Romantiek

Jong, onschuldig en mooi. Ook in het Frankrijk van juli 1939. Meisjes in zomerjurkjes, onzeker giechelend, naast hun held René Vietto. Vragend om een handtekening. Of deze autogram voor hun poëziealbum bedoeld was? Of dat het de meiden alleen maar ging, om de geur van René op te snuiven? Wat kan dat ook eigenlijk schelen. Het resultaat is een foto waar de romantiek van af spat. Een ontroerend tijdsbeeld van een onbezorgde jeugd, gevangen op celluloid, gemaakt door die ene onbekende fotograaf, tijdens de Tour de France van 1939. 

Onschuldige onbezorgdheid, die een jaar later definitief was afgelopen. Op het moment suprême dat de fotograaf afdrukte, moest de Duitse blitzkrieg nog een jaar wachten.  René Vietto, tijdens de jaren dertig door Franse sportkranten- en magazines naar een heldendom geschreven. Vietto, een grimpeur bij de gratie Gods én het Franse volk. Tijdens de Tour van 1934, danste en dartelde René twintig jaar jong, in het hooggebergte onbekommerd, vér voor alles en iedereen uit. Dat René twee bergetappes won was aardig. Maar láng niet genoeg voor eeuwige roem.

Dat laatste verkreeg hij pas nadat hij in diezelfde Tour, in de Pyreneeën tijdens  een afdaling, met de gele trui in het vooruitzicht,  zijn voorwiel moest afgeven aan kopman Magne. Snikkend van machteloos verdriet om zoveel onrecht kon René, zittend op een muurtje, meer dan vijftien minuten wachten op de materiaalwagen. Waarmee hij zijn winst op een touroverwinning mee opofferde. Een drama vast gelegd in een, inmiddels iconische foto, gepubliceerd op alle voorpagina’s wat in Frankrijk van de drukpersen rolden. Waarmee René’s plekje in de eeuwige heldengalerij zeker mee werd gesteld. Ach die René. Zo’n coureur, waar de dramatiek aan z’n koersbroek was geplakt. Ook in de Tour van 1939, waarin hij de gele trui draagt. Om in zijn geliefde hooggebergte gelost te worden door Sylvère Maas. Einde Tourdroom. En het wordt nóg erger. De oorlog breekt uit.  Waarmee René Vietto’s carrière werd geknakt.

En hoe het met het leven van meisjes afliep? Willen wij dat wel weten? Want ook hen wachtte het lot wat zoveel generaties jonge mensen over kwam. Het geriatrisch monster wachtte geduldig in de coulissen. Schoonheid verdwijnt. Strakke lichamen zakken uit. Haar wordt grijs, en de eerste rimpels verschijnen. Waarbij te hopen valt dat deze meisjes, ieder geval een heel lang en gelukkig leven hadden. Een leven waarbij ongetwijfeld terug gedacht is, aan die ene mooie dag tijdens de Tour van 1939.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1934 en 1939.

Vaders en zonen in de wielersport

Mathieu van der Poel is op dit moment Nederlands meest spraakmakende en succesvolle wielrenner. Zodra hij een koers domineert, dan weet de camera altijd weer zijn vader te vinden: Adrie van der Poel, oud-wielrenner met een indrukwekkende erelijst die veel betekent voor Mathieu en zijn andere zoon David. Geïnspireerd door dit gegeven heeft wielerhistoricus en -liefhebber Fred van Slogteren onderzocht hoe belangrijk vaders zijn (geweest) voor de wielercarrière van hun zoon. Dat bleek in veel gevallen zo te zijn waardoor Van Slogteren zich heeft moeten beperken tot de meest aansprekende voorbeelden. Zo bespreekt hij naast opa Raymond Poulidor, vader en zonen Van der Poel onder andere de vaders en zonen Pellenaars, Zoetemelk, Van der Velde, Nijdam, Breukink, Van Poppel, Wagtmans, Tolhoek, Dekker, Kroon en Groenewegen. Door het interviewen en lezen van hun verhalen ging Van Slogteren tevens na wat de invloed van zijn eigen vader is geweest bij zijn passie voor de wielersport.

Er blijken vele soorten wielervaders te bestaan. Vaders die het geweldig vinden dat hun zoon wielrenner is, omdat ze dat zelf zo graag hadden gewild. Zoals Rien Boogerd, de vader van Michael. Maar er zijn ook vaders die er niets van willen weten omdat ze de sport te volks of te gevaarlijk vinden; vaders die hun wielrennende zoon inzetten voor de publiciteit van hun bedrijf; vaders die het niet verdienen om überhaupt vader te zijn of vaders die er ineens niet meer waren.. Ze komen allemaal aan bod.

En dan zijn er natuurlijk de vaders die beroemde wielrenners waren en zonen kregen die als coureurs bijna evenknieën zijn of waren. Zoals (alweer) Adrie en Mathieu van der Poel, Henk en Jelle Nijdam en (misschien) Erik en David Dekker. Denk in dit verband ook aan Jean-Paul van Poppel en zijn zonen Boy en Danny.

Als een rode draad door het boek loopt de relatie van vader en zoon Van Slogteren. Gaandeweg zijn onderzoek ging Fred zich steeds meer afvragen welke rol zijn eigen vader speelde in zijn levenslange passie voor de sport op twee wielen. Hij kwam tot de ontdekking dat die rol groot is geweest. Zijn vader was lang geleden wielrenner en heeft daar in zijn jeugd veel over verteld. En wel zodanig dat Fred er al zijn leven lang aan verslingerd is. Daarom is dit boek voor een deel autobiografisch.

Al in zijn prille jeugd raakte wielerhistoricus Fred van Slogteren (1938) gefascineerd van de sport op twee wielen. Inmiddels heeft hij een imposant aantal wielerboeken op zijn naam staan; waaronder biografieën van Jan Raas, Peter Post, Jan Janssen en Joop Zoetemelk. In 2003 werd hij door de KNWU gevraagd de geschiedenis van de toen 75-jarige wielerunie op schrift te stellen. Zijn weblog wielersport.slogblog.nl die van 2006 tot en met 2018 in de lucht was, trok dagelijks honderden bezoekers.

Omvang : ca. 288 blz. Formaat : 15 x 23 cm, paperback met fotokatern, ISBN : 97890 8975 5636, Prijs : € 22,50.

Onbekende

‘Kareltje, Kareltje, Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge nu niet gelegen in Uwe kist’.  Een regel uit een nogal macaber liedje, massaal gezongen in de Vlaamse staminees. Karel was dus wél actief  op de piste. Karel was stayer achter zware motoren. Een levensgevaarlijke stiel, waarbij hij ongetwijfeld, de risico’s tegen elkaar had afgewogen. Het gewicht van de vele goudmarken liet de weegschaal doorslaan.

Karel, zoon van een arme moeder. Maakte in 1907 zijn debuut op de gevaarlijke Duitse wielerbanen. Won een jaar later tien grote koersen, waaronder het prestigieuze Grote Prijs van Duitsland. In 1909 stond er honderddertigduizend goudmark op Karels rekening, waarin hij zijn moeder ruihartig in liet delen. En dan, dan is er geen koffie maar 21 juli 1909. Belgische nationale feestdag. Op geleukt met een stayerskoers gehouden op de Karreveldwielerbaan in Brussel. Karel als publiekstrekker op de affiches. Uitverkocht huis, voor een stayerskoers over een uur.

Met nog maar één minuut te gaan, ligt Karel in gewonnen positie. De Grote Hemelse Regisseur had een fijn gevoel voor een dramatische finale. Karel krijgt een klapband. Acht dagen later krijgt Verbist zijn postume hulde, met een  begrafenis die groots, meeslepend en dramatisch was, waarbij zo’n beetje heel Antwerpen afscheid van hem nam. Met als grote finale Karels monumentale graf, nog steeds bevindend op de gemeentelijke begraafplaats in Wijnegem, vlakbij Antwerpen.

Karel Verbist, allang vergeten in het collectieve geheugen. Behalve in Wijnegem, zijn geboorteplek, waar een pad naar Karel is vernoemd.

Als je denkt alles van Karel Verbist te weten duiken, er weer van die onbekende foto’s op. Zoals bovenstaande van Verbist’s begrafenis.  

Carel

Twee seconden!  Oftewel één ademtocht. Of twee keer met je ogen knipperen. Dan wel een fluim uit rochelen. Maar ook de tijd om vier banden van een raceauto te wisselen. Tenminste, als dat gebeurd door de jongens van Max Verstappen’s raceteam.  De jongens van Max’  bandenafdeling. Tijdens de wintermaanden  wekenlang trainend op zo’n wissel: stopwatch in de aanslag.  Want stel je voor dat Max een seconde te lang in de pittstraat staat. Het Formule1circus, één groot futuristisch pretpark waar de romantiek ver weg is, als dat er ooit was.  Ooit schijnt het leuk geweest te zijn. Maar dan wel in de fifties en de opwindende sixties.

Dat was de tijd dat één of andere adellijke rakker, met té veel vrije tijd én geld in een privéauto mee kon scheuren. Zoals jonkheer Carel de Codin de Beaufort. Het doodsaaie leventje op kasteel Maarsbergen ontvlucht, ging Carel racen. In een Porsche550 Spyder  kachelde Carel, als privérijder zijn rondjes in die krankzinnige mallemolen genaamd Formule1. Die Carel toch, een man met een zekere fatalistische inslag. Want was het niet James Dean die enige jaren eerder, ook  in een Porsche 550 Spyder op een snelweg ten noorden van Los Angeles, zich te pletter reed?

Carel kende zijn klassiekers niet. Of misschien juist wel. Maakt nu ook geen meer moer uit. Indachtig de kreet ‘wild leven en jong sterven’,  haalde de jonker wél als eerste landgenoot punten in het Formule1. Je hoeft geen psych te zijn om te weten dat de jonkheer een  adrenalinejunk was, wat maar een aanname is. Ach, de rest is geschiedenis. Met het racen naderde het einde van Carel’s bobijntje angstig snel.

Op 1 augustus 1964, tijdens de kwalificatie voor de Grote Prijs van Duitsland, gehouden op de levensgevaarlijke Nurbugring verongelukte Carel dodelijk. Tsja, de twijfelachtige romantiek van het oeroude Formule1, die het beste tot uiting komt in de geïllustreerde sportbladen uit die tijd. Zoals de voorpagina van Bud Club, gepubliceerd  in het voorjaar van 1951.

Een in kleur gevangen tijdsbeeld van de Grote Prijs van België, gehouden  op het circuit van Francochamps.  Waar de Alfa Romeo van Guiseppe Farina, pitstop makend, besprongen wordt door mannen in overalls en alpinopet.  De  geur van verse zweet van de mecaniciens, olie, en uitlaatgassen, komen dampend van de pagina. Wat ook te maken kan hebben met de fantasie van schrijver dezes…

Medelijden

Een bokser vol medelijden met z’n tegenstander. Dan is er sprake van misplaatste arrogantie. Zo’n bokser verdient natuurlijk een behoorlijk pak ros. Wat helaas niet gebeurde. Waarschijnlijker miste Jan de Bruin, daarvoor de klasse. Of het geluk. Jan was evengoed ook geen weggooier. Dat De Bruin ergens in oktober 1951, was geëngageerd om tegen Sugar Ray Robinson te vechten gaf  hem status.

Robinson, op dát moment  vijf jaar wereldkampioen, op tournee door Europa. Waarbij Antwerpen niet werd overgeslagen. In het uitverkochte Sportpaleis, stond Jan de Bruin, weltergewicht, afkomstig uit het Rotterdamse Crooswijk tegen de toen al, ‘levende legende’, Sugar Ray Robinson.  

Verslaggever én fotograaf van Bud Club, hét toonaangevende sportblad van België waren ook aanwezig. Volgens de schrijver, ‘dreef Sugar de eerste zeven ronden geen enkele aanval door die tot een knock had kunnen leiden’, pende hij neer op pagina 13 van z’n blad. Volgens de Vlaamse scribent had Sugar medelijden met de Rotterdammer. Of was de échte reden dat de Amerikaanse champ,  het publiek wáár voor z’n dure franken gaf…? Want om Jan in de eerste ronden er uit te slaan, is ook weer zó klantonvriendelijk. Ach we zullen dat nooit meer te weten komen.

Feit is wél, dat de fotograaf van dienst een vakman was. De man, grootmeester in het spelen met licht en donker, leverde een paar prachtige foto’s af, met Jan in een twijfelachtige hoofdrol.  Jan de Bruin, man met een vechtershart, trok in de achtste ronde ten aanval. Wat direct z’n ondergang inluidde.  Door een geweldige uppercut, uitgedeeld door Sugar, gaf Jan zich gewonnen.  

Jan de Bruin met op z’n conduitestaat vierenvijftig gewonnen partijen, én zestien verloren gevechten, overleed twee weken voor zijn zesennegentigste verjaardag.

Bron: Boxrec, Bud Club jaargang1951 en Dagblad 010.

KOPS, worstelfenomeen aan de Weesperzijde

Een fascinerende sportbiografie over Bert Kops, een icoon in de wereld van de worstel- en vechtsport. Met zijn granieten lijf is Kops geboren voor het worstelen, het leverde hem ruim 30 nationale en internationale kampioenstitels op. Na zijn actieve carrière ontpopte hij zich in zijn sportschool aan de Weesperzijde in Amsterdam tot een succesvol coach van onder andere worstelaars en (kick)boksers.

In dit boek vertelt Bertje openhartig en ongezouten over zijn kleurrijke leven dat zich soms afspeelt op het scherpst van de snede. Hij verhaalt over zijn passie voor worstelen en vechtsporten, over de tol van de training, zijn roerige jaren op de Wallen als portier van Casa Rosso, zijn ‘akkefietjes’ met justitie en natuurlijk over zijn bijzondere familie.

In de voetsporen van zijn legendarische vader Bert Kops werd Bertje veelvoudig Nederlands kampioen. Ook internationaal begon hij aardig aan de weg te timmeren. Een ernstig ongeval belette die doorbraak. Daarbij miste Bertje de discipline van zijn vader om er alles uit te halen. Zijn vader kocht de sportschool in 1985 voor Bertje omdat hij bang was dat zijn zoon verstrikt zou raken in het criminele milieu.

Bertje moest eerst hard onderuit gaan om weer op het rechte pad te komen. Op 4 februari 1995 liep een ‘incasso-opdracht’ in Arnhem uit op een dodelijke schietpartij en een gevangenisstraf. Tien jaar na de opening van de sportschool kwam Bertje dankzij zijn vader en zijn vrouw eindelijk tot inkeer. Inmiddels is Bertje al meer dan een halve eeuw actief in de vechtsport. Iedereen in die wereld kent hem en Bertje kent iedereen. Want ook bekende Nederlanders, huisvrouwen en straatschoffies voelen zich thuis in sportschool Kops met Bertje als gastheer, praatpaal, trainer, coach en vriend.

In de loop der jaren zijn er heel wat bekende namen over de vloer geweest, maar Bertje houdt niet van pochen. ‘Dat die bekende schrijver John Irving hier kwam, wist ik helemaal niet. Dat moesten ze me vertellen. Sterfotograaf Erwin Olaf kende ik ook niet. Ik kan niet iedereen kennen.’ Waar en met wie hij ook is, Bertje blijft altijd zichzelf. Gedreven en gezegend met een gezonde dosis humor. Een kwajongen in het lijf van een uitsmijter.

Formaat: 15 x 23 cm, paperback. Extra: incl. fotokatern. ISBN: 97890 8975 859 0. Prijs: € 21,99.

‘Gooien de eerste pil…’

De jaren vijftig en zestig, met dat ene  grote probleem: waar  moesten wij, de jongens van de geboortegolf onze wielerkennis vandaan halen? De koers live op de televisie? Utopie. De Nederlandse televisie met zijn twee kanalen, lulligheid in het kwadraat. Wat al begon met die in stijfsel gedrenkte  omroepsters. Om laat  op de avond te eindigen, bij een zekere pater Leopold Verhagen, een geharnaste, roomse rakker, die voor de KRO de avondsluiting deed. Mijn god,  dat  geprevel van die man, waar niemand ene ruk van begreep.

Gelukkig was er een reddingsboei, ons iedere maand toegeworpen: de Miroir du Cyclisme, hét Franse wielerblad, barstensvol foto’s van de koers. Van het opgespaarde zakgeld, gekocht bij Van Gelder, dé kranten- en tijdschriftenzaak van Amsterdam.

De Miroir du Cyclisme,  edities uit de fifties en sixties, waarin je struikelt over foto’s van Rik van Looy. Dat de man alle klassiekers won, en twee keer wereldkampioen was, behoort tot de algemene sportontwikkeling. Over de Keizer van Herentals, wat z’n bijnaam is, is genoeg gepubliceerd. Deze blog waagt zich daar dan ook niet aan. Wél over de  onbekende details, regelmatig opduikend in de krochten van de wielerjournalistiek. Zoals dat Van Looy wel eens ‘wat’ gebruikte. Wat behoorde tot de mores van het vak. En buiten dat, staat er in de Wielerbijbel niet geschreven: ‘Hij die zonder dope zijt, gooien de eerste pil’?  Gezien Van Looy’s huidige conditie, de man is achtentachtig, geestelijk en lichamelijk nog perfect, zal dat wel meegevallen zijn.

Dan is het 1968. Van Looy, inmiddels vijfendertig jaar, met een prachtige conduitestaat, waaronder de twee wereldtitels en op één na, alle gewonnen klassiekers. Behalve de Waalse Pijl, die ontbrak nog.  Waar de Keizer zijn laatste kans kreeg. D’n Rik, in een fluwelen stijl, gebeiteld op z’n fietsje,  op weg naar de eindstreep. Stuurcommandeurs in de aanslag. De ketting op ‘de 54’. Paginagroot afgedrukt in de Miroir. Met naast hem de tweeëntwintig jarige Franse prof José Samyn.

Rik van Looy, pakte de Waalse Pijl, én de bloemen. José Samyn tweede,  restte een graftak, waar hij nog een jaar op moest wachten. Tijdens de kermiskoers gehouden in het Vlaamse Zingem, verongelukte José Samyn dodelijk. José werd drieëntwintig jaar.

Bron: Miroir du Cyclisme, jaargang 1968.

In het water

Het moest een eresaluut worden aan Piet Dickentman: één van de grootste sporthelden van  Amsterdam. Vanaf 1900 was Dickentman actief als stayer achter de zware motor.  Voornamelijk koersend in Duitsland, behoorde de man tot de wereldtop.  De Amsterdammer was wereld- én Europees kampioen, brak diverse snelheidsrecords en won alle grote stayerskoersen. Vaak meerdere keren.

Op zondagmiddag 18 september 1910, kroonde Piet zich tot de allerbeste stayer ooit. Op de Steglitzwielerbaan in Berlijn, werd het Ober-Weltmeisterschaft verreden. Een prestigieuze kampioenschap waar de wereldtop aan de start stond. Voor dertigduizend toeschouwers hield Dickentman huis, en reed de concurrentie overhoop. Dickentman mocht  zich de rest van zijn leven Her Ober-Weltmeister noemen: (zie elders op deze blog). In Amsterdam werden de verrichtingen van Dickentman via de kranten en de sportbladen gevolgd. Bij het volk was ouwe Piet, zoals hij werd genoemd, mateloos populair. Wat tot uiting kwam in 1921.

Het blad Rijwiel- en Motororgaan, uitgegeven, en vol geschreven door George Hogenkamp, stond stil bij het vijfentwintig jarig jubileum van Dickentman als wielrenner. Terecht. De Amsterdams stayer, op dat moment al tweeënveertig jaar, behoorde al  meer dan twee decennia tot de wereldtop, en liet de rol van de gangmaakmotor regelmatig roodgloeiend staan.

Piet, regelmatig koersend op de Duitse wielerbanen, liet zich uitbetalen in luxe goederen zoals juwelen, bontjassen en meer, wat te maken had met de grote geldontwaarding  in het Duitsland vlak na de Eerste Wereldoorlog. Dat Dickentman tientallen keren aan het graf van een verongelukte collega stond, is een lugubere bijkomstigheid. In 1921 kreeg hij zijn verdiende huldiging.  George Hogenkamp, nestor van de vaderlandse wielerjournalistiek, organiseerde  voor de stayerende jubilaris, een speciale avond in het Amsterdamse Stadion. Waarvan de opbrengst ten goede kwam aan Dickentman.

Op het programma, stond natuurlijk een stayerskoers, met als aardigheid dat Dickentman achter de toen al stokoude, en curieuze motortandem ging rijden. Als publiciteit voor deze avond,  stond deze motortandem, – een monster van een machine, bediend door twee man, – twee weken lang in de etalage van de firma Palmer Tyre Co, aan de Stadhouderskade, waar het veel publiek trok.

Pech voor Dickentman. Het feest viel letterlijk in het water. Om half acht begon het te regenen. Wat niet meer ophield. Uiteindelijk werd Piets wedstrijd de zondag daarop gehouden. Uit deze echec haalde tekenaar Jan Lutz zijn inspiratie. De cartoon mét bijschrift werd gepubliceerd in Rijwiel- en Motororgaan. Zo was George Hoogenkamp  ook wel weer.

Bron: Rijwiel- en Motororgaan, jaargang 1921.

Een fenomeen is vertrokken

Gisteren is Herman van Bruggen overleden. Herman was een fenomeen. Een levende legende. Herman had namelijk  een latent erotische relatie met de stopwatch. Voor de man was de tijdrit een vorm van geloof. Alles stond bij hem daar voor in het teken.

Zo’n tien jaar geleden werd hij in Sankt Anton, Oostenrijk, vijfenzeventig jaar oud, wereldkampioen bij de veteranen. Schrijver Tim Krabbé, had zijn  eindtijd ooit uitgerekend, en kwam tot de conclusie dat menig jonge amateur daar niet aan kwam.

Tot zo’n twee jaar geleden raasde Herman, op een strak tijdritschema zijn dagelijkse rondje af. Op een fietsje uitgevonden in een ruimtevaartlaboratorium, en zónder valhelm. Hoofdbescherming is voor mietjes, riep Herman.  Hooguit een koerspetje op. Of een bandana.

In zijn boek ’42 Wielerverhalen’ schreef Krabbé een verhaal over Van Bruggen.  Tim Krabbé noemde hem daarin ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij later van Tim Krabbé kreeg.  Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé, ooit een speech af ter gelegenheid van Van Bruggens wereldtitel.

Herman van Bruggen werd 85 jaar.

Kachelen

Piet Dickentman, achter Adolf Thormann. Aan het stuur Gerrit de Regt. Foto gemaakt in 1902.

Zo’n onbenullig berichtje. Weggestopt in een stoffig, vergeeld, en inmiddels vergeten sportmagazine, uitgegeven in 1921. Waarin werd stil gestaan dat ene Adolf Thormann, zijn vijfentwintigjarig jubileum vierde als gangmaker.

Thormann, ‘man van Thor, de Germaanse god van de donder’.  Klopt aardig. Thormann, was dan ook zo’n rakker van vele oorlogsfronten, en ‘trok’ Amsterdammer Dickentman, in 1903 naar zijn enige wereldtitel. Als je Thormann aan je zijde had, zat je snor. De man kende weinig scrupules. Zat nergens mee. Dat Thormann de nacht vóór Dickentman’s titelrace, de gangmaakmotor bewaakte met een getrokken Lüger, is ter kennisgeving.

Eerst even wat uitleggen: Dickentman stayerde achter de zogenaamde motortandem, een met twee man amper in bedwang te houden monster. Stayerskoersen, honderd kilometer lang, waar na  vijftig kilometer, – als de benzinepeil angstig laag was, – de tweede motor in de baan kwam. In volle vaart wipte Dickentman over.  Dat van Dickentman’s gangmakers er binnen korte tijd twee dodelijk verongelukte, behoorde tot de mores van het vak. Hoogstwaarschijnlijk schudde Thormann dergelijke drama’s, van zich af als een natte hond. Geld verdrong ratio.

Thormann, man met ‘n kennersoog. Zag meteen wie aanleg als stayer had:  lees, géén angst. In 1908 benaderde hij Fritz Theille, een begenadigd Berlijnse sprinter. Fritz liet zich overhalen, en nam zijn plekje achter de rug van Thormann in. Thormann was een kenner. Fritz ging winnen, en niet zo’n beetje ook. Tot 4 juni 1911! Op de Zehlendorfbaan in Berlijn, verongelukte Fritz voor de ogen van zijn moeder.  

Houdbaarheidsdata van gangmakers tijdens de belle epoque, duurde niet lang. De mannen hadden hun lijf en leden té lief. In de uitslagenlijsten gepubliceerd door Radwelt, kom je ze dan opeens niet meer tegen. Niet Thormann, die kachelde een kwart eeuw lustig voort. Een prestatie op zich.

Bron: Rijwiel- En Motor-Orgaan, jaargang 1921, Album der Radwelt jaargangen 1908 en 1911.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: