In de race onderscheidt Devente zich van de jongens

Al zit je tjokvol talent, maar ben je onbemiddeld dan kan je het toch vergeten: want zo zit de wereld van het formuleracen in elkaar. Ben je toch gek van het autoracen dan maar een treetje lager zoals Daniel Devente en die hoor je niet klagen. In het kartracen is hij de grote mijnheer, de onbetwiste kampioen die bij iedere race op pollposition staat. De concurrentie jaagt op de Amsterdammer.

Is de kampioen van Nederland kartracen niet in het bezit van een kermistitel? De vraag ligt brandend en verschroeiend op de lippen en wordt sissend geblust bij het aanhoren van het verhaal van Daniel Devente (28). Want om in een racemachientje met dik honderdtwintig over een soort achtbaan te scheuren daar moet je in het bezit van kwaliteiten zijn, zoals ijswater in de aderen, het concentratiegevoel van een topschaker een paar stalen onderarmspieren plus het nodige motorgevoel. Menig huidig formule 1 racepiloot is zijn carrière gestart in de kuip van een kart. Of Devente ooit plaats neemt in een brullende bolide daar is hij zeer gedecideerd over. Nee dus.
,,Voor de formuleklasse ben ik te laat begonnen met racen. Ik doe het pas zeven jaar en voor ik ingewerkt ben, ben ik al tegen de dertig. Ze hebben liever een jonkie. Ik heb het wel geprobeerd door op Zandvoort een racecursus te volgen en dat ging goed. Maar je kunt nog zo veel talent hebben als je geen geld meeneemt kan je het vergeten.’’ Devente heeft daar vrede mee, vertelt zijn relaas nuchter zonder frustratie of wrok. En waarom zou hij ook: in de kart is hij een van de beste van het land.
,,Veel van mijn collega’s kijken tegen mij op, en willen mij verslaan. Als ze in de uitslag pal achter mij zitten vinden ze het prachtig. Waarom zou ik klagen?’’ In de roulette wat de ‘race’genoemd wordt zet hij wekelijks lijf en ledematen op het spel. Allereerst doet hij wat hij moet doen en dat is starten op pollposition: Devente beheerst het kunstje van de snelste kwalificatietijd als geen ander. En dan begint de race. De starter steekt de vlag omhoog, 25 motors huilen, uitlaatgassen dwarrelen weg en 24 piloten willen maar een ding: jacht maken op de man op pollposition. Een normaal mens zou in zo’n situatie smachten naar een valiumpje maar Devente geeft geen krimp.
,,Nee daar moet je maar niet aandenken en al helemaal niet achterom kijken. Ik maak bij de start tempo en probeer weg te rijden van de rest. Het is een gevecht om de millimeter waarbij je goed moet uitkijken, het blijft link want je hebt benzine aan boord.’’ Devente beweert dat zijn sport eerlijk is en dat de beste piloot altijd wint en dat heeft niets te maken met het materiaal. ,,Bij de wedstrijden worden de karts beschikbaar gesteld door de baan. En dan moet je laten zien dat je in een mindere kart ook goed bent. Sommigen van die wagens hebben een onderstuur, dat wil zeggen dat hij de neiging heeft om recht uit te gaan. Daar moet je mee omgaan, feeling voor hebben, je niet druk maken, gewoon ontspannen in je kart zitten. Daar onderscheiden de mannen zich van de jongens.’’
Karts hebben een, tikkeltje, lullige uitstraling en vergeleken bij een Formule 1 bolide is het een ei zonder zout. Maar de wedstrijden liegen er niet om. Een race duurt drie uur en die wordt gereden door teams. Ieder uur is een tankstop en wordt er van rijder gewisseld. Devente en zijn jongens rijden ook monsterafstanden zoals afgelopen najaar in België waar een internationale 24-uursrace gehouden werd. De 55 kilo zware coureur beleefde daar ultieme momenten. ,,Na de vijfde ronde kwamen wij op de eerste plaats en dat hebben wij niet meer weg gegeven. Iedere uur was er een tankstop en werd er van rijder gewisseld. We hebben tien uur in de regen gereden, maar achteraf was het een heel mooie ervaring.Of mijn gewicht een voordeel is? Nee! Het reglement schrijft voor dat je minimaal 70 kilo moet wegen. Ik rij met vijftien kilo lood om aan dat gewicht te voldoen.’’
Op de vraag aan Daniel Devente wie zijn held is wordt zwijgend geantwoord: hij haalt een spacy racehelm tevoorschijn voorzien van een handtekening van Juan Pablo Montoya de formule1 coureur. Hoe een modale racer, afkomstig uit Geuzenveld, daar aan komt is een verhaal op zich. Bij een van zijn races was de hoofdprijs een vijfdaagse reis naar de Grand Prix van Monza, voor formule 1, waar rond gekeken mocht worden bij de renstal van Williams. De aspirant winnaar moest wel even de snelste tijd neer zetten. Devente maakte zijn reputatie van ‘rondekiller’ weer eens waar en kon naar Italië afreizen.
,,Ik was vijf dagen te gast bij Williams en mocht overal komen. Iedereen, van monteurs tot coureur Montoya, waren hartstikke aardig en ik had echt het idee dat ik er bij hoorde.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Bodybuilden is een spirituele sport

hedwiegIedere dag reist hij af naar Den Haag, waar hij door IJzeren Willem wordt opgewacht, zijn trainer en goeroe. Bodybuilder ben je per slot van rekening vierentwintig uur per dag en daar komt meer voor kijken dan maar wat aan ijzer trekken’. Niet alleen het lijf maar ook de ‘spirit’moet getraind worden. Want voor je het weet ben je een grote kerel met een te klein intellect. Amsterdammer Hedwieg Parden heeft er een wetenschap van gemaakt. En niet voor niets. Parden is de nummer twee van de wereld.

De sportschool is gevestigd op de eerst verdieping van een voormalig schoolgebouw in een negentiende eeuwse Haagse wijk. De trap eindigt in een deur. Drie zwijgende en bovenmatig breedgeschouderde mannen vormen het ontvangstcomité. Beseffend dat de herinnering aan ADO-Ajax en de daarmee gekoppelde anti hoofdstadgevoelens nog vers zijn, vervloekt de verslaggever zijn Amsterdamse accent en ziet zich zelf al de trap afstuiteren. Willem Jonkman, Jacob Barendrecht en Hedwieg Parden zijn geen voetbalsupporters maar gedreven sportjongens, die het geen ene moer uitmaakt waar je vandaan komt. En bovendien, een van hen is ook een Mokummer: Hedwieg Parden 39 jaar.
Waarom Parden niet in Amsterdam oefent maar ieder dag naar de hofstad afreist, wordt snel duidelijk. Voor de trainingen van Willem natuurlijk. Willem wordt niet voor niets ‘de IJzeren’genoemd. En dat is niet omdat er dagelijks tonnen ijzer in diens sportschool worden verstouwd, maar om zijn Spartaanse methoden.
,,Willem haalt het talent in je naar boven en laat je bewust worden van je eigen kunnen,’’ vertelt Parden. ,,Willem is de pionier van onze sport en zijn gym is een zogenaamde werkschool. Ze komen uit heel Nederland om hier te trainen. Ik doe al meer dan twintig jaar aan bodybuilding. Drie jaar gelden ben ik hier beland. In Amsterdam trainde ik elke dag uren lang, dronk daarbij zo’n acht liter water en bleef op negentig kilo steken. In Den Haag train ik maar drie kwartier per dag en ben ruim twintig kilo aangekomen. Alleen spieren. In acht maanden had Willem mij op wereldniveau gebracht.’’
De gedachten aan hormoonpreparaten dringen zich onherroepelijk op. Maar door de grote sociale onderlinge controle is Willems sportschool clean. En heeft Parden laatst niet mee gedaan aan een wedstrijd onder de vlag van de NOC/NSF, compleet met dopingcontrole’s? Hedwieg Parden gaat uitleggen wat bodybuilden precies is. Niet alleen een kwestie van aan ijzer trekken, doceert Parden.
,,De voeding is heel belangrijk. Ik eet alleen maar eiwitten, koolhydraten en voedingssupplementen. Drie kwartier voor trainen lijkt niet veel, maar ik doe het met een heel hoge intensiteit. Na zo’n training ben ik redelijk kapot. De hele dag moet ik dan herstellen en gebruik daarvoor om de anderhalf uur een maaltijd. De vitaliteit komt uit goede voeding.’’
De meeluisterende Jacob Barendrecht laat zijn tas, gevuld met eten, voelen. Het optillen van de tas is al een training op zich. Jacob doet zijn valies open en haalt zijn dagelijkse voedsel eruit: een kilo gekookte rijst met rozijnen en maïs, twee zakken rouwkost, een bak met gekookte aardappelen, blikjes tonijn, een pak brood, een kilo gekookte kip en diverse flesjes met eiwitdrank. Van al dat gepraat krijgt Jacob honger en trekt nog maar een blikje vis open. Parden vertelt verder.
,,Mijn streven is harmonie met mijn lijf. De kunst van het bodybuilden is dat er geen vocht tussen de huid en de spier zit. Voor een wedstrijd moet het lijf helemaal droog zijn. Een jury beoordeelt je op symmetrie, vetpercentage en presentatie. Voor wij opkomen worden we met olie ingesmeerd. Dat is om de spieren te accentueren en om het licht dat de huid niet absorbeert terug te kaatsten.’’
Het leven van een trainende asceet staat niet bepaald bol van de rock ’n roll. Voor een gewone sterveling lijkt dat behoorlijk afstompend. Hedwieg Parden is het daar niet mee eens. ,,Bodybuilding is een heel spirituele sport. Ook als ik niet train, ben ik geestelijk bezig. Dat kan heel diep gaan. Want door die trainingen is mijn lijf fysiek aan het veranderen. Spiritueel ben ik aan het mee groeien. Anders ben je een grote kerel met een kleine geest.’’
Zijn sport promoten gaat Parden goed af, maar over zijn eigen prestaties is hij vrij bescheiden. ,,Ik heb aan alle groet toernooien meegedaan. Ik werd tweede bij het NK, EK en het wereldkampioenschap. Voor nog betere prestaties gaan de financiën meespelen. Dan moet er meer vlees gegeten worden en vooral meer en betere voedingssupplementen. Die zijn heel duur. Ik kan dat niet betalen.’’
Wat je Parden nou niet moet vragen is of hij nog lang met zijn sport door gaat. Zijn ogen worden vierkant van verbazing om zo’n domme vraag. ,,Ik krijg altijd een vreemd gevoel als mij dat gevraagd wordt. Dat is hetzelfde als aan een niet-roker vragen wanneer hij gaat roken. Bodybuilding is mijn leven man. Dat geeft mij een goed gevoel.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Schrekker jong maar niet de minste

lindsey-schrekkerIn de de hoofdmacht van de Volewijckers krijgt jeugd voorrang. Speelsters vanaf vijftien jaar strijden iedere week op het hoogste handbalniveau. Niet vreemd dat zij met haar achttien jaar een van de ervaren meiden is. Linsey Schrekker is de aankomende ster en beleefde afgelopen oktober haar debuut in het nationale team.

Ze heeft er jaren voor nodig gehad om het stadium te bereiken. Het is gelukt. Als ze nu de handbalarena betreedt begint het proces van Jekyll en Hyde, de knop gaat geestelijk om. In plaats van dat lieve aandoenlijke meisje uit Noord, staat er een  harde, tikkeltje gemene, ‘tricky’ handbalster die gaat spelen op de grens van het gevoegelijke. Dat zijn de noodzakelijke ingrediënten om mee te draaien aan de top van het nationale handbal, want met alleen techniek kom je er niet. Linsey Schrekker (18) afkomstig uit de jeugdopleiding van de Volewijckers heeft dat goed begrepen en heeft er ook geen moeite mee.
Schrekker is de opponent van de piepjonge hoofdmacht van de Volewijckers. Een team met de gemiddelde leeftijd van net twintig jaar: een getal dat omhoog gekrikt wordt door handbaldiva Natasja Burgers. Schrekker is dan wel een van de jongste maar daarom niet de minste. Afgelopen oktober beleefde ze haar première in het Nederlands team. Zelf vond ze dat ze nog te kort kwam, maar dat is tijdelijk.
,,We speelden tegen Duitsland en in mijn team zitten veel meiden die in buitenlandse dienst zijn. Ik stond steeds naar ze te kijken hoe ze het deden. Voor mij was het een groot leerproces. In Oranje speelde ik op de linkeropbouw en dat is niet de plaats wat ik bij Volewijckers in neem. De coach was tevreden en verwacht dat ik nog beter ga worden.’’ Alleen een supporter, lijdend aan een tunnelsyndroom, beweert dat Sporthal Elzenhage, de thuisbasis van de Volewijckers, een zinderende heksenketel is waar bezoekende ploegen met angstzweet binnen komen.  Voor Schrekker was het daarom een cultuurschok toen zij afgelopen november in Roemenië met het Nederlands team een toernooi speelde. En dan niet voor een handjevol liefhebbers wat ze gewoonlijk gewend is, maar een volle bak.
,,Ik was bloednerveus, wat al begon met warmlopen. Al die mensen die naar jou zitten te kijken. Iedere speelster werd apart naar voren geroepen en aan het publiek voorgesteld en bij het afspelen van de volksliederen liepen de kriebels langs mijn rug. Ik zit op krachttraining maar ben in de groei en kom nog spiermassa tekort. De fysieke kracht bij de meiden van Oranje is heel groot ook bij de tegenstanders. Als ze je vast hebben kom je niet meer los.’’
Jonge schoolgaande topsporters hebben over de medewerking van de scholen niet te klagen. Maar niet als je, zoals Schrekker, op de kappersschool zit, want het leren om een permanentje te zetten schijnt waanzinnig moeilijk te zijn en dan kan je geen dag school missen. ,,Ze accepteren niet dat ik in de top speel. Iemand die heel graag kapster wil worden heeft geen behoefte aan sport, is de gangbare mening. Voor Roemenië mocht ik een weekje vrij nemen, maar daar moest ik eerst voor op de knieën. Een paar weken geleden kon ik in Parijs spelen maar kon het wel vergeten want kreeg geen vrij.’’
Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst, om er maar een lullig tegeltjeswijsheid tegen aan te gooien. Maar jong is ook dartel, onbevangen, geen ervaring, en dan kan je gemakkelijk op je bek gaan. Wat van toepassing is bij de Volewijckers. Spelend op het hoogste niveau met een team gevuld met piep jonge meiden, sommigen zelf van vijftien jaar, gaat het soms goed maar ook faliekant fout. De eerste helft van de competitie werd maar twee keer gewonnen. En wekelijks een pak ros krijgen dat moet voor dramatische taferelen zorgen in de kleedkamers. ,,Nee’’, onthult ze berustend, ,,Er wordt in de kleedkamer niet gehuild. In plaats daar van heeft iedereen zijn mening. Ik steek die van mij ook niet onder de banken. Het bleek dat het niet meer klikte tussen de meiden en de trainer. Onderling hebben wij besloten dat hij weg moest. Ik vond het heel moeilijk want het is een aardige man, maar als het niet gaat moet je aan het team denken.’’
Wat aan de Volewijckers ontbrak is een leidster, een oudere ervaren speelster, die de lijnen uitzet, en rust brengt. Met de komst van Natasja Burgers is die vacature opgevuld. ,,Burgers heeft jarenlang in het buitenland gespeeld en geeft de nodige rust en routine. Als zij mee speelt wordt het spelletje meteen anders. Laatst viel ze met een blessure uit en prompt waren wij meteen stuurloos.’’
Linsey Schrekker, een meid afkomstig uit Noord, is verknocht aan de Volewijckers maar als ze de kans krijgt is ze weg. Het buitenland lonkt want daar kan je handbaltalent te geld maken. ,,Natuurlijk wil ik naar het buitenland, als het even kan naar handballand Denemarken. Als je verder wil ontwikkelen moet dat wel. Ik heb nog steeds progressie.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad