertogdom Luxemburg. Waar de lokale impotento in de  apotheek geholpen werd door een zestienjarige knulletje: erger kon niet.
Jean Diederich, apotheekassistent én aankomend wielrennertje. Aan zijn opleiding als renner lag het niet, zeg nou zelf.  Jean, lulletje rozenwater om in het jargon te blijven, kenner van Yohimbix, kreeg van de locals  de bijnaam Bim. Waar hij mooi klaar mee was. Bim Diederich, inmiddels de witte jas omgeruild én het Ardennenoffensief overleefd, werd in 1945 beroepsrenner. Bim, zo’n solide knecht, maakte in 1947 zijn opwachting in de Ronde van Frankrijk. De voormalige tovenaarsleerling, reddingsboei van de smachtende huisvrouw, reed zes keer de Tour. Eindigde vier keer in het eindklassement bij de eerste twintig. De uitslagenlijst van Bim, acht jaar broodrenner, paste op een bijsluiter van Yohimbix. De man schraapte maar zes overwinningen bij elkaar. Weinig. Maar wél van grote kwaliteit. Bim had daar tijdens  zijn lange leven dikwijls aan gedacht, zoveel is zeker. 
Speciaal  aan de tweede etappe Reims-Gent, 185 kilometer, editie Tour 1951. Met doorkomst over de muur van Geraardsbergen, bevolkt met tienduizenden supporters.
Die hun hoop hadden gevestigd op favorieten als een Alois van Steenkisten, Marcel Verschueren, en Stan Ockers.
Copy of bimhuldigingWaar heel knotsgek wielerminnend Vlaanderen bij de gokkantoren hun franken op had gezet. Weggegooid geld. Op de Muur, notabene heilige Vlaamse wielergrond, maakte Bim zich onsterfelijk. Op het steilste gedeelte trok Bim op avontuur. Coppi, Magni, Bobet, en Koblet  in verwarring achterlatend.
Of Bim Diederich, erectiespecialist uit Esch-sur-Alzette aan de eindstreep lekkere gevoelens in de koersbroek had is niet duidelijk. Wél dat hij bijna drie minuten moest wachten op nummer twee, Stan Ockers alvorens hij zijn gele trui kon aan trekken. Bim Diederich en de Tour van 1951. Waarin hij na acht dagen koers én de gele trui met  6500 gulden de meest verdienende renner was. Bim Diederich stierf in 2012 en werd negentig jaar oud.

Bron: Sport Club jaargang 1951.

Epische kerels, en hun heldendaden

tour2015aankondigingDe Ronde van Frankrijk, mooiste tijd van het jaar want zomer, licht, lucht, zon én vakantiegevoel. Kortom wat wil een wieleradept  nog meer?  Met de start in Utrecht draait ook het publiciteitscircus op kookpunt.  Deze blog raast mee in de gekte van het moment, en nam een duik in zijn archief. In  oude, stoffige en vergeelde  jaargangen volgde een zoektocht naar  die ene en unieke foto, maar vooral naar hét verhaal daar achter. En dat werd gevonden. Onbekende kerels en hun onbekende maar epische heldendaden,  alláng weg gevaagd in de geschiedenis werden opgegraven. Als eer en erkenning brengt Stuyfssportverhalen, ze nog één keer tot leven, en publiceert tijdens de Tour meerdere  columns per week. Zaterdag de eerste, over een man die alles wist van potentiemiddelen, maar ook Tourgeschiedenis schreef…

Na de Tour een mythische status

Copy of vanbreenDeBaereJe hoefde alleen maar zijn voornaam te noemen. En de hele buurt wist wie dat was.  Een eer voor weinigen weggelegd. Hein van Breenen, lokale Tourheld, reed wél verschillende keren de Ronde van Frankrijk. Draaide als meesterknecht zijn ballen eraf voor Wim van Est en Wout Wagtmans. Was met afstand dé held uit de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Begin jaren vijftig: de  Ronde van Frankrijk. Alleen te volgen via kranten of radioreportages van Jan Cottaar. Alle omes, tantes, én de hele geboortegolf van de buurt aan de buizenradio gekluisterd. Hein werd tweede in de zestiende Touretappe van 1954. En gaf vervolgens stotterend en in plat Amsterdams een onvergetelijk radio-interview.
Na zo’n Tour had Van Breenen een welhaast mythische status. Althans bij de buurtjongens.
Heins thuiskomst mocht er dan ook zijn. De  Korte Koningsstraat, straatje vol buurtwinkels, want bakker, melkman, avondwinkel, ijssalon, scharenslijperij, drogist én de groentenwinkel van de familie Van Breenen, ging los. De straat afgeladen met ‘de buurt’. Wachtend op de  thuiskomst van hun held. En dan kwam Hein. Via de Oude Schans als een koning in een open auto door de mensenmassa. Uit het raam, boven de groentewinkel,  de complete familie Van Breenen. Op het naastgelegen dakje buurman, en grootste supporter Appie Franzen.
Van Breenen kind van zijn buurt want hechte gemeenschap van havenarbeiders en ambachtsmensen. Tikkeltje rauw, sociaal bewogen. Recht door zee. Hart op de tong. Dat laatste brak Van Breenen op. Hein maakte deel uit van de Locomotiefploeg onder leiding van ploegleider  Pellenaars. De laatste, stak na de Tour de helft van de verdiende premies in eigen zak. Er was maar één renner die dat niet pikte…aheintour
Van Breenen, vier keer meegedaan in de Tour, en evenzoveel keer uitgereden. Na zijn carrière die acht jaar duurde baatte  Van Breenen onder meer de groentezaak van zijn ouders uit. Tussendoor fungeerde hij als bondscoach. In tegenstelling tot veel van zijn buurtgenoten, die uitweken naar Almere of Purmerend, bleef  de voormalige tourrenner zijn geboortebuurtje altijd trouw. Ook Tourhelden hebben niet het eeuwige leven. Maar die van Hein van Breenen was wel heel kort. Hein, held van de jongens uit de Nieuwmarktbuurt, overleed in 1990 op zestigjarige leeftijd.

Dit was de laatste column in de serie ‘Tour de France 2014’.

De toges van een goede knecht

Copy of clemtens19361Kopman en knecht! Een vorm van platonische herenliefde, dat het begrip kameraadschap ver voorbij gaat. Waar dat mee begint? De kont van zo’n knecht! Jaren na zijn carrière kon menig kopman die nog uittekenen. Het was immers die toges  waar hij tienduizenden kilometers lang tegenaan keek. Waar hij beschutting tegen storm, regen en ander gruwel, vond. Dan ontstond er iets moois. Of Arsène Mersch en Matthias Clement ‘iets’ met elkaar hadden, is niet meer duidelijk. Ook is niet meer zeker wie de kopman dan wel knecht was. Wél dat ze van elkaar hielden. Zoveel is zeker. Althans als je die ene foto goed bekijkt. Zo’n plaatje waar de genegenheid vanaf spat. De fijne ‘pakkerd’ die Arsène krijgt, spreekt namelijk boekdelen. Twee mannen, bezweet, beslijmd en bevuild die elkaar ongeneerd knuffelen. Op elkaars mond zoenen. Matthias en Arséne. Twee jongens, amper twintig lentes jong, Luxemburgers, die hun landje in één keer op de wielerkaart plaatste.
Tour de France, woensdag 9 juli 1936. De dag die de jongens hun leven nooit meer zouden vergeten. De zesde etappe,  Charleville-Metz, dwars door het Groothertogdom.  Honderdzestig kilometer lang. Ondanks de stromende regen waren Matthias  en Arsène, tjokvol moraal, de hele koers in de aanval. Strijdend voor eigen publiek, want rijen dik, daar kan geen preparaat uit een apotheek tegenop.arsenemersch
Matthias had dat goed gesnapt. In de laatste kilometers plaatste hij dan ook de beslissende ontsnapping. Met veertig seconden voorsprong solliciteert Matthias naar een plekje in de eregalerij van  etappewinnaars. Als even later blijkt dat Arsène Mersch de gele trui heeft veroverd gaan de Luxy’s helemaal los. Achter de finishstreep vinden er opmerkelijke zaken plaats.  Clement, dronken van euforie, neemt zijn vriend in een wurgende omhelzing. Een horde  toeschouwers kijken verbijsterd toe.  Maar die laatsten weten dan ook niets van de voordelen om achter zo’n kont te fietsen. 

Matthias Clement gekoerst tot 1948, stierf op zesentachtig jarige leeftijd. Zijn kameraad Arsène, die ook nog eens de 21e etappe won, ‘vertrok’ op zevenenzestig jarige leeftijd.

 Foto rechts: Arsène Mersch. Bron: Sport Illustres jaargang 1936.

 

Giovanni’s kerf op de paal van de Tourgeschiedenis

Copy of gerbikopHet is de vroege ochtend van 15 juli 1909, als hij met een stevige punt in zijn lange jaegeronderbroek wakker wordt. Lomig denkt hij aan de romige borsten van zijn buurmeisje. En net op hét moment dat hij de hand aan zich zelf wil  slaan, galmen diep in zijn hersenen opeens de  horrorpreken van mijnheer pastoor dat onaneerders en andere viespeuken hel en vagevuur wachten.  En anders  kaalheid dan wel ruggenmergtering. Met ijskoud water, afkomstig uit een lampetkan, weet  Giovanni Gerbi zijn lust te blussen. Gelukkig voor hem. Want deze dag heeft hij alle hormoontjes en eiwitten extra hard nodig.  De achtste etappe Grenobele-Nice, driehonderdvijftig kilometer dwars door en over de Alpen,  staat namelijk te wachten.  Na zich te hebben geschoren met het klapmes van wijlen zijn opa hijst Giovanni, winnaar van de ronde van Lombardije 1905, zich in zijn klamme, muffe rennerskleren. Na het ontbijt van tien rauwe eieren, spek, zwart brood en een liter koffie, peddelt Giovanni Gerbi, bijgenaamd ‘de Rode Duivel’ op zijn Bianci-karretje naar het vertrek.  Voor Giovanni, perfecte maffiaharses,  mocht de etappe beginnen. Copy of gerbihandtek
Als het startsein gegeven is, vertrekt de Duivel voor een doldriest avontuur met hilarisch afloop. Dat hij een kerf ging krassen in de paal van de Tourgeschiedenis, dát was zeker. Maar niet op de manier waarop hij gehoopt had. Halfweg koers piept de inwoner van Piemonte er tussen uit. Aan zijn eenzame vlucht over de hoge Alpencols mankeert niets. Ver voor het peloton uit,  stormt de Italiaan het decadente Nice binnen. Nog drie kilometer. De finish in zicht. Roem, glorie, eer en geld staan te wachten..
En dan…dan is er geen koffie maar een tramrails. En laat de Duivel die nou nét niet zien.  Wat volgt is drama. Zo één waar alleen Italiaanse renners patent op hebben. Zijn achterwiel blijft steken in de rails. Een flinke kukel en zijn fietsje is een wrak. De Piemontees neemt de restanten van wat ooit een koersfiets was,  op zijn schouder en rent,  met de moed der wanhoop richting eindstreep. Om vlak voor de finish voorbij gestoken te worden door zes renners. Giovanni Gerbi, op de drempel van eeuwige Tourroem, zal nooit meer een rit in de Tour de France winnen en zakt langzaam weg in de stoffige wielergeschiedenis. Om in 1982 opeens op te duiken. Paolo Conti, een zingende murmelaar, brengt zijn nieuwe lp uit. Als ode aan die ene schlemiel uit Piemonte ook het nummer Diavolo Rosso Dimentica La Strada.

Bron: Een kleine alinea in de Vlaamse Sport Revue, jaargang 1936, waarmee Stuyfssportverhalen opmerkzaam werd gemaakt over Gerbi’s lotgevallen in Nice. Wikipedia.

De tragiek van het oude circuspaard

alavoine6Geboren en getogen in Roubaix. Waar de ‘kassei’ zo’n beetje onder zijn wieg stond. Krijgt-ie  op een dag de roeping naar de koersfiets. Een carrière als kasseienstoemper gloort. Dan gebeuren er van die onbegrijpelijke dingen. In plaats van de strontpaden in Noord-Frankrijk en Vlaanderen vertrekt hij mét zijn fietsje naar het zuiden. Richting hooggebergte. De Alpen, en de Pyreneeën lonken. Jean Alavoine, jongen van de gestampte kassei, was namelijk een gevleugelde grimpeur. In de Tour van 1909, danste Jean, net negentien jaar,  richting hemel en staat  sindsdien op de uitslagenlijst als de winnaar van de achtste etappe.
Dat iedere blinde kip zijn graantje meepikt, ging met Jean niet op.  Tussen 1912 en 1914 bedwingt de Nordisc zo’n beetje alle cols met gemak en wint twee etappes. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog los. Net als zoveel van zijn makkers brengt Jean Alavoine,  in de Vlaamse sportpers steevast Jan genoemd, die door in de loopgraven. Dat de bergkoning taai als gelooid hondenleer was, bewees hij na de oorlog. Waar andere renners, gesloopt door Duitse beschietingen en andere ontberingen, definitief de koersfiets afzweren, weet Alavoin als één van de weinigen zijn plekje in het peloton in te nemen. Alsof Jean de oorlog op hoogtestage had doorgebracht.  alavoinberg
Tijdens de Tours van  1919 en 1922  fladdert en stoempt hij zich in de Alpen en de Pyreneeën  omhoog. Zeven keer staat Jean met de overwinningsruiker.
Maar ook voor de jongens van het hooggebergte telt de  biologische klok genadeloos door.  Jean Alavoine, inmiddels vijfendertig jaar, staat in 1923 in Parijs weer aan het vertrek.  Nog één keer gaat hij zijn ouwe karkas op z’n sodemieter geven. Nog één keer sterven in grootsheid en glorie. Jean de oorlogsveteraan, de man van vele frontgevechten, overstijgt zichzelf, en  wint de zesde etappe Bayonne-Lucxhon  mét de gevreesde Tourmalet.
alavoinromp Dat Jean ook de zevende en negende bergetappe op zijn erelijst bijschrijft is aardig voor de eeuwige ranglijsten. De tiende etappe is het ‘eindje bobijntje’. Tijdens de afzink van de altijd bloedlinke Izoard komt Jean ten val. Met een gebroken arm neemt de inwoner van Roubaix afscheid van ‘zijn’ bergen.
Twintig jaar later. Zomer 1943. Criterium voor veteranen gehouden in Parijs. Op de  deelnemerslijst ook de naam van de gewezen bergkoning. Jean Alavoine, inmiddels hotelier in Parijs, kon het koersen niet laten. Wat tevens  de tragiek is van het oude circuspaard, dat de geur van de piste en het applaus niet kan missen. Tijdens de koers krijgt  Alavoin, vijfenvijftig jaar, een hartaanval.  Een paar uur later overlijdt één van de eerste engelen van het hooggebergte in het ziekenhuis van  Argenteuil.

 

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1923.

Aymo als een opera van Verdi

Copy of ayoisoardPloeteren, klauteren en strompelen. Longen die ijle lucht pompen. Een angstaanjagend hoog hartritme. Diep in de kassen verzonken ogen. Stampend op een  loodzware pokkefiets, die iedere meter een kilo zwaarder wordt, danst Bartholomeo Aymo richting hemel. Achter hem tuffen en grommen automobielen voorzien met de onverbiddelijke koerscommissarissen. Aymo,  opgejaagd door renners als een Botteccia, Frantz, Lucien Buysse en de onvoorspelbare Omer Huysse. Kerels, die bij het woord ‘col’ lekkere gevoelens in de onderbuik krijgen. Goddank zit dat kwartet twee bochten lager. Voor Bartolomeo Aymo maakte het eigenlijk allemaal geen reet uit. Het werd evengoed zijn moment. De dag waar hij als klimmer jaren naar uit gekeken had.Copy of bartoaymo
De etappe Nice-Briançon, 9 juli 1925, over de Cols d’Allos, de Wars en de gevreesde Izoard. Tweehonderdvijfenzeventig godsgruwelijk zware kilometers met bijna zeven kilometer klimwerk. Bartholomeo Aymo, mooie jongen, pokerface, had lang moeten wachten om in de Tour de France zijn klimtalent te laten zien. De Grote Oorlog was daar debet aan.
Bartho, in 1919 prof geworden op de rijpe leeftijd van negenentwintig jaar. Won twee jaar later de ronde van de Apennijnen maar vestigde naam tijdens de Giro d’Italia editie 1922. Waar de inwoner van Turijn genadeloos toesloeg in twee bergetappes om zich vervolgens  terug te vinden op de tweede plaats in het eindklassement. Leuk en aardig voor een artikeltje in de Corriere della Sport. Om door een gemiddelde tifosi weer even snel vergeten te worden. Als  renner kun je dan ook maar op één manier beklijven: winst in een Touretappe. Nu, maar ook vroeger.
bartholorompDat had Aymo goed onthouden. Tegen de  wanden van de col de Allos begon hij zijn plekje in de tourgeschiedenis te reserveren. De Col d’llos, waar drieëntwintig renners bij elkaar klitten. Met alle favorieten.  In de kou en regen was de Vlaming Verdyck hem gesmeerd. Onderkoeld, met verkrampte handen aan sturen, weten Lucien Buysse, Botteccia, Frantz, Omer Huysse en Ayaan te haken. Wil je eeuwige roem halen dan dient er ook een gokje gewaagd te worden. Bartholomeo Aymo, een naam uit een opera van Verdi,  deed dat met inzet van lijf en leden. De afzink van de Col de Vars wordt door Aymo met doodsverachting genomen. 
Bartholomeo Aymo, die mooie jongen uit Turijn, komt uiteindelijk na dertien lange en slopende uren solo  aan in Briançon. Dat hij op Botteccia en zijn medevluchters meer dan tien minuten moest wachten, is aardig voor de statistieken. Aymo tot 1930 actief als profrenner, die in de Tour van 1926 op herhaling ging en dezelfde etappe nog een keer, stierf in 1970 op eenentachtig jarige leeftijd.

 Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1925.

 

Loensende arend wint op Quartorze Juillet

Copy of ideeklimVoor héél even in het Nirwana. Renners zijn bereid daar een jaar van hun leven voor te geven. Want niets beklijft zo als winst in een touretappe. Garantie voor eeuwige roem. Al was het alleen maar voor de kleinkinderen. Het is de ultieme ontlading. Een orgasme die een leven lang duurt. Wat dat betreft kon Emile Idée zijn lol op. Maar eerst even vertellen wat er die veertiende juli 1949 gebeurde. Dat het de nationale Franse feestdag betrof, dat weet de grootste halfgare. Maar dat het nou  juist dé dag was die Emile Idée zijn leven op z’n kop zette daar had hij, als modale Franse profrenner, geen flauw benul van.
Niet dat Idée een ‘weggooier’ was. Als hij die ochtend aan de start staat van de dertiende etappe over 289 kilometer van Toulouse naar Nîmes, was hij al vierentwintig keer juichend over een finishstreep gekomen. En niet in lullige kermiskoersjes. Overwinningen in het Criterium International én kampioen van Frankrijk, daar kan je jezelf mee in de spiegel aankijken. Ongetwijfeld had Emile deze zeges onmiddellijk willen inruilen voor één etappewinst in de Tour.
Als  kopman van Île de France, een regionale ploeg van twaalf renners met de oude Louis Caput als bekendste,  lagen zijn beste jaren al achter hem. Emile, profrenner geworden in 1940, had niet zó’n beste start. Nog maar amper was zijn proflicentie op de deurmat geploft of het Duitse leger rolde in een maand tijd zijn land op. Zijn geliefde La France bezet door die gehate broche.  Dat hij niet naar Duitsland werd afgevoerd  om te werken in de oorlogsindustrie  had hij aan zijn koersfiets te danken.Copy of idee
Geef het volk brood en spelen. Wielerkoersen tijdens de oorlog, daar was geen status in te behalen. Het waren wedstrijden om de  kat zijn ‘derde oog’. Emile Idée’s carrière start pas in 1947 als hij al zevenentwintig jaar is. Zoveel tijd had hij niet meer. Maar op die veertiende juli 1949 werd zijn dag. Op zijn Peugeotfietsje, goed geprepareerd, met de oogopslag van een loensende arend, en  in godsgloeiend hete omstandigheden, komt Emile Idée in Nîmes winnend over de streep. Waarmee hij Roger Lambrecht en Marcel Dupont zijn twee medevluchters, verslaat.
Emile Idées ster flonkert nog even als hij een jaar later tweede wordt in Parijs-Roubaix. In 1950 hangt hij zijn koersfiets aan de haak.  Dat Old soldiers never die, dat is dus gelul. Maar uitzonderingen bevestigen de regel.  Emile Idée, die ouwe strijder, inmiddels drieënnegentig jaar geniet nog iedere dag, en dat al meer dan vijfenzestig jaar van die ene memorabele Quatorze Juillet in 1949.
 
Bron: Miroir Sprint, jaargang 1949.

Hector Heusghem, de ‘zedelijke’ winnaar

Copy of hesghemhoofdHector Heusghem, met afstand dé schlemiel uit de wielergeschiedenis. Hector, eindigt  in de Tour van 1920 en het jaar daarop als tweede in de eindklassement. Geen lulliger uitslag. Het waren koersen vol malheur en andere ongemak. Schrale troost voor Hector Heusghem dat in deze Tour evengoed drie  bergetappes wint. Hector, tweeëndertig jaar, een borrelend is vat vol frustratie, en smachtend naar erkenning. Een gevaarlijke combinatie, een mix die opeens kan ontploffen.
Zeker in juli 1922 want de start van een nieuwe Ronde van Frankrijk. Voor Hector Heusghem, biologisch gezien zijn laatste kans. Nog één keer heeft hij zijn ouwe lijf gemarteld, dat zijn maanden van zware trainingen op zijn Thomann-koersfiets want calavarietochten door de Ardennen.  Afgetraind tot het schaambeen meldt Hector zich in Parijs. Nu moet het lukken. hectot gaat voor winst in die voor hem zo gehate Tour de France. Dan kan hij eindelijk definitief zijn koersfiets opbergen. Wat bijna lukte.
Bijna is niet helemaal om een onbenullig gezegde aan te halen. Want aan het begrip  ‘bijna’ is die ene koerscommissaris debet, een reglementenfreak avant la lettre. Dat Hector die ene  onbekende bobo tot aan zijn laatste uur vervloekt zal hebben, dát is zeker. Of zoals de Geïllustreerde Sportwereld in 1922 schrijft: ‘Waarlijk stond Hector Heusghem er schitterend voor en alles duidde in hem de glorierijke overwinnaar als die koerskommissaris zwaar en onheilspellend over hem het doodvonnis uitspreekt’.1923HectorHeusghem
Een doodvonnis is het bijna letterlijk. Geestelijk minder sterke renners krijgen onmiddellijk suïcidale gedachten. Ga er maar even aan staan. Met de gele trui om zijn knokige lijf, stevig op de eerste plaats én slechts drie etappes te gaan gebeurt er namelijk iets vreselijks. Zijn frame breekt. Dan is er nog niets aan het handje. Instinctief reageerde Hector wat ieder renner doet, hij wisselt van fiets. En dat ontgaat die ene enge  commissaris niet, want deze moet formeel eerst toestemming geven. Hector Heusghem krijgt hiervoor een uur straftijd en eindige geestelijk gebroken op de vierde plaats in Parijs. De een zijn dood is de ander zijn brood ook voor landgenoot Firmin Lambot. Die krijgt de eindoverwinning zomaar cadeau. Voor de Geïllustreerde Sportwereld, met veel gevoel voor onrecht, is Hector ‘de zedelijke overwinnaar’. hectorbloemDat het in de Belgische nationale ploeg op de terugreis een jolige stemming is is niet duidelijk. Wél dat ploeggenoten Firmin Lambot, Theofiel Beeckman en Alfons Standaert, in hun woonplaats een heldenontvangst van tienduizenden krijgen. En Hector Heusghem? De arme Hector wordt uiteindelijk toch een winnaar. Na een lang en gezegend leven sterft de dappere en inmiddels uit het collectieve geheugen gewiste ‘genaaide renner’ op tweeënnegentig jarige leeftijd. Waarmee hij Firmin Lambot met vijftien jaar klopt.

Foto 1 en 2: Hector Heusghem, Foto 3: Aankomst van de Belgische ploeg, zonder Hector Heusghem. Links met bloemen Lambot. 
 
Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1922.

Winst touretappe begin van sinistere teloorgang

aziniHet is de genadeloze wet van de natuur. Waarin alleen de sterken overblijven. Voor zwakkeren, en kneuzen, is geen plaats. Die vallen letterlijk af. Tour de France editie 1910.  De laatste etappe. Van de honderdtien renners waren er zeventig uitgevallen. Alleen geharde kerels houden stand. Mannen met eelt op hun kont en een scrotum waar je een spijker op krom slaat. Ernesto Azzini is daar één van. De rondgang door Frankrijk dus. Ontdaan van alle valse romantiek. Hard en meedogenloos. Dat op de rustdag Adolphe Helière in de zee verzoop, paste daar naadloos in. Adolphes hemelgang werd hooguit als kennisgeving aangenomen. De overlevers hadden  na vierenhalfduizend helse kilometers wel iets anders aan het hoofd. Die waren blij dat er nog een spoortje leven in hun scharminkelig lijf zat. Maar goddank  is het de laatste etappe. Caen-Parijs over tweehonderdzestig kilometer. Voor Ernesto Azzini, tot dat moment anonymus, de laatste kans om zonder gezichtsverlies thuis te komen in zijn geliefde Lombardije.
Eer en gezichtsverlies. Voor een Italiaanse renner de allerbeste doping. Ernesto, vijfentwintig jaar, met een overwinning in Milaan-Verona, zat tjokvol met die  rare Latijnse trots. Genoeg om in de etappe naar Parijs geschiedenis te schrijven. Als Emile Paul en Constant Ménager weg springen, sluipt Ernesto mee. azzini3
Met de sluwheid,  ingegeven door dorpspastoors, nonnenschooltjes en andere roomse rakkers, klopt hij op de streep zijn medevluchters.  Ernesto Azzini en wint als eerste Italiaan ooit, een Touretappe. Tevens het begin van zijn sinistere teloorgang.
De opmaat daarvoor begon in 1914. Ernesto Azzini, mocht vier jaar vechten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. In 1919 stapt hij weer op zijn Legnano koersfiets.  Drie schrale en magere jaren volgen. Jaren waarin Azzini zijn lichaam, al gesloopt in de tochtige, vochtige en onhygiënische loopgraven, langzaam weg teerde. Het begon met een onschuldig kuchje. Niet veel later zat Ernesto als een blaffende zeehond op zijn koersfiets. Azzini, die trotse Lombardijn, held van zijn dorp Rodigo,  overlever  van de loodzware Tour 1910, oorlogsveteraan, sterft uiteindelijk in 1923 aan de gevolgen van tuberculose.
azzinisprintErnesto’s blaffen, hoesten en sproeien hadden hun werk gedaan. Twee jaar na zijn hemelgang wordt bij de familie Azzini aan de deur geklopt. Als er opengedaan wordt staat De Dood wéér op de stoep. Ditmaal voor Guiseppe Azzini,  het jongere broertje van Ernesto.
Guiseppe, 34 jaar, ook profrenner mocht dan  vier etappes gewonnen hebben in de Giro d’Italia en in 1922 nog meegestreden in de zesdaagsen van New York en Chicago, maar werd ook door de Vliegende Tering, lugubere bijnaam voor tbc, ingehaald.

Bron: Vie au Grand Air jaargang 1910, Geillustreerde Sportwereld jaargang 1923.