Met boksen geen ruggenmergtering of kaalheid

Eerste Wereldoorlog. Nederland neutraal en de hoofdstad beschermd door fortencomplex genaamd ‘de Stelling van Amsterdam’. Mobilisatie! Zevenduizend soldaten, voor wie, behalve de dagelijkse mars, geen moer te doen was. Verveling troef. Jonge kerels bij wie de hormoontjes door het lijf gierden. Die de hele dag maar aan één ding dachten… Zelfbevlekking? Ze keken wel mooi uit.  Daar kreeg je ruggenmergtering, anders wel totale kaalheid van. Dat had de dominee er wel goed ingestampt. Hou die jongens maar eens rustig. De legerleiding wist dat. Deed alles om spontane bobbels in soldatenbroeken te voorkomen. De knoet ging er vervolgens over. Er móest en zóu gesport worden. De manschappen moesten de forten uit. Vermoeide mannen hebben immers geen ‘lekkere trek’. In de kazematten ten zuiden van Amsterdam werden de dienstplichtigen massaal het veld ingejaagd. De veldloop had zijn intrede gedaan.
Gerend werd over een loodzwaar parkoers met levensgevaarlijke hindernissen. Maar dié jongens waren nog goed af. Want je zult toch maar in Fort Halfweg gelegerd zijn. Dan had je echt een probleem. Daar  kwam namelijk ene sergeant Hofman regelmatig langs. En Hofman kwam niet met lege handen. De man nam zijn betonharde bokshandschoenen gevuld met paardenhaar mee. Hofman was boksinstructeur en kanonnier Limburg zijn assistent. Limburg, wedstrijdbokser en op de foto’s een redelijk suf geslagen kop, mocht het vuile werk opknappen.
‘Wie wil?’, zal Limburg ongetwijfeld geroepen hebben. Niemand dus. Je zult, als dienstplichtige, wel gek zijn. ‘Wel te drommel’, riep luitenant Van Steeden hardop en wees vervolgens soldaat Bonneveld aan. In de winter van 1917 speelden zich in de spelonken van Fort Halfweg vreselijke, macabere zaken af. Soldaat Bonneveld kreeg van kanonnier Limburg een flink pak op zijn lazer. Of luitenant Van Steeden ook met Limburg ging sparren?  Hij was wel goed maar niet gek, en keek vervolgens met glimmende gepoetste laarzen, punten in de snor en de handen in de zij goedkeurend toe hoe zijn ‘jongen’ bewerkt werd.
Of de zegeningen van het noble art of selfdefence bij Bonneveld waren doorgekomen, is niet duidelijk. In het archief van Stuyfssportverhalen komt hij na 1918 niet meer voor.

Foto 1: Links soldaat Bonnemans, met kanonier Limburg. Op de achtergrond luitenant Van Steeden.

Foto 2: Beter af waren de geïnterneerde Belgische soldaten in kamp Harderwijk. In het kamp bevond zich, behalve een grote wielerbaan waar wekelijks internationale koersen werden gehouden, ook een groot theater, decor van vele bokswedstrijden.

Foto 3: Terwijl het voetvolk elkaar aftuigde hielden de officieren zich bezig met schermen.
Bron: Revue der Sporten jaargang 1917.

Veldloop voorkomt opstand

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bereidde Nederland zich voor op een verdedigingsoorlog en riep, tijdens de daarop volgende mobilisatie, tweehonderdduizend man op, die uiteindelijk, vier jaar mochten wachtlopen bij de grens of bij strategische doelwitten. In de donkere, vochtige spelonken van de Stelling van Amsterdam, de fortificaties rondom de hoofdstad, bivakkeerden meer dan zevenduizend soldaten. Kolkten aan de fronten in Vlaanderen en Noord-Frankrijk de adrenaline én het bloed rijkelijk, in de Stelling was verveling en ergernis troef. Probeer maar eens duizenden jonge kerels met een te hoge testosteronspiegel met vies eten, slechte huisvesting, wachtlopen, met de handen boven de dekens slapen, corvédiensten én een dubbeltje soldij per dag, rustig te houden.
Koos Speenhoff, dé Marco Borsato van vijfennegentig jaar geleden, mocht de boel opleuken. Koos trok van fort naar fort. Met liedjes als ‘Waar wordt een militair het meest verwend? Ja, in het Fort, Waar wordt een  ieder vetgemest? Ja, in het fort’, zette Koos, hoogstwaarschijnlijk, de boel nog meer op scherp. In sommigen forten braken rellen uit. Om verder oproer te voorkomen werd een Centrale Sportcommissie opgericht.
De mannen moesten de forten uit. Korporaals en andere onderofficieren, zonder enige sportervaring werden aangewezen om de boel te leiden. In het toenmalige Amsterdamse Stadion werden deze, in zes lessen, tot militaire sportinstructeurs klaar gestoomd. Eenmaal sportinstructeur hadden ze er wel zin in.
Over de jongens van de Stelling ging de ‘zweep er over’. Er werd getraind tot de knieën slap werden. De mannen van de Stelling hadden de dubieuze primeur als eerste soldaten uit de vaderlandse geschiedenis mee te doen aan de later zo gehate militaire veldloop.
Jonkheer Six, zelf vrijgesteld van militaire dienstplicht, stelde daarvoor zijn  landgoed Jagtlust  in ’s Graveland, ter beschikking. Voor de gelegenheid hadden de knechten van Six een parkoers van drie kilometer uitgezet. In december 1915 werden de voorheen lamlendige soldaten over een besneeuwd parkoers van  sloten, boomstammen, en een zandafgraving van drie meter diep, gejaagd. En ze vonden het nog leuk ook, wat natuurlijk niet zo was. Na afloop werd er, in het bijzijn van ‘hoge omes’, om het hardst geroepen dat ze het heerlijk vonden.
Leo Lauwer, sportjournalist van het sportblad Revue der Sporten, beschouwde de mobilisatie als een zege voor de lichamelijke opvoeding in het land. In zijn blad droomde Leo hardop dat de ‘psysieke ontwikkeling van ons volk zal bereikt worden bij algehele bloei van de sportmaatschappij’.
Met de  honderdduizenden hardlopers die nu, dagelijks over de wegen rennen, is  Leo’s wens beantwoord.



error: Content is protected !!