Wapperende rokken in het mulle zand

De ‘roerige jaren 20’. De bevrijdingsperiode voor de vrouw waarin opeens alles kon. Taboes werden doorbroken, en mannenbastions bestormd. Meiden ontdekten de racefiets. Het dameswielrennen kwam op gang. Er werd volop gekoerst. Niet alleen op de weg en baan maar ook in het veld. Stoere grieten in koersbroek, mét alpinopet in de blubber. En de goegemeente nam het serieus. Maar dat was wél in België en Frankrijk. 
In het zwaar verzuilde Nederland kwamen de vrouwen en bekaaider vanaf. Fatsoenlijke juffers zaten niet op een racefiets. Die gingen wandelen met de AJC of anders met de Christelijke Jongeren Vereniging: zolang het maar niet op een zondag was. Jo met de banjo, dat soort werk. Vrijgevochten, wilde meiden hadden daar geen trek in. Konten werden tegen kribben gegooid. Gevestigde normen en waarde opzijgeschoven. Vrouwen wilden wat mannen ook deden. Zoals koersen. Leg dat maar eens aan die fossielen van de toenmalige wielerbond uit.  Die verbood dameswielrennen in competitie. Vrouwen op een racefiets waren zwaar verdacht. Werden nagewezen. Boven hun hoofd zweefde een  tekstballontje met de tekst ‘manwijf!’  Daarom hulde aan die vrouwen die zich daar niks van aan trokken.
Zoals dat dappere tiental op die ene meizondag in 1926.
Terwijl heel het land ter kerke ging of anders naar partijbijeenkomsten, stond op de boulevard van Scheveningen ter hoogte van de Alkmaarschestraat een ploegje meisjes te wachten. En dan niet op de bus maar op het startschot voor de ‘ Tweede Grote Veldrit van Scheveningen’. Het massaal opgekomen publiek was natuurlijk gekomen voor de mannenkoers met  honderdtwintig profs en amateurs.  Het bijprogramma voor veteranen en als noviteit een wedstrijd voor dames, werd voor lief genomen. Ze moesten eens weten! Het was een historisch moment, want zo’n beetje de eerste georganiseerde veldrit voor dames. Weliswaar op gewone fietsen, maar toch.
Tussen de lokale rensters ook mejuffrouw Buijs uit Halfweg. Samen met haar broer, amateur-renner en later aan de start, op de fiets vanuit de Haarlemmermeer naar Scheveningen gekomen. Op calvinistische, zwarte oerdegelijke tweewielers met wapperende rokken en schurend op keiharde zadels, werd een loodzwaar, veertien kilometer lang parkoers afgelegd. Duinen en trappen werden beklommen en tegen de storm in over het strand terug. Finish op de boulevard ter hoogte van de pier.  Winnares werd mejuffrouw Van Alphen afkomstig uit Den Haag. Meisje Buijs werd tweede. De Halfwegse bleek een echte liefhebster te zijn. Na eerst jarenlang op bestuursniveau actief te zijn geweest bij wielerclub De Bataaf,  reed ze tot op zeer hoge leeftijd toertochten.

Foto 1: Strandrace Scheveningen 1926. Foto 2 en 3: Frankrijk 1925 waar veldrijden voor meiden heel gewoon was.

Bron: Sport in Beeld jaargang 1926. Dagblad Het Vaderland jaargang 1926. Les Miroir des Sports jaargang 1925. Jan Zomer.

‘Pittig snorrend vliegen den karretjes voorbij’.

Fietsen in ’s werelds grootste wildwest-saloon, want de Zesdaagse van New York, editie 1905, en gehouden in het Madison Square Garden. Verbijstering! Een cultuurschok! In zijn meest woeste dromen had hij dit niet kunnen bedenken. Leo Lauwer, de aartsvader van de Nederlandse sportjournalistiek was er bij. En vergat het zijn leven lang niet meer.  

Pat Powers wist feilloos wat Newyorkers fijn vonden. Maar ook hoe zijn portemonnee kon vullen. Geef de Yankee een mix van show en rauwe topsport en je zit geramd. Hoe? Door wielrenners zes dagen en nachten te laten koersen tot ze letterlijk van hun karretje tuimelden. En als het te saai werd, was organisator Powers niet te beroerd om met grote geldpremies de renners op te jutten. Bij de prehistorische zesdaagse was het goed toeven. Toeschouwers werden namelijk niet alleen vermaakt met sport.  Er was ook nog het spannende ‘buitengebeuren’. Vechtpartijen op de tribunes. Rekeningen die nog open stonden werden ingelost. Zo beslechten twee Newyorkse boksers hun vete met het pistool. En de koers ging gewoon door.
Ook op de wielerbaan gebeurden vreselijke dingen. Daar was zo’n beetje alles toegestaan wat de wielergod verboden had. En Leo, die saaie, puriteinse, calvinistische Nederlander, Leo’s  maag draaide daar van om. ‘Een vuile boel. Zoo ontzaglijk bestiaal. Dat dronken publiek dat altijd naar harder en harder snakt, dat als een troep wilde beesten brult. Happig op een ongeluk’, pende de brave borst in zijn notitieblokje. Leo’s toorn daalde ook neer op de hoofdrolspelers. ‘En dan de slechte elementen onder de renners, kerels die zich laten vallen, de concurrentie in levensgevaar brengen alleen om maar niet gelapt te worden en dat alleen maar om de money. Zijn dit nog menschen?’ vroeg hij zich vertwijfeld af.
Leo´s morele oordeel lapte Powers hoogstwaarschijnlijk aan zijn reet. Als er maar reuring in zijn tent was. En dat was er ook. Er werd gevreten, gezopen, gerookt en gelonkt. Op het middenterrein knetterden de phonografen, speelde een man op een rammelpiano, en blies een brassband zich de longtoppen in de keel. Het publiek voelde zich niet bekocht. Vele bleven dag en nacht onafgebroken hangen. Dan hoefden ze de entree maar één keer te betalen. Op de laatste dag werden ze met behulp van politie en brandslang het Madison Square Garden uitgeranseld. Powers was wel goed maar niet gek. De kaartjes voor de finaledag waren dubbel geprijsd, alleen te betalen door de elite.
Er werd ook nog gekoerst, of in Leo’s woorden ‘Pittig snorrend vliegen  den karretjes voorbij’.  Powers mocht dan wel een showman zijn, hij wist ook dat er vedetten aan de start moesten staan. Het rennersveld van lokale fietsende cowboys werd aangevuld met de Europese top, waaronder Amsterdammer John Stol.
Wie de chef van de ´blauwe trein´  ­- de renner die het verloop van de koers regelt ­- was, is onduidelijk. Maar de man was een vakman. Terwijl er in zes dagen én nachten meer dan 4404 kilometer werd afgelegd, met een gemiddelde snelheid van eenendertig kilometer, werd de Six van New York anno 1905  beslist in een sprint: gehouden in de allerlaatste ronde. Iedereen tevreden. Helemaal Pat Powers. Na aftrek van alle kosten hield hij aan zijn woeste Zesdaagse hondervijfentwintigduizend dollar over.

Foto 1: Er werd gevreten, gezopen, gerookt en gelonkt. Foto 2: John Stol in zijn rustcabine. Foto 3: Pat Powers.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1908.

‘Daar zullen de vegetariërs van opkijken’

Donderdag 22 januari 1942! Vanuit het getto van Lodz, Polen, vertrekt een transport met zevenhonderd joden richting vernietingskamp Chelmno. Vijftig bommenwerpers van de RAF bombarderen de Duitse stad Munster. De hele stad staat in lichterlaaie. Duitse troepen waaronder de Nederlandse ss-divisie Westland beschieten voor de honderdzevenendertigste dag Leningrad.  Op de Atlantische Oceaan schuiven matrozen van de U-66 hun torpedo’s in de lanceerinrichting. Even later ontploft de Panamese tanker Olympic. Vijfendertig opvarenden krijgen een zeemansgraf.
Terwijl de hele wereld in de hens staat, hebben ze in Friesland wel iets anders te doen. De achtste Elfstedentocht staat op punt van beginnen! In heel bezet Nederland geldt een strikt verduisteringsbevel. Overtreding wordt door de lokale SD hard en meedogenloos aangepakt.  In it heitelan  hebben ze daar maling aan, daar gelden andere geboden: die van de Heilige Schaats. De ruim vijfduizend deelnemers die ’s morgens om zes uur in het donker zijn gestart, zoeken met behulp van een zaklantaarn over het ijs van de Zwette, de weg naar Sneek. Waarmee ze aan een ramp ontsnapt zijn. Geallieerde jachtvliegers, niet te beroerd om op alles te knallen, waren boven Friesland niet te bekennen.
‘Elfstedenkoorts’ is van alle tijden. Ook tijdens de oorlog. Heel Friesland en tot diep in Holland werd via een telefoondienst langs het parkoers, op de hoogte gehouden van de wedstrijd. Onder de duizenden toerrijders ook vierentwintig arbeiders van de Nederlandse Seintoestellenfabriek. Hand- en spandiensten verlenend voor de bezetter werd er toch tijd vrijgemaakt.   Ook veertien agenten van de Amsterdamse politie bonden hun doorlopers onder. Het ijs is zwart, glad en sneeuwvrij. Er staat weinig wind. De snelheid is hoog. De kopgroep komend vanaf  IJlst, slaat op het pikdonkere traject, bij de viersprong links af. Fout! Kilometers verder beseffen ze hun blunder. Sietse de Groot een slagersknecht uit Weidum en bekend met de streek, rijdt wel de goede kant op. Sietse sleept in zijn kielzog drie geluksvogels mee.
Gestempeld wordt er bij de herbergen en kroegen langs het parkoers. Ook in café De Zwaan in Hindeloopen. Volgens het gedenkboekje uitgegeven door schaatsfabrikant Nooitgedagt  wordt er door Sietse en zijn vluchtmakkers geen aanval gedaan op ‘den heete melk, de geurende ranja en de lekkere koek’, verkrijgbaar in De Zwaan. ‘Die heerlijkheden zijn voor de nakomers…!’ De rest is schaatsgeschiedenis. Sietse rekende in de eindsprint genadeloos af met Dirk de Jong en Jan van der Bij.
Wat Sietse van zijn overwinning overhield?  Een telegram van de slagersvakbond met de hilarische tekst ‘Daar zullen de vegetariërs van opkijken.’ Een zilveren overwinningsbeker maar ook een boek de Mysterieuze krachten in de sport geschreven door Joris van der Berg. En ach, hoogstwaarschijnlijk kon Sietse dat geen ene reet schelen. De man was goed doordrongen dat zijn naam in Friesland voor altijd rond zal zingen. Eeuwige roem is onbetaalbaar.
Dat was dus donderdag 22 januari 1942.

Foto 1: de start van de achtste Elfstedentocht. Foto 2: Alpinopet, oorverwarmers én Friese doorlopers. Foto 3: De finish van Sietse de Groot.

Bron: ‘De Elfstedentocht 1942’, uitgegeven door schaatsfabrikant Nooitgedagt in 1942, de ‘wonderlijke database van John Brouwer de Koning..

Fietsende Lijk gaf iedereen nakijken

Zestien jaar profwielrenner én maar dertien overwinningen. Een mislukte carrière? Nee. Met twee Tour-etappes én winst in de allerzwaarste klassieker is je naam gebeiteld op de eeuwige uitslagenlijsten. Helaas voor Paul Chocque nam hij ook plaats op een ander lijstje: die van dood gevallen renners.

De man moet een ongezond uiterlijk hebben gehad. Niet gehinderd door ethische mores noemde het Franse journaille hem dan ook ‘het fietsende lijk’. Beetje gelijk hadden ze wel. Foto’s bekijkend zie je een coureur met een pisgele, uitgemergelde kop. Paul Chocque mocht dan ogen als een tbc-lijder maar in dat schonkige lijfje school een grote motor. Hoewel…vier jaar prof met maar drie overwinningen deden het ergste vrezen. Rijdend in een lullig ploegje met als beloning  een fiets, broek en shirt stond het lijk overal aan de start. Er moesten franken verdiend worden, anders lagen de muizen dood in de broodtrommel.
Chocque wist dat hij meer kon dan alleen maar criteriums rijden. Waar kon je dat beter laten zien dan in Bordeaux-Parijs: dé uitputtingsslag bij uitstek over meer dan vijfhonderd kilometer. Jarenlang had  Paul bij de organisatie van B-P gezeurd of hij mee mocht doen. Al was het maar voor één keer. De organisatie zag hem aankomen. Ze keken wel mooi uit. Of die Chocque soms suïcidale trekjes had.  Pauls ongezonde uiterlijk én mager erelijstje gaven  natuurlijk de doorslag. Uiteindelijk kwam zijn woeste droom uit. Maar daarvoor was dan wel een nieuwe sponsor nodig.
Drie weken voor de start van B-P, editie 1936, vernam  Paul dat hij op de  deelnemerslijst stond. Tijd voor extra lange duurtrainingen was er niet.  Met maar drie trainingen  achter de motor van gangmaker Paillard vertrok het fietsende lijk voor wat later zijn eeuwige roem zou worden. Chocque mocht dan weinig getraind hebben, maar was wél goed geprepareerd. Want frustratie, gebrek aan erkenning, én een minderwaardigheidscomplex, daar kan geen doping tegen op. Paillard wiens motor, rijdend, vanuit een volgauto met een rubberen slang werd bijgetankt, hield  de naald van de snelheidsteller constant op vijftig. Achter de rug van zijn gangmaker ijlde de magere eenzaam en alleen richting Parijs.
Sportdrankjes, energierepen, en voedingsgels, waar de hedendaagse sporter niet zonder kan, blijkt dus gewoon flauwekul te zijn. Al trappende duwde Paul een kotelet, een portie  macaroni, een omelet, gekookt fruit, rijstepap, geklopte eierdooiers in suikerwater en een bakje ragout achterover. Voor een sportman is het altijd aardig om voor eigen volk op te treden. Ook voor Paul Chocque. De doorkomst in zijn geboortestad met straten vol juichende buurtgenoten moet tot zijn dood in het geheugen gegrift zijn.
In een kolkend Parc des Princes voor de ogen van zijn complete familie, kwam Paul Choque als winnaar over de streep. Dertien jaar later, op de plek van zijn grootste roem vertrok Paul naar zijn Schepper.  Na nog twee etappes in de Tour de France gewonnen te hebben is het dan vier september 1949: Chocques laatste dag op dit ondermaanse. Tijdens een stayerskoers in Parijs, op dezelfde baan waar hij dertien jaar eerder eeuwige roem vergaarde, verongelukte Paul Chocque. Het ‘fietsende lijk’ werd 39 jaar.

Foto 1 en 2. Chocque in Bordeaux-Parijs. Foto 3: Chocque na zijn val in Parijs. Niet veel later stierf hij. 

In het spoor van Olaf Bjaaland

Het was één van de laatste grote ontdekkingsreizen. De  eerste tocht naar de Zuidpool werd  volbracht door Noorse avonturiers. Mannen van Noors graniet met Vikingsbloed in de aderen. Taai als de huid van hun trekhonden. Gisteren, veertien december, was het precies honderd jaar geleden dat Roald Amundsen, Helmer Hanssen, Sverre Hassel, Oscar Wisting én Olav Bjaaland óp ski’s mét temperaturen van min vijftig graden als eerste de Zuidpool wisten te halen.
Leider van de expeditie Amundsen wist precies wie hij in zijn team moest hebben. Als één van de eerste benaderde hij Olav Bjaaland. Olav, weliswaar timmerman van beroep, behoorde ook tot de Noorse top van het langlaufen. Won in 1902 de fameuze en nu nog gehouden Kings Cup in Holmenkollen. Nadat de timmerman het gewicht van de loodzware houten sleden met technische ingreep, meer dan zestig kilo had terug gebracht  vertrokken de Noorse avonturiers op 19 oktober 1911 van de Walvisbaai.
Het werd zo’n echte ontdekkingsreis waar jongensboeken patent op hebben compleet met bevroren lichaamsdelen. Met luguber detail dat onderweg de helft van de sleehonden geslacht werden om zelf de nodigen proteïntjes binnen te krijgen. Voor Olaf was de heldenrol weg gelegd. Bjaaland met zijn onverwoestbare conditie nam de expeditie op sleeptouw. Ver voor de sleehonden uit, mét Arctische sneeuwstormen tegen, trok de skikampioen een kaarsrecht spoor: de expeditie volgde. Binnen zesenvijftig dagen werd de Zuidpool als eerste bereikt.
Terug in Noorwegen was het voornamelijk Amundsen die eeuwige roem oogstte. Voor de overige expeditieleden wachtten de anonimiteit.  Bijna waren ze  vergeten. Bijna maar niet helemaal. Bij de Olympische Winterspelen van 1952, gehouden in Noorwegen, werd Olav Bjaaland uit de vergetelheid gerukt. Olaf, de laatste in leven zijnde van het vijftal bracht op ski’s  het Olympische vuur naar Oslo.
Olaf Bjaaland stierf in 1961 op achtentachtig jarige leeftijd.

Bron: Wikipedia. Foto 1: Olaf Bjaaland met de trekhonden, Foto 2: Olaf Bjaaland verricht de opening van de Spelen van ’52.

Met dank aan de wonderlijke database van John Brouwer de Koning.

Voor Charles geen gladiolen maar de dood

Dertien jaar profrenner en het afscheid kwam er aan. Zijn tijd zat erop. Inmiddels dertig jaar oud, wist hij verdomd goed dat van zijn carrière niemand wakker lag. Frustraties gierden door het lijf van Charles Brécy. Als stayer waren er dagen dat hij alles kon. Het publiek op de Parijse Vélodrome scandeerde dan massaal zijn naam. Helaas voor hem, net zo snel als de vorm kwam, verdween die ook. Bij Charles viel daar geen pijl op te trekken: wat aan zijn  bankrekening af te zien was. Was de concurrentie schathemelrijk geworden, Brécy had zijn zuurverdiende franken geïnvesteerd in een bescheiden bloemenzaak.
Op het moment dat de berusting bijna toesloeg, flikkerde het bijna gedoofde vlammetje van eerzucht op. Tijdens het bloemenbinten brak het kille zweet hem uit bij de gedachte dat hij in het collectieve sportgeheugen bijgezet werd als een duffe bloemist. Merde! De tulpen, rozen, lelies én die hele bloemenzaak konden lekker zijn rug op. Charles Brécy, ging zich nog één keer bewijzen. En hoe kan je dat beter doen dat door het werelduurrecord aan te vallen. Brécy ging in training.
Achter gangmaker Bertin werden lange dagen gemaakt. De vorm kwam er langzaam aan. De benen werden scherp, wangen vielen in en de ogen verzonken diep in de kassen. De bloemist was er klaar voor.
Dan is het veertien november 1904. Het Parijse wielerpubliek liet ‘hun’ Charley niet vallen. Het Vélodrome was uitverkocht. ‘Allé Charley, Charley,’, rolde het lekker galmend van de tribunes. Brécy, de oude krijger, voelde de adrenaline door zijn knokige lijf stromen. ‘Nom de dieu, ik zal ze een poepie laten ruiken’, schoot het door zijn hoofd.
Charley stapte op zijn karretje. Monsterde het publiek. Draaide de punten van zijn snor nog even op. De pet ging achterstevoren. Het startschot viel. Charles Brécy, bloemist uit Parijs, ging het werelduurrecord aan vallen. Na drie kwartier achter de brullende motor van Bertin geraasd te hebben stond de kilometerteller op 91 kilometer. Goed voor een nieuw wereldrecord.
Brécy voelde zich goed. Vuurde zijn gangmaker nog een keertje aan. ‘Nog maar een kwartiertje jongen, en je bent voor altijd beroemd’, dacht hij bij zich zelf toen hij dat vreemde geluid hoorde. Met een luide ‘krak’ brak de voorvork van de motor. Door de vallende motor werd Charley gelanceerd. Met een klap stuiterde de bloemenman tegen de balustrade. De wielerbaan kleurde net zo rood als Brécy’s rozen. Bewusteloos werd de recordman in spe met paard en wagen naar het hospitaal afgevoerd, waar hij elf dagen later de geest gaf. Charles Brécy, 31 jaar geworden, werd begraven op kerkhof van Montparnasse. Aan zijn graf stonden zijn gebroken weduwe én zijn drie kleine kinderen.

Bron: Radwelt jaargang 1905.

Foto’s: Charley Brécy, bloemist in Parijs.

Foto 2 en 3: Archief Theo Buiting

Onvergetelijk etentje met voormalig bougiekoning

Een leven dat klinkt als een smartlap. Zoon van een arme weduwe, een  wasvrouw die zich een slag in de rondte werkte. Na de lagere school gaat hij zijn mammie helpen. Op een zware transportfiets rijdt  hij de hele dag door Parijs om de vuile was op te halen. Dag in dag uit je uit de te naad trappen, daar kan geen trainingsschema tegen op. Vijf jaar later is het niet alleen 1895 maar is  Albert Champion  ook wielrenner. Als achttienjarig talentje komt hij onder de hoede van de Engelse trainer Choppy Warburton.
Choppy, voorbeeld  voor generaties soigneurs en sportartsen want de eerste wonderdokter in het wielrennen. Ver voor het begrip ‘doping’ wist Choppy de geheimen om zijn  renners op ‘scherp te zetten’. Om je als coureur door Choppy te laten verzorgen was een flinke dosis fatalisme voor nodig. Koersen op de heksendrankjes van Choppy, een mix van strychnine, cocaïne en laudanum, was bloedlink. Zijn jongens kwamen regelmatig schuimbekkend van de fiets, en één van zijn renners, Arthur Linton, wist het uiteindelijk niet na te vertellen. Warburton was niet alleen een kundig gifmenger maar ook een handig pr-man. Als in het voorjaar van 1896 zijn poulain Champion een contractje weet los te peuteren in Amsterdam, weet Choppy wel hoe je de tribunes vol krijgt. Met schreeuwende reclames geeft Warburton op van zijn Parijse ontdekking. In een koers achter levende gangmaking gehouden op de Willemsparkbaan, krijgt Albert Champion klop van lokale favoriet Cees Witteveen. Albert Champion, wijs geworden in de straten van Parijs, had het snel bekeken met de Britse ‘drogeur’ en ging zijn eigen weg.
Of Champion inmiddels achter de samenstelling van Choppy’s ‘drog’ was gekomen is een donkerbruin vermoeden want  in 1899 wint hij onverwachts Parijs-Roubaix : toen al een hoog genoteerde koers.  Voor Champion lagen de contracten voor het uitzoeken. Albert koos voor Amerika! In een tijdsbestek van vier jaar wint hij in the States meer dan zeventig koersen achter de motor. Champion inmiddels door een blessure wielrenner af, gaat de autohandel in en vindt een bougie uit die beter was als het gangbare. Dan gebeuren er zaken waar Hollywood patent op heeft. De voormalige winnaar van Parijs-Roubaix begint een bougiefabriek, met Ford als grootste afnemer, en is binnen een paar jaar dollarmiljonair. 
Albert verkoopt zijn nering, en gaat terug naar Parijs. De voormalige bougiefabrikant kon je van alles betichten maar niet dat hij een egoïst was. Voor behoeftige en voormalige strijdmakkers had hij, wat je nu noemt een sociaalplan, gemaakt.
Dat laatste moest als surprise tijdens een feestmaaltijd aan zijn vrienden verteld worden.   Een verrassing werd het. Terwijl de drank in de man is, de voormalige renners elkaar verwachtingsvol aan zaten te kijken, kreeg de gastheer last van zijn eigen bougie, gevolgd door een fatale hartverlamming. Albert Champion, man in bonus, werd negenenveertig jaar.

Foto 1: Albert Champion, foto 2: l.n.r. Arthur Linton, Choppy, Jimmy Michael en Tom Linton. Foto 3: De Amsterdamse Willemsparbaan, gelegen achter het Rijksmuseum anno 1898. Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1923. Les Sports Illustres jaargang 1930.

‘Wie redt het blanke ras…’?

Ga er maar aan staan! Heb je als zwarte bokser in het gesegregeerde Amerika alle  vernederingen doorstaan wordt je in het zogenaamde ‘verlichte’ Europa als een soort imbeciele rariteit behandelt. Joe Jeanette en Sam McVea de eerste lichting afro-amerikaanse pugilisten die begin twintigste eeuw de oceaan overstaken, hadden niet alleen eelt op hun knuisten maar ook op de ziel.
Op het oude continent, om precies te zijn in Parijs, viel voor Joe en Sam het grote geld te verdienen. Hun primeur vond plaats in maart 1909. Door discutabele beslissingen van de ringrechter verloor Jeanette zijn eerste Europese gevecht van McVea. Twee maanden later was er de grote revanche. In het Cirque de Paris, waar de partij plaatsvond, was geen plaats voor de ‘gewone’ man. De exorbitante toegangsprijzen konden alleen door de happy few worden opgehoest.
Het publiek, voornamelijk mannen in jacquet en smoking, waaronder baron de Rothschild, maar ook de massaal uitgerukte sportpers, konden de rest van hun leven zeggen dat ze er bij waren geweest. De partij Jeanette versus McVea ging namelijk de geschiedenisboeken in als de langste ooit. Negenenveertig lange en slopende rondes van drie minuten waren  McVea en Jeanette aan elkaar gewaagd. Door opgave van Sam McVea, want uitgeput, werd Jeanette winnaar.
 Joe Jeanette, vuistvechter afkomstig uit Hoboken, New Jersy, zoon van een smid, werd met zijn overwinning mateloos populair in Frankrijk. Een bedenkelijke roem. Dat Joe het startschot mocht geven voor een belangrijke en drukbezochte wielerkoers was fijn voor hem. Minder was dat hij aangekondigd werd met ‘den neger Jeanette’.
Ook de pers liet zich niet onbetuigd. Als het Franse journaille net zo over Jeanette schreef als de Nederlandse sportpers, dan moet het voor Joe een helse tijd zijn geweest. Leo Lauer, namens de Revue der Sporten aanwezig bij het ‘gevecht van de eeuw’, betitelde Mc Vea en Jeanette als ‘die zwartjes’. Voor Leo was het sowieso een schokkende avond. ‘Wij blanken betekenen niets meer. De beste pugilisten zijn negers.’ Tikte hij op zijn schrijfmachine, om zich vervolgens af te vragen: ‘Waar toch die blanke is, om den handschoen op te nemen om de eer van het blanke ras te redden.’
Arme Joe. De Europese pers moest eens weten. Drie jaar voor zijn Europese debuut was de zwaargewicht in het grote geheim getrouwd met zijn grote liefde Adelaide Atzinger: een blanke boerendochter. Nadat het geheim uitkwam, werd de familie Atzinger uit de witte gemeenschap verbannen. Na zijn afscheid van de ring, in 1918, ging Joe in zaken.
In  thuisstad Jersey City  begon de voormalige champ  een sportschool en een autoverhuurbedrijf. Jeanette werd in tegenstelling tot veel van zijn vroegere collega’s een succesvol zakenman. Na een gelukkig huwelijk van meer dan vijftig jaar stierf Joe thuis. Joe Jeanette die binnen én buiten de ring zijn hele leven lang tegen racisme vocht, werd 79 jaar.
En mocht Edgar Davids zich in de pers nog eens beklagen over vermeend racisme, laat hij dan even denken aan jongens zoals Joe Jeanette  en Sam McVea… Lees ook: http://stuyfssportverhalen.com/2009/11/22/joe-jeannette/ Bron: Revue der Sporten jaargang 1909, en 1914, de site van Sabrine Jeanette, Joe’s achternicht. 

‘Heb ik jou wel eens verteld…’?

Het was balanceren op de rand van een jeugdtrauma. Want steeds diezelfde vreselijke verhalen…!  God-nog-an-toe wat heb ik als jochie afgezien. Als een terugkerende vloedgolf kwam dat telkens over mij heen. Hoe mijn vader, geboren in 1900, de zondagen doorbracht op de Zeeburgerwielerbaan. Vertelde die ouwe met veel gevoel voor details hoe hij met zijn vriendjes vanaf de Duvelshoek, een Amsterdams achterbuurtje in het kwadraat, via de Hoogte Kadijk richting Zeeburg wandelde. Hoe de stad ophield bij molen De Gooier. Lopend over de Zeeburgerdijk met rechts maagdelijke polders en links in de verte de Zuiderzee. Op weg naar de houten wielerbaan. Hoe hij eerst bij zijn vader moest bedelen om twee centen. Opa, een diamantslijper met grote belangstelling voor de jeneverkruik, gaf hem dat gul. Hoogstwaarschijnlijk kon opa dan even ongestoord de zondagmiddag met opoe de bedstee in. Eén cent voor de entree en de ander voor een bosje zoethout…
En ja, die ouwe had ze allemaal aan het werk gezien: dat ik mij daar wél even  van bewust was.  Hoe hij Piet Dickentman, Amsterdams allereerste sportheld, achter de grote motor strijd zag leveren. Dat de timmerman na afloop van Piets race de latten van de baan weer moest vast timmeren. Die verhalen kon ik drómen. Over zijn grenzeloze verbazing toen hij Major Tailor, de afro-Amerikaanse sprinter,  aan het werk had gezien. Een zwarte wielrenner anno 1908, daar kon de vrouw met de baard op de kermis niet tegen op.
Vijfenvijftig jaar verder. Pa is lang geleden gaan hemelen. De wielerbaan haalde het eind van de Eerste Wereldoorlog niet, de maagdelijke polders zijn veranderd in de Indische Buurt, en  Piet Dickentman is niet alleen mijn grote held maar ik ben ook nog eens gefascineerd door de prehistorische sportgeschiedenis. Tja, het leven kan vreemd lopen.  Maar toch ook weer niet. Want zoveel is er eigenlijk niet veranderd…
Vanmorgen was ik ook op de wielerbaan want het Velodrome van Sloten.  Weliswaar niet lopend maar met de auto. Samen met mijn kleinzoon van veertien. Het kampioenschap van Nederland 50-kilometer stond op stapel. De renners staan opgesteld voor de start.
‘Zeg jongen’, hoor ik mij opeens zeggen. ‘Heb ik jou wel eens verteld dat ik in 1980 op deze baan achter de motor reed? En dat Matthé Pronk en Gaby Minneboo, met acht wereldtitels op zak, de tegenstanders waren.’ Terwijl hij een zakje chips open scheurt zie ik zijn ogen met een verveelde blik wegkijken.
Raar, maar ik had het sterke gevoel dat mijn vader ergens begrijpend stond te knikken…

Foto 1 en 2: De Zeeburgerwielerbaan. Foto 3: Piet Dickentman achter Jan Slesker op de Zeeburgerwielerbaan.

Max overleefde kogels, handgranaten, gifgasaanvallen én de blanke bajonet…

Elf november, Wapenstilstanddag!  Engeland, Frankrijk en België herdenken de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. Ook in Duitsland met zijn ‘Volkstrauertag’ waarbij stil gestaan wordt dat er meer dan anderhalf miljoen jongens niet meer thuis kwamen. Soldaat Max Bauer had de hel wél overleefd en kwam heelhuids terug in zijn geliefde Berlijn. Maar niet voor lang…  

Twee jaar vocht hij aan het front. De vreselijke Slag bij Warschau had hij overleefd. De  overmacht van hordes Russen die, dag in dag uit, op zijn loopgraaf afstormden. De nachtelijke beschietingen, de bajonetgevechten van man tegen man. Nachtmerries hield hij er aan over. Als soldaat in het Pruisische Negende Leger had hij zijn portie meer dan gehad. Maar dan is het zomer 1916, voor soldaat Max Bauer breekt het grote verlof aan. Snel naar huis.  Terug naar zijn geliefde Berlijn.  Na de natte zoenen van zijn moeder weg geveegd te hebben werd Max door zijn acht jaar jongere broertje Fritz even apart genomen.
Fritzl, een aanstormend stayerstalent zat om een goede gangmaker te springen. En op wie kon hij meer vertrouwen dan op zijn bloedeigen broer. En behoorde der Maxl voor de oorlog niet tot de gangmakerstop? Fritz kon zich dat nog goed herinneren. De Treptowerwielerbaan. Volle tribunes. Max op de brullende Brennabormotor met achter zich kampioenen als Demke, Robl en Verbist. Met die kerel die hij nu op de motor had was het behelpen. Achter gangmaker Bajorath was het stumperen. Altijd was er wel wat. En Fritz had het donker bruine vermoeden dat hij door Bajorath geflikt werd.
Maar nu was Max terug van het front.  Na een paar keer trainen waren de broertjes Bauer er klaar voor. Dan is het twintig augustus 1916. De Memento-race een koers op de Treptowerbaan. Of het door de jarenlange beschietingen kwam, de granaatinslagen of het geknetter van zijn mitrailleur. Het is niet meer na te gaan. Feit was dat Max gehoorproblemen had. Tijdens een aanval op renner Stellbrink raakte Fritz los van de motor. En hoe hard Fritz  ook schreeuwde om gas terug te nemen,  zijn broer hoorde het niet, kaggelde met een snelheid van negentig kilometer lekker verder en viel in zijn eentje Stellbrink aan. Door het schreeuwende en zwaaiende publiek voelde Max ‘nattigheid’. Keek even achterom en raakte daarbij de motor van Stellbrink. Max Bauer werd 29 jaar.

Foto 1: De broertjes Bauer. Rechts: der Maxl. Bron: Kriegsalbum der Radwelt, jaargang 1916.

Posted in Stayeren. Tags: . 1 Comment »