Standbeeld

Kleine kapelletjes, uitgestrooid over het vlakke Vlaamse land. Hangplek, waar de heilige Maagd om bescherming wordt gevraagd, en waar een gelovige  mee aan de slag kan. Tussen de vlasakkers staan nogal wat van deze roomse vehikels. Ach wat maakt dat uit, een Mariabeeld meer of minder. Helemaal niet in een streek, waar de koers nooit ver weg is. Per slot van rekening is wielrennen een roomse sport.

Een klimaat waarin een beetje coureur, snel de status van een heilige krijgt. De daden van zo’n renner wordt in de lokale staminee verheerlijkt. Als de drank in de man is, wordt met een pint schuimend bier, op zo’n kerel getoost. ‘Awel, op d’n Jef, opdat hij een standbeeld krijgt’. Goudgele rakkers klotsen tegen elkaar.  Zó moet dat gegaan zijn in de lokale kroeg van Otegem, waar Jef Planckaert z’n domicilie had.

En terecht! Jef Planckaert had niet voor niks, zijn Vlaamse ballen jarenlang geschroeid, op dat smalle harde koerszadeltje. Waarmee hij zijn hondstrouwe supporters, mee in hogere sferen bracht. Jef, wielericoon van de jaren vijftig. Held van de kermiskoers, dokkerend over de kasseien, als een Vlaams symbool van een stoemper. Een archaïsche Vlaamse prof, afkomstig uit West-Vlaanderen. Won koersen als een Omloop van het Volk, Kuurne-Brussel-Kuurne, de Vierdaagse van Duinkerken, werd Belgisch kampioen en niet te vergeten winnaar van Luik, Bastenaken-Luik én Parijs-Nice. Jef won etappes in de Tour de France, de rondes van Luxemburg, Zwitserland en Duitsland. Reed zeven dagen in de gele trui, en werd in de Tour van 1962 tweede achter Anquetil.  

D’n Jef, meer dan elf jaar actief als beroepsrenner. Won zevenenvijftig koersen, en reed voor inmiddels legendarische ploegen als een Wiel’s Flandria en Solo-Superia. In 1965 hing Jef de koersfiets definitief aan de haak. En dan zijn we waar we moeten zijn. Het is 2007, als Jef Planckaert na een slopende ziekte, van dit ondermaanse vertrekt. Twee jaar later werd in het centrum van Otegem een standbeeld van Jef Planckaert onthuld. Vlaanderen heeft zijn helden lief.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1958.

Virus

Het poliovirus trapte nog wild om zich heen. Suikerklontjes besprenkeld met vaccinatie viel niet aan te slepen. Dat laatste,  geweigerd op de Veluwe én Bijbelgordel. De Heer heeft namelijk met alles een bedoeling. Ziektes zijn de straf voor beleden zondes, zo werd van de kansel geroepen.   Een opinie waar de rest van het land lak aan had.
Dan was er ook nog het tuberculosevirus waar hele volksstammen in sanatoria van bij lagen te komen. Om maar te zwijgen over het difterievirus. Begin jaren vijftig, waar de ratio het overwon van massahysterie. Grote bijeenkomsten vonden  gewoon plaats. Sportwedstrijden werden massaal bezocht. En de Koers? Die ging gewoon door. Liep je als toeschouwer daarbij een virus op, dan had je doodgewoon pech. Of anders was het wel de beoogde straf van Hem. De Heer wikt, de Heer beschikt. Dat Parijs-Nice anno 1951 van start ging, dat stond niet ter discussie. Voor Roger Decock maar goed ook. Decock, een Vlaamse stoemper  van vijfentwintig jaar, maakte tijdens de tweede etappe met finish in Saint Etienne, dé beslissende slag (zie foto, met Decock helemaal links). Decock pakte daarmee de leiderstrui. Om het hele koersverloop hier te beschijven is saai. Laten we het er maar op houden dat Roger de overwinningsbloemen van Parijs-Nice mee nam naar Izegem, West-Vlaanderen, z’n woonplaats.
Roger Decock, die in 1952 absolute wielergeschiedenis schreef, door de Ronde van Vlaanderen te winnen, was twaalf jaar profrenner en verdiende zijn  franken voornamelijk in de Vlaamse koersen.  En laten we vooral niet badinerend doen over het instituut, ‘Vlaamse Kermiskoers’, waar alleen de ijzersterke overeind in bleven: Roger Decock won er eenenvijftig van, waarvan akte.
Dat Roger Decock met een ijzersterk gestel is gezegend blijkt wel. Die ouwe, taaie  Vlaamse kasseienstoemper is met zijn vijfennegentig jaar nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint, jaargang 1951.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: