De aftocht was groots, en dramatisch. Maar ook grotesk. Alsof Felini het script had geschreven. Want als een lijk opgebaard op een houten brancard, en weggesleept uit de vuurlinies. Met een aangezicht alsof hij zijn harses vijf minuten door de tralies van een volle leeuwenkooi had gestoken. Een bungelend, bebloed, en geschoren been als fijn horrordetail. Als extraatje gedragen door lokale gendarmerie mét strakke koppen. Het oorlogsfront van dienst? De zesde etappe Tour editie 1951. Slachtoffer? Maurice Quentin, 31 jaar, een modaal Frans profje, afkomstig uit Bretagne. Zo één die het karige beleg op zijn stokbrood moest verdienen door zijn ballen in alle denkbare koersen eraf te rijden. Een zwaar en hard bestaan. Schaarse overwinningen zoals de semi-klassieker Parijs-Clermont-Ferrand, waren voor Maurice dé brandstof om het vuurtje brandend te houden.
Enfin, deze column gaat over de Tour waarin Maurice als de onbekende soldaat, in meemarcheerde. De Breton, gehard op die kapotgeschoten naoorlogse Bretonse weggetjes, knokkend tegen die vervloekte Atlantische elementen. Acht keer tekende die kleine stoemper de presentatielijst van een Tour, en harkte daarbij meer dan honderdveertig etappes bij elkaar: weliswaar anoniem, maar toch…
Dat was de Grote Wielergod niet ontgaan. De laatste wikt en beschikt en heeft oog voor zijn lijdende, hondstrouwe discipelen.
Op 18 juli 1953 kreeg Maurice zijn beloning. Het werd zijn ultieme wielermoment. Diep in de finale van de vijftiende etappe Nîmes-Marseille. De beklimming van de Geneste, een colletje van de derde categorie, waar vijftien renners op hol slaan: waaronder de Breton.
Op de wielerpiste van Marseille nam de Maurice eindelijk zijn wel verdiende plekje in de Tourgeschiedenis in. Wat tevens zijn enige etappeoverwinning in een ronde van Frankrijk werd.
En ach wat is een getal? Die ene stond voor Maurice garant voor onvergetelijke herinneringen. Als tijdens donkere en barre winteravonden de Atlantische storm over Bretagne raasde moet die kleine, taaie rakker, ongetwijfeld gedacht hebben aan zijn finest hour in Marseille. Maurice Quentin werd 92 jaar.
Een gezicht vol slijk, snot en slijm. De reservetube om de knokige schouders. Holle, bestofte oogkassen. En ach, dat maakte allemaal geen reet uit. Voor glitter en glamour was geen plek. De huldiging van de etappewinnaar was als de koers zelf: Spartaans en recht-toe-recht-aan. De Tour van 1932, wars van ordinaire commercie. Aan rennerslijven geen polonaise. En helemaal niet aan die van Jean Aerts. Jean, winnaar van de eerste etappe, kreeg een bos bloemen in zijn eeltige knuisten gedrukt. En werd vervolgens opgevangen door een verzorger met een verdachte broek aan.
Die éne keer! Tijdens de Ronde van Frankrijk anno 1956. Nóóit zat hij méér tegen een Tourzege aan dan tóen: maar kreeg op het beslissende moment pech. Godzijdank voor hem had hij daar geen trauma van opgelopen. Zijn Tourcarrière mocht er namelijk evengoed zijn. Negen keer was Gilbert Bauvin in de Franse rondrit van de partij. Resultaat? Vier etappeoverwinningen, en evenveel keer de gele trui. Daar kun je als gepensioneerd renner een leven lang tevreden mee in de spiegel kijken.
Ook even vertellen even die ene Tour van 1956, waarin Gilbert op het beslissende moment pech kreeg en meerdere minuten moest wachten om gedepanneerd te worden. Genoeg om in Parijs, achter Tourwinnaar Walkowiak op anderhalve minuut, op de tweede plaats te eindigen.
De gazetta’s schreven over ‘het nieuwe fenomeen’. Italiaanse sportverslaggevers, strooiend met superlatieven als Parmezaankaas over de spaghetti, zijn niet helemáál van de pot gerukt. Als een renner op zeventienjarige leeftijd het werelduurrecord bij de amateurs op iets meer dan tweeënveertig kilometer weet te tillen, mag zo’n kreet uit een Olivetti-schrijfmachine geramd worden.
Behalve dan in de derde etappe Dinan-Brest over tweehonderdtien kilometer. Waarin Fabio voor héél even aan hun aandacht was ontsnapt. Battesini, tweede jaarsprof en gek gemaakt door opgewonden verhalen in de kranten, snelde in Brest als eerste over de finishstreep.
Klimmen als een gibbon. Colls afdalen met suïcidale trekjes. En een latent, erotische relatie met de stopwatch. Dan mag je als renner dromen van een Touroverwinning. Maar dat laatste liep éven anders. Eerst vertellen over de Ronde van Frankrijk 1953. En niet dat geleuter over de avonturen van Wim, Woutje, Hein en die andere toenmalige Nederlandse Tourrakkers: dát weten we nu wel.
Jesús Lorono, zevenentwintig jaar, won met zijn klimexplosies uiteindelijk de bergprijs. In de Baskische cantina’s kolkten de wijn in glazen. Er werd getoost op Jesús’ komende Tourzeges.
Hoe het hoort? Een hand schudden. Méér niet. Nou vooruit dan, mét een schouderklopje. Hoewel dat laatste al behoorlijk bedenkelijk is. Maar om zo’n jongen nou op zijn mond te zoenen? En dan nog wel door een ouwe kerel….? Laat dat in Godsnaam over aan zo’n lekkere rondemiss. Maar leg dat nou maar eens uit aan een gemiddelde Italiaanse ploegleider. Nadat Ettore Meini, als winnaar over de streep was gevlogen, volgde even later een ‘aanranding’ waar geen ontsnappen aan mogelijk was. De dader? Ploegleider Giradengo! Een ouwe viespeuk, die het verbijsterende, terugdeinzende hoofd van Meini met beiden klauwen omklemde, en afzoende. Sommigen noemen dat Latijnse ‘temparement’, waar je als renner mooi klaar mee bent. Een passie die ook opeens om kan slaan in diepe haat. Italianen, per definitie emotionele borderliners.
Even terug naar la Boucle France. Waarin Ettore zijn debuut maakte. Met winst in de genoemde negentiende etappe. Het was tevens zijn laatste optreden in Frankrijk. Niet veel later hing Ettore zijn Ganna-koersfiets aan de haak.
Als de hel in het vizier is. En duivels op de loer liggen. Dán is de redding nabij. En dat allemaal in het fijne jaar 1959. Hét jaar dat schrijver dezes verbijsterd kennis maakte met ondermeer Brigitte Bardot, Jane Mansfield, Gina Lollobrigida en Sofia Loren, om maar even een paar tietenmonsters van het witte doek te noemen. Maar ook het jaar van Dino Bruni, een zevenentwintigjarige, modale Italiaanse profrenner die zijn debuut maakt in de Ronde van Frankrijk.
Waaruit hij, in de buitenwijken van Rouen, demarreert: de brave Belg Van Aerde aan zijn wiel. De laatste wordt door Bruno in de eindsprint deskundig geëlimineerd.
Ze staan te wachten. Urenlang. In de brandende zon, petten op het hoofd, en gehuld in interlockjes. Op een smal stoffig geitenpad, als een kerf uitgesneden in een decor van de sinistere Pyreneeën. En opeens is hij daar. Een siddering gaat door honderden mannen als Salvador Cardona, een Spaanse klimvlieg, opdoemt uit een bocht. Salvador Cardona, gezegend zij zijn naam, althans bij de honderden Spaanse supporters. Held van de dag. Dansend over onverharde grintpaden van de Tourmalet, ijle zuurstof happend, op weg naar die pokkentop. Dwars tussen de opdringende en meerennende hordes. Voor Salvador maakte dat geen reet uit. Als je aan hem had verteld over de Tour 2016 met de ‘heisa’ op de Ventoux, waarin renners, volgers en pers, met selectieve verontwaardiging, vol op het ‘jankorgel’ ging, had hij dat niet gelooft. Terecht, want de Tour in het hooggebergte is het domein voor het volk. Zo was het, zo is het, en zo zal dat hopelijk altijd blijven.
Aan zijn achterwiel gekleefd sleepte Cardona zijn meester omhoog. Spijt moet de ouwe Fontan nooit hebben gehad. Fontan en Cardona. Als Don Quichot en Sancho Panza strijdend tegen die teringbergen.
Een avonturier. Lid van de gestaalde kaders. Strijder tegen onrecht. Organisator van stakingen. Maar óók profwielrenner. Een wonderlijke en onmogelijke combinatie. Albert Bourlon, communist, én coureur, als een vuurrode roos in een papensport als wielrennen bij uitstek. Of Bourlon, bij aanvang van het wielerseizoen zijn fiets door de lokale pastoor liet zegenen? Vast niet. Goddelijke instraling had de man niet nodig. Hij geloofde in de beginselen van Lenin. En in zijn eigen kunnen! Ook op 11 juni 1947. De veertiende etappe Carcassonne-Luchon, 253 kilometer met als obstakel de col Portet d’Aspet, een kuitenbreker van zestienhonderd meter.
De vrijen van geest laten zich niet dwingen. Na vier mislukte pogingen ontsnapte Albert. Via Roemenië waar hij aan hardloopwedstrijden meedeed, kwam hij thuis. Na zijn succesvolle seizoen 1947, werd Bourlon wegens zijn politieke opvattingen niet meer opgenomen in wat voor Tourploeg dan ook.