Maffia

Veertien februari Valentijnsdag, dag  waar de  echte liefhebber van het macabere, begrijpend staan te knikken. Speciaal de maffia uit Chicago. In opdracht van Al Capone werd op Valentijnsdag 1929,  tijdens één actie zeven man tegelijk geliquideerd. Kom daar anno nu eens om. Valentijnsdag, óók de dag dat de goddelijke, kale klimgeit, Marco Pantani aan zijn laatste klim begon: richting hemel. Valentijnsdag, dag vol onheil, ook voor Jake La Motta, die op de dag van de liefde, op het randje van het sterfelijke balanceerde. De scherprechter van dienst? Sugar Ray Robinson!

Veertien februari 1951, het gevecht om de wereldtitel halfzwaargewicht, gehouden in het Chicago Stadium, gevuld met dertienduizend bezoekers. Uitdager Sugar Ray, versus Jake La Motta. De laatste,  vier jaar in bezit van de wereldtitel, en werd twee keer uitgedaagd, door respectievelijk Tiberio Mitri en Laurent Dauthille. Beiden werden met koppijn wakker.

Robinson, die de eerste negen ronden afwachtend bokste, kwam in de tiende op stoom. Jake La Motta, kreeg een lawine aan dodelijke slagen te verwerken. Ieder normaal mens had gaan liggen. Niet La Motta, die bleef overeind. Een bloedbad nam een aanvang. Goddank voor Jake én zijn familie, greep in de dertiende ronde, de scheids in. Een ingreep waarmee hij La Motta’s leven mee redde.

La Motta, een bokser die aan álle vooroordelen, én clichés  voldeed. De man van Italiaanse komaf, kwam niet alleen uit de New Yorkse Bronx, maar had ook connecties met de maffia. Ergens in 1947 was het de onbekende Billy Fox, die La Motta in de vierde ronde neerhaalde. De New Yorkse bokscommissie, ook niet gek, vermoedde fraude en hield niet alleen het prijzengeld van La Motta in, maar schorste hem ook.  Later gaf La Motta toe, dat hij op verzoek van de gokmaffia met opzet had verloren. Ach wat maakt dat ook uit. Met een beetje fantasie behoort dat tot de romantiek van het boksen, waar de dingen nooit zijn, zoals ze zijn.  

Jake La Motta, kerel met een granieten kop en een betonnen gestel, stierf op vijfennegentig jarige leeftijd. En nee, Jake sloot niet zijn ogen op Valentijnsdag. Wat voor dit stukje wel zó jammer is.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1951, Boxrec.

Boom

Duursporters, per definitie onverwoestbare bedtijgers. Bedrijven de liefde tot er stoom uit het matras komt. En de meisjes, niet gek, wéten dat. Daar hoef je echt niet met balsporters,  sprinters, polsstokhoogspringers, laat staan pingpongers, aan te komen. Dat soort sporters kloppen de pijp leeg, voordat de verpakking van het condoom de grond bereikt. In  de eeuwige ranglijst van begeerde duursporters, nam Hugo Koblet een ereplaats in. Hugo had bij de vrouwen een zekere reputatie op te houden. Zeker bij de rondemissen.

Hugo Koblet, wielrenner, lange afgetrainde benen, slanke lenden, én een mooie kop. Een groot wielerkampioen, waar veel over gepubliceerd is. Koblet, afkomstig uit Zürich, als een James Dean op de koersfiets. In 1950 won Hugo de ronde van Italië, en een jaar later die van Frankrijk. Feiten die behoren tot de algemene wielerkennis. Hugo Koblet, man van de kleine versnelling. Een coureur waar de souplesse van afdroop.

Zoals tijdgenoot Gé Peters het in één zin samenvatte: ‘Niemand kon hárder fietsen dan Koblet’. Waarmee Peters de elfde etappe van de Tour 1951 mee bedoelde. Een etappe waarin een kopgroep was ontsnapt, met daarin de Zwitser, tevens favoriet voor de eindzege. Er werd enorm hard gereden om deze groep terug te pakken. Uiteindelijk gebeurde dat; op één renner na, Koblet. Hoewel het peloton een hels tempo ontwikkelde, bleef hij voorop. Met drie minuten kwam de Zwitser over de eindstreep.

Dat was in 1951, toen Hugo, zesentwintig jaar oud, éénenzeventig kilo schoon aan de haak, zijn ereronde reed in het Parc des Princes. Zes jaar later was het verval ingetreden. Koblet, zoon van een banketbakker,  woog drieëntachtig kilo. De flyer, verworden tot een ordinaire hardrijder. Wat aan zijn uitsagen terug te lezen valt.

In 1957 bleef zijn erelijst blank. Koblet koerste niet meer op de weg. Ook mooie jongens, treffen óóit een leeg bed. Getrouwd met famp Sonja Bühl, eindigde zijn huwelijk met een knal. Legendarische lovers als een Koblet, behoren te sterven in drama. Hugo’s vertrek vanaf dit tranendal ging in stijl. Twee november 1964, op een doodstille, kaarsrechte weg, en scheurend in zijn Alfa Romeo, knalde de Zwitser tegen een boom. Hugo Koblet werd nog geen veertig.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1957, WielerExpress, jaargang 1991.

Oren

Uiteindelijk was het een gevecht teveel. Een partij waar hij in z’n verdere leven met chagrijn op terug keek. Waarom hij met z’n eenendertig jaar zo nodig weer die ring in moest, met het risico, de neuroloog een hand te geven? Had ongetwijfeld met eer en geld te maken: vooral dat láátste. Twaalf lange, slopende jaren waren het, wat staat voor honderdnegen gewonnen partijen, en zestien verloren. Wat dat aan opofferingen, pijn, zweet en bloed vergde, daar moeten wij maar niet aan denken. Een erelijst, waarvoor een gemiddelde profbokser  bereid is, om daar een vinger voor te laten amputeren. Prachtige cijfers om met bokspensioen te gaan. Maar dan staat er weer zo’n louche manager te zwaaien, met een vet contract. Dit keer voor een partij ergens in Montreal, Canada.

‘Jongen, je kan het nog. Die rechtse van jou daar zit nog steeds geen roest op!’ Met dit soort flikflooierijen werd,  Steve Belloise ongetwijfeld de gym ingeluld. Had hij dat maar niet gedaan. Want tegenstander, ene Laurent Dauthuille, een jonge Franse vechtjas stond te trappelen, om die ouwe Steve z’n oren van zijn kop te slaan. Wat ook gebeurde. De eerste ronde was nog geen dertig seconden jong of Steve, afkomstig uit de New Yorkse Bronx, werd met een verwoestende hoek neer gehaald. Dat hij opstond onderstreept ‘s man ijzeren conditie, weliswaar met koppijn, maar tóch.

.

Ach jongen, had toch blijven liggen, dat had je een hoop sores gescheeld. Steve, z’n konterfeitsel afgebeeld op Amerikaanse kauwgomplaatjes, ging door. En kreeg vervolgens een afstraffing, die zeven rondes duurde. Met zijn overwinning dacht  Dauthuille, – een Parijzenaar met de bijnaam de Tarzan van Buzenval, – dat hij een aanstormende locomotief kon tegen houden. Misschien was dat ook zo, maar niet Jake LaMotta. Niet veel later stond de Tarzan van Buzenval, tegen over Jake. Inzet, de wereldtitel bij het middengewicht, gehouden in het Olympia Stadium in Detroit, en live uitgezonden op de Franse staatsradio.

Veertien ronden lang hing LaMotta  in de touwen. De man had geen schijn van kans. Tót de laatste dertien seconden, van de láátste ronde. Waarin de overmoedige Laurent zijn verdediging voor héél even liet zakken. Meer had de sluwe LaMotta niet nodig. In Frankrijk stopte de klokken. In de wijngaarden, vielen spontaan de druiven van de stokken. Met een linkse hoek werd Frankrijks hoop in bange boksdagen, tegen het canvas geslagen. Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille, zijn laatste partij. Zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

En Steve Belloise? De man ging hemelen op zesenzestig jarige leeftijd. Waarbij gezegd, dat hij zijn kist in ging, compleet met beide oren. Dat dan weer wel…

Bron: Miroir des Sprints jaargang 1950, Boxrec.

Prefect

Een oekaze. Uitgevaardigd, door het hoofdbureau van de Parijse politie. Het werd de hoofdcommissaris namelijk té gortig. Toeschouwers waren hun leven niet meer zeker. Tijdens lokale stayerskoersen, vloog er iets té vaak een motor de bocht uit. Om stuiterend tussen het opeen gepakte publiek terecht te  komen. Volgens de commissaris waren de snelheden té hoog. Het verbod gold voor de Parijse wielerbanen waar stayers, gegangmaakt door zware motoren, angstaanjagende snelheden haalden. Een zwaar ongeluk op de Buffalowielerbaan, waar zo’n motor uit de bocht vloog, liet op de burelen van het hoofdcommissariaat de stoppen door slaan: (zie het verhaal ‘Bij elkaar geveegd’, elders op deze blog).

Stayerskoersen verbieden durfde de Parijse prefect niet. Daarvoor was de sport té populair, en de Franse stayers volkshelden. Een tussenoplossing werd gevonden. Om de snelheden te verlagen werd de meedraaiende rol – vrijwel achter de motor, –  op bevel, twintig centimeter van het achterwiel geplaatst. Wat om des keizers baard was, want de snelheid bleef té hoog, en  de stayerssport bloedlink.

Ook tijdens de ‘Honderd van Parijs’, gehouden eind oktober 1906. Aan het vertrek de Amerikanen Bobby Walthour, Hugh McLean en de Franse favoriet én wereldkampioen Louis Darragon (zie, foto). Dat Darragon de koers won, vóór McLean en Walthour, zal die commissaris een rotzorg zijn geweest. Ongetwijfeld leunde de man tevreden achterover, dat de koers veilig was verlopen. Waar Hugh McLean en Louis Darragon geen boodschap aan had. Voor hen stond het lot tóch vast.

Op vier september 1909, trainend op de wielerbaan van Boston, met een snelheid van negentig kilometer komt McLean ten val, en sterft ter plekke. Hugh werd 26 jaar. Ook die arme Louis Darragon, ontsnapte niet aan de Zeis. Op vijfendertig jarige leeftijd, na een succesvolle stayerscarrière van meer dan twaalf jaar, staat Louis aan de start van een stayerskoers gehouden in het Velodrome d’ Hiver. Halfweg koers breekt zijn pedaal. Louis Darragon’s uitvaart, werd door duizenden Parijzenaren bijgewoond.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1906, Album des Radwelt jaargangen 1909, en 1918.

Standbeeld

Kleine kapelletjes, uitgestrooid over het vlakke Vlaamse land. Hangplek, waar de heilige Maagd om bescherming wordt gevraagd, en waar een gelovige  mee aan de slag kan. Tussen de vlasakkers staan nogal wat van deze roomse vehikels. Ach wat maakt dat uit, een Mariabeeld meer of minder. Helemaal niet in een streek, waar de koers nooit ver weg is. Per slot van rekening is wielrennen een roomse sport.

Een klimaat waarin een beetje coureur, snel de status van een heilige krijgt. De daden van zo’n renner wordt in de lokale staminee verheerlijkt. Als de drank in de man is, wordt met een pint schuimend bier, op zo’n kerel getoost. ‘Awel, op d’n Jef, opdat hij een standbeeld krijgt’. Goudgele rakkers klotsen tegen elkaar.  Zó moet dat gegaan zijn in de lokale kroeg van Otegem, waar Jef Planckaert z’n domicilie had.

En terecht! Jef Planckaert had niet voor niks, zijn Vlaamse ballen jarenlang geschroeid, op dat smalle harde koerszadeltje. Waarmee hij zijn hondstrouwe supporters, mee in hogere sferen bracht. Jef, wielericoon van de jaren vijftig. Held van de kermiskoers, dokkerend over de kasseien, als een Vlaams symbool van een stoemper. Een archaïsche Vlaamse prof, afkomstig uit West-Vlaanderen. Won koersen als een Omloop van het Volk, Kuurne-Brussel-Kuurne, de Vierdaagse van Duinkerken, werd Belgisch kampioen en niet te vergeten winnaar van Luik, Bastenaken-Luik én Parijs-Nice. Jef won etappes in de Tour de France, de rondes van Luxemburg, Zwitserland en Duitsland. Reed zeven dagen in de gele trui, en werd in de Tour van 1962 tweede achter Anquetil.  

D’n Jef, meer dan elf jaar actief als beroepsrenner. Won zevenenvijftig koersen, en reed voor inmiddels legendarische ploegen als een Wiel’s Flandria en Solo-Superia. In 1965 hing Jef de koersfiets definitief aan de haak. En dan zijn we waar we moeten zijn. Het is 2007, als Jef Planckaert na een slopende ziekte, van dit ondermaanse vertrekt. Twee jaar later werd in het centrum van Otegem een standbeeld van Jef Planckaert onthuld. Vlaanderen heeft zijn helden lief.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1958.

Kruishoogte

Dát waren pas tijden! Een dwerg als mascotte bij een bokswedstrijd: kom daar nu  eens om.  En het wordt nóg gekker. Had je na een slopend gevecht de Europerse titel gewonnen, wordt je door één of andere smeris, aan je arm weg gevoerd.  Alsof je zojuist een oud vrouwtje had neergerost. Wat die politieman daar nou eigenlijk deed? God zal het weten.

Enfin de jaren vijftig,  Fijne tijden voor een Europees titelgevecht. Het volk, nog naar adem happend van de oorlog, kon je met alles tevreden houden. Ook in het Parijse  Palais des Sports, in januari 1957 waar Cherif Hamia om de vacante Europese titel in het vedergewicht vocht. Tegenstander, de Vlaamse vechtjas Jean Sneyers, die de eer van Vlaanderen hoog hield. Het publiek kreeg waar voor hun zuur verdiende franken. Vijftien ronden lang duurde het gevecht, waarbij de inmiddels door Sneyers zwaar  gehavende Hamia, nipt op punten won.

Na de gebruikelijke hysterische toestanden in de ring, staat er iets opmerkelijks te gebeuren. Hamia wordt het sportpaleis uitgeleid door ondermeer een gendarme, –  uiterlijk: een look a like van inspector Clouseau. Het oogt als het circus van Jeroen Bosch. Vóór de verse Europese kampioen uitlopend, trippelt die dwerg, ene Jimmie Karaoubi. En die laatste moeten we vooral niet onderschatten. Een paar jaar later stond Jimmie op een filmset als acteur, in de film Pierrot le Fou. Tegenspeelster Anna Karina. Jimmie, op kruishoogte van die bloedmooie Anna Karina, ónvergetelijke beelden. Waarbij we vooral niet moeten denken aan de kreet, ‘kleine mannen, hebben grote jannen’.

We dwalen af. Want amper zes maanden later stond Cherif Hamia, in dat zelfde Palais des Sports, in de ring voor een gevecht om de wereldtitel bij de vedergewichten. Tegenstander de Nigeriaan Hogan Bassey, die in de tweede ronde neerging. Bassey, taai als een hondenvel, bleef de rest van de partij staan. Sterker, in de tiende ronde sloeg hij Hamias knock out. En dat allemaal in 1957, het jaar van Hamia, Jimmie Karaoubi, en Hogan Bassey, namen weg gezakt in de loopgraven van de bokssport.

Bron: Sport et Vie jaargang 1957.

Landweggetje

God zegene Tullio Campagnolo, de uitvinder van het versnellingsapparaat.  Waarmee afscheid genomen werd van dat rare, vaste versnellinkje, waar coureurs tot diep in de jaren veertig mee koersten.  Lang leve het ‘buitenblad,’ en laat de ‘dertien’ maar schroeien. Chauvinisme en nationalisme, kun je een Italiaan niet ontzeggen, en gelijk hebben ze. Na de komst van het eerste experimentele ‘apparaat’, – schakelen via de achtervork – koerste daar alleen Italiaanse renners mee.

Ook tijdens de Tour de France 1949. Waar ondanks de innovatie van Tullio Campagnolo,  Fiorenzo Magni, malheur aan  zijn versnelling had: de ketting liep van het voorblad. En nog wel, op zo’n door de wielergoden verlaten, eenzaam landweggetje. Geen hond te ontdekken, laat staan een mecanicien. Fiorenzo mocht zelf depanneren, waarbij ze hem in Toscane hoorde vloeken, want zo zijn die Latijnse coureurs ook wel weer. 

Of  echt niemand getuige was van Magni’s ellende? Ja, die ene fotograaf, én twee kleine jochies. Voor de laatste, een niet te missen kans. Nóóit waren ze zó dicht bij een wielerheld. Ze mochten Magni’s fiets vasthouden, alsof de geluksfee het zo bedoeld had. Voor zo’n jongen een goddelijk moment. Als simpel Frans jochie kun je niet hoger komen.

En schrijver dezes kan dat bevestigen. Want was het niet op die ene woensdagmiddag, ergens halverwege de jaren vijftig? Toen hij in de Amsterdamse Korte Koningsstraat, héél even de koersfiets van Hein van Breenen mocht vasthouden? Hein, z’n banden oppompend, profrenner en deel uit makende van de legendarische Tourploeg onder leiding van de illustere Kees Pellenaars.  

De koersfiets van Hein, een lichtblauw karretje van het merk Nieuwenhoff, gebouwd in een piepklein framebouwerijtje ergens in de Jordaan. Ach waar blijft de tijd. Nieuwenhoff bestaat al lang niet meer, evenals al die andere Amsterdamse  racefietsenateliers, waar je de romantiek van de muren kon schrapen. Hein, en Magni zijn allang niet meer onder ons. En die twee jochies?  Die hadden ongetwijfeld hun leven lang, tot vervelens toe, de kinderen en kleinkinderen lastig gevallen, met dat ene avontuur op dat kleine, door de wielergoden verlaten landweggetje.

Hooiberg

Een baksteen op z’n voet. Want dieper kon het gaspedaal niet ingedrukt worden. Wie kon Giosuè Giuppone eigenlijk tegen houden? Niemand! Zelfs zijn eigen moeder niet. Giosuè deed gewoon waar hij zin in had, want Giosuè was niet helemaal goed snik. In zijn monsterlijke Peugeotbolide, scheurend over de Franse landweggetjes. Piepende banden in de bochten. Adrenaline kolkend, door z’n Italiaanse lijf. Op de passagiersstoel de mecanicien, ene Albert Ledunois , trillend in z’n tuig. Giosuè had er zin in, zoveel was wel duidelijk.  Twee dagen later stond hij namelijk aan de start van de Coupe de l’ Auto, een autorace gehouden in de buurt van Boulogne. Maar eerst het parkoers verkennen, waar het helemaal fout ging.   

Giuppone, pionier, wegbereider én voorbeeld voor de latere adrenalinejunk. Het kon de man niet link genoeg zijn. Begon als  stayer achter zware motoren. Waarvoor hij atletisch te kort kwam. Op die levensgevaarlijke wielerbanen, waar de Dood regelmatig mee fietste, beleefde hij evengoed zijn fijne momenten. Wat er in die jongen z’n hoofd omging? Voor latere psychologen, was Giuppone ongetwijfeld voer geweest. De laatste waren in 1910, in geen velden of wegen te bekennen. Enfin, geef een klein kind een doosje lucifers, en zet deze in een hooiberg… Met Giosuè ging het dan ook mis. De prelude hiervoor, vond plaats nadat hij de motorfiets had ontdekt.

In 1909 scheurde de voormalige stayer op een Griffonmotor, binnen een half uurtje tegen de toen al bloedlinke Mont Ventoux op. Voor Giosuè klein bier. In 1910 vond hij zich zelf opeens terug op de startlijst van  de Coupe de l’ Auto, een als levensgevaarlijk bekend staande autorace,  gehouden over de landweggetjes ten zuiden van Boulogne, waar Giosuè, twee dagen vóór de race over heen scheurde. Boeren, argeloze voorbijgangers, loslopend vee en dieren in het wild handig ontwijkend, doemen daar opeens twee wielrenners op. Om een aanrijding te voorkomen, stuurde de Italiaanse autocoureur scherp naar rechts, en raakte daarbij een betonnen rand.

En nu volgt pure horror, door een journalist van het sportblad  La Vie au Grand Air in 1910 opgeschreven: ‘Giuppone, uit de auto gesmakt, komt tien meter verder op de weg terecht. Waarbij zijn gezicht onherkenbaar was, de schedel gebroken en overal bloed’.  Het lijk van Giosuè Giuppone werd een dag na de race, onder begeleiding van duizenden mensen, naar het station van Boulogne vervoerd voor een ‘enkeltje’ richting Italië. Giosuè werd 31 jaar.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1909, en 1910,

‘Ook gij Brutus’

Pervitin, die ouwerwetse boerenjongensdope, die de haarwortels in je kop deden knetteren en de bakkes liet schuimen. Pervitin een methylamfetamine, tijdens de jaren dertig in Duitsland op de markt gebracht. Speciaal ontwikkeld voor de Wehrmacht, die daarmee, ‘onder stoom’, van Berlijn naar Moskou marcheerden. En terug. En aan de huisvrouw was ook gedacht. Speciaal voor mutti was er bij de lokale chocolaterie, een bonbons gevuld met een scheutje Pervitin, verkrijgbaar. Het stofzuigen was nooit zó fijn, als toen. Maar dit stukje gaat over de koers. Speciaal de profkoers van eind jaren veertig. Toen de oorlogsvoorraden Pervitin, zijn weg vond naar het peloton.  Of beter gezegd naar de soigneurs, die daar wel raad mee wisten.

Soigneurs uit de naoorlogse koers, met een reputatie waarbij een middeleeuwse alchemist  begrijpend stond te knikken.  Als handlangers van Merlijn de Tovenaar, wisten deze met hun preparaten van een halve, een hele renner te maken. Vraag niet hoe, maar toch… Dat de Italiaanse renner Fiorenzo Magni dope nodig had, was onwaarschijnlijk. De man had genoeg klasse. ‘Ook Gij Brutus’,  om maar even de juiste Latijnse terminologie te gebruiken. Want ook Magni stond na de koers te schuimbekken, alsof hij een stuk zeep had verorberd.  

Even vertellen over Fiorenzo Magni, een strijder bij uitstek, die als één van de weinige Italiaanse coureurs regelmatig naar Vlaanderen trok, om daar zijn duels uit te vechten. De man, bijgenaamd Il Luppo oftewel ‘de wolf’, won in 1949, en de twee daarop volgende edities, de Ronde van Vlaanderen, mét voorsprong. Tijdens de Tour van 1949 stond de wolf ook op scherp. Zeker in de tiende  etappe San Sebastiaan-Pau, over een paar helse Pyreneeëntoppen, waar Fiorenzo  toesloeg.

Dan volgt de huldiging. Die  Magni, schuimbekkend en hongerig loerend in de decolleté van de rondemiss, over zich heen liet gaan. Waarbij de rondemiss hoogstwaarschijnlijk, Fiorenzo niet goed aangekeken had. Hoe dat meisje Magni had gekust, daar moeten wij maar niet aan denken.

Bron: ‘Drugs in het Derde Rijk’, van Norman Ohler, Momenti Fotografici del Tour 1949, uitgegeven door La Gazzetta dello Sport, jaargang 1949.

Dnjepr

Werner Spannagel, na zijn winst op de Argentijn Tvillo, tijdens de Spelen van 1932.

Sportroem, is net zo vluchtig als de geur van goedkope parfum. Gok daarom nóóit, op de gedoodverfde favoriet. Breng dan liever je geld naar de kroeg. Of besteedt het aan een leuke meid. Dan heb je ten miste iéts. De gokkers die hun geld tijdens de Olympische Spelen van 1932, op Werner Spannagel hadden gezet, vloekte de pannen van het dak: daarover straks meer.

Werner Spannagel, een onbekende Duitse bokser. Versloeg een maand vóór de Spelen in Chicago,  de onverslaanbare geachte Johnny Baltser, die een jaar later de prestigieuze Golden Gloves won. De  lokale gokmaffia moet met Werner niet  blij zijn geweest. Werner Spannagel, vlieggewichtkampioen van Duitsland, werd meteen dé favoriet voor het goud van de Spelen, gehouden in Los Angeles. Een scenario dat niet uit kwam.

Het Duitse vlieggewichtje werd in het Olympisch toernooi  tijdens de kwartfinales, verrassend er uit geslagen door de latere bronzenmedaillewinnaar Lou Salica. Dat de laatste in 1940 wereldkampioen werd in het bantamgewicht, is ter kennisgeving.

Werner Spannagel, – waarvan na zijn Olympisch debacle weinig over terug te vinden valt – beantwoordde totaal niet aan hét geschetste beeld van de superieure, boomlange Germaanse strijder, ontsproten uit de rassenwaanzinnige koker, van zijn Führer. Ondanks Spannagels kleine gestalte, werd hij tóch goed genoeg bevonden voor de Wehrmacht.

In het najaar van 1943, tijdens de Slag om de Dnjepr, sneuvelde de voormalige vlieggewicht. Werner Spannagel tweeëndertig jaar, werd begraven in een ‘kameradengraf’. Dan is er ook nog zijn vroegere tegenstander Lou Salica. Die had meer geluk. Lou sloot op negentigjarige leeftijd, definitief zijn ogen.

Bron onder meer: Olympia 1932, uitgegeven door de ‘cigarettenfabrik Reemtsma’ in 1932. Het gemeentearchief van Barmen-Wupperthal, en de Duitse Oorlogsgravenstichting.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: