De hemelgang van een lieve jongen

‘Jongen, als jij nou een nieuwe motor koopt, word ik je gangmaker. En dan zul je eens zien.’ Profetische en onheilspellende woorden van Constant Ceuremans. Binnen een jaar werd een volkomen onbekende Antwerpse metselaar in Europa een beroemdheid. Met de snelheid van het licht steeg zijn ster om die binnen twee jaar weer te doven. Op 21 juli 1909, bij een stayerskoers op de Brusselse wielerbaan, luidde de bel voor de laatste ronde. Voor Kareltje Verbist, op dat moment op kop in de koers werd dat het geluid van de doodsklok.

Niemand die wist wie hij was. Voor de Duitse pers, renners, gangmakers en het grote publiek was hij een grote onbekende. Weer zo’n  buitenlandse avonturier die achter de motor zijn leven op het spel kwamen zetten in de hoop daar rijk van te worden. Bij de Grote Prijs van München gehouden op 21 juli 1907 werd meewarig naar Karel Verbist gekeken. Dat ventje uit Vlaanderen mocht blij zijn dat hij als programmavulling mocht dienen. Voor publiekstrekkers Contenent en thuisrijder Taddy Robl,  was Karel een programmavullertje dat maar niet te veel in de weg moest rijden.
In Vlaanderen wisten ze beter. Kareltje Verbist, een metselaar uit Antwerpen, won in 1906 een vierentwintiguursrace waarvan de laatste drie uur achter de motor verreden werd. Dat joch kan wat, moest gangmaker Contant Ceuremans gedacht hebben. Op advies van Ceuremans kocht Verbist met geleend geld een motor: wat uiteindelijk het voorspel was voor een drama. Ceuremans en Verbist vertrokken naar Duitsland waar het duo mocht startten in   in de Grote Prijs van München, die verpletterend gewonnen werd. Kareltje, die dat seizoen alle grote stayerskoersen met winst afsloot, werd nooit meer uitgelachen. Twee jaar lang was  Verbist onklopbaar.
Wat waren ze trots in Vlaanderen, want hun Kareltje flikte het toch maar. Nadat de voormalige metselaar, een jongen van de gestampte pot, aan de pers ‘verklapt’ had dat al zijn verdiende geld naar zijn nooddruftige moedertje, een arme weduwe ging, was in Vlaanderen de cultus ‘Kareltje Verbist’ geboren. Dan is het 21 juli 1909 in België een nationale feestdag. Op de wielerbaan van Brussel werd dat gevierd met een grote stayerskoers.
Het was dat hij voor eigen volk moest koersen want het liefst had hij afgezegd. Karel Verbist, de man die onklopbaar was achter de zware motor van Ceuremans, was bang geworden. Nachtmerries had hij gekregen van dat ene kranteberichtje. Drie dagen ervoor was op de  Berlijnse wielerbaan bij een apocalyptische stayerskoers acht doden én eenentwintig zwaar gewonden gevallen.
Rauwdauwers als een Piet Dickentman, Demke, Vanderstuyft, en een handvol andere stayerende collega’s hadden hoogstwaarschijnlijk even geslikt, de schouders opgehaald en ijzerenheinig hun plaatsje achter de motor ingenomen.  Kareltje niet.  Karel Verbist  hield van het leven, mocht graag met zijn vrienden een pint drinken en daar was ook nog zijn moeder. Wie moest voor haar zorgen als hij verongelukte? Verbist werd met de neus op de feiten gedrukt, ging nadenken waar hij mee bezig was en werd vervolgens bang. Karel Verbist, volksjongen uit Antwerpen, held van Vlaanderen had geen trek in die koers, maar liet zich door Ceuremans ompraten.
Had hij maar naar zijn gevoel geluisterd.  De bel voor de laatste ronde klonk,  wat later de doodsklok was. Het  publiek begon Verbist, op kop, al toe te juichen, een geluid dat overging in een massale kreet van afgrijzen  toen in de voorlaatste bocht een knal klonk.  De achterband van Ceuremans motor was ontploft. Verbist stuiterde over het cement. De achteropkomende motor met gangmaker Meinhold kachelde over Kareltje heen. Met een verbrijzelde ruggengraat, gekloofde schedel en bloedend uit vele wonden stierf Vlaanderens ‘liefste jongen’.
Bij de  begrafenis van Verbist op de Antwerpse begraafplaats van Wijneghem, liep heel Antwerpen uit. Na een leven als een smartlap werd sportheld Karel Verbist, niet vergeten. Tot ver na zijn dood zong het volk: ‘Kareltje, Kareltje Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge nu niet gelegen, In Uw kist’.
Een schrale troost voor een renner die maar 26 jaar werd.

Foto 1: Op de Rivierenbaan van Antwerpen achter Constant Ceuremans wiens noodlot al bepaald was. Drieëntwintig jaar later verongelukte Contstant.

Foto 2: 16 Mei 1909. Winnaar van het Gouden Wiel in Steglitz. Links naast Karel, gangmaker Ceuremans.

Foto 3: Karel met zijn ouders waarvan zijn vader niet veel later overleed.

Foto 4: Voor stayers in de ‘oudheid’ kon iedere dag de laatste zijn. Van het leven werd genoten. Na de overwinning van Thuur Vanderstuyft in de Grote Prijs van Europa gehouden in Leipzig 1908 werd na aflopen even een pint genomen. Helemaal rechts d’n IJzeren Thuur, zesde van rechts met platte pet Kareltje Verbist.

Foto 5: Heel Antwerpen nam afscheid van ‘lieve’Kareltje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

De lijdensweg van een kampioen

Vijf juli, voor hem was dat een pikzwarte ongeluksdag vol rampspoed, een dag voor altijd in zijn hersenen gekerfd. Al kwamen de baandirecties met zulke vette contracten, op die datum bleef hij thuis, ging niet de deur uit. Vijf juli bleef voor Peter Günther, de rest van zijn leven  een trauma. En niet alleen voor Peter maar voor zijn hele familie.

Na achttien overwinningen op de weg vond de eenentwintigjarige Günther het tijd om de overstap als stayer te maken. Koersen op de weg was voor dwangneuroten, waar geen hond naar kwam kijken en dat bovendien geen pfenning opleverde. Roem, publiciteit maar vooral het grote geld vielen achter de zware motor te verdienen. Op vijf juli 1903 was het dan zover: in thuisstad Keulen, maakte Günther zijn debuut als stayer.
Vader, moeder, broertjes, zusjes, ooms, tantes, neven, nichten en de hele straat zaten op de tribunes om hun Peter aan te moedigen. Tegenstanders waren Vendrudi en Heni. Achter de rug van gangmaker Otto werd razend gestart. In de derde ronde kreeg, vermoedelijk, de hele familie Günther een hartverzakking toen de motoren van Vendredi en Heni op elkaar knalden. De aanstormende Otto, met poulain Günther, kon het  inferno niet ontwijken. Peter Günther  voor dood van de wielerbaan geschraapt werd met ernstige inwendige kwetsuren, gebroken ribben, én een gebroken bekken naar het Krankenlager afgevoerd, waar hij vier maanden verbleef.
‘Zie je  wel, jungen’, moet zijn moeder gezegd hebben, ‘Dat komt er nou van met dat gekke gedoe.’ Vier maanden helse pijn met een lijf verpakt in het gips, dat doet een normaal mens nadenken. Hoogstwaarschijnlijk zat aan Peter een steekje los, want eenmaal uit het ziekenhuis besloot hij zijn loopbaan als stayer te vervolgen. Een fatale beslissing!  Peter Günther die sinds zijn val niet meer zonder pijnstillers kon, nam zijn plaatsje achter de motor weer in. In 1904 streed Günther volop mee in de voorste loopgraven. Mannen als een Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour en Bruno Demke, de gevestigde orde, hadden hun handen vol aan der Kölner.
Met zeventien overwinningen én achttienduizend goudmark in zijn buidel, werd het seizoen afgesloten. Peter Günther, half invalide, zat definitief bij de stayerstop. Tot 1918 won Günther meer dan honderdvijftig koersen, en doneerde daarbij ruim een kwart miljoen goudmark. Of Peter, in 1911 Duits kampioen én wereldkampioen, arbeidsvreugde kende is hoogst twijfelachtig.  Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is. Terecht! Peter Günther een volksjongen uit Keulen maakte op ‘zijn werk’ de meest vreselijke dingen mee. En alsof de duivel er mee speelde gebeurde dat altijd op ‘zijn’ Keulse wielerbaan.  Zoals op 9 juli 1905.
Tegenstanders waren Willy Schmitter en Cesar Simar. Die koers was een herhaling van zetten, want na een botsing van twee motoren werd Günther wakker in het ziekenhuis waar hij enkele weken verbleef. Na nog twee ongelukken op dezelfde baan te hebben overleefd, is het 7 september 1913 als de Grote Prijs van Keulen verreden wordt. Nadat de voorzitter van de Kölner-Renn-Verein, Max Hellrung, de week eerder wereldkampioen geworden Guignard had gehuldigd, viel het startschot voor wat de geschiedenisboeken zal ingaan als één van de bloederigste stayerskoers ooit.
Met vlaggen strak aan de mast, volle tribunes,  warme worstverkopers die goede zaken deden, ging de koers van start. Heel Keulen had er zin in, wilde zien hoe hun Peter de Fransman Guignard het leven zuur ging maken. Spektakel kwam er. Door een klapband kwam de motor van gangmaker Gus Lawson ten val.  Peter Günther vloog er rakelings langs.  Lawson en de aanstormende Richard Scheuerman hadden dat mazzeltje niet. Gezamenlijk kwamen ze aan hun eind.
Peter Günther voor militaire dienst afgekeurd, stierf uiteindelijk tóch op het veld van eer. Op 6 oktober 1918, tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf, verongelukte de Keulse rolrijder. Bij een aanval op concurrent Wiszmann stopte de motor van Günther plotseling. Met een schedelbreuk werd Peter Günther naar het ziekenhuis gebracht waar hij dezelfde nacht overleed. Günther werd 36 jaar.

Foto 1: Peter Gunther, 22 jaar.

Foto 2: ‘Op foto’s zie je een somber, angstig kijkende man die zich vertwijfeld lijkt af te vragen waar hij in Godsnaam mee bezig is’.

Foto 3: Keulen 1 oktober 1905, de Herfstprijs. Links, Rossini, Dubois, Gunther, de later doodgevallen Louis Darragon en Bruno Salzmann.

Foto 4: Grote Prijs van Keulen, 7 september 1913. Vlak voor de fatale race met wereldkampioen Guignard op de foto.  Links Peter Gunther, Richard Scheuermann, een half uur laterdood, Guignard en Stellbrink.

Stayerende fatalist mét IJzeren Kruis eerste klas

Veertien jaar wist hij uit de knokige klauwen van de Dood te blijven. Dat waren jaren dat hij honderden keren  een blik aan gene zijde wierp, waarbij de adrenaline door zijn lijf gierde. Maar nu was het genoeg geweest. Zijn geluk was op. Op 24 augustus 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, vielen traag de laatste korrels van het leven van Bruno Demke door de zandloper van Magere Hein.

Gevaarlijk? Niet voor hem! Wat kon hem nou de Dood schelen. Bruno Demke was daar niet zo bang meer voor. Bij honderden koersen had de Berlijner aan de roulettetafel van Magere Hein gezeten met als inzet zijn leven. Tientallen zware valpartijen werden overleefd. Hij stond aan de vers gedolven graven van zijn kameraden én stadgenoten Alfred Gornemann, en Karl Käser, jongens nog, gesneuveld in het stayersgeweld. Bruno Demke, een stayerende fatalist met eelt op zijn ziel. Het was de poen, de glorie en de lekkere meiden die daarop af kwamen, maar ook de adrenalinekick die hem steeds maar weer zijn plaatsje achter de Brennabor-motor deed innemen.
Bruno Demke, geboren in het Berlijn van 1880, maakte na een korte carrière op de weg in 1903 zijn opwachting als stayer. Zijn debuut was sensationeel. Demke, gegangmaakt door zijn vriend Paul Dunkel, won achtereenvolgens in Kopenhagen,  Dortmund, Hannover, Keulen, Hamburg en Maagdenburg. Hoog genoteerde koersen waarbij  vedetten als een  Robl, Dickentman en Contenet door Bruno werden vernederd.  Dat de Berlijner ook nog eens meer dan vierenhalfduizend goudmark op zijn bankrekening kon bijschrijven was lekker meegenomen. Met Demke op de affiches haalden  baandirecteuren spektakel in huis, zoals bij de Grote Prijs van Berlijn op 19 oktober 1906.
Het was de laatste grote stayerskoers van het jaar en tienduizenden Berlijners waaronder de Duitse kroonprins  waren naar de uitverkochte Treptowerbaan gekomen om getuigen te zijn hoe hun immens populaire stadsgenoot Bruno nog één keer ging vlammen. Het vuur kwam inderdaad uit het beton. In gewonnen positie met nog één ronde te gaan, kreeg de motor van Dunkel een klapband. Gangmaker en renner stuiterden over de baan. De zwaargewonde Dunkel, wiens leven aan een draadje hing, werd met paard en wagen ijlings afgevoerd naar het Krankenhaus. Demke kwam er met flinke vleeswonden vanaf.
Na die bijna doodsmakkert leek het wel of de man behept met pech was. Tijdens de Grote Prijs van Maagdenburg én het Gouden Wiel van Steglitz, met negentig in het uur, kreeg de Berlijner een klapband met een zware kukel als bonus. Ondanks de malheur die aan zijn kont geplakt leek, behoorde  Bruno Demke tot aan de Eerste Wereldoorlog tot de sterkste rolrijders ter wereld.
Vanaf 1906 tot 1914 reed hij zesentachtig keer een ereronde waarbij hij zachtjes de sound van een rinkelende kassa hoorde veroorzaakt door tweehonderdduizend goudmark.
Demke, een man in bonus, kon zich materieel van alles veroorloven, maar voelde zich zonder spanning toch niet senang. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moet de Berlijnse rolrijder ongetwijfeld een sprongetje van blijdschap gemaakt hebben. Als één van de eersten meldde Bruno zich als piloot bij de Fliegertruppe des Kaiserreich. Voor een adrenalinejunk als Demke die als stayer tientallen collega’s óf invalide dan wel dood zag vallen, moet het vliegen een genoegelijke bezigheid zijn geweest.
In zijn dubbeldeks Fokker mét mitrailleur, ging Demke, boven het Westfront, helemaal los, en werd hij binnen korte tijd met het IJzeren Kruis tweede klas en de Oostenrijkse Tapferkeitsmedaille onderscheiden. Zijn toekomstige plaatsje in het Walhalla werd veiliggesteld met het IJzeren Kruis eerste klas verkregen door met zijn in brand geschoten vliegtuig meer dan veertig kilometer over de Engelse linies te vliegen.
Als zwaargewonde oorlogsheld werd Demke naar de heimat getransporteerd. Hersteld maar mét afkickverschijnselen snakte Bruno Demke naar zijn dagelijkse adrenalineshot verkregen door spanning en sensatie: en die kreeg hij.
Op 24 augustus 1916 steeg van het vliegveld van Döberitz, in de buurt van Berlijn, een rode dubbeldeks Fokker op. Tien minuten later, hoog in de lucht, stokte de motor. Vliegtuig en piloot sloegen even later te pletter. Bruno Demke, de man bij wie de pechduivel op schoot zat, vervoegde zich niet veel later bij zijn gesneuvelde kameraden.

Foto 1:  1904, Met wapperende snor achter de  Brennarbormotor, mét windscherm en zonder helm. Op de motor Paul Dunkel die na zijn ongeluk nooit meer op een gangmaakmotor gesignaleerd werd.

Foto2 : Goldener Rad von Steglitz 1908. Van links naar rechts, Robl, Guignard, Ivan Goor, Piet Dickentman en Bruno Demke.

Foto 3: Oorlogsheld Bruno Demke.

Foto 4:  De Zehlendorfer Osterpreis 1911. Fritz Theile, boven, passeert Demke. Een paar ronde later klapte Fritz’ voorband. Fritz, 26 jaar, brak zijn nek.

Foto 4:  Na, van zijn oorlogsverwondingen hersteld te zijn begon Demke weer te stayeren.  De Grote Prijs van Hannover, 13 augustus 1916. Van links naar rechts Demke, Schipke, Thomas en Saldow. Het is de allerlaatste  foto van Bruno Demke. Elf dagen later verongelukte de Berlijner.

Foto 5: De onthulling van Demke’s  grafsteen.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Posted in Stayeren. Tags: . 1 Comment »

De profeet die nooit erkenning kreeg

Alhoewel nooit wereldkampioen geweest was hij één van de allersterkste stayers die dit land ooit had. Won in 1927 zesenvijftig grote internationale koersen. Heeft twintig jaar achter de motor gereden, verdiende bakken met geld maar scheerde ook regelmatig langs de afgrond van de dood. Anno nu is hij volkomen vergeten. Frans Leddy de stayerende profeet die in eigen land nooit geëerd werd.

Hard zijn. Alleen maar aan jezelf denken. En letterlijk voor niemand opzij gaan. Dat was het leidmotief van Frans Leddy. Nóóit vergat hij zijn begin periode! Het stond in zijn geheugen gebrand dat hij met zijn petje in de ene hand en vijf gulden in de ander op de Rijswijkse wielerbaan had moeten bedelen of hij, op zijn oude, aftandse materiaal, mocht trainen achter de motor.
Uit dié vernedering putte hij zijn latere hardheid, en egoïsme. In de beginjaren twintig  was het als beginnende stayer vrijwel onmogelijk om er ‘tussen’ te komen.  De gevestigde orde zat nou niet bepaald op dat piepeltje uit Den Haag te wachten. Mannen als Koos Storm, Schlebaum, Snoek, Blekemolen en Piet Dickentman, waren de renners die uit de ruif aten.
Van de baandirecties hoefde Leddy ook niet veel te verwachten. Die Leddy moest zich maar eerst in de kleinere koersjes bewijzen: wat hij ook deed. Na veel gelobby en gezeur kreeg de Haagse rolrijder in 1923 een contractje los in Parijs wat bijna zijn laatste optreden op dit ondermaanse werd.
Gereden werd achter de zogenaamde ‘petroleumtanden’ een loodzware motor bemand door twee man die op volle snelheid  ten val kwamen. Met gillende sirene werd Leddy, zwaar gewond, afgevoerd naar het ziekenhuis, waar artsen direct zijn been wilde amputeren. Door zich hier heftig te verzetten wist Leddy zijn been én  zijn stayerscarriere te redden.
Frustraties, weten dat je het kan maar niet erkend worden, dát is de beste dope voor een aankomende renner. Nog harder werd er getraind, nog meer werd er ontzegd. En bij het nationale kampioenschap van 1925 was de doorbraak.
Het was zo’n kampioenschap dat alleen maar in jongensboeken voortkomt. Na vijftig kilometer pech krijgen, voordat een nieuwe motor in de baan kwam vijf ronden achterstand die Haagse Fransje nét voor de finale goed maakt. Enfin, publiek op de banken en baandirecties met wapperende contracten.
Frans Leddy een simpele rolrijder uit Den Haag wist verdomd goed dat, als het pap regent, je je bordje buiten dient te zetten. En die pap viel met bakken uit de hemel in Duitsland. In de stayersgekke heimat met zijn vijfenveertig wielerbanen, jaarlijks honderden koersen, vijftig topstayers, onderging Leddy, tijdens de Grote Prijs van Hannover, zijn vuurdoop die hij met een overwinning afsloot.
Voor het grote publiek kreeg  Leddy’s naam een magische klank na een valpartij tijdens de Grote Prijs van Munster. Niets gebroken maar totaal ontveld werd Frans door het Deutsche Rote Kreuz in verband gewikkeld. Om zijn komende contracten te redde startte hij opnieuw in de inmiddels stilgelegde race om die, als een rijdende ‘verbanddoos’ vervolgens met vier ronden voorsprong te winnen.
Voor Leddy, 28 jaar, was de oogsttijd aangebroken. Achter gangmaker Ceuremans reed hij  over een periode van zes jaar, in Duitsland, gemiddeld drie keer in de week een koers van honderd kilometer.  In 1927 publiceerde het Duitse tijdschrift Radwelt een lijst van zeventig renners waarin  Leddy met zevenenvijftig overwinningen boven aan stond.
Wereldkampioenschappen waren voor Leddy steevast kommer en kwel.  Altijd was er pech zoals het WK van 1927 waarin hij, in de series, met één ronde voorsprong de latere wereldkampioen Linart klopte. Tijdens de finale na vijfenzeventig kilometer met uitzicht op winst ontplofte twee bougies van Ceuremans motor. Hoe sterk Leddy was bewees hij in de revanchekoersen. In één week won hij vier van dergelijke koersen.
Leddy, nationaal kampioen van 1929 en ’34, na zijn carierre financieel onafhankelijk,  overleed in 1966 op vijfenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: de Grote Prijs van Dresden 1927. Van links naar rechts, de latere winnaar Leddy, Parisot, de, een paar weken later dodelijke verongelukte Ernst Feja, Saldow, Erxleben, de ‘oude’Piet Dickentman, en Lewanow.

Foto 2: Parijs 1923. Frans Leddy, nog onwetend wat voor iets verschrikkelijks hem te wachten stond, achter de ‘petroleumtandem’  in de aanval.

Foto 3: Leipzig 1927. De latere winnaar Leddy, rechts,  valt Moller en Rosellen aan.

Foto 4: Leddy was één van de eerste sporthelden die zijn naam verbond aan de commercie.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

D’n IJzeren in een helse kermis

Reglementen? Hoe bedoel je? Het enige reglement dat bestond was dat alles toegestaan was. Voor de Eerste Wereldoorlog was stayeren wildwest op de wielerbaan, anarchie achter de motor. Gangmakers bouwden motoren zoals het hun uitkwam. Ook de renners mochten graag aan hun karretje knutselen: vaak met fatale afloop.

D’n IJzeren werd hij genoemd, om maar even aan te geven dat Thuur Vanderstuyft allesbehalve een mietje was. Voor dat zijn eerste baardharen er goed en wel door kwamen had Thuur al meegevochten in de frontlinies van Bordeaux-Parijs, werd tweede in Parijs-Roubaix, won drieënvijftig kermiskoersen, en voor een fistful dollars stond hij op de deelnemerslijst  van de six van New York, wat stond voor zes dagen én nachten wildwest op de wielerbaan.
Je gezondheid op het spel zette dat is één, maar daar moet financieel wél wat tegenover staan: wat dus niet het geval was. En het was alléén voor de poen die er te verdienen viel dat Vanderstuyft in 1905 de overstap naar het fietsen achter zware motoren maakte.
Stayerskoersen van voor de Eerste Wereldoorlog, het moet de kermis in de hel geweest zijn, waarbij het bloed rijkelijk over de wielerbanen stroomde. Thuur, de Vlaamse kasseienstoemper, schrok zich het lazerus van de snelheden die gehaald werden. Er werd enorm hard gereden. Te hard eigenlijk. Er waren meer dan  veertig topstayers actief, die koersen reden met een gemiddelde snelheid van tegen, én over  de honderd kilometer waarbij niet iedere stayer op basis van atletische gave de motor kon bijhouden.
D’n IJzeren, die, achter Jan Olieslagers, inmiddels de Grote Prijs van Leipzig gewonnen had, kwam er snel achter dat er twee soorten kampioenen bestonden: mét  én zonder klasse. De laatsten waren volgens hem ‘draaiers’, mannen met ongelofelijke souplesse die in de zuiging van de motor alles konden. Maar zodra er wind op kwam zetten of de baan was te zwaar, dan gaf de klasse, de ausdauer, de doorslag. Als jongens als een Vanderstuyft, Dickentman, Robl, Guignard en andere échte’ kampioenen op de weg gingen trainen dan bleven de ‘draaiers’ thuis want ze werden gelost als postduiven. Om met een granietharde Flandrien als Vanderstuyft de weg op gaan dat moet geen pretje zijn geweest, maar dat terzijde…
Voor optimale zuiging waren ‘draaiers’ bereid héél ver te gaan. Met afgrijzen verhaalt d’n Thuur dat ze fietsjes lieten bouwen waarbij de afstand van de as van het voorwiel tot de bracket slechts veertig centimeter was. Om dat te realiseren was de schuine buis van het balhoofd naar de trapas krom gebogen. De abri, oftewel de zuiging, was optimaal, de renner zat bijkans in de nek van de gangmaker te hijgen maar had wel één nadeel: omdat de pedaal naast het voorwiel kwam was er maar een paar centimeter stuurruimte. Als de motor een slingerbeweging maakte en de voet raakte het voorwiel was het over en uit…
Volgens Vanderstuyft was Willy Schmitter de ergste. Ach gut, de brave Willy, een jochie van net twintig jaar, afkomstig uit Mulheim aan de Rijn, drogist in opleiding, verruilde de hoestdrankjes en pillen voor de stayersfiets. In 1905, tijdens het Europees kampioenschap in Leipzig,  kwam Willy ten val en stierf ter plekke.

Ook gangmakers deden een griezelige duit in het zakje. Sommigen plaatsen het zadel tot achter de motor. Je hoeft geen Pieter van Vollenhove te zijn om te weten dat dat bloedjelink was.   Als de snelheid omhoog ging begon de motor te steigeren wat weer opgelost werd door blokken lood aan het stuur te hangen. Je moet er toch niet aandenken dat met honderd in het uur zo’n stuk lood losliet…
Thuur Vanderstuyft won tientallen grote stayerskoersen, verbrak wereldrecords en was in Vlaanderen ongekend populair. Maar roem is vergankelijk als de liefde van een hoer. Terwijl  de ‘mof’ tussen 1914 en 1918 Vlaanderen én heel België in een ijzeren greep hield, reed Thuur Vanderstuyft zijn koersen in Duitsland: wat hem aan het thuisfront niet in dank afgenomen werd. In 1923 begon d’n IJzeren corrosie te vertonen en was het gedaan met zijn rennersloopbaan. In 1956, op drieënzeventigjarige leeftijd vervoegde  Thuur Vanderstuyft zich bij Willy Schmitter en andere doodgevallen stayers.

Foto 1: De Grote Prijs van Breslau, 7 juni  1909. Met v.l.n.r. Karel Verbist, Thuur Vanderstuyft, Peter Gunther en Fritz Scheuermann. Tijdens het maken van de ‘kiek ‘ was Magere Hein niet ver weg. Twee weken later, tijdens een stayerskoers in Brussel, verongelukte Karel Verbist die maar 26 jaar werd. Met Peter Gunther en RichardScheuermann liep het niet veel beter af.  Tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden op 7 september 1913, was er een vreselijk ongeluk  waarbij niet alleen  Scheuermann het leven liet maar ook gangmaker Gust Lawson (foto onder). Peter Gunther tenslotte, viel, op 6 oktober 1918,  dood tijdens de Grote Herfstprijs van Dusseldorp. Peter werd 36 jaar.


Foto 2: D’n IJzeren in volle glorie.

Foto 3: Wereldkampioenschap 1908 gehouden in Steglitz. Links Bedell, gevolgd door Vanderstuyft, Stellbrink, en Ryser.

Foto 4 Links Vanderstuyft met Kareltje Verbist.

Foto 5:  Willy Schmitter achter gangmaker Charles Pequa met wie het ook niet goed afliep. Tijdens de ‘300 Kronen von Spandau’ op 7 juni 1907,was Fransman Pequa gangmaker van Paul Guignard toen zijn voorband sprong. Charles werd naast zijn eerder gestorven vrouw begraven. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Voor de ‘echte’liefhebber: lees ‘Flirt met de Dood’: zie elders op deze blog.

Oprapen van lijken bij kampioenschap stayeren


Nou mag je vader dan twee keer wereldkampioen stayeren zijn geweest, en dan mag je ook nog eens op zijn fiets rijden maar dat wil niet zeggen dat je dan een schriftelijke bevestiging krijgt dat je Europees kampioen wordt. Beroepsrenner Matthé Pronk kwam daar pijnlijk achter.
Afgelopen weekend vond in Alkmaar het Europees kampioenschap stayeren plaats waarvoor genoemde Pronk torenhoog favoriet was. Achttien renners afkomstig uit zeven landen moesten zich via series zien te plaatsen voor de finale op zondagmiddag.
Alles wat het fietsen achter motoren zo aantrekkelijk maakt gebeurde in de Kaasstad, tot een valpartij aan toe. Het laatste kwam op conto van de Engelse gangmaker Graham Brislow die, vrijdagavond,  even iets te lang omkeek, de balustrade raakte en omlaag stortte. Met een gekneusde duim kon de onfortuinlijke Brit, de inmiddels opnieuw gestarte race vervolgen.  Pronk, links, een redelijke goede wegrenner,  was dus de grote favoriet, maar kwam s erachter dat stayeren iets anders is dan de Grote Prijs Zottegem: exit voor Pronk die de finale niet haalde.
Door malafide praktijken van de gangmakers was het bijna over en uit met de stayerssport want op sterven na dood. Er werd teveel van het ‘briefie’ gereden wat stond voor een geregisseerde uitslag. Zo’n vijftien jaar geleden besloot de UCI er de bezem door te halen. De meest corrupte gangmakers hebben daar hun conclusie uit getrokken en zijn óf gestopt of gepensioneerd. En wat er nu op de motor zit kijkt wel uit: althans dat was de indruk bij de finale. Er werd ‘rechtuit’ gekoerst. Volgens sommigen een beetje domme manier van rijden maar voor publiek aantrekkelijk. Renners die erin vlogen, zich zelf opbliezen, maar ook combinaties die het spel slim speelde.
Zoals Willem Fack met zijn poulain Patrick Kos (foto boven). Terwijl alles en iedereen zich de pletter liep op koploper Bob Stöpler was Fack/Kos bezig met het ‘oprapen van lijken’. Heel even leek het erop dat Kos, die op een veel te grote fiets reed, de koppositie ging pakken. Uiteindelijk was het tweevoudig Europees kampioen de Zwitser Giuseppe Atzeni, rechts, die  de winst pakte. Zilver was voor Kos en brons voor Bob Stöpler.
Met de aankoop, alweer enige jaren geleden, van de motoren van de failliete wielerbaan van Stuttgard, kan het sportpaleis van Alkmaar niet genoeg geprezen worden. Alleen héél jammer dat de wedstrijdleiding de rol achter de motor op 1.20 meter geplaatst heeft. Voor een fatsoenlijke stayerskoers té ver. Die rol moet dus minstens twintig centimeter  korter op de motor komen. Doen ‘Alkmaar’….!

Foto’s: bf-one

Walthour maakte bluf waar

Het was  één grote natuurlijke selectie, waarbij ‘fietsende bokken van de schapen’ werden gescheiden, en jongens transformeerden tot  kerels, want de Amerikaanse zesdaagsen, begin twintigste eeuw, waren berucht om hun hardheid.
Alles wat de grote wielergod verboden had, was er toegestaan. Renners die dat overleefd hadden, waren gehard voor de strijd, die maalden niet om een botbreukje meer of minder. Je kunt er gif op innemen dat in die koersen Bobby Walthour, afkomstig uit Atlanta, zijn hardheid had opgedaan. In de six van Boston, Nashville, Houston, Memphis en New York stond Walthour, die tijdens zijn carrière zeventien keer zijn sleutelbeen brak, op de deelnemerslijst.
Dat Walthour, met aan zijn zijde Munroe en McEachern, drie keer de zesdaagse van New York won was aardig voor de statistieken maar spekte niet Walthours  bankrekening. Terwijl Bobby met zijn collega’s op obscure wielerbaantjes hun kloten afdraaiden, verschenen, zo rond 1900, in Europa de eerste motorfietsen op de baan, waarmee stayeren een feit was.

Koersen achter motoren:  bloedlink, levensgevaarlijk, weggelegd voor fatalistische kerels,  maar wél lucratief. Renners vielen óf dood, óf werden miljonair.
Bobby Walthour nam dat eerste op de koop toe en stapte over naar het stayeren, werd in 1902 en 1903 nationaal kampioen en ving daarmee vijftigduizend dollar. Even ter vergelijking: bij het Amerikaanse profhonkbal verdiende de beste pitcher ruim vierduizend dollar…
Bobby Walthour, lang, blond, kon je niet betichten van valse bescheidenheid. Na zijn Amerikaanse titels riep hij tegen iedereen die het horen wilde dat hij ‘
the best of the world’ was. In 1904 vertrok hij naar het ‘oude continent’.
In Parijs was zijn Europese debuut. In een tweestrijd tegen lokale favoriet Paul Dangla moest hij het nog afleggen, maar liet daarbij genoeg indruk na voor een rits contracten in Duitsland. In het ‘avondland’ met zijn meer dan veertig wielerbanen waar fietsen achter motoren wekelijks honderdduizenden toeschouwers trok, won de Yank vijf koersen waaronder de Grote Prijs van Europa in Friendenau. Tussendoor vernederde Bobby, in een match voor twee, de onklopbare Thaddy Robl, wat gebeurde in Dresden.

En in september maakte Bobby Walthour zijn bluf waar door in Londen wereldkampioen te worden. Een titel zonder enig glamour want door de platte bochten in de piste werd gereden met lichte motortjes. Een jaar later nam de inwoner van Atlanta wraak door in Antwerpen zijn titel te prolongeren. Op de Zurenborgbaan stonden tien stayers aan het vertrek. Gekoerst werd over honderd kilometer waarbij de rol slechts vijf centimeter achter de motor stond: lekker link maar wél spectaculair want de snelheden waren angstaanjagend hoog. Overigens: Piet Dickentman werd derde…
Met zijn wereldtitels schoot ook zijn prijs omhoog. Voor een lullig koersje vroeg en kreeg Walthour contracten van tussen de vijftienhonderd en tweeduizend gulden: een arbeider verdiende tien gulden per week… Iedereen wilde de vliegende Yank aan het werk zien. Ook in Holland waar de Amerikaan, in 1910 op de wielerbaan van Scheveningen, aan de start stond.
Tijdens één van die koersen vond een incident plaats. Piet van Nek kreeg tijdens de koers bonje met Walthour, stapte af en wilde zijn fiets gooien voor de aanstormende Walthour, wat verhinderd werd. Na afloop vond er tussen de Amsterdammer en Amerikaan een vuistgevecht plaats. Niet veel later vertrok Bobby Walthour terug naar de States om nooit meer terug te komen.

Op 5 augustus 1949 stierf Walthour in Boston. Bobby werd 71 jaar.

Foto 1: Keulen juni 1909: Parent achter gangmaker Lauthier passeert Walthour die gegangmaakt wordt door Gus Lawson die vier jaar later op dezelfde baan dodelijk verongelukte.

Foto 2: Parijs 19 mei 1909 de tweekamp Louis Darragon links tegen Bobby Walthour. Negen jaar na dato verongelukte Louis op dezelfde baan

Foto 3: Reclameposter voor de Zesdaagsen van New York. In het voorprogramma de tweekamp Parent, met rechts, Walthour. Op de voorgrond de Amerikaanse sprinter Frank Kramer.

Foto 4:  1904 De tweekamp Robl versus Walthour. Zes jaar later stortte Robl, in een zelf in elkaar geknutselde vliegtuigje, neer wat hij niet overleefde.

Foto 5: Scheveningen 28 juni 1909. Links Bruni, Jan van gent en Bobby Walthour.

Bronnen: Radwelt jaargangen 1904 tot 1910, Revue der Sporten jaargangen 1908 tot en met 1910.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

Het Pak…

Of ik even meekwam want iemand had iets voor mij. En dat ‘iets’ bevond zich in een halfduistere schuur, waar in een hoekje, als een hoopje cokes in elkaar gefrommeld, een zwart lederen, beschimmeld, en uitgeslagen motorpak lag!
Dat het niet de outfit van een gemiddelde motormuis was, was te herkennen aan dat ene woord op het pak: ‘Vredestein’! Een magisch woord in de stayerssport  van weleer, want sponsor van de banden! Een oud leren stayerspak dus, de werkkleding voor een gangmaker.
Raar, maar er doemden direct beelden op van mijn eigen armetierige stayerscarrière (foto: rechts
): fietsen achter zware motoren, dat blijft je levenlang bij. Bij het aanraken van het leer voelde ik weer adrenaline door de aderen kolken, veroorzaakt door  de angst die ik steevast had vlak voor het startschot.  Niet dat ik nou zo’n grote rolrijder was. Welnee, ik was maar programmavulling. Maar evengoed toch drie jaar achter die ijzingwekkende  motor gereden…
En dan de geur die uit dat motorpak opsteeg. Een ‘gewoon’ mens rook een onfrisse, penetrante kelderlucht. Maar dat zijn natuurlijk gewone stervelingen! Want wie ooit gestayerd had, ruikt de aroma van motorolie, verbrand rubber, een vleugje angst, de geur van elkaar ‘flikken’ en de stank van de combine…
En verdomd, hoorde ik in die schuur niet heel zachtjes de sound
van brullende motoren, het gegier van de meedraaiende rol, en de stem van stadionspeaker Wim van  Steenbergen, die zo mooi kon roepen ‘zware motoren in de baan’? Dat was ooit. Want het stayeren leidt nu een marginaal bestaan, kapot gemaakt door de malafide praktijken van de gangmakers….
Het beschimmelde, stinkende motorpak staat dan ook symbool voor de teloorgang van het stayeren…

Foto: Jan Onclin

De erfenis van Roetmop

Bijna was een groot stuk Amsterdamse sportgeschiedenis bij het grof vuil gezet. Twee overvolle dozen, afgeladen met krantenknipsels, tientallen unieke actiefoto’s, diploma’s en medailles vertegenwoordigde de complete carrière van John Schlebaum: ooit een topstayer tussen de twee wereldoorlogen in.
Na zijn overlijden in 1966 zwierf de verzameling door de familie en dan komt er een moment dat de vraag gesteld wordt wat ze met ‘die troep’ moeten. Gelukkig zijn er mensen met gevoel voor sporthistorie zoals Dorus Pronk, 27 jaar. Hoe hij aan zijn unieke verzameling kwam? Familiebezit! John Schlebaum was de oudoom van zijn moeder!
Schlebaum is nu weg gezakt in het collectieve sportgeheugen maar er was een tijd dat wekelijks de complete Jordaan de tribunes van het toenmalige Stadion bevolkte. En ze kwamen allemaal om Johnny, zoon van een schoorsteenveger uit de Lindendwarsstraat, achter de motor te zien rijden.
Stayer John Schlebaum was niet alleen de ongekroonde koning van zijn buurt, maar ook mateloos populair in binnen- én buitenland. Het was de tijd dat stayers de absolute vedetten van de wielersport waren.
Schlebaum was geen getalenteerde rolrijder wat weer goed gemaakt werd door zijn enorme vechtlust. Johnny gaf altijd waar voor zijn geld, vocht van start tot finish. De schoorsteenvegerzoon kende het woord ‘ho’ niet: wat stayers roepen naar de gangmaker als het te hard gaat. Zat vaak rondenlang los van de motor en knokte zich ook terug. Kreeg de bijnaam ‘roetmop’, naar de stiel van zijn vader en was vermoedelijk de eerste sporter die met een heuse yell werd bedeeld. Als Johnny, achter Jan Slesker, weer eens ter aanval trok brulde het hele stadion ‘hoeiii’
, de aloude schoorsteenvegerkreet. Werd vier keerkampioen van Nederland en evenveel keren kreeg hij in de Jordaan een heldenontvangst waarbij het pierement niet ontbrak.
Mocht na de koers graag een sigaar opsteken wat een groot sigarenfabrikant op het idee bracht om de Schlebaumsigaar op de markt te brengen. Opende na zijn carrière, hoe kan het ook anders, een sigarenzaak.
En nu is Johnny’s hele carrière belandt bij een achter-achterneef. Dorus Pronk, zelf actief wielrenner, koestert het familiebezit, liet Schlebaums kampioensdiploma inlijsten, en heeft zijn oud-ooms medailles eerbiedig op een fluwelen doekje gespreid. Speciaal voor Stuyfssportverhalen
werden de dozen geopend waaruit een stroom onvervalste Mokumse maar ook vaderlandse sportgeschiedenis tevoorschijn komt waarbij handgeschreven ansichtkaarten, verstuurd tijdens tournees aan zijn vrouw, niet ontbreken.
Dat was een heerlijk avondje ‘terug in de tijd’ met Pronk als reisgids waarbij hij verbijsterd opmerkte dat de vier kampioensshirts, zo’n tien jaar geleden, in de vuilnisbak waren verdwenen, omdat ze motgaten vertoonden….

Als jullie nog niet op mijn boek “Flirt met de Dood’gestemd hebben…tot 21 april is dat mogelijk! http://nicoscheepmakerbeker.nl/index.php?module=boeken&s=lijst#WIELRENNEN

 

Voor Thaddy Robl was de Dood een voorbijganger

Tot in de uithoeken van Europa was zijn populariteit ongelofelijk. Als hij aan de start stond  waren de tribunes afgeladen en voor zijn kleedkamer stonden massa’s volk geduldig te wachten om maar een glimp van hem op te vangen.  Keizers, prinsen en koningen wilde met hem op de foto.  Thaddeus Robl was een topstayer die met wapperende haren, zwarte kleding,  fietste achter een vuurrode motor als de duivel op de wielerbaan.  Drie keer wereldkampioen stayeren, houder van snelheidsrecords, hield van vrouwen, gokken, én gevaar. De dood was voor hem maar een voorbijganger. Precies honderd jaar geleden stierf  Robl.

Als de pijn té erg was en de verse wonden begonnen te schuren en te schrijnen, liep hij naar de woonkamer. Dan keek hij even in een vitrine waar twee aftandse en kapotte fietsschoentjes lagen alsof het kostbare kleinoden betrof. Steevast moest hij dan denken aan die ene dag in 1898 toen hij mee deed aan de monsterrace Bordeaux-Parijs.
De regen kwam toen met bakken uit de hemel en na tweehonderd kilometer koers over erbarmelijk slechte wegen, waren zijn schoenen zó doorweekt dat de punten van de pedalen door de zolen heen in zijn voeten prikten. Thaddeus Robl leed helse pijnen maar koerste door en kwam als derde aan in Parijs.
Rock ’n roll
Die dag was zijn grote leerschool, daar leerde hij wat pijn was, wat afzien betekende. Ervaringen die hem later van pas kwamen. Thaddeus Robl geboren in het München van 1876 had twee jaar eerder zijn debuut als stayer gemaakt, een lugubere, levensgevaarlijke, maar lucratieve sport waar veel geld en roem mee te verdienen viel, maar  waar de dood of blijvende  invaliditeit nooit ver weg waren.  Hoewel geen mens van het woord gehoord had was Robl rock ’n’  roll op de wielerbanen. Met zijn wapperende zwarte haar, bruine kop en ijlend achter een vuurrode motor, liet hij menig meisje op de tribune smelten. In tien jaar tijd werd hij drie keer wereldkampioen won tientallen grote stayerskoersen en verdiende daar ruim driehonderdduizend Goudmark mee. Over zijn rijkdom behoefde niemand jaloers te zijn, want er is geen renner zó vaak en zó hard achter de motor gevallen als de Münchener.
Medaillon
Angst voor valpartijen noch de dood konden hem deren. Vlak voor de start van een race, als de motoren brullend door het stadion reden, betastte Robl even het medaillon met de beeltenis van de Heilige Maagd dat aan zijn nek hing. Voor de diepgelovige Beier kon de race dan een aanvang nemen. Robl nam de kracht van dat medaillon uiterst serieus.
Tijdens een race ontdekte hij tot zijn ontsteltenis, dat hij dat amulet in de kleedkamer had laten liggen. Ondanks protesten van zijn gangmaker Brettschneider stapte hij af, rende naar de kleedkamer, deed hem om, en hervatte de koers om die nog te winnen.
Ondanks zijn vertrouwen in God en de Heilige Maagd brak Thaddy, zoals hij liefkozende werd genoemd, zeven keer zijn sleutelbeen,  twee keer zijn enkel en zat regelmatig met zware hoofdwonden op de fiets.
Fatalistische leefstijl
Om honderden keren je leven op het spel te zetten dan verandert er iets in je geest. Robl, gekleed naar de toenmalige laatste mode,  hield er dan ook een vrij fatalistische leefstijl op na.  Zo mocht hij, tussen het fietsen door, graag aan autoraces meedoen, waarin hij diverse zware crashes overleefde. Door de vele contracten, voornamelijk in Duitsland, was Robl maanden lang van huis. In zijn Opel, in gezelschap van manager Kühbander, reed hij van wielerbaan naar wielerbaan.
Om naast een adrenalinejunk in een auto te zitten, was geen pretje. Voor Kühbander moeten die autoritten dan ook een helse ervaring zijn geweest. Ook in het toenmalige verkeer ging Robl ‘los’.  Op weg naar de Grote Prijs van Dresden 1907 gebeurde het onvermijdelijke. De stayerskampioen vloog met zijn Opel de bocht uit waarbij zijn manager een schedelbreuk opliep. Thaddeus zelf mankeerde niets.
Broertjes Wright
Het Berlijnse uitgaansleven was voor hem geen onbekende. Regelmatig zakte hij door en aan vrouwen geen gebrek. Erger was zijn goklust waar hij grote sommen geld mee verspeelde. De erudiete Robl, die meerdere talen waaronder Deens en Russisch vloeiend sprak, had het in 1909 wel gezien.  Fietsen achter de motor kon hem niet meer die adrenalinekick bezorgen  waar hij dagelijks naar snakte.
Gelukkig voor hem kozen de broertjes Wright in 1903, in een zelf geknutseld vliegtuigje, voor de eerste keer het luchtruim. In het spoor van de Wrights volgden tientallen waaghalzen. Terwijl met angstige regelmaat de wrakkige tweedekkertjes als aangeschoten ganzen op de grond te pletter vielen, koos Thaddeus Robl (foto rechts) óók voor het bloedlinke vliegen. Hoewel geen snars verstand van vliegtuigen besloot de gewezen fietskampioen een eigen toestel te ontwikkelen, wat het begin was van zijn financiële neergang.  Uiteindelijk ging zijn hele kapitaal, maar ook het kapitaaltje die hij voor zijn oude moeder had gereserveerd, op aan zijn nieuwe hobby.
Levensgevaarlijke combinatie
De eerste beginselen van het aviateurschap kreeg hij van de toenmalige topvlieger Frey. Na een paar lessen verklaarde Robl tegen de pers dat vliegen ‘heel gemakkelijk was en dat elke dappere man dat zou kunnen leren.’ Dapperheid én zelfoverschatting is en blijft  een levensgevaarlijke combinatie.
In de morgen van 18 juni stopte op het vliegveldje van Stettin een gloednieuwe auto, enige dagen daarvoor door Robl  aangeschaft.  Kwiek stapte de eigenaar uit, zoog zijn longen vol en gaf een aanwezige mecanicien de opdracht om een foto van hem zelf, mét een door hem geschreven tekst, (foto links) op de post te gooien.
Thaddeus Robl was er klaar voor, het zwerk lachte hem toe. Bij het aanzicht van de proestende, ploffende en hoestende tweedekker, voelde hij weer dat lekkere gevoel dat de haarwortels op zijn hoofd deed knetteren en de adrenaline door zijn aderen liet kolken. Hij dacht aan vroegere races, zag weer de brede rug van gangmaker Bretschneider voor zich, hoorde het publiek massaal zijn naam juichen. Scherend langs de randen van het leven, dát was voor hem een manier van leven.
Rechterhand verkrampt
Nog even een nonchalante armzwaai naar het grondpersoneel, de stofbril op, de pet stevig aangedrukt en de gashendel naar voren. Na een korte aanloop steeg de Farman-tweedekker met Duitsland’s eerste sportheld op. Een vlucht die een ‘enkele reis naar de hemel’ zou zijn.
Of de kracht van het Mariamedaillon uitgewerkt was of dat Vrouwe Fortuna het nu wel welletjes vond, is nóóit te achterhalen wél dat na een kwartiertje een doffe klap te horen viel. Thaddeus Robl was met zijn vliegtuig neergestort. Toen het lijk van Robl uit het wrak gehaald werd zat het medaillon mét ketting in zijn rechterhand verkrampt.
Robls hemelgang werd door de pers groots gebracht. Berlijnse kranten wisten te vermelden dat na zijn ongeluk een onbekende vrouw, zijn grote liefde, zich onmiddellijk naar het Berlijnse Stettin haastte en alle kosten van de begrafenis en vervoer naar München voor haar rekening nam. Wetende dat ze niet de liquide middelen had, beleende ze daarvoor al haar sieraden. Vier dagen later, op het Alten Südfriedhof in Munchen werd, Thaddeus Robl begraven.
Op de lokale Münchener wielerbaan werd twee maanden later de Robl Memoriam gehouden, een groot wielergala waarvan de opbrengt voor zijn armlastige moeder was.

Bronnen: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1910,