Pindakaas

De aquarel is van de hand van kunstenaar Jan de Haas.

Noem het een jubileum, want vandaag, precies vijfentwintig jaar geleden reed Evert van Benthem zijn allerlaatste marathon. Gehouden op het Uitgeestermeer, waar de vlaggen strak stonden, met pronte, roodwangige meiden achter de koek-en-zopie, en een  bontpeloton schaatsers dat langs gleed. Anton Pieck, zal begrijpend knikken. Zo’n schaatsmarathon, waar we niet genoeg van krijgen, en waar afgelopen week naar gesnakt werd.

Het Uitgeestermeer, als decor van de ultieme finale van Van Benthem, waar hij voor het laatst zijn wedstrijdschaatsen afdeed. Een historisch feit, dat nu, collectief door alles en iedereen is vergeten. Wat te vergeven is.  Alhoewel… iedere, zich zelf respecterende schaatsliefhebber, dient dat wél te weten. De man heeft namelijk de status van ijsheilige. En nee, wij gaan op deze blog niet de lacune opvullen met Van Benthem’s prestaties. Daar is genoeg over gepubliceerd.

Van Benthem, na zijn emigratie  langzaam uit het beeld van de media weg gezakt. Tijdens de laatste schaatskoorts, géén interviews met de tweevoudige voormalige winnaar, met die eeuwige, lullige vraag, of ‘de tocht der tochten’, wel of niet door gaat.  Geen Evert op de televisie. Wél Erben Wennemars! Godsamme, Erben, tikkeltje overspannen indruk,  geobsedeerd, en neuzelend, bij ieder praatprogramma. Hoeveel kan een mens verdragen…?

Maar het voorjaar komt er aan. De winter is bijna voorbij. Van Erben zijn wij voorlopig verlost, wat een opluchting is. Op naar het volgende marathonseizoen, met nieuwe kansen voor die arme, schlemielige  marathonschaatsers, die door een oekaze van ene Van Dissel, afgelopen winter niet aan de bak kwamen.

Of ik zelf nog aan Evert denk? Ja natuurlijk! Iedere ochtend aan het ontbijt, als ik mijn bammetjes besmeer met pindakaas van Calvé…

Boom

De man was een streber. Of een idioot. Zeg het zelf maar. Wie neemt nou twee weken vakantie, om vervolgens voor z’n baas gratis te werken? Felix Luquin, zat daar niet mee. Dat zich zelf afstrafte, waarover straks meer.  Eerst even vertellen over Felix,  sportverslaggever tijdens de belle epoque.

Het mocht dan wel 1907 zijn, neemt niet weg dat in Felix een adrenalinejunk school. De man kreeg prettige gevoelens bij alles wat bloedlink was. Dat was de organisatie van een autorace, dwars door Frankrijk dan niet ontgaan. Felix kreeg een uitnodiging. De sportschrijver als bijrijder in één van die levensgevaarlijke bolides.  Of hij van zijn hoofdredacteur daarvoor vrij kreeg? Alleen als hij zijn vakantie opnam, én een verslag maakte over deze race: Felix ging akkoord. Waarbij aan de horizon iets vreselijks gloorde, met hem zelf in  een bedenkelijke  hoofdrol.  

Op de tweede dag, tijdens de etappe Clermont-Ferrand-Bordeaux, scheurend in een Peugeot met racenummer 31. Boven het geraas van de motor uit, hoorde de sportverslaggever opeens een raar scheurend geluid. Wat het laatste was dat zijn trommelvliezen bereikte. De achterkant van de auto brak spontaan af. Felix gelanceerd vanaf de achterbank, kwam met z’n hoofd tegen een boom.

Het verslag over zijn hemelgang, geschreven door een collega, leest als een horrorverhaal, vol bloedige details. Felix, brak zijn hoofd op vijf plekken. Verbijsterde toeschouwers met een sterke maag boden eerste hulp. Wat niets uithaalde, want Felix was al onderweg naar een betere wereld.

En nét als je denkt dat de beker vol ellende leeg was, komt er nog een macabere slok achteraan. De auto van ene Amigues, een collega van Luquin, scheurend richting het slachtveld mét de gesneuvelde Felix. Duikt opeens, vanuit een onoverzichtelijke bocht wedstrijdbolide nummer 35 op, met daarin Marc Roulier, Michel Martin, Jacques Villemain én mecanicien Pierre Métayé op. Niet veel later ‘reisde’ dit kwartet Felix Luquin, 25 jaar achterna.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1907.

Knokig

Of er iets te beleven viel op een zondag in 1931? Nee!  Hélemaal niks! De Grote Depressie, mét de bijbehorende armoede, én de hel- en verdoemenispreek van mijnheer de dominee, die een hele dag door je hoofd raasde, gaven daar een patent op.  Probeer daar maar een leuke zondag van te maken.

Moeders trok zich daar geen ene reet van aan. Die zat in haar gebloemde schort aan de grote tafel, verborgen achter een berg sokken die ze nog moest stoppen. De zondagen in het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden, één grote, eindeloze saaiheid.  Waren de zondagen dan overal zo? Nee natuurlijk niet. Zeker niet in Vlaanderen en Frankrijk,  waar de koers glorieerde. Iedere zondag wel ergens een kermiskoers.  Gratis toegang. Reuring, met een goudgele, bruisende pint in de hand, je favoriete renner aanmoedigen: ‘Goedverdoeme Jef, rij Uwe kloten eraf’.

Ook de zondagen in Frankrijk. Zoals bij het nationale kampioenschap. Waar ene Armand Blanchonnet het op z’n heupen kreeg. Blanchonnet in actie op de Cote Lapides, waar hij stumperend en stakkerend bezig was, om zijn knokige lijf omhoog te hijsen. Aangemoedigd door de lokale, toffe jongens, mét platte pet.  Armand Blanchonnet, die op zijn eigen manier geschiedenis schreef. Dat hij als jonge renner op de Olympische Spelen van 1924 twee gouden plakken binnen harkte, was aardig voor z’n kinderen en kleinkinderen. En dat hij, in datzelfde jaar wereldkampioen bij de amateurs werd, valt ook niet genoeg te prijzen.

De brave Armand kraste pas écht een kerf in de historie van de wielersport, tijdens de Zesdaagse van  Parijs in 1934. Waar hij van plan was om nog één keer te vlammen. Daarvoor liet Armand zijn ouwe lijf prepareren door Roger Viel, een verzorger met een bedenkelijke reputatie. Meerdere renners door Viel verzorgd, werden niet veel later ernstig ziek.   

Of Blanchonnet dát wist? Vast niet. Met een lijf vol dope kukelde hij de eerste avond, schuimbekkend van z’n karretje. De man lag vervolgens dagen lang in coma, waarbij artsen vochten voor zijn leven, en kwam eindelijk bij kennis met de legendarische kreet, ‘Ze hebben mij vergiftigd’, alsof heel Parijs dat niet wist.

Armand Blanchonnets naam,  inmiddels weg gezakt in de kieren van de wielersport, leeft alleen voort in de stoffige jaargangen van de Franse sportbladen, werd op vierenzestigjarige leeftijd bij zijn Schepper geroepen.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931 en 1934.

Biechtstoel

Arnhem, augustus 1909. Waar een nieuw zwembad werd geopend. Wát een feest werd dat. Opgeleukt met een Nederlands kampioenschap. Er waren mooie prijzen te winnen, waar het bestuur ‘kosten noch moeite hadden gespaard’, zoals ze dat fijntjes op lieten opschrijven in de Revue der Sporten. Maar éérst werd zwemmeester Willemse gehuldigd. De man was vijfentwintig jaar in dienst. De hondstrouwe zwemmeester, waar ongetwijfeld hordes Arnhemse kindjes nachtmerries  of anders een trauma van hadden over gehouden, kreeg een couvert met inhoud.  Daarna begon het ‘groote feest’. Het Nederlands kampioenschap zwemmen.

Nico Sturkop was er ook bij. Nico deed aan schoonspringen. En laat Nico Sturkop, specialist in ‘komische sprongen’,  nou de titel grijpen. Nico won ‘met glans en glorie’, voor ene Van Es en Snuyff. Zoals het betaamd met kampioenen, werd óók Sturkop gehuldigd. Sterker, voor Nico werd een plekje ingeruimd in de Revue der Sporten. Nico mocht daarvoor op de foto. Ingehouden  grinnikend, alsof hij zojuist een stiekeme scheet in een biechtstoel had gelaten, poseerde de verse springkampioen. Hoe hij aan die bruine handen kwam, daar moeten we maar niet aan durven te denken.

Nico Sturkop, werd na zijn springcarrière in diverse schermschooltjes gesignaleerd, waar de voormalige springer actief was met de sabel en het andere betere steek- en prikwerk. Waarbij het voor z’n tegenstanders te hopen was dat Nico zijn komische sprongen achterwege liet. De man bleek over meer onvermoeibare kwaliteiten te beschikken. De hoge duikplank bezorgde Nico geen adrenalinekick meer. Nico ging in het leger. Waar hij zijn mannetje stond. Of, zoals het blad Allen Weerbaar schreef:  ‘Bij ene oefening in de winter op het strand van Bloemendaal bleken alle korporaals een stel ouwe juffers, slechts korporaal Sturkop was aanwezig’.

Komische sprongen, schermen én het leger, blijkt een goeie mix te zijn. Nico Sturkop beklom op vierentachtigjarige leeftijd de Grote Hemelse Duiktoren.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1909.

Bioscoopbroekzak

Een man zonder broekzakken, is een ontheemde stumper. De broekzak, per definitie dé veilige plek waar  handen altijd een warm asiel vinden, waarbij we vooral niet moeten denken aan het begrip ‘bioscoopbroekzak’.  Vlak vóór de start van een stayerskoers, heeft een stayer  nou eenmaal geen pantalon aan. Als dan ook een fotograaf op de proppen komt, heeft hij ’n probleem. De armen gaan dan maar onwennig over elkaar. Of worden geparkeerd op de heup.  Vermoedelijk kon ze dat geen moer schelen, hoe ze op die foto gingen.  Aan de lichaamstaal te zien hadden ze  helemaal geen trek om te poseren. Dat ze dat wél deden, was natuurlijk door de strot gedrukt door  de directie van de wielerbaan.   

Een vergeelde foto, gemaakt vlak voor de start van Het Gouden Wiel van de Rijn. Een stayerskoers over een uur,  gehouden op de lokale wielerbaan van Keulen, tijdens het goddelijke jaar 1912,  waar in het Duitsland van vóór de Eerste Wereldoorlog er honderden van waren.  Enfin, Fritz Ryser, Richard Scheuermann, Thuur Vanderstuyft, Peter Günther en Klaus Zeisler, waren gecontracteerd voor een  koers over een uur. De lokale favoriet, Keulenaar Peter Gunther, werd winnaar, wat niet zó verrassend was.  Dat Günther met zijn overwinning, zeventienhonderd goudmarken opstreek is voor de statistieken. Véél aardiger is te weten wat er later gebeurde. Aardig…?  Dertien maanden later, op diezelfde wielerbaan, tijdens de Grote Herfstprijs verongelukte Richard Scheuermann, een voormalig kleermaker. 

Zes jaar later in 1918, kondigde zich ook het definitieve einde van Peter Günther aan. Peter, wereldkampioen stayeren in 1911, verongelukte dodelijk tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf. En dan is er ook nog Fritz Ryser, ook een voormalige wereldkampioen. Ryser, tijdens zijn stayercarrière betrokken bij diverse bloedbaden op de Duitse wielerbanen, zoals de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in 1909, waar zijn  gangmaakmotor in volle vaart  tussen de volgepakte tribunes terecht kwam: negen doden. Fritz, ontsnapt aan deze hel, stierf in 1916 in zijn Berlijnse woning, waarbij het niet uitgesloten was dat de man vrijwillig uit het leven was gestapt.

Scheuermann, Günter en Ryser, mannen in bonus, want rijk geworden met hun sport.  Waar ze weinig plezier aan hadden, Want een doodshemd heeft geen zakken. Laat staan broekzakken…

Bron: Album der Radwelt jaargang 1912.   

Harde koppen

Donderdag22 Januari 1942. Op de Atlantische Oceaan brengt Karl Thurmanns, kapitein van de U-553, met een geslaagde torpedoaanval, de Noorse tanker Inneroy tot zinken. Zesendertig Noorse zeelui zagen nooit meer hun geliefde fjorden terug. Terwijl Thurmann zijn periscoop introk, bestoken geallieerde bommenwerpers Enschede. Tweeëntwintig burgerslachtoffers. Op dezelfde dag laten  zevenenveertig Britse bommenwerpers hun dodelijke lading los boven Munster. De doden zijn niet te tellen.

22 Januari 1942, start ook de achtste Elfstedentocht. Bijna duizend wedstrijdrijders en zo’n achtendertighonderd toerrijders, staan op de drempel van eeuwige roem. En we gaan niet vertellen wie de winnaar werd, want dát behoort iedere sportfanaat op te kunnen dreunen. De Elfstedentocht, van oudsher dé kans om van een simpele boerenjongen tot eeuwige ijsheilige te worden uitgeroepen. Tenminste, als je als eerste over de streep in Leeuwarden glijdt.

Voor de overige finishers wacht als beloning, het patent om de rest van hun leven de kinderen en kleinkinderen lastig te vallen met het inmiddels, tot epische proporties gevormde, ‘heldenverhaal’. Waarbij opa strak naar het Elfstedenkruisje wijst, hangend aan de muur.  1942, ook de tijd dat jonge mannen gedwongen werden om in Duitsland in de oorlogsindustrie te werken. Dat op deze donderdag, meer dan vijfduizend voornamelijk jonge kerels op de schaats stapte is een nooit opgelost raadsel. Maar wat maakt dat eigenlijk uit?

Vijfduizend schaatsers. En de firma Nooitgedagt, gevestigd in IJlst was er daar ook bij. Nooitgedagt, dé fabrikant van de ‘Friese doorloper’, dé mythische schaats,  leek het wel een aardig idee om van deze editie een fotoboekje in oblongformaat uit te brengen, gevuld met vijfenvijftig foto’s. Foto’s met een mooi tijdsbeeld van de gemiddelde Elfstedenrijder, anno jaren veertig. Stoere kerels, harde koppen, plusfourbroek, alpino op. De oren beveiligd met zo’n lullig oorkapje, in zwart-wit afgedrukt. Reserveschaatsen op de rug.

Het boekje doorbladerend bekruipt je een weemoedig gevoel dat dat, waarschijnlijk nooit meer terug komt. Althans, als je Gerrit Hiemstra, en nog wat van die weerprofeten moet geloven. Hoop doet leven, om maar een lullig spreekwoord te gebruiken. Laten we hopen dat de boerenjongens ooit weer gelokt worden met de kreet ‘it giet oan’. En voor ik het vergeet te vertellen: op 22 januari 1942, tijdens de achtste Elfstedentocht lieten drie deelnemers het leven.

Bron: ‘De Elfstedentocht 1942’, uitgegeven in 1942 door de firma J. Nooitgedagt & Zn, IJlst. De wonderlijke databank van John Brouwer de Koning.

Duik

Opeens was hij er. Zomaar, van uit het niets. Foto’s gemaakt van ene Eugène Lefebvre, spatten pontificaal uit de kolommen van La Vie au Grande Air, hét Franse sportblad van de  belle epoque. En Eugène deed niet eens aan sport. Althans niet in het zweet des aanschijns. Eugène was namelijk piloot. Een niet te onderschatte iets. Want het was wél 1909, de tijd dat een vliegtuigje bestond uit een krakkemikkige motor, een hoop latjes, bijeengehouden door pianosnaren én zeildoek.  

En wat nou zo raar was… Ondanks dat Eugene nóóit een nat shirt had gekregen, van wat voor inspanning dan ook, was zijn debuut in het sportblad metéén raak. Want tussen  de in details beschreven verslagen van de meest vreselijke, dodelijke ongelukken in de toenmalige autosport, opgeleukt met foto’s van in kreukels liggende slachtoffers, mocht de komst van Eugene er zijn.

Eerst even vertellen over Eugene geestelijke toestand. De man zat nergens mee. Was het ál een prestatie om zo’n vliegtuigje in de lucht te houden, Eugene ging daar gewoon mee stuntvliegen. Eugene Lefebvre, sigaret in de mondhoeken, pet achterstevoren, jaagde met enige regelmaat de duizenden toeschouwers, opeen gepakt op houten tribunes, de stuipen op het lijf. Ook tijdens de Grande Semaine d’ Avation een vliegshow gehouden in het Reims van 1909.

Eugene, hoog vliegend in zijn Wright-Flyer, leek het wel leuk om een duikvlucht te maken richting tribunes, om op het allerláátste moment op te trekken. Waarbij hij met z’n vliegtuigje de vlaggen van de masten rukte, en de pluimen van de dameshoeden deed knakken. Van die zekerheden in het leven, want het ging natuurlijk mis.

Negen dagen later, vliegend in de buurt van Juviy, kreeg Eugene zijn vliegtuigje niet meer uit een duik getrokken. Alsof iemand een modelvliegtuigje op de grond had gesmeten.  Zo zag oogde de foto van het wrak: Eugene verpletterd in het midden. Eugene Lefebvre, maakte even goed geschiedenis. Eugene was namelijk het eerste dodelijke slachtoffer in de luchtvaart. Weinig, maar toch…

Bron: LA Vie au Grand Air, jaargang 1909.

Vuile wind uit de beerput

De combinatie Minneboo en Walrave. Foto: Koen Suyk, Nationaal Archief

Van oudsher werd bij het stayeren altijd wel iéts geregeld. Een kwestie van geven en nemen, maar dan wél bij de kleinere, onbeduidende koersen. Vooral tijdens het interbellum, hielden de internationale gangmakers goed in de gaten dat dat niet uit de hand liep. Eigenbelang, want de sport moet geloofwaardig blijven. Na de oorlog verdween deze erecode heel langzaam, en gleed de stayersport langzaam in de klauwen van een clubje corrupte gangmakers. Bedrog, en verraad, klotste tegen de tribunes van de wielerstadions. Vooral de wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort veemarkt, waar het hoogste bod goed was voor de wereldtitel.  Eind jaren zeventig deden onderzoeksjournalisten Frits Barend en Henk van Dorp, daar een gedegen onderzoek na. Waarbij vijfvoudig wereldkampioen Gabby Minneboo, de omerta doorbrak. Wat volgde was een onthullend verhaal,  gepubliceerd in Vrij Nederland.  

Met de opmerking, ‘de beerput opentrekken’, trapt Gabby Minneboo af, als hij het  heeft over het wereldkampioenschap van 1978, gehouden in München. Waar Minneboo, als dé grote favoriet, voor de voor de vierde keer achtereen de regenboog ging pakken.  ‘Ik was de beste tijdens de trainingen en had in de series de snelste tijd. Maar toch werd in München, de Duitser Podlesch wereldkampioen, en werd de ijzersterke Pronk tweede en Rietveld derde’. 

Minneboo: ‘Ik ben daar ongelooflijk belazerd. Door wie? Door mijn eigen gangmaker Bruno Walrave, die tijdens de finale er voor zorgde dat ik steeds in de ‘vuile wind’ reed. Hij had bewust,  een andere, dan de ideale positie op z’n motor ingenomen. Het was de bedoeling dat ik achter de motor vandaan zou waaien. Na een paar rondjes in deze finale, waaide ik inderdaad, bijna van de motor vandaan. Wat vreemd, dacht ik, ik krijg steeds hele stoten vuile wind in mijn gezicht. Na afloop dacht ik eerst nog: hoe kan dat nou gebeuren met zo’n ervaren gangmaker als Bruno Walrave. Maar al vrij snel werd het mij duidelijk,  dat de beste, brave mijnheer Walrave zich helemaal niet had vergist. Hij had dat bewust, expres gedaan. Ik ben ongelofelijk belazerd. Daar kwam ik een paar maanden na dat kampioenschap, stom toevallig achter. Wij reden toen in Berlijn, toen iemand achteloos tegen mij vertelde, dat  Podlesch héél veel geld aan Walrave had betaalt voor die wereldtitel’.

‘Of ik in Berlijn aan Walrave opheldering had gevraagd? Nee, ik weet dat dat stom van mij is geweest. Ik stayerde té graag. Bovendien is  Walrave degene die het hele stayersspel beheerst en regelt. Ruzie met hem maken, betekende het einde van mijn carrière’. Een einde die voor op moment negenendertigjarige Minneboo,  tóch kwam.

In 1983 kreeg Minneboo, op zijn verjaardag notabene een telefoontje. ‘ Walrave vertelde mij dat de verhouding tussen hem en mij was verstoord. Hij ging verder rijden met Jan de Nijs, waarna hij direct de telefoon neerlegde. Ik was perplex, was met stomheid geslagen. Dat was mijn dank na tien jaar van samenwerking met hem’.

BvD confronteerde Minneboo dat hij ook aan dat schimmige spel mee gedaan had.  ‘Ik moet tot mijn schaamte toegeven, dat wij aankomende talentvolle stayers helemaal kapot hadden gereden. Jonge renners als een Eric Geserick, Van Tol en Rietveld’. De bij het interview aanwezige vrouw van Gabby,  dring bij hem aan om openheid van zaken te geven hoe het verloop van de stayerskoersen van te voren werden bepaald. ‘Goed’, begint Minneboo, ‘Geserick was te eerlijk, te netjes, hij deed niet mee met ‘het spel’, daarom hadden wij een hekel aan hem. Dat kwam ook door zijn gangmaker Stakenburg. Overigens, Staak heeft door de verhalen van Walrave een heel slechte naam gekregen van een boef te zijn. Maar voor Staak geldt maar één ding: winnen en voor Walrave geldt alleen maar geld.

Huldiging in het Olympisch Stadion 1972. Rechts wereldkampioen amateurstayers Cees Stam, links de als derde geëindigde Minneboo. foto: Nationaal Archief.

‘Kennen jullie het verhaal van die gangmaker die zijn renner dope verstrekte’, vraag Minneboo aan BvD? ‘Ik wel! In 1981 en 1982  heeft Walrave mij nortestosteron gegeven. Ik moest, zo vertelde Walrave mij, om de drie dagen  een spuit nemen van dat spul, dat Bruno mij gaf. Voor ik het nam, las ik eerst de bijsluiter. Van de bijwerkingen herinner ik mij in elk geval nog impotentie, leveraandoeningen  en prostaatkanker. Ik had meteen die zeven spuiten weg gemieterd’.

Dan het wereldkampioenschap stayeren van 1984, met de latere winnaar Jan de Nijs. Volgens de aanwezige Barend en Van Dorp,  had deze héél weinig  met de feitelijkheden te maken, die de betrokkenen na afloop vertelden. De werkelijkheid was héél anders.

De in de stayerswereld als eerlijk bekend staande Mathé Pronk, had een jaar keihard getraind voor dit kampioenschap. Pronk achtte zich in staat om in Barcelona wereldkampioen te worden. Hij was alleen kansloos tegen de geldbedragen van een landgenoot. Pronk werd daardoor gedwongen, voor de zoveelste keer in de rol gemanoeuvreerd van de zich opofferende Nederlander.

Minneboo: ‘Natuurlijk heeft Walrave de titel voor De Nijs gekocht. Normaal had maar één renner kampioen geworden, en dat was Pronk. Je dacht toch niet dat Walrave dat had goed gevonden dat Pronk wereldkampioen was geworden?  Er is bij mijn weten nooit zoveel geld voor een titel geboden. De sponsor van De Nijs had 40.000 gulden daar voor over. Eerst hebben ze in de herkansing de Italiaan De Lillo 2000 gulden betaald, zodat De Nijs probleemloos naar de finale kon. En in de finale zaten ze in de slag met de Duitsers en Pronk. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn: geen wereldkampioenschap zonder ‘vuile wind’.

De onthullingen van Minneboo in Vrij Nederland, luidde de ondergang in voor het internationale stayeren. Niet veel later besloot de UCI dit onderdeel van de internationale kalender te halen.

Bron: Vrij Nederland, september 1984, auteurs Frits Barend en Henk van Dorp.

Posted in Geen categorie. Leave a Comment »

Knol

Zomaar, een zondag ergens in 1908, op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan. Een wielerbaantje met een zekere reputatie, waar de politie nooit ver weg was. Het te bekijken programma kende voornamelijk lokale wielerhelden, soms afgewisseld met een verdwaalde Franse, dan wel Duitse stayer. Altijd volle bak. Op de tribunes voornamelijk havenwerkers, en scheepslossers afkomstig van het nabijgelegen Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg.

Ruig volk,  die zich vóór de koers, in de omliggende kroegen lieten vollopen. Om in zekere staat de koers van de dag te aanschouwen. Waarbij gehoopt werd op een fijne rel, dan wel een knokpartij. Waar met een zekere regelmaat in werd voorzien.  Matpartijen, in details beschreven in de toenmalige sportbladen, en fijn om te lezen.

Zoals in die ene zomer van 1914 waar een rondtrekkend Amerikaans wildwestshow onder aanvoering van ene Texas Ted, neerstreek in het wielerstadionnetje aan de Zeeburgerdijk. Een rodeoshow die niet voldeed aan de  verwachtingen.  Met bijna fatale gevolgen. Texas Tex en zijn indianen van de prairies, beloofde het publiek op een sensationele wildwestshow.
Tex ging namelijk, op zijn knol,  een race aan tegen een gangmaakmotor. Nadat om vier uur de show nog niet was begonnen brak een ‘ernstig gevecht  los’, zoals de Courant Het Nieuws van den Dag het beschreef.

Nadat Tex,  zittend op z’n paard, eerst  met zijn lasso  de menigte had afgeranseld, trok hij zijn colt. Tex werd vervolgens met stukken hout, afkomstig uit de wielerbaan van zijn paard gerost.  Om daarna bijna te bezwijken onder de trappen en slagen van, zoals de journalist vilein beschrijft, ‘de verwoede wielerliefhebbers’.
IJlings opgetrommelde agenten mét blanke sabels gaven er een extra dimensie aan.

Hoe het op die ene zondag ergens in 1908 aan toe ging…? Aan de foto te zien moet het een sullige bedoeling zijn geweest. Tenminste, niét als het aan de starter had gelegen. Met een broeiende blik loert de man strak in lens van de camera. In zijn hand achteloos z’n revolver, mét gespannen haan, richting publiek, waarvan het te hopen was dat er losse flodders in zaten. Tsja, dat was zomaar een zondag ergens in 1908, die dankzij die ene fotograaf aan de vergetelheid ontrukt.

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1914, diverse jaargangen van Revue der Sporten van voor de Eerste Wereldoorlog.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: