Met de zegen van Sint Réparate

De hel van het Noorden. Kasseien. Een ballenkraker bij uitstek. Slecht voor de eventuele latere kinderbijslag. Maar wél goed voor eeuwige roem. Zeker voor Pierre Molineris, renner ‘om den stokbroden’ en afkomstig uit Nice. Pierre dus, 32 jaar, bij  wie de eeuwige pech aan zijn afgetrainde kont hing. Maar niet tijdens de vierde etappe, Tour 1952,  Rouen-Roubaix, over tweehonderddertig  kilometer.  Pierre, uitkomend voor de Franse zuid-oostploeg. Een regionaal ploegje met obscure renners als Canavese, Vitetta, Bianchi en meer coureurs  met Italiaanse roots, krijgt het in de Hel  op zijn schonkige heupen. Met de zegen van Sint Réparate, schutspatroon van Nice,  lanceert  Pierre zijn ultieme demarrage.  En mocht de,  door Sint Réparate ingestraalde jump geen effect hebben, dan  doet een tabletje  pervitine wél wonderen.  Over dat laatste doen wij niet zó moeilijk. Het is wél 1952 hé…
Terug naar de Hel.  Waar Pierre, met zijn neus tussen de remkabels, open mond, en een horizontale rug waar een fles Pernoud op kan staan, solliciteert naar zijn plekje in de Tourgeschiedenis. Met schuim op de lippen, en twee minuten voorsprong op Jean Dotto,  komt de man uit Nice de wielerbaan van Roubaix opgestoven.  Ongetwijfeld moet hij gedacht hebben aan de ronde van Lombardije 1949. Waar hij diep in de finale, tijdens de klim op de Ghisallo, alleen de almachtige campionissimo Coppi hem kon volgen. God-nog-an-toe, daar breekt Pierre’s wiel. Enfin, voor Pierre wordt het een paar jaar later nog véél erger. Tijdens dezelfde ronde van Lombardije bij het solo oprijden van de Vigorellibaan mét finish in zicht, wordt hij bewust de verkeerde kant op gestuurd. Zijn twee achtervolgers niet. Maar dat waren dan ook  Italianen.
Daar is Pierre Molineris op de wielerbaan van Roubaix nog onwetend van. Waar hij zich even later euforisch laat huldigen voor wat later blijkt zijn enige etappeoverwinning in de ronde van Frankrijk. Pierre Molineris, dertien jaar prof, reed zeven keer de Tour, wat geen slijtage op zijn lijf bracht, want de Zuid-Franse profrenner, vertrok op negenentachtig jarige leeftijd naar een betere wereld.

 

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1952.

 

 

De loze belofte aan Pierre

‘Hoe ouder hij wordt, hoe sneller hij was’.  Een treffend  maar dodelijk Indiaans spreekwoord. Want niets vervelender dan zo’n ouwe rukker die zit te snoeven over zijn vroegere sportdaden. Dát  gaat niet op voor Pierre Cogan. De arme Pierre had niks om over op te scheppen. Terwijl hij ooit een favoriet was voor een Tourzege. Dat niet doorging. Hoe frustrerend wil je het hebben? In plaats dáárvan zat Pierre zijn lange leven  met die ene vertwijfelde vraag: als… Als hij niet was opgeroepen voor militaire dienst. Als, die klotenmof Frankrijk niet de oorlog had verklaard. Als, als… Pierre Cogan had alle redenen voor zijn twijfels. 
Cogan, beroepsrenner afkomstig uit Bretagne, beheerste namelijk iets waarvoor een gemiddelde renner bereid is om één van zijn vingers af te laten hakken: een snoeiharde tijdrit.  Maar hij kon ook als een vlinder tegen de cols op fladderen. Voor een potentiële Tourwinnaar altijd fijn.  Pierre, in 1935 op eenentwintigjarige leeftijd debuterend in de Franse rondrit. Een opwarmertje. Een jaar later volgde de herhaling, maar dan als knecht voor kopman Archambaud. Met de belofte dat Pierre’s tijd nog wél kwam.
Even vertellen over Pier Cogans heldendaden tijdens de Tour van 1936. Die zich afspeelde in de anonimiteit en schaduw van zijn kopman. Maar toch… Op wat toeschouwers na én een fotograaf van Le Miroir des Sports, was niemand getuige hoe tijdens de etappe  Grenoble-Briancon hij, Pierre, lulletje rozenwater afkomstig uit Bretagne de almachtige Archaumbaud, gehuld in de gele trui, de col Bayard  over sleurde. Archaumbaud, een vedette, kon amper het wiel van zijn knecht houden.
Dan is het een jaar later. Cogan in supervorm wint de Grand Prix des Nations, het officiële wereldkampioenschap tijdrijden over honderdveertig kilometer. Niets stond in de weg voor zijn eerste Tourzege.
Niets? Wél de minister van Oorlog! Mobilisatie. Moederland Frankrijk loert  angstig naar de oorlogszuchtige oosterbuur. Enfin, Cogan opgeroepen voor militairendienst kon twee jaar lang zijn land verdedigen.
Uiteindelijk moest de Breton nog twaalf jaar wachten voor hij, in 1947, weer aan het vertrek van le Grande Boucle stond: met een twaalfde in het eindklassement. Pierre Cogan, oersterke kerel,  zeven keer aan de start  in Parijs, reed bij elkaar honderdvijftig etappes, en won niet één daarvan.  Dat Pierre, taai was als oud hondenleer,  bewees hij veel later. De man, scherp van geest tot aan zijn laatste adem, werd, op een paar dagen na, bijna negenennegentig jaar.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1936.

De held van Le Châtre

 

‘Weinig drinken jongen, dat is slecht voor de benen’, had ploegleider Marcel Bidot hem nog toevertrouwd. Indachtig de woorden van Bidot, plaatste hij zijn ultieme demarrage. Met een verzengende zon in de nek, een tong als een gemummificeerde muis, én kristalliserende nieren, trok hij op avontuur. Voor medelijden is geen plaats. Renners dienen  nou eenmaal te lijden, want in  het  zweet des aanschijn zult gij Uw kloten er af rijden. Of hij schroeiplekken in zijn ‘kruis’ had?  Dat zal Marcel Dussault  die donderdag 30 juni 1949 een rotzorg zijn geweest.
Parijs-Reims, de aftrap van de Tour, als de brave en piepjonge poulain van Bidot  het op zijn heupen krijgt. Opgejut door een roeptoeterende ploegleider raast Dussault door. Nog twintig kilometer te gaan. Dertig seconden voorsprong, en elegant op  zijn Stellafiets zittend, is de stylist bezig met wat een mijlpaal in zijn lange leven gaat worden. Zijn ultieme sportmoment. Marcel Dussault, jongen afkomstig uit La Châtre,  departement Indre, en uitkomend voor de regionale équipe Centre-Sud-Ouest, wint de etappe. (Voor de statisticineuroten onder ons: in een tijd van vijf uur met een gemiddelde van 34 kilometer.) Met als bonus de gele trui! Weliswaar voor één dag maar toch… Dat  Marcel op slag dé held van zijn streek werd, daarover straks meer.
Dussault in 1949, winnaar van zes grote koersen waaronder Parijs-Bourges, was geen toevallige voorbijganger. In drie latere edities van de Tour kan hij nog twee keer de bloemen ophalen.  Marcel Dussault, twaalf jaar profrenner, en gestopt in 1959, blijkt  een ware liefhebber van de koersfiets te zijn. Tot op hoge leeftijd trainde hij rondom La Châtre zijn dagelijkse rondje. Tot die fatale dag in 2004. De oude Tourheld wordt aangereden door een auto. Hersteld van twee gebroken ribben en een hersenschudding, hangt de oude strijder voor altijd zijn koersfiets aan de haak. Marcel Dussault, 88 jaar, was de enige renner afkomstig uit het departement Indre die ooit een gele trui won. Dat maakte hem, tot zijn dood in 2014, tot  dé  absolute streekheld.

 

 

Bron: Miroir Sprint jaargang 1949, en de site La Nouvelle République.

Ontwaakt gij verworpenen der wieleraarde!

Een geslaagde voorjaarscampagne. Het lijf scherp. De geest vol moraal. Met een overwinning in het prestigieuze Circuit d ‘L ‘Indre vertrok hij zelfverzekerd naar Parijs. Voor Eloi Tassin mocht de Tour de France, editie 1939, een aanvang nemen. Eloi, een jaar eerder zijn debuut, wist wat hem te wachten stond. Tassin, jongen afkomstig uit Pays de La Loire, achtte zich niet kansloos voor etappewinst. In La France was hij toch al eerder vijf keer in een etappe bij de eerste tien geëindigd? Dát bedoelde hij. Eloi geen man van de natte dromen. De tweede etappe richting Rennes sloeg hij namelijk toe. Voor Tassin was deze Tour een binnenkomer. In tien etappes zag hij zijn naam terug bij de eerste tien. Voor Eloi kon de oogsttijd een jaar later beginnen.
Wat niet doorging. Met dank aan de Pantsereenheden van General Guderian. De Mof was Frankrijk binnen geraasd. De ‘koers’ én de Ronde van Frankrijk lagen op hun kont. Oogsttijd werd oorlogstijd. En Eloi Tassin? De man naderde met angstige snelheid de drie kruisjes. Het lichamelijke verval was begonnen. Gefrustreerd tot het bot kon hij wachten. Zes jaar lang. Dan is het eindelijk 1945. Jaar van grote dromen. En toekomstverwachtingen. Leve De Koers. Ook voor Eloi Tassin. Die demonstreerde dat hij nog lang niet versleten was. Zes overwinningen nam hij meer naar Pays de la Loire waaronder het nationale kampioenschap op de weg en de Grand Prix des Nations. Maar dát was kattenpis. Althans in de ogen van een Franse renner. Want daar draait het maar om één ding… Enfin, 1947! De eerste naoorlogse Tour. Met Tassin en anderen verworpenen der wieleraarde aan het vertrek. Tassin ging geschiedenis maken. Weliswaar klein, maar toch… Acht jaar na zijn eerste zege in de Tour de France, won hij de etappe Bordeaux-Sables-d ‘Ollonne over 272 kilometer.
Eloi Tassin, zestien jaar profrenner, stierf in 1977, vijfenzestig jaar oud. Hoewel ‘maar’ twee etappeoverwinningen in de Ronde van Frankrijk, is de man niet vergeten. In 2012, op zijn honderdste geboortedag ging op het Plateau des Fêtes de cyclosportief ‘Eloi Tassin’ een tourtocht van start. Inmiddels al voor de vierde keer verreden.

 

Bron: But Club jaargang 1947.

Giovanni kreeg de vrije hand

corrieontsnap2Ogen, zwart en gloeiend als de vulkaan de Etna. Een haviksblik. Geboren en getogen op Sicilië. Eiland bevolkt met mannen van eer: haatdragend en niet altijd even goed snik. Opgegroeid in de wereld van Don Corleone, waar conflicten werden beslecht met de Lupo, een fijn in de hand liggend jachtgeweer.  De kneepjes van de omerta zaten ‘snor’, en de  mores van Sicilië was er goed in gestampt. Wat dat zoal met een adolescent doet? Vul dat zelf maar in. Dat zoiets beklijft is zeker. Giovanni Corrieri, Siciliaan tot in de nerven van z’n ziel en opgegroeid in de achterbuurten van Messina. Ondanks dát  liet Giovanni op  twintigjarige leeftijd voorgoed zijn  geliefde eiland achter zich om voor een schamel contractje bij Gloria, een fietsfabriek in Noord-Italie, zijn geluk te vinden. 
Giovanni Corrieri, tjokvol ambitie, maar ook een pragmaticus. Zo één die lijf,  én zweet zonder scrupules verkocht aan kopman, Gino Bartali. De ragazzo afkomstig uit Messina werd de ultieme gregario, die voor zijn broertjes en zusjes de lires bijeenschraapte.
Gino Bartali, God himselve koersend op een Legnanofiets, was wél zo slim om zijn trouwe knecht regelmatig wat kruimels te gunnen. Van die dagen dat Giovanni de vrije hand kreeg.
corrieribloemZoals tijdens de Tour editie 1950. Vijfde etappe Rouen-Dinard 316 kilometer. Waarin vijfentwintig kilometer voor het eind Corrieri samen met René Desbats ontsnapte. Op de finishstreep werd  Desbats vakkundig, met een ‘poeshaartje’ verschil, geklopt.  
Giovanni Corrieri, meesterknecht, één van de belangrijkste helpers in de Tourzege van Bartali in 1948. Gedenkwaardige Tour waarin Giovanni zelf twee etappes wist te winnen.
Het feodale leven van een Italiaanse gregario was zwaar. Tijdens de koers, maar ook daar buiten. Ziel en zaligheid, alles voor de kopman.  Ook in de hotels. De Siciliaanse knecht,  vaste kamergenoot van Gino Bartali, wat geen pretje moet zijn geweest. De mysticus Gino, een godvrezend mens, trouw volgeling van Rome met de bijnaam De Vrome. Klaar ben je. Na de massage wél even op de knieën, om samen met de kopman, de capo di tutto hier boven,  even te danken voor de dag. Dat er geslapen werd met de handen boven de dekens, dat spreekt.
Uiteindelijk heeft het Corrieri geen slecht gedaan. Op vijfennegentigjarige leeftijd is de Siciliaanse supergregario, stram van lijf, maar scherp van geest, nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1950.

Schitteren als die ene ouwe sopraan

cammelinitelegrapheIntegratie zie je met je eigen ogen. Maar niet in Frankrijk. Daar is men nogal kippig. Heeft alles te maken met chauvinistische grandeur. Vive le France! Blue, Blanc, Rouge. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.  Enge, holle kreten. Bestemd voor eigen volk.  Stroomt er geen beaujolais door de aderen of kreeg je als kind geen pak rammel met een stokbrood, dan kun je het vergeten. Ook Fermo Camellini. De laatste kon de Marseillaise  uit zijn hoofd. Stak op 14 juli de nationale driekleur uit, maar had alleen die ene makke… Als klein jochie, zoon van Italiaanse gastarbeiders, naar La France geëmigreerd.  Maar nooit de Franse nationaliteit aangevraagd. Met dank aan zijn ouders. Wat  natuurlijk te maken had met die rare Latijnse trots.
Jaren later, Fermo was wielrenner om den broden, brak dat op. Camellini, een rasklimmer, iedere dag trainend in de bergen achter Monaco won bij zijn profdebuut in 1937 koersen als Nice-La Turbie, de Grand Prix Guillaumontin, Circuit des Alpes en Grasse-Grasse. Om in 1939 door te breken met zes overwinningen waaronder het Circuit Mont Ventoux. Het lijf volgroeid, was in topvorm. En dan slaat drama toe. De oorlog breekt los. De zoon van arme Italiaanse gastarbeiders, één van de sterkste klimmers van zijn tijd, koerste nog wel, maar dat ging om des keizers baard. Voor zijn debuut in deTour de France moest de grimpeur uiteindelijk zeven jaar tandenknarsend wachten. In 1947 is het eindelijk zover. Fermo Camellini, drieëndertig jaar, zijn beste jaren achter de rug, reageerde precies zoals die ene ouwe sopraan uit de Jordaan: hij wilde nog één keer schitteren. 
cammelinigalibierDe opmaat hiervoor was in de Vogezen waar de vierde etappe over de ‘ballons’  werd gewonnen. Uitkomend voor een regionale ploeg genaamd ‘buitenlanders wonend in Frankrijk’, liet de kleine klimaap tijdens de achtste etappe het Franse journaille de wenkbrauwen fronsen.
Fermo schudde de frustraties van zich af. De grimpeur van Italiaanse afkomst, danste  als eerste over de legendarische Croix de Fer, Télégraphe en de Galibier, en kwam met meer dan twee minuten voorsprong aan de finish. Na de tiende etappe, ook gewonnen, sloeg de moeheid toe. In de koers moest Fermo alles alleen opknappen, want zat  in een ploeg van ‘drie keer niks’. Evengoed vond de man zich in Parijs terug op de zevende plaats van het eindklassement. Fermo Camellini, achtendertig grote overwinningen in zijn carrière, gespte op  in 2010 op vijfennegentigjarige leeftijd definitief de toeclipriempjes van het leven los.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1947.

Jef kraste zijn kerf in de Tour

Copy of Bottechia-félicite-Van-Dam-De nacht is zwart, stil en kil, als de klok van de kerk van Briançon drie keer slaat. De haan in het kippenhok lazert van zijn stok, en mijnheer pastoor kruipt nog even tegen de pronte kont van zijn huishoudster aan. Maar op het plein is het hectisch. De vijftiende etappe Briançon-Evian editie, Tour de France 1926, staat op punt van beginnen. Onder de kleumende renners ook Jef van Dam. Jef, ultieme rennersnaam, woeste, harde kop, de huid als een trommelvel  gespannen over jukbeenderen, staat strak geprepareerd, want zwarte koffie, gekluste eieren, cognac én wat strychninetabletjes. Om een etappe over driehonderd kilometer met de lugubere cols Galibier, Arravis en de Gets, te koersen op wat suikerklontjes, doen alleen braverikken, en voormalige misdienaars.
Jef van Dam, een man met een late roeping. Werd op zijn vierentwintigste beroepsrenner, en had een carrière als een scheet van ’n oud wijf. Kort, hard en schetterend. Slechts één keer de Tour de France gereden. Weinig. Maar wél genoeg voor decennia lang prachtige, heroïsche  verhalen in de lokale staminees.  
Van Dam, Flandrien avant la lettre, een kerel met een onheilspellende blik won namelijk drie etappes. Jef, wist wat hij waard was. De man afkomstig uit Willebroek, verhuurde zijn krachten aan een Italiaanse kopman. Ottavio Botteccia, frontman van Automoto, een Franse fabrieksploeg, was ongetwijfeld ingenomen met zo’n Vlaamse oermens als knecht. Jef mocht dan wel als Ottavio’s  lijfeigene fungeren, maar ging in de koers ook zijn eigen weg. Waar de man met zijn krachten smeet.
Dat de Vlaming de zesde én de achtste etappe won, was een voorproefje. In de vijftiende etappe ging Jef pas echt los.
De prelude daarvoor vond plaats op de hellingen van de Galibier waar de ontsnapte  Omer Huijse, nog zo’n Vlaamse krachtpatser, de top scheerde in ‘een zee van menschen’, zoals de Geïllustreerde Sportwereld schreef, om te vervolgen dat ‘d’n Vlaamsche Leeuw een donderende ovatie kreeg’.
vandamrevailerJef van Dam, met brandend stof in de longen, volgde stoempend op vijf minuten.  Wedstrijdverslagen zijn taaie kost. We beperken ons maar tot de finale. Waarin Jef  een definitieve kerf kraste in de balk van de Tourgeschiedenis. Aan de finish in  Evian rekende d’n Jef vakkundig af met een kopgroep van zesentwintig renners.
Ook krachtmensen zijn aan slijtage onderhevig. Jef had toch iets te veel van dat sterke lijf gevergd. Twee  jaar later hing hij  wegens gezondheidsproblemen, de koersfiets aan de haak. Jef van Dam, die knoestige, uit Vlaams eikenhout gehakte kerel, stierf op vijfentachtigjarige leeftijd.

Foto 1: Rechts Ottavio Bottecchia  met Jef van Dam. Foto 2: Links Dossche, zittend Van Dam, staand Omer Huijsse, rechts Mertens.  

Bron: Geïllustreerde Sportwereld en Le Miroir des Sports jaargang 1926.

Trots, en niets te verliezen

gordiniEn dan was er ook nog Giovanni-Michelle Gordini. Een broodmagere Italiaanse bonestaak van éénendertig jaar. Een van god los geslagen rakker. Een vrijbuiter met anarchistische trekjes op een koersfiets. Had maling aan de heersende klasse. Gordini trok zijn eigen plan. Hij moest wel. De man reed als ‘toerist’ mee in de Tour de France anno 1927. ‘Toeristen’, een eufemisme voor ongesponsorde renners in de vooroorlogse Tour. Alleen weggelegd voor de echte gedrevene, de vrije van geest. Probeer het maar.  De hele dag je kloten er af rijden. Zelf depanneren, je eten bij elkaar scharrelen, en als je als je dan zo moe als een hond, beslijkt en besmeurd over de streep kwam, mocht je zelf een slaapplek organiseren. En op de mestvaalt genaamd ‘toerist’ bloeide soms onverwacht een roos: zoals de genoemde Gordini.
Wielerhelden worden geboren op de kasseien. Maar vooral in het hooggebergte.
Gordini begreep dat en ging los. Met als decor de tiende  etappe  Bayonne-Luchon over 326 kilometer: de eerste bergetappe. Met aan de horizon de sinistere toppen van de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque. 
gordinikop1Gordini, een profrenner in zijn nadagen, met overwinningen in koersen als een Giro dell ‘ Umbria, Milaan-Bellinzona en Giro dell’Emilia. Maar dat was jaren eerder. Een trotse man die niets te verliezen heeft. Zo’n kerel is tot alles in staat. Zelfs tot een desperate zelfmoordactie. In het donker, met ijskoude regen én met drie tubes om zijn schonkige schouders, piepte de Italiaan  uit het peloton. Niemand zag dat. Giovanni-Michelle Gordini, stofbril en pet stevig op zijn harses, scheerde als eerste de toppen van de Aubisque, en de Tourmalet, en bouwde een voorsprong op van drie kwartier.
Virtueel in het geel gloorde roem en eer aan de finish. Door pech, ander malheur, valpartijen in de afdaling, werd de held van de dag teruggepakt. Gordini werd achtste. Even goed kon Michelle met opgeheven hoofd terugkeren in zijn geliefde Budrio, provincie Emilia-Romagna.  Door het organiserende blad L’Auto  werd Giovanni-Michel Gordini, 24e in het eindklassement, uitgeroepen tot officieus bergkoning van de Tour 1927. En behalve dat. Zijn doldrieste actie beklijfde evengoed. In het Theater van de Wielersport nam Giovanni-Michelle zijn plaatsje in, weliswaar op het tweede balkon, maar toch…

Bron: Le Miroir des Sports: jaargang 1927.

Giuseppe vergat de klus af te maken

martanocolbayneDe tifosi begon te morren. Op sportredacties werden de inktpotten gevuld met vitriool. En in de dorpskerkjes werd er bij de Heilige Maagd  murmelend gesmeekt of er eindelijk eens gewonnen kon worden. Kaarsen werden met dozijnen opgestoken. Na zeven etappes, Tour de Franse editie 1934, stond de teller van winst op nul. Terwijl iedere dag een Franse renner de overwinningsruiker kreeg bleef de Italiaanse ploeg met lege handen. Mussolini, fascisme, maatschappelijk sociaal onrecht, onderdrukking door de kerk, het zal allemaal wel. Voor de Luigi’s en Pietro’s in de straat nog nét  te verhapstukken. Maar laat niet het nationale wielerbelang in gevaar komen…
Dat uiteindelijk Giuseppe Martano de redder des vaderland werd, besefte de simpele ziel niet eens. De man werd te veel in beslag genomen door frustraties. Giuseppe, 24 jaar, zijn dagelijkse pasta verdienend op de koersfiets, moest nog heel even wachten. Geduld tot de achtste etappe Grenoble-Gap. Een rit over een afstand van slechts 102 kilometer. Weinig, maar wél door het hooggebergte. Cols waar de lullo’s van kerels werden gescheiden. Waar gewrichten en botten op de proef werden gesteld, en de hartspier tot angstaanjagende proporties werd opgepompt.
Op de steile flanken van col de Bayard, een bottenkraker van 1246 meter, zag  hij zijn kans: Martano, zo’n van God vergeven klimmer,  ging op strafexpeditie. Giuseppe, een voormalig tweevoudig wereldkampioen bij de amateurs, lag daarmee een staaf dynamiet onder  het algemeen klassement. Heel chauvinistisch Frankrijk, want een landgenoot in het geel, kreeg hartkloppingen. Niet alleen het Franse gepeupel hapte naar adem. Ook de renners snakten naar een hap verse zuurstof. Het was heet. Alsof Beëlzebub, bedrijfsleider in de hel, met zijn snikkel het vuur oppookte. Zinderend dus.
martanoafdalingvooropGiuseppe Martano, met de aluminium stuurbidons klotsend vol, danste probleemloos omhoog. In zijn wiel de gele truidrager, Magne. En dan zijn er van die vragen, die een leven lang in hersenen blijft hangen. Waarom? Had ik maar… Ongetwijfeld ook bij Giuseppe.  Die moet op stille momenten zijn besprongen door die ene vraag: had ik maar doorgetrokken op de col Bayard,  dan had ik de Tour de France gewonnen. De col de Bayard, waar Magne op ‘hangen en wurgen’ aan zijn wiel hing, en hij, Giuseppe Martano, klimmer afkomstig uit Savona, Liguria, op de deur van het Italiaanse heldenrijk stond te kloppen.
Giuseppe, benen als spiegeltjes won met een zekere reserve de etappe. Magne op zeven seconden achterstand. In Parijs zag Martano zich terug op de tweede plaats in het eindklassement: een kwartier achter Magne. Uiteindelijk volgde in 1994  de revanche, want Martano stierf op vierentachtigjarige leeftijd. Waarmee hij Magné met zeven jaar klopte.

Foto 1: Op kop Martano gevolgd door Magne. Foto 2: De afdaling van de col de Bayard, op kop Martano. Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1934.

De Gems van Cuminia

camusso9‘Kleine mannen, grote jannen’. Dat vrouwen met glanzende ogen heimelijk naar lilliputters staren is dan ook begrijpelijk. Dit in aanmerking genomen had signorina Camusso over haar Francesco ongetwijfeld geen klagen. Hooguit over zijn uiterlijk. Francesco Camusso, beroepsrenner, twee turven hoog, want kop, kont, flaporen én een klein lijfje. Een dreumes op de koersfiets. Zo’n kereltje waarvan je je hart vasthoudt met een beetje zijwind. Camusso, geen man van de ‘waaiers’. En al helemaal niet van de Vlaamse strontweggetjes. Zoveel was wel duidelijk. Francesco was klimmer. Een geboren grimpeur. Zo één die los ging bij het zien van besneeuwde cols. Francesco Camusso, afkomstig uit Turijn, Piemont, net droog achter de flaporen, won in 1931 de Giro d’Italia. Wat dat met zo’n jongen doet in een land dat bij iedere scheet gelaten door een wielrenner het kookpunt nadert, laat zich raden. Met zijn zege jaagde Piccolo Camusso, de oplages van de La Gazetta dello Sport tot recordhoogte. De prestaties van het klimmertje lieten de tikmachines van het journaille roodgloeiend staan. Superlatieven waren niet aan te slepen.  De mooiste was natuurlijk zijn bijnaam: de Gems van Cuminia. Terecht. Tijdens de Tour de France van 1932 bewees de  Gems, deel uitmakend van de squadra nazionale, dat in dat kleine lijfje een groot leeuwenhart schuil ging. Francesco, winnaar van de tiende etappe, trok drie dagen later weer ten aanval. Daarvoor was de dertiende etappe Grenoble-Aix-les-Bains, drie Alpenreuzen met als scherprechter de gevreesde Galibier, het decor.
Op de Galibier die zesentwintighonderd meter hoge pokkeberg, werd voor de Gems de rode loper richting Nirvana uitgelegd. Om te eindigen op het pad van de frustratie. Een dappere maar heilloze actie. Met regen in het dal en sneeuwbuien én vorst op de flanken van de Galibier fladderde het Latijnse lichtgewichtje omhoog.
camussoregenFrancesco, antivries in de aderen, scheerde als eerste de top. In de afdaling ging het mis. Lekke banden en valpartijen. Camusso’s aanval was een kleine rimpeling in een Tourgeschiedenis vol woeste erupties. Genoeg voor twee foto’s én een klein alineaatje in het sportblad Le Sports Illustrés.
Francesco Camusso eindigde de etappe als vijfde. De Gems van Cumiana,  negen jaar profrenner, reed vijf keer de Tour, won twee etappes en stopte met koersen in 1938. Dat klimmers taai zijn als oud hondenleer, werd maar weer eens bewezen. Op zevenentachtigjarige leeftijd begon de Gems aan zijn laatste ultieme beklimming.

Bron: Le Sports Illustrés jaargang  1932.