De Ronde van Frankrijk. Ondanks de aan hysterie grenzende Oranjekoorts hét sportspektakel van het jaar. Stuyfssportverhalen, in de waan van juli, heeft daarvoor zijn archief omgespit en is op zoek gegaan naar onbekende Tourrenners. Kerels, helden soms, geluksvogels voor één dag, maar ook de schlemielen. Die één ding gemeen hadden: ooit schreven ze Tourgeschiedenis. Het was hún dag. Held voor even. Met de oneindige tragiek dat ze ook weer snel waren vergeten, weg gezakt in de spelonken van archieven en boekenkasten. Alleen al daarvoor stoft Stuyfssportverhalen nog één keer hun heldendaden af. Zaterdag het eerste verhaal: de sinistere teloorgang van Ernesto Azzini….
Glorie en roem voor de Tourwinnaar, wiens naam prijkt op de eeuwige ranglijsten. Maar wél dankzij diens helpers. En dan blijkt maar weer eens hoe wreed het wielrennen is. Als dank voor bewezen diensten wacht voor de knechten de grote leegte van het niets, om vervolgens weg te glijden als anonymus in de wielergeschiedenis. Onrechtvaardig. Alleen dáárom trekt Stuyfssportverhalen, uit zijn archief Cyriel Vanoverberghe voor één keer uit de grauwe anonimiteit.
De gregario’s, waterdragers, en knechten, de kastelozen van het peloton. Werken in het zweet des aanschijns tot zij van hun karretje lazeren. Geen hondser bestaan dan een professionele wielerknecht. Urenlang met je kop in de wind zitten, gaten dicht rijden, regenjasje halen en de kopman voorzien van zijn natje en droogje. Je moet het maar willen. Doen ze het werk goed dan krijgen ze een natte zoen, van de kopman: het liefst in het zicht van het journaille. De patron laat zich zelf, met gevoel voor publiciteit, door de rondemiss af zoenen. Met dank aan het ondankbare vuile werk van zijn helpers. Bij de laatsten komt geen klacht over de lippen, hopend dat ze financieel wat wijzer worden. Dapper noemen ze het zelf ‘een dankbare job’. Onzin natuurlijk. Dat is gewoon niet waar. Diep van binnen wil iedere renner voor eigen kansen rijden. Sylvere Maes won de Tour anno 1936, een gegeven dat beklijft. Dat hij zijn overwinning onder meer te danken had aan een jonge knecht, weet hooguit de familie van de laatste. Cyriel Vanoverberghe, een eerstejaarsprof van net vierentwintig, reed voor Maes zijn nog jonge lijf aan flarden. Aan Cyriel had Lepe Peer, een duistere bijnaam van Maes, twee Tourzeges te danken. Over de rode loper die Cyriel, afkomstig uit het Vlaamse Bellegem, legde won de Lepe de Tour van 1936. Dat hij die drie jaar later ook nog eens op zijn naam schreef is aardig voor de statistici. Maar in 1936 vond Cyriel Vanoverberghe, na al zijn beulswerk zichzelf in Parijs terug op de zesentwintigste plaats: ruim tweeënhalf uur achter Maes. Vanoverberghe maalde daar niet om. Zijn tijd kwam nog wel. Als zijn lijf eenmaal ouder en taaier was, zoals in 1939. Vanoverberghe, een spetterend voorseizoen met een tweede plek in Luik-Bastenaken-Luik, vijfde in Parijs-Roubaix, en vierde in de ronde van Vlaanderen, vertrok vol moraal naar de Franse rondrit. Om die na al zijn hand en spandiensten voor Maes, af te sluiten met een tiende plek. Met het plan om een jaar later definitief in de Franse rondrit door te breken hield Cyriel de moed er in. Maar zover kwam het niet. Zijn ontluikende wielercarrière werd voor altijd wreed afgebroken. Daar zorgde het uitbreken van de oorlog en zijn oproep voor militaire dienst wel voor. Cyriel Vanoverberghe net drie jaar prof heeft sindsdien nooit meer op een koersfiets de Franse wegen onveilig gemaakt.
Stuyfssportverhalen had nóóit van hem gehoord. Maar een stapel Franse sportbladen uit de jaren dertig, op de Deventer boekenmarkt gescoord, bracht uitkomst. Sportblaadjes, op slecht papier gedrukt maar met adembenemend mooie foto’s. Zoals van die ene klimmer in een duidelijk vooroorlogs decor. Federico Ezquerra was dan ook niet zomaar een grimpeur maar de Koning van het Hooggebergte.
Hij was de wegbereider voor een heel lange rij Spaanse klimgeiten. Van die donkerharige mannetjes met strakke, uit de vel stekende jukbeenderen, donkerbruine ledenmaten en diep in de kassen weggezonken ogen. Kerels die met moeite het peloton konden volgen maar bij het opdoemen van de cols nerveus werden, van prettige opwinding wel te verstaan. Le Roi de la Montagne kopten de sportblaadjes over hem. Mooie en toepasselijke bijnaam voor Federico Ezquerra. Federico, de onbetwiste heerser van de Galibier, waarmee hij een haat-liefdeverhouding had. Op de flanken van de meedogenloze Galibier, zevende etappe, Tour editie 1936, liet Federico, drie jaar achterheen zien waarom hij in zijn land meer dan dertig zware klimkoersen had gewonnen. In het desolate landschap van de Galibier, tussen de sneeuwvelden, over met losse steenslag bezaaide slechte wegen, danste Le Roi, pompende longen vol ijle zuurstof, met minuten voorsprong alleen omhoog. Om de 2650 meter hoge top met ruim drie minuten voorsprong op landgenoot Berrendere te scheren. Federico Ezquerra had ongetwijfeld in het rijtje Tourwinnaars voorgekomen, als… als Federico niet die éne grote makke had: hij daalde als een gemankeerde schildpad. Federico was bang. Trok zijn remmen aan tot de velgen roodgloeiend stonden en het rook van de remblokjes kwam. Geef hem eens ongelijk. Dalen, met doodsverachting rakelings langs enge afgronden, over met puin bezaaide wegen was alleen weggelegd voor desolate, op roem jagende idioten. Federico Ezquerra, tragisch figuur. Stond tijdens zijn zestienjarige profcarrière die duurde van 1928 tot 1944, maar drie keer aan het vertrek van een Ronde van Frankrijk. De Spaanse burgeroorlog gevolgd door de Grote Wereldbrand voorkwam dat hij maar één etappe in La Douche France won. En wie de bewuste etappe over de Galibier gewonnen had? Dat was een kerel die nooit van zijn leven één berg gezien had. In Zeeuws-Vlaanderen is de steilste beklimming die van de opgang naar de dijk van de Westerschelde, maar dat weerhield Theofiel Middelkamp niet om eeuwige roem te schrijven. Theofiel was de eerste landgenoot die een touretappe won.
De Ronde van Frankrijk, altijd goed voor sterke verhalen. Het is dé koers waar heldenstatus in het verschiet ligt, die in het collectieve sportgeheugen weer net zo snel vergeten wordt. Maar niet bij Stuyfssportverhalen, want die diepte uit zijn archief een drieënzestig jaar oud, beduimeld, aan papierzuur onderhevig Frans sportblaadje op. Met daarin het wedstrijdverslag van de etappe Saint-Gaudens-Perpignan, met de merkwaardige wederopstanding van Maurice Blomme.
De soigneur was een waarlijk groot vakman. Zoveel is wel zeker. Een grootmeester met de injectiespuit. Een tovenaar in de ware zin des woords. Een magiër die met de inhoud van zijn koffertje een dode tot leven kon wekken. Zet de feiten maar even op een rijtje. Een dag ervoor lag op zijn massagetafel Maurice Blomme, een modale renner uit West-Vlaanderen. De laatste vertoonde alle kenmerken van een rigor mortis. Blomme had dan ook de meest vreselijke dag uit zijn wielercarrière meegemaakt. Iets dat je je ergste vijand niet toe zal wensen. Als niet-klimmer moest d’n Maurice maar zien hoe hij over de Tourmalet en Aspin, cols van buitencategorie, zou geraken. Met als extraatje onderweg vier lekke banden: zelf te repareren. Het was de etappe Pau-Saint Gaudens in de Tour van 1950, waarin Blomme meer dan een uur achter winnaar Bartali als allerlaatste en meer dood dan levend over de streep kwam gestumperd. Wat er enkele uren daarna op die schimmige hotelkamers plaats had gevonden blijft voor altijd een raadsel. En dat is maar goed ook! Wielergeheimen zijn net als een goede fles wijn, hoe ouder hoe beter. En dat moet je koesteren. Het zijn namelijk dé ingrediënten die het koersen zó fascinerend maken. Zoals die van de mysterieuze soigneur van Blomme. De man kreeg voldoening van zijn oplapwerk. Keek een dag later goedkeurend toe hij zijn poulain, Maurice Blomme, een stoemper met overwinningen in Zottegem, Aaigen, Staden, Wingene en Koolskamp, kermiskoersen van jewelste, helemaal hersteld was. Aan de start voor de etappe Saint-Gaudens-Perpignan over 233 kilometer, stond namelijk een herboren Blomme. Maurice liep over van goesting, had benen als zonnetjes. Als een paard na een winter op stal vloog Blomme er na het startschot meteen er in. Laat maar gaan, dacht het peloton massaal en collectief, die rare Vlaming rapen we straks wel op… Ze zouden hem pas terugzien na de finish. Ruim zesenhalve uur koersend in een godsgloeiende, verstikkende hitte met een gemiddelde van ruim zesendertig kilometer, greep Blomme zijn enige etappezege in een Tour. Na zijn merkwaardige wederopstanding moest Maurice zeven minuten wachten op nummer twee Jean Baldassari. Maurice Blomme, allesbehalve een slechte renner, won tijdens zijn carrière zesenvijftig koersen waaronder het hoog aangeschreven GrandPrix des Nations, stierf in 1980 op drieënvijftigjarige leeftijd.
Tour de France 1953, romantische tijd van de tube om de nek, fietspomp aan het frame, mannen zonder helm en Jan Cottaar op de buizenradio. Waarin renners van de soigneur een dexedrinetablet dan wel een andere fijne amfetaminepreparaat kregen. Niemand die daar moeilijk om deed. Ook het jaar waarin een jonge Vlaamse prof zijn tourdebuut maakte. Met succes.
De Tour van 1953. Zesde etappe Caen-Le Mans over tweehonderd kilometer. Aankomst op het beroemde autocircuit. De winst ging naar een renner van maar net eenentwintig jaar. Eigenlijk té jong om een Tour te rijden. Precies zestig jaar geleden dachten ze daar iets anders over. Laat maar proberen, gooi maar voor de leeuwen, en we zien het wel. Opportunisme, is zo oud als de wielersport. Voor Martin van Geneugden maakte dat eigenlijk niets uit. Die zat daar niet mee. Sprong een gat in de lucht dat hij voor de Belgische nationale ploeg was uitgekozen. Van Geneugden, eerstejaarsprof met een razende sprint in de kuiten, kon zich geen betere Tour debuut voorstellen. Voor de Vlaming kwam een jongensdroom uit. In de slotfase van de zesde etappe ontsnapt met Louis Caput en Adolphe Delada. De laatste twee door de wol geverfde ouwe ratten. Twee dertigers die de buit onderling al verdeeld hadden. Caput en Deladda, Franse coureurs, azend op de zege. Martin van Geneugden, hondsbrutaal, trok zich daar niets van aan. Had maling aan gereputeerde namen. Met de streep in zicht en een voluit daverend peloton hijgend in de nek, spurtte de inwoner van Zutendaal met volle bak uit het wiel. De debutant schreef zijn eerste Touroverwinning op zijn naam. Volgens fysiologische wetten is een jochie nog maar net droog achter zijn ogen, totaal opgebrand na een Tour. Die kan een verdere wielerloopbaan op zijn buik schrijven. Maar niet Van Geneugden. Die beschikte over een betonnen lijf en een ijzeren constitutie. Won in zijn tienjarige carrière in totaal zesenveertig koersen. Reed zeven keer een Tour en won zes etappes. Dat zijn lichaam geen sleet kende bewijst hij zestig jaar later nog steeds. Martin van Geneugden, nu eenentachtig jaar, nog recht van lijf en leden, heeft zijn twee medevluchters al lang overleefd.
Geen glamourfoto’s, noch een gelikte reclamecampagne. En het begrip merchandising was totaal onbekend. Voor de Tour de France editie 1911 moest je als sponsor maar gewoon doen, dan deed je al gek genoeg. Waarschijnlijk dáárom poseerden de renners van de Alcyonploeg, voor de publiciteitsfoto, doodgewoon in hun burgerkloffie. Het werd een ansichtkaart van ontroerende eenvoud.
De platte pet losjes op de kop. Tikkeltje schuw, beetje verwonderd, maar ook uitdagend kijkend in de lens van de fotograaf. Zes kerels in hun zondagse kloffie, die met de handen geen raad weten. Zo’n foto waar godfathers in Little Italy, op lichtgevoelig glas mee werden gevangen. Hard en meedogenloos was het zestal zeker. Onder hun colbertjes en overhemden voelden ze de littekens schrijnen. Niet van de kogelinslagen maar valpartijen. De jongens van het Alcyon wielerteam, gehard en gesmeed in monsterlijk zware koersen. Renners die je bijna letterlijk met een knuppel van de fiets moest rammen. Die wisten waar Abraham de mosterd haalt. Coureurs die zich tijdens helse koersen op de been hielden met bidons geklutste eieren en cognac, en niet vies van een elixer strychnine, cocaïne en laudanum. Schransten op de fiets hele kippen weg. En wonnen bij elkaar dertig Touretappes, maar ook drie keer de Tour de France. Jules Masselis, François Faber, Henry Alavoin, Gustave Garrigon, Lucien Trousselier en Eugene Christophe aan de vooravond van de Tour de France 1911, die voor Garrigon eeuwige roem bracht. Een zestal nog in zalige onwetendheid van wat de toekomst ging brengen. En die zag er pikzwart uit. Drie jaar later brak de Eerste Wereldoorlog los. In plaats van een vet contract dwarrelde bij vijf van hen een oproep voor militaire dienst op de deurmat. De loopgraven van de wielerkoersen werden verruild voor die van Verdun en de Somme. Luxemburger François Faber ontsnapte daaraan. Faber, de meest talentrijke, won Parijs-Roubaix, Bordeaux-Parijs en de ronde van Lombardije, schreef tussendoor twintig Touretappes op zijn naam, en kwam in 1909 als eerste in Parijs aan. De man was niet alleen een grande champion, maar ook een verstokte romanticus. François, melancholieke kop, voelde zich verplicht om zijn tweede vaderland, Frankrijk, te verdedigen. De voormalige winnaar van de Tour nam dienst bij het Vreemdelingenlegioen. De Reus van Colombes, zoals zijn bijnaam was, de man die als enige tot nu toe vijf etappes op rij wist te winnen sneuvelde een jaar later. Deed dat dramatisch zoals zijn leven was. Nadat Faber het bericht had gekregen dat hij vader geworden was, sprong hij van blijdschap op. Voor héél even stak zijn hoofd boven de rand van de loopgraaf uit. Lang genoeg voor die ene Duitse sluipschutter. François Faber zou nooit meer zijn Alcyonkarretje bestijgen. Op negen mei 1915 sneuvelde korporaal Faber, achtentwintig jaar geworden.
Foto 2: Henry Alavoine, piloot geworden stortte in 1916 tijdens een vlucht neer. Henry werd zesentwintig jaar.
Ondanks alle dopingschandalen ten spijt blijft de Ronde van Frankrijk, de allermooiste sportweken van het van het jaar. Zeker voor schrijver dezes blog. De Tour dat is het fijne vakantiegevoel, vier weken verlekkerd voor de buis zitten. Stuyfssportverhalen, even uit de wereld van de bloederige verhalen over dodelijke verongelukte stayers, dook in zijn archief en haalde Emile Baffert boven water.
Vier jaar profrenner met een erelijst zo dik als een fietsspaak. Met vier gewonnen koersen kon je later nou niet echt grootste verhalen aan je kleinkinderen ophangen. Voor Emile Baffert stonden de gesponsorde ploegen dan ook niet in de rij. Toch was het Mervil-Dunlop, een profploegje uit de Franse provincie, bereid Emile op te nemen. Voor een fiets, materiaal, banden, kleding en een kleine vergoeding verdedigde Baffert, zo goed en kwaad als het ging de kleuren van zijn werkgever. Een gok die voor de laatste goed uitpakte. Met drie overwinningen in het voorjaar, startte Emile fris van de lever in Tour de France van 1950. Waar succes tot de laatste etappe uitbleef. En Emile was zó dicht bij een etappezege geweest. In de één na laatste etappe, Lyon-Dijon, gloorde voor Baffert dan eindelijk die ene zo lang verwachte overwinning, waarmee hij thuis kon komen. Een zege die genoeg stof opleverde om tot lengte van dagen over te vertellen. In de laatste kilometers van de etappe was de broodmagere Emile er samen met de Italiaan Gino Sciardis tussen uit gepiept. Italiaanse renners, per definitie, geslepen, sluw en gemeen als putjeswater. Ook Gino die de Fransman het kopwerk liet doen om in de laatste meters genadeloos toe te slaan. Voor Emile Baffert, restte nog één kans. De laatste etappe van Dijon naar Parijs over meer dan driehonderd kilometer. Finish op de wielerbaan van Parc des Princes. Baffert, 26 jaar, in de finale ontsnapt met Albert Hendrickx. Voor Baffert, een modale profje uit Grenoble, werd het een sprint van alles of niet. Of lege handen of dé grootste overwinning uit zijn bescheiden loopbaan. Het werd alles. Voor Emile, met schuim op de bek, was het zijn eerste, en laatste Toursucces. Nadat Baffert in 1956 was gestopt met koersen, stond de teller op eenentwintig gewonnen koersen. Editie Tour de France 2013, gevolgd door miljoenen over de hele wereld. En ergens in Frankrijk zit daartussen ongetwijfeld een krasse grijsaard aan de buis. Zijn gedachten gaan terug naar die ene zondagmiddag drieënzestig jaar geleden in Parijs. Een zondag die hij zijn hele lange leven gekoesterd had. Albert Baffert, 89 jaar, is namelijk nog steeds onder ons. Had hij dan toch Gino Sciardis geklopt want die vertrok naar zijn Schepper op vijftigjarige leeftijd.
De Tour, editie 2013 is van start gegaan. In de eeuw dat deze koers bestaat is daar letterlijk alles over geschreven en gepubliceerd. Stuyfssportverhalen gaat ondanks dát mee in de waan van het moment en probeert de niet betreden paden te bewandelen door aandacht te geven aan de onbekende Tourhelden, zoals Jules Buysse.
Een zielige meewarige blik, gebeiteld in een treurig hoofd. Die je schuw aankijkt als een bedelende Labrador om een hondenkoekje. Het begrip arbeidsvreugde is ver weg. Daar zat de fotograaf van wielerploeg ‘Automoto’ mooi niet mee. Voor een promotiefoto ‘knipte’ hij de camerasluiter gewoon af. Jules Buysse, had geen fijn bestaan, want was profwielrenner, om de harde franken en meer niet. Diep in zijn hart had d’n Sjuul liever in het staminee van Wondergem, zijn dorp, de dagen al pinten hijsend doorgebracht. Met vrienden ‘klappen’ over de mooie dorpsmeiden. In plaats daarvan was Jules samen met broer Lucien aanwezig in de Tour van 1926. Waar in de eerste etappe de borst en het rennerskruis nat gemaakt werden. Al was het alleen maar om het hondenweer. Op stapel staat Evian-Mulhausen een etappe over de monsterlijke afstand 373 kilometer, in ijskoude regen te rijden. Probeer daar maar eens vrolijk bij te blijven. Koersen over slechte wegen. Met kille gevoelloze handen zelf de lekke banden van je velg rukken en vervangen. Fietsen dwars door het Juragebergte met als uitsmijter de klim van La Fancille, een pokkenpuist van dertienhonderd meter. Juultje, telg uit een Vlaams rennersgeslacht, net vijfentwintig jaar, een simpelaar van het Vlaamse vlakkenland. Nooit verder geweest dan de vlasakkers, beschikte over iets wat hij vermoedelijk in zijn meest woeste dromen kon vermoeden: de man kon dalen als een duivel. De Wondergemmer sloeg in de afzink van de La Fancille toe en sloeg op hol. Wat de meereizende journalist van Het Laatste Nieuws deed opschrijven dat Jules, ‘In een goede dag zat, en een edele verkondiger der Vlaamsche wilskracht’ was. Op de finishstreep na veertien uur met ‘god en alleman’ aangeroepen te hebben. kon Jules zes minuten wachten op landgenoot Kamile van de Casteele, alvorens hij in de gele trui werd gehesen: die hij een dag later weer kwijt was. 20 juni 1926 de dag dat Jules Buysse zijn Nirvana beleefde, de vooravond van een heldenstatus. Wat allemaal niet door ging. Daar stak zijn broer Lucien een stokje voor door de Tour van dat jaar te winnen. De laatste blijft voor altijd in wielergeschiedenis beklijven. En mocht dat wapenfeit eventueel over het hoofd gezien worden: op het dorpsplein van Wondergem is Lucien met een standbeeld voor eeuwig in brons gevangen. En broertje Jules? Die moest het doen met die ene lullige publiciteitsfoto. Het leven van een profrenner kan wreed zijn.
De ultieme klim én afdaling. Daar leefde hij voor. Op zijn fietsje urenlang in de bergen van Baskenland, dansend richting hemel. Francisco Cepeda, wegbereider van een heel peloton Spaanse klimgeiten. De held van zijn dorp Sopuerta. De hoop van Baskenland. Negenentwintig jaar en lichamelijk op z’n top. Francisco, donker, tikkeltje zigeunerachtig. Mooie, vrome jongen. Had een intieme relatie met de Heilige Maagd. Stak in de San Pedro Apostolo, de dorpskerk, kaarsen op bij dozijnen en smeekte haar of ze hem genadig mocht zijn. Per slot beoefende Francisco een gevaarlijke stiel. Francisco Cepeda, beroepsrenner, of beter gezegd, klimmer. Werd twee keer kampioen van Baskenland waarin hij afrekenende met een hele kudde klimgeiten. El Negro de Sopuerta werd hij genoemd. De zwarte van Sopuerta, een avonturier die leefde voor zijn sport. Nam begin juli afscheid van zijn moeder, zes broertjes en zusjes. Beloofde zijn supporters te strijden tot hij er bij neerviel. Smeekte de heilige maagd nog één keer om het nodige geluk en reisde af naar Parijs. De Zwarte ging voor de vierde keer op jacht naar succes in de Tour de France. Francisco zou nooit meer zijn dorpje én geliefden terugzien. 11 Juli 1935, de zevende etappe Aix-Le-Bain-Grenoble loodzwaar met meerdere cols waaronder de lugubere Galibier. Een dag waarop het kwik bijna uit de thermometers spatte. De roodkoperen ploert, om maar een lullige uitdrukking te gebruiken, stond genadeloos te gloeien. Het asfalt kookte, dorpspompen maakten overuren en renners naderden het kookpunt. Ook Francisco kreeg zijn deel. Het was zijn dag niet. Moeizaam klauterde hij omhoog. Het moest maar gebeuren in de Pyreneeën, riep hij naar een ploeggenoot. Op de top van de Galibier zat de Bask alleen achter de kopgroep. Voor Cepeda, tiende jaar prof, een ouwe klimgeit met de nodige ervaring, was de afdaling een kwestie van je laten vallen en proberen het gat te dichten. En daar ging het mis. Hoe het precies gebeurde weet niemand. Vermoedelijk sprong door de hitte de tube van zijn voorwiel af. De Zwarte stortte in een ravijn en werd met een zware schedelfractuur afgevoerd naar het ziekenhuis in Grenoble. Veertien juli nationale feestdag. Niet voor Sopuerta, noch voor de familie Cepeda. Het was de dag dat Francisco stierf. In zijn geboortedorp kreeg hij een heldenbegrafenis. Op de schouders van zijn kameraden werd El Negro naar de begraafplaats gedragen. Francisco Cepeda, 29 jaar geworden schreef toch geschiedenis, al was het van een bedenkelijke soort: hij was de eerste renner die sneuvelde in een Tour de France.
Foto 1: Kampioen van het Baskenland. Foto 2: Het sterfbed van Cepeda. Foto 3: Begrafenis van Cepeda.
Bron: Sport Revue jaargang 1935, de site van Club de Portivo de Bilboa.
Ronde van Frankrijk, synoniem met vakantiegevoel. Drie weken iedere dag topsport op de televisie. Mooie verhalen én foto’s in de bladen. Stuyfssportverhalen gaat ook mee met de waan van de dag. Even geen horrorverhalen over doodgevallen stayers. Tijdens de Tour mooie en unieke ‘plaatjes’ uit zijn archief. Uiteraard met betrekking tot de Tour. Vandaag de Tour van 1936, de vierde etappe met een ‘gesloten bareel’: waar Albert Gijsen wel raad mee wist.
Het favoriete plekje voor de echte liefhebber. Die stond daar urenlang. Te wachten op spektakel! Waarvoor een aanstormende trein, zakkende spoorbomen, én een peloton renners voor nodig waren. Op een ‘bareel’, Vlaams woord voor spoorovergang, schreef Albert Gijsen historie. Héél kleine geschiedenis, maar toch. Wat dat betrof was Gijsen sowieso een geluksvogel. De man ging de geschiedenisboeken in als één van de vier eerste vaderlandse Tourrenners. Albert, Brabander, beet dus de spits af. Vertrok naar Parijs en kreeg van de organisatie een fiets, wat verplicht was. En daar begon voor de boomlange Albert de ellende. Een frame in zijn maat was niet voorhanden. Uiteindelijk vertrok Gijsen op een té klein exemplaar. Albert Gijsen, broodrenner in de crisesjaren. Scharrelde zijn kostje bij elkaar in de Vlaamse kermiskoersen. Liet zich door sportjournalist Joris van den Bergh overhalen mee te doen aan de Tour de France waarvoor hij een aantal lucratieve contracten liet schieten. Voor Albert werd de ronde van Frankrijk één grote misère. Na vier dagen was er nog geen cent verdiend. Je zal daar bijna fatalistisch van worden. Albert Gijsen in ieder geval wel. De vierde etappe. Gijsen op kop van het peloton. Gaat, in de buurt van Debrouillardise, een gat in midden Frankrijk, de spoorbomen dicht. ‘Godsnondeju’, moet hij in sappig Brabants geroepen hebben. ‘Dat heb ik weer’. Albert, fietsende opportunist, rook ook zijn kans, en weet, fietsend, rakelings voor een aankomende stoomloc over te steken. Op het moment suprême wordt Gijsen door de fotograaf van het sportblad Le Miroir des Sports gesnapt. Op een prominente plaats in het toentertijd toonaangevende blad pronkte Alberts heldendaad. Albert Gijsen, prof van 1935 tot ’39, kwam tijdens de etappe over de Galibier te laat binnen. Voor de renner uit Putte-Kapellen was de Tour na een week afgelopen. Na de oorlog stapte de Brabander weer op de koersfiets. Met weinig succes. Albert Gijsen die een aanstormende locomotief wist te weerstaan, stierf op ruim eenennegentig jarige leeftijd.
Foto 1: Albert Gijsen, links, weet op zijn té kleine fiets, een locomotief te ontwijken.