Mit Stern

Altijd voor de zekerheid gaan.  Mocht één van hen  niet meer na kunnen vertellen, dan is er altijd nog dé laatste foto, waar veel geld voor gevraagd kon worden. Fotografen van uitgeverij Martin, gevestigd in Leipzig, kende de mores van het vak.  Voor de aanvang van een belangrijke stayerskoers dienden de renners éérst te poseren. Of dat in het rennerscontract stond is hoogstwaarschijnlijk.
Vastgehouden door helpers, ernstig kijkend, met afgetrainde lijven, en  strak geconcentreerd, op de als ansichtkaart uitgegeven, foto. Dáárachter, de onvermijdelijke,  zich belangrijk voelende kerels, getooid met witte, soldateske  petten: je bent een Pruis of niet.
De ‘Golden Ketten, mit stern’,  een stayerskoers over honderd kilometer. Gehouden zondag 26 mei 1906, op de Steglitz wielerbaan in Berlijn. Eerste prijs, tweeduizend goudmark, aflopend tot duizend voor de laatste . Een kapitaal. Goed, waardevast geld, waar je een huis voor kon kopen. In een tijd dat een ambachtsman amper de honderd goudmark per maand verdiende, waar zo’n stumper zich    zes dagen per week voor kon afbeulen.
Peter Günther, Piet Dickentman, Bruno Demke en Nat Butler, aan dat lot ontsnapt, verdiende het honderdvoudige daar van. Daar stond wel iéts tegenover: het altijd, latent aanwezige dodelijke gevaar. Een stress, die buiten de koers ook geestelijk z’n werd deed. Waar ze nachtenlang wakker van lagen. Om zich op de been te houden met de gedachten, ‘Nog een paar koersen! Nog even  flink wat verdienen, en dan stoppen’. Een enkeling haalden dat. Sommigen niet.  Sommigen? Tientallen van die jongens lieten het leven achter de zware motor.
Peter Günther afkomstig uit Keulen was hét slechte voorbeeld. Die ging namelijk, té lang door als profstayer. Peter, bijna twintig jaar stayer, verongelukte in 1918 dodelijk. Berlijner Bruno Demke, had een kans om zijn kleinkinderen geboren te zien worden. Maar dan had hij géén oorlogspiloot moet worden. Deed hij wel. In 1916 stortte Demke in zijn Fokker-dubbeldekker neer.
De Amerikaan Nat Butler, man met tientallen veldslagen op de Duitse horrorwielerbanen was verstandiger. Nat stopte in 1910, en vertrok als vermogend man terug naar de States waar hij op drieënzeventigjarige leeftijd vredig stierf.
Op wie de Dood géén greep kon krijgen, was Piet Dickentman. De Amsterdammer maakte rond 1900 zijn stayersdebuut op de Duitse banen, en  was daar bijna dertig jaar op hoog niveau actief.  Met als sinister detail, dat hij tientallen collega’s naar hun laatste rustplaats had vergezeld.
Op bijna vijftig jarige leeftijd hing Dickentman zijn stayersfiets  aan de haak, en opende in de Amsterdamse Scheldestraat een rijwielzaak.
Dan was er ook nog de uitslag van de Golden Kette mit stern. Die werd uiteindelijk gewonnen door Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten.

Afgebrand

Wat ze zich vooral herinnerde? De littekens van de brandwonden op zijn benen. Lotti Dickentman, indertijd 93 jaar, zag dat nog scherp voor zich.  Als grietje van zes jaar, maakte dat een diepe en onuitwisbare indruk. Haar vader Piet Dickentman, had dan ook dertig jaar achter zware motoren gekoerst. Pa overleefde vele veldslagen, die plaats vonden  op de beruchte, bloederige Duitse wielerbanen. Vaak letterlijk. Dat de man tientallen keren aan een vers gedolven graf van een verongelukte collega stond is ter kennisgeving.  Piet Dickentman   beoefende namelijk zijn stiel op de stoep van de Hel.  Waar de Amsterdammer, de courage en lef vandaan haalde om telkens van start te gaan? Geld! Waar ongetwijfeld ook een  behoorlijk portie adrenalineverslaving aan te pas kwam.  Geld voor zijn gezin in Amsterdam.  Maar ook voor  een maatschappelijke carrière als hij de stayersfiets definitief aan de haak hing. Dickentman openende in 1928 een succesvolle grote rijwielhandel in de Amsterdamse Scheldestraat.
Dickentman, kende zijn hoogtijdagen in de periode van vóór de Eerste Wereldoorlog.   Om de Amsterdamse stayerslegende toen te verslaan kwam meer voor kijken dan alleen atletische kwaliteiten. Dat laatste kon je wel aan de heren gangmakers overlaten. Die wisten daar wel raad mee. Passeerde ze in een race een tegenstander dan bleef de motor, mét vlammende, gloeiend hete uitlaat, letterlijk  vlak naast zo’n renner ‘hangen’.
Het kenmerkt de ijzeren discipline van Dickentman dat hij niet van de motor af te branden viel. Met littekens van brandwonden op kuiten en dijbenen als blijvende herinnering.  Om honderden keren ‘va-banque’ te spelen met je leven mist zijn uitwerking niet.
Het gezicht is  de spiegel van de ziel. Zie je in het begin van zijn loopbaan, want 1901, nog een onbekommerde jongen in de lens kijken. Na vier jaar was dat wel anders. Zoals bij bijgevoegde foto gemaakt in 1905, vlak na een koers. Een doorploegde kop met dodelijke ernstige oogopslag, kijkt je aan. Een blik zoals je alleen ziet bij soldaten die na een jaar actieve frontdienst op het slachtveld, thuis komen. Je hoeft geen psych te zijn om te weten dat de Amsterdammer nog tjokvol  met adrenaline zat. Hoogstwaarschijnlijk voelde hij de pijn en weeïge schroeilucht van verbrand vlees niet.
Op zijn benen zie je nog steeds de gloeiend hete druipende olie, gelekt door zijn gangmaakmotor.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: