Met Kneetje in het Logement der Armen

Regelmatig bezoekt hij het graf van Gerrie Knetemann. Staand voor de rustplaats van de diepbetreurde en te vroeg overleden voormalige wereldkampioen, dwalen zijn gedachten weg. Om te stoppen bij begin jaren zeventig.  Knetemann, toen een jong en aanstormend talent. Hij, een amateur-renner wiens beste dagen achter hem lag. Gerrie Knetemann en Fred van Lachterop. Beiden ras-Amsterdammers en alle twee uitkomend voor de roemruchte wielerformatie Amstel-Bier.
Fred van Lachterop inmiddels vijfenzeventig jaar koestert zijn herinneringen. Ze zijn namelijk  té dierbaar en té mooi. Samen met, Kneetje, zoals hij hem liefdevol noemt, naar de Vlaamse koersen.  Dat waren expedities die een week duurde. Iedere dag koersen  waar ze met elkaar in de slag zaten. Een verbond tussen jong en oud. Tussen de leermeester en leerling. Mét vastomlijnde afspraken. Fred, toen een dertiger, stopte af.  Kneet, amper droog achter de oren, maakte het karwei af.
En als ze dan alle twee in de kopgroep zaten wist Van Lachterop dat het in de knip zat. Zat de koersklus er op dan werd er geslapen in het Logement der Armen in Hasselt. Als gereputeerde prof, diste Kneetje dat laatste jarenlang smakelijk op.
Fred van Lachterop, beschikkend over de gave van het vertelde verhaal.  De man zit daar vol mee. Zeventien jaar koersen is dé bron. Dertien jaar maakte hij deel uit van de  Amstelbierformatie. Van Lachterop een man zonder eilie, noemt zich zelf een eenvoudige arbeidsjongen.
Geboren en getogen in de Amsterdamse Jordaan, dat merkwaardige buurtje die zoveel goede wielrenners leverde. Inmiddels belandt in z’n levensavond, met aan de horizon het naderende einde, borrelen de  koersherinneringen regelmatig op. Zoals deelnames aan de loodzware etappekoers Warschau-Berlijn-Praag, ook wel de Vredeskoers genoemd.
Popsterren
Twee keer mocht hij zijn land achter het IJzeren Gordijn vertegenwoordigen. Een eer vindt hij nu. Als popsterren werden hij en zijn ploegmaten behandeld in het Warschau van de jaren zestig. Hij ziet het nog voor zich. Drommen mensen voor het hotel. Wachtend op een handtekening of een foto. Maar daar is ook die lichte gene. Hoe hij en zijn makkers, ploegfoto’s uit het raam gooiden. Om tot hun verbijstering te zien hoe mensen op hun knieën over de stenen kropen om zo’n plaatje te pakken krijgen. Anno nu, krijgt hij nóg last van plaatsvervangende schaamte.
Dan was er ook nog de avonturen in de ronde van Turkije. Waar hij moest knechten voor Joop Zoetemelk en Fedor den Hertog. En ondanks dát toch achtste te worden in het algemeen klassement.
De Jordanees, als wielrenner altijd onderweg. Nooit werken bij een baas. Nu, zittend in zijn tuin, vindt hij dat behoorlijk a-sociaal. Nu, is nu! Wat altijd gemakkelijk praten is. Tóen was het oogkleppen op  en gaan. Hoe hij zich zelf als renner omschrijft? Als een coureur zonder spurt. Maar wel één die meedeed om de hoofdprijzen. Wat gemiddeld drie gewonnen koersen per jaar opleverde. En niet de minste. Zoals de loodzware etappekoers van Zeeuws-Vlaanderen. De Mokummer wars van talent moest er keihard voor trainen. In de winterochtenden, samen met Kneetje, rondje Zandvoort. Om in de middag mee te gaan met de illustere Molenploeg.  De Ster van Zwolle, dé openingskoers van het seizoen, was voor  Knetemann. Op de vierde plek zijn leermeester uit de Jordaan.

Calvinisten
Fred, geestig en relativerend, vertelt ook over de Bedevaartronde, ergens in het Limburg van de jaren zestig. Waar, voor aanvang van de koers, de fietsen gezegend werd  door de bisschop van Limburg: voorzien van alle roomse toeters en bellen. Calvinisten als Van Lachterop en Henk Benjamins, gingen ter plekke met elkaar in de slag. Vanaf het startschot demarreerde Fred met Henk. Benjamins won. Van Lachterop tweede. 
Fred van Lachterop, ook een gemankeerde renner. De man was doodsbang voor valpartijen. Criteriums? Eén grote nachtmerrie! In deze tijd wordt op zo’n coureur  een sportpsycholoog op los gelaten. Toen moest je het zelf maar uitzoeken.

Wielerkluppie GGMC
Wat zijn favoriete wieleronderdeel was? De ploegentijdrit! Daar kon hij helemaal op los gaan. Zes keer maakte hij deel uit van het winnende team die het Zilveren Molentoernooi won: dé ploegentijdrit van het land.
Over de vraag aan welke ploeg hij de beste herinneringen had hoeft hij niet lang na te denken: die van zijn zijn wielerkluppie GGMC. Een team  bemand met Herman van Bruggen, Tim Krabbé, en Van Lachterop. Kerels, met een latent erotische relatie met de chronometer. In zijn boek ‘ 43 wielerverhalen’ schreef Krabbé daar  nog een column over.
 Van Lachterop, nooit prof geworden. Hij keek wel mooi uit. Als amateur in dienst van de Amstel-Bierformatie verdiende hij meer dan een gemiddelde beroepsrenner.
En ach, wat maakt hem dat nu nog uit. Op zijn vijfendertigste stopte hij met koersen. Wat volgde was ongetwijfeld zijn allergrootste prestatie. De inmiddels ex-renner  begon een opleiding aan de sociale academie. Na een succesvolle carrière, eerst als jeugdwerker, daarna als medewerker bij de reclassering ging hij op zijn vijfenzestigste met pensioen.
Ondanks dat zijn lieve vrouw Nel, twee jaar geleden overleed, telt Fred van Lachterop, zijn zegeningen. De man brengt nu zijn dagen door op zijn volkstuin, zijn lust en leven. Maar toch…de koers blijft altijd aan hem beklijven.

Foto 2: Rechtsboven Gerrie Knetemann. Foto 3: De ronde van Turkije met onder meer Joop Zoetemelk en Daan Holst.

.

‘Bidon’, Een leven lang de Tour

bidon‘De man strekt zijn arm, zijn hart bonst. De man voelt opeens een verhoogde bloeddruk. Zijn arm verraadt onzekerheid. De man is nerveus, bloednerveus. Hij staat aan het eind van strook 6, het begin van de finale in de vijfde etappe van de Tour de France 2014, Ieper-Porte  du Hainaut, zeg maar Arenberg.’ Zo die zit! Peter Ouwerkerk, pakt de lezer vanaf de eerste alinea bij zijn nekvel en sleept hem mee in zijn boek ‘Bidon’.  Ouwerkerk, krantenverslaggever in ruste, met negenentwintig Tour de Frances op naam. Schreef voor Het Vrije Volk en het Rotterdams Dagblad, niet alleen kranten vol, over de Tour, maar nam uit Le France ook de nodige wielerparafernalia mee: bestemd voor zijn bovenkamer ‘twee trappen omhoog’, een creatief heiligdom, vol met kartonnen dozen gevuld met boeken, foto’s, rondenboeken en relikwieën over en van de Tour.
Ouwerkerk koestert zijn schatten. Voor hem kleeft aan iedere voorwerp een verhaal. Ook aan die ene roze en gecraqueleerde bidon met de rode letters EVIAN, voorzien van drie mysterieuze blauwe viltstiftkruisjes en de letters A.G. Een bidon behorend aan de Spaanse KAS-renner Gonzálo Aja Barquin. ouwerkerkop
Bij Ouwerkerk borrelen dan allerlei herinneringen boven. En beelden. Uiteraard over Gonzálo Aja Barquin, die twee keer, 1973 en een jaar later in La Grande Boucle, startte.
Ouwerkerk was daarbij. In een prachtige stijl beschrijft hij hoe de Tour naar Spanje trok. Door Andorra en dalend naar Seo de Urgel met finish op de Avida del Generalissimo Franco. In het officiële Rondeboek van de Tour beschreven als ‘een stadje dat baadde in rust, comfort en kalmte; beroemd om zijn gastvrijheid’. Nou, dat heeft de Tour geweten…
Peter Ouwerkerk, samen met Tim Krabbé en Bert Wagendorp bij de beste wielerschrijvers van het land, is in Bidon in topvorm  Vierentwintig hoofdstukken, bijna driehonderd pagina’s, heerlijk leesvoer. Voor iedere zich respecterende Touradept een aanraaier! 

Bidon, een leven lang de Tour. Uitgeverij De Geus B.V.
ISBN: 978-90-445-1541-1

Bloemen en erkenning voor Van Bruggen

Ze zijn  er niet veel, wielerverenigingen met een wereldkampioen op de ledenlijst.  Wielervereniging Amsterdam dus wél. Sinds vorige week mag Herman van Bruggen, lid van WVA, zich de snelste master ter wereld noemen (zie verhaal hieronder).
Voor aanvang van de wekelijkse koers, georganiseerd door WVA en gehouden op parkoers Sloten, kreeg de verse wereldkampioen bloemen en het daarbij behorende toespraakje. En er was maar één man die dat laatste kon en mocht doen: Tim Krabbé.
Voor het front van bijna honderdvijftig renners waaronder profs als een Kenny van Hummel had schrijver  Krabbé iets ‘recht te zetten.’  Krabbé heeft een haatliefde relatie met Van Bruggen maar dan op sportief vlak. Als jochie was de schrijver getuige dat Van Bruggen in het Olympisch Stadion, bij de nationale kampioenschappen achtervolging, achter Geldermans het zilver pakken. Niet wetende dat ze twintig jaar later als koersmakkers met elkaar zouden optrekken.

Voor de aanwezige jeugdige renners merkte de schrijver fijntjes op, dat die de wereldtitel van een vierenzeventigjarige vooral niet moeten onderschatten. ‘Probeer het maar eens om op een geaccidenteerd terrein met een stilstaande bocht een afstand van dertig kilometer met een gemiddelde van veertig kilometer te rijden.’
Krabbé had altijd bewondering voor Van Bruggen maar ‘haatte’ hem soms ook. ‘Haat’ die alles te maken had met de ploegentijdrit.
In de zeventiger jaren maakte Krabbé, samen met onder andere Fred van Lachterop, deel uit van de fameuze tijdritploeg van GGMC, waar Van Bruggen de machinist van was.  Met een tempobeul als Van Bruggen, die tijdrijden tot een soort levendoel had en heeft gemaakt, moet dat geen pretje zijn geweest.
In het boek ’42 Wielerverhalen
’ van Krabbé, verplichte kost voor iedere sportliefhebber, speelde Herman een hoofdrol: zei het dat Krabbé hem opvoerde met het synoniem, ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij, op een zaterdagmiddag op Sloten uiteindelijk kreeg. Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé af.

Van Bruggen is Kunst

Mug sept 2009 1 72Tim Krabbé-lezers kennen hem als Kunst. Zijn echte naam: Herman van Bruggen (74), de ‘lone wolf’ van de polder. Al vijftig jaar raast Van Bruggen mee in de subtop. Nog steeds goed voor een derde plaats op het WK-tijdrijden. Schrijver Tim Krabbé is zijn koersmakker nog niet vergeten.

Geen lullige fietstochtjes om de baard van Ome Klaas, maar jakkeren alsof  Beëlzebub  himself op de hielen zit. Nadat het startknopje van zijn fietscomputertje is ingedrukt, raast hij, met de ketting op het buitenblad, dagelijks door de polders, en dat al meer dan vijftig jaar. Herman van Bruggen heeft namelijk een latent erotische relatie met de tijdrit. Afgelopen week deed hij mee aan het wereldkampioenschap tijdrijden in Oostenrijk…
Of hij dat frustrerend vindt? Ja wat dacht je dan!  Heel literair én sportminnend Nederland kent hem en toch is hij nog steeds die anonieme wielrenner. Telkens moet hij uitleggen dat hij dat écht is. Dat het over hém gaat.
In het boek 43 Wielerverhalen’ schrijft  Tim Krabbé meerdere columns over Herman van Bruggen. Hij had een icoon kunnen zijn ware het niet dat Krabbé hem opvoert onder het pseudoniem Kunst. En laat die Kunst nou nog steeds koersen. Deze week werd Herman van Bruggen derde bij het wereldkampioenschap tijdrijden. O ja, Van Bruggen is 74 jaar!  Hebben zijn leeftijdgenoten spierwitte, dunne  benen met een  rivierenlandschap aan spataderen, niet bij Van Bruggen. Zijn stelten zijn die van een wielrenner, bruin, op spanning én afgetraind. Voordat alle senioren naar de sportschool rennen: Van Bruggen heeft meer dan vijftig jaar trainingsarbeid er op zitten. En altijd in zijn eentje. Een lone wolf zo zal je hem kunnen noemen maar dan wel één op de fiets.
‘Met redelijk weer train ik iedere dag vijfentachtig kilometer. Rusten komt in mijn woordenboek niet voor. Een dag niet gefietst is een dag niet geleefd. Onderweg zie ik niks. Ik ben gefocust om binnen de drie uur weer terug te zijn. Ik hou mijn kilometertellertje strak in de gaten.’
Voorhoofd tikken
74 Jaar en nog de instelling van een nieuweling.  Of dat eng is? Meer een vorm van gedrevenheid.  Dat begon al in 1957 toen hij, in Luik, meedeed aan het wereldkampioenschap achtervolging voor amateurs. Als je toen tegen Van Bruggen  gezegd had dat hij meer dan vijftig jaar later ook aan het vertrek van een wereldkampioenschap zal staan had hij op zijn voorhoofd getikt. En toch is dat zo.
In Sankt Johann, Oostenrijk, vond namelijk, deze week (eind augustus), het officiële WK voor masters plaats.  Sankt Johann, hartje Tirol, waar ze elkaar met grüss got begroeten en bier getapt wordt door struise kelnerinnen met laag uitgesneden dirndljurken, waar een duikbootkapitein in verdwaald, strijden jaarlijks de beste veteranen ter wereld om diverse wereldtitels. Twee jaar geleden stond ‘Kunst’ daar ook aan de start en kon de strijd aan met zestig concurrenten.
‘Achtste werd ik’,  verteld hij droog. ‘Ik had gehoopt op een podiumplaats. Terwijl iedereen op een tijdritfiets reed stond ik op een ‘gewone’ fiets aan de start. Dit jaar heb ik beter materiaal aangeschaft.  Ik weet ook wel dat je daar geen streep harder mee gaat, maar het zit tussen je oren.’ Van Bruggen laat zijn futuristische tijdritmachine zien die in de verste verte op een fiets lijkt.Portret Herman 2 8-2009 1 72
Eindelijk op het erepodium
Dat Van Bruggen dacht dat het tussen je oren zit daar had die het mooi mis mee. Rijdend op zijn nieuwe karretje greep hij,  afgelopen week, het brons.
‘Ik ben heel gelukkig met deze uitslag. Er deden toch maar zeventig renners mee. De eerste drie werden s’ avonds op het dorpsplein van Sankt Johann gehuldigd. Wat een happening en dat op mijn oude dag,’verzucht hij.
Zijn dagelijkse ‘jachtpartijen’ door de polder is voor de AOW-er ook een vorm van therapie. ‘Mijn vrouw is negen jaar geleden overleden. Ik fietste toen een tijd niet meer en voelde mij langzaam in een geestelijk ravijn weg zakken. Het ging heel slecht met me. Ik stond op het punt of om van een flat te springen of de koersfiets weer te pakken. Op advies van mijn dochter ben ik weer gaan trainen. In een jaar tijd trainde ik meer dan twintig kilo eraf.’
Dat  Herman van Bruggen in een boek van Tim Krabbé terecht kwam was niet meer dan een optelsom van feiten.  Van Bruggen en  Krabbé deelden de zelfde passies: koersen rijden in Vlaanderen.
‘Zo’n vijfentwintig jaar geleden reed ik alleen maar in Vlaanderen’, onthuld hij. Ik was dik in de veertig maar reed bij de amateurs regelmatig bij de eerste tien. Tim, een verdienstelijk renner, was daar ook altijd. Tientallen koersen heb ik daar met hem gereden. Later hoorde ik dat ik in zijn boek voorkwam. Ik ben daar heel trots op maar ook behoorlijk gefrustreerd, want niemand weet dat ik dat ben’.
Tim Krabbé
‘Wie Kunst is’? echoot  Tim  Krabbé door de telefoon.  ‘Herman van Bruggen natuurlijk. Ik rij nog steeds koersen bij de veteranen’, vertelt Krabbé. ‘Tijdje terug deed ik mee aan een nationale tijdrit. Aan het vertrek goed getrainde  kerels van zestig jaar. Van Bruggen deed ook mee. Hij werd derde. Herman is nog steeds die tempobeul van vroeger’.
Herman van Bruggen, strak lijf, jeugdige kop, maar toch de zeven kruizen gepasseerd, kijkt voor zich uit. Heeft nog zijn dromen. ‘Van de winter ga ik het werelduurrecord voor veteranen op de baan aanvallen. Die staat op 39.7 kilometer. Dat moet mogelijk zijn die te verbreken.’

Het Eurodynamische

Dat tijdrijden was echter het enige wat hij leuk leek te vinden aan wielrennen’, schrijft Krabbé over Kunst.  ‘Ook in gewone wedstrijden reed hij liefst alleen. Hij demarreerde net zolang tot iedere menselijke beschutting bij hem uit de buurt was’.
Zoals alle tijdritspecialisten soigneerde Kunst zich tot in de puntjes. Alles aan hem was ‘eurodynamisch’, zoals wielrenners het noemen; van zijn kapsel tot aan zijn vlekkeloze velgen. Ik heb hem  in België een uur lang bij straffe wind en met inzet van al zijn krachten een voorsprong zien verdedigen van 100 meter op een jagend peloton, tevergeefs. Het deerde Kunst niet, want tot en met augustus reed hij al zijn koersen slechts in functie van de traditionele  najaarstijdritten. ’

Uit ’43 Wielerverhalen’

Mug: september 2009. Foto’s Hilco Koke