Boeb

Fernand Gonder, God hebben zijn ziel,  ooit  polstokhoogspringer uit roeping. Met behulp van een dikke bamboestok hupte Fernand in 1904, naar een hoogte van  drie meter en 70 centimeter, een wereldrecord.  
Gonder, Olympisch kampioen op  de Spelen 1906, gaf daarmee het startschot voor, ‘hoog, hoogst allerhoogst’.   Om te eindigen ergens in de jaren negentig, althans voor schrijver dezes. Volgens hem werd in 1994 de  grote finalesprong  gedaan door Sergej Boebka,  daarover straks meer.
In de duffe, saaie atletiekwereld van magere, afgetrainde kloothommels, sprintende hormoonmonsters,  Afrikaanse bonenstengels, en enge Oost-Duitse manwijven was Boebka’s komst een verademing. Sergej was  rock ’n roll. Dat de man twee pakjes sigaretten per dag weg pafte is ter kennisgeving.   Voor Boeb, een Oekraïner bleef je thuis. Tenminste als op de buis één van die grote atletiekgala’s werden uitgezonden.    
Sergej,  gaf spanning waar Alfred Hitchcock patent op had,  tevens garantie voor sensatie. Helemaal  nadat  sponsor Nike die éne fatale vergissing maakte. De schoenengigant loofde een premie  van honderdduizend dollar uit voor ieder wereldrecord met de polsstok.  Boeb maakte daar gretig gebruik van. Enfin, wat volgde behoort tot de algemene ontwikkeling van iedere sportliefhebber.  
Tijdens trainingen regelmatig ruim  boven het wereldrecord springend, verbrak de man dat record  steeds met een centimeter. Vijftien wereldrecords verder, volgde de grote finalesprong. Op 31 juli 1994 zweefde Sergej over de 6 meter en 14 centimeter. Hoger was een mens nooit geweest.
Terwijl Boeb over die lat zweefde, stond het beeld stil. In de lucht verschenen de woorden ‘The End’. Op de achtergrond klonk het slotkoor uit de Negende Symfonie.  En de Griekse held Icarus was bezig om  naast hem,  een plekje voor de nieuwe recordhouder vrij te maken.
Helaas, géén Hollywoodscenario. Sergej Boebka himselve verpeste dat.  Na zijn polsstokcarrière  conformeerde de man zich met de ‘uitvoerende macht’, door vicepresident te worden van de Internationale Atletiek Unie. Enfin, dromen blijken altijd bedrog te zijn…

Halfgare (2)

Met vijf monumentale wielerklassiekers op je palmares,  dan mag je plaats nemen in het rijtje mythologische helden. Jo de Roo had dan ook zijn plekje in deze heldengalerij ingenomen.  Ook op een ander vlak blijkt De Roo een levende mythe  te zijn.
Jan Zomer, auteur van de Wielerexpress, een jaarlijks door Zomer  volgeschreven boekje met prachtige wielerverhalen, had daar ooit een staaltje van meegemaakt.
Zomer, inmiddels zo’n zestig jaar lang ‘wielerrenner bij overtuiging’, was een paar jaar geleden met z’n  vrouw op Mallorca. Racefiets mee, om iedere dag een stukje te fietsen. Tijdens één van deze ritjes komt  opeens een ploegje renners hem tegemoet. Hoort hij de ene tegen de ander zeggen: ‘Hé, kijk’, wijzend naar de helmloze Zomer, ‘Dat is vast familie van Jo de Roo’.  
Jan Zomer beseft dat fietsen zonder helm niet zo slim is. Ondanks alle opmerkingen en commentaar van de ‘gehelmden’,  gelooft  hij dat wel.  

De helmloze  Jo de Roo op kop. Foto: Mia van Dongen.

Halfgare

De zondagen van april, héilige dagen,  in gepaste devotie voor de televisie door gebracht. Een flesje Hertog Jan onder handbereik. De ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix  en méér staat namelijk op de kalender. Dat was vroeger. Voor dat dat  enge virus toesloeg. Geen klassiekers dit voorjaar. Laat staan de Giro d’ Italia, met afstand  de allermooiste koers.  
Nostalgie naar de Ronde van Vlaanderen, zoals die van  1965. Verreden in helse, Bijbelse weersomstandigheden.  Een koers voor onbarmhartige kerels, met als credo ‘pijn is fijn’. Mannen die opleven  bij dat soort wolvenweer, zoals voormalige kasseienstoemper Dirk de Wolf dat zo mooi kon verwoorden.
Kerels als een Jo de Roo en Ward Sels. Vooral de laatste. En nee, er volgt  geen wedstrijdverslag, noch wordt de  doopceel van Sels en De Roo gelicht. Daar is al zoveel over gepubliceerd. Hier gaat het om de foto. Met Sels en De Roo, op stalen koersfietsen, zoals een koersfiets behoort te zijn.  
Sels en De Roo koersend voor lijf en leden, zónder helm, maar wél met een koerspetje, achterstevoren. Stoere kerels met magere koppen, waarvan je haast zeker weet dat ze bij een valpartij de kasseien kusten, om vervolgens hun fiets op te rapen.
Was  het niet diezelfde Sels, die ooit een week voor een ronde van Vlaanderen, grasmaaiend op de boerderij van zijn vader, met een vlijmscherpe zeis in zijn kuit hakte? Om een week later van start te gaan in Vlaanderens mooiste. Ik bedoel maar. Sels en De Roo, om hun pols het klokje, verkregen bij de eerste plechtige communie, of van een liefde. 
Jo de Roo,  inmiddels tweeëntachtig jaar, maakt op z’n stalen koersfiets nog dagelijks zijn rondje.  Zonder valhelm. Wat dat betreft is de man strak in de leer.
Sportschrijver Frank Heinen denkt daar anders over. Volgens hem behoren renners zonder valhelm tot de categorie ‘halfgare’. Heinen had dat onlangs gepubliceerd in HP/De Tijd.  Jo de Roo, man vele veldslagen gehouden op de kasseiwegen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk, en ook nog eens winnaar van – inderdaad boven genoemde – ronde van Vlaanderen, maar ook Bordeaux-Parijs én de ronde van Lombardije, heeft daar natuurlijk geen boodschap aan. Helden laten zich namelijk niet de les lezen.

De laatste ronde van Brecy


De noodlottige wielrenner stierf afgelopen vrijdag 25 november in het ziekenhuis van Boucicaut, na een vreselijke val tijdens een werelduurrecordpoging, enkele dagen ervoor, gehouden in het Parc des Princes, tijdens een uurrecordtest. Onze foto is genomen vanaf de top van de kleine bocht waar de val plaatsvond, enkele ogenblikken voordat het gebeurde. Brecy reed op dat moment met 91 kilometer per uur achter gangmaker Bertin,  toen de vork van die laatste brak en de twee mannen op de grond werden gegooid. Brecy, een van de meest gewaardeerde Franse stayers, was 32 jaar oud en liet een weduwe en drie kinderen achter, van wie de jongste nog maar acht jaar oud is.

Bovenstaande werd gepubliceerd in La Vie au Grand Air, november 1905.

La Vie au Grand Air

Onbekend dus onbemind. Behalve bij deze blog. Want La Vie au Grand Air, een Frans sportblad uitgegeven voor de Eerste Wereldoorlog, behoort tot de allermooiste, ooit uitgegeven sportbladen. Neem alleen de  covers van de hand van, óf een kunstenaars dan wel een artiest met de camera. De typografie, het gebruikte papier, alles ademt schoonheid.
Vooral de sportfoto’s zijn van een adembenemende pracht. Foto’s bij hedendaagse sportliefhebbers  dikwijls volkomen onbekend. Een feest om daar in te lezen.
Sinds kort heeft Stuyfssportverhalen meerdere jaargangen weten te bemachtigen, waaruit, met enige regelmaat op deze blog gepubliceerd gaat worden.
Stayer Albert Brecy heeft de primeur: zie hierboven.

Onder de keukentafel

Papa wordt oud en de doelen moeten bijgezet worden. Nog niet eens zó lang geleden raasde hij achter een derny naar een nieuw werelduurrecord, wat een schok gaf in het conservatieve wielerwereldje.
Maar ook voor Maas van Beek  tikt de biologische klok genadeloos door. En hij wil nog zo graag. Of was het zich zelf overschatten? De afgelopen vier jaar  trok Van Beek richting Bolivia, Zuid-Amerika om in het Andesgebergte te trainen.  Doel:  de nodige rode bloedlichaampjes  kweken. Malheur en ander ongemak staken een spaak in het wiel, om maar even in het juiste jargon te blijven.  Ook een aanval op zijn eigen wereldrecord op de wielerbaan van Moskou eindigde in mineur.
Ach wat maakt het allemaal uit. Aan zijn Zuid-Amerikaanse avonturen hield hij wél prachtige verhalen aan over. Wat wielerrecords betreft, daar heeft de man een soort latent erotische relatie mee.  Maas van Beek, pragmaticus met een tikkeltje opportunisme, zette gewoon zijn doelen bij. Het werelduurrecord voor veteranen kwam in beeld.
Waarvoor niét in het geheim voor werd getraind. Iedereen mocht zijn schema’s weten. Alles werd door Van Beek op facebook geplaatst. Trainingsresultaten via Strava, vlogen als kippeneieren op luilakmorgen dagelijks voorbij. Aandoenlijk  was de rest van zijn voorbereiding.
Dit keer geen Andesgebergte, maar ieder nacht slapen onder de keukentafel, wat even uitleg behoeft. Geld voor een zogenaamde hogedruktent om de hemoglobinewaarden van zijn bloed omhoog te jassen was er niet. Van Beek, wekenlang geleefd op een dieet van bietensap,  plakte de onderkant van zijn keukentafel met plastic dicht, plaatste daar een zuurstofmachine in en sliep weken onder die tafel.
Gisteravond was het dan zover.
Het uur U. Maas van Beek, die merkwaardige vogel afkomstig van de Bijbelgordel, trok op de wielerbaan van Geleen ten aanval. Rechtstreeks op dat zelfde facebook te zien. Op een monsterversnelling van 75 tanden voor en dertien achter trapte van Beek 39.544 meter  bij elkaar. Waarmee het werelduurrecord voor veteranen met ruim drie kilometer werd scherp gesteld. Een prestatie die niet genoeg kan worden. Maas van Beek is wél vierenzestig jaar. En voor de criticasters op een koersfiets: probeer dat maar eens…!

Otto

Eens, héél lang geleden, zoals ieder horrorsprookje dient te beginnen, leefde ene Otto Luther, een stayer uitkomende in de zogenaamde tweede klasse. Otto, zich suf getraind achter de motor kreeg eindelijk zijn lang verdiende contractje  voor een stayerskoers gehouden op 19 juni 1904, op de wielerbaan van Brunswijk, Duitsland. De tweede klasse dus, waar anoniem de vreselijkste dingen gebeurde, waarvan details onbekend zijn. Tót dat éne berichtje, diep  weggestopt als paginavulling in een Frans sportblad uitgegeven in 1904.
Een onbetekenend stukje tekst waarmee die Otto uit de anonimiteit mee werd gehaald. Definitief, want het werd ook zijn laatste koers. Ik laat jullie niet in spanning, want we gaan verder met de stayerskoers van Brunswijk met aan de start ondermeer de Berlijners Adolph Schultze, Fritz Bauer, Otto Luther afkomstig uit Maagdenburg, en ene Van der Tuyn een Nederlander.
Van der Tuyn, als eerste achter de gangmaakmotor, gevolgd door Luther, Bauer, en Schulze. Zo’n koersje waarin de eerste tien ronde niets opzienbarend gebeurd. Maar dan komt Bauer op stoom, en dreigt Otto Luther op een ronde te zette.  En dan gaat het mis. Luther krijgt een lekke voorband en komt ten val.
De zware motor van Bauer kon de arme Luther niet meer ontwijken. En ploegt, zoals de Franse journalist van dienst met veel gevoel voor detail opschrijft, dwars door de borstkast van Luther.
Otto Luther, twintig jaar, sterft ter plekke. Wat het onzalige jaar1904 betreft, was het voor Magere Hein een vruchtbaar jaar met negen dodelijke stayersongevallen.
Otto Luther mocht als vierde zijn plekje in dat lijstje innemen.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Zwemmen in 1908

De stayer laat de rol los. ‘Zwemmen’ wordt dat genoemd, wat een rare uitdrukking is.  Ongetwijfeld schreeuwend  naar z’n  gangmaker het rustiger te doen. Gevaar ligt dan op de loer. Letterlijk.  
Op de tribune  wordt dat ook gesignaleerd. Iemand grijpt  naar zijn strohoed,  van ontsteltenis.  Anderen houden met witte knokkels het wrakke hekwerkje stevig vast, je bent fijnproever van het betere horror of niet.  Want dat er iets gaat gebeuren is zeker. De renner klapt namelijk tegen de rol van de motor, die vrijwel tegen het achterwiel gemonteerd zit.  
En mocht zo’n jongen deze botsing overleven, wat een wonder op zich is, dan moet ‘ie maar hopen dat z’n voorband niet ontploft. Ziekenhuisopnames, gebarsten schedels, invaliditeit en méér, doemen bij hem op.  Aan de dood werd maar niet gedacht. Wat niet getuigde van realiteitszin.  
Trouwens, zo’n gangmaker had ook een merkwaardige opvatting  van veiligheid. Die was zo  gek om ver achter het achterwiel van zijn motor te zitten. Wél raar dat het voorwiel, bij hoge snelheden begon te zweven. Ach jongen, maak je niet zo druk, werd hem wijsgemaakt, we hangen aan het stuur van je motor een groot blok lood om dat in evenwicht te houden.
En dat allemaal tijdens een stayerskoersje, gehouden in die fijne zomer van 1908.
Een periode waar volgens  historici niets gebeurde. Geloof ze maar niet. Geert Mak en zijn collega’s lullen wel vaker uit hun nek.

Blind met pensioen

Zullen we nou maar eens stoppen om Muhammad Ali de  grootste bokser aller tijden te noemen? Want dat is niet zo. Noch is hij the greatest!  Ali was de beste bokser van zijn periode, en niet méér dan dat. Om Ali maar steeds op dat schild te hijsen, doe je een hele rits, voornamelijk zwarte boksers ernstig te kort.
Onder de kreet ‘Ken Uw klassieken’,  Sam Langford uit de loopgraven van de boksgeschiedenis getrokken. Ali mag en kán niet in de schaduw van Langford staan. Al was het alleen maar om Sam’s  ellenlange erelijst.  De man stond meer dan driehonderd keer in de ring. Won honderdachtenzeventig keer, waarbij honderdzestien tegenstanders op het canvas wakker werden, verloor negenentwintig keer en eindigde een gevecht achtendertig keer onbeslist: wat zijn belangrijkste partijen waren. Ter vergelijking: Ali stond eenenzestig keer in de ring!
En dat in een tijd, dat zwarte boksers in Europa als een curiositeit werden beschouwd. Daar kwamen ze in het Parijs van 1911 snel achter. Met name de redactie van het toonaangevende sportblad La Vie au Grand Air, een sportblad voor het roomwitte Frankrijk, uitgegeven tijdens de belle epoque, met  op de cover  alleen maar Franse sporthelden.
Tot aan 1911. Sam Langford, afkomstig uit Boston kwam naar Europa  waar zijn roem vooruit was gesneld. Met een paginagrote foto van Langford, opende de redactie nummer 49 van  La Vie au Grand Air. Met het curieuze onderschrift dat, ‘De neger Sam Langford vecht op 21 februari tegen de Australische kampioen Billy Lang’.  Hoezo discriminatie?
Het gevecht Langford versus Billy Lang, gehouden in Londen, waarvan de winnaar het mocht opnemen tegen de eveneens donkere Sam Mc Vea, afkomstig uit Texas. Dat laatste gevecht geaccrediteerd in Parijs waarvoor La Vie, in zijn kolommen het bed van de publiciteit flink voor opschudde.
Sam Langford, die Billy Lang een pak op z’n lazerij gaf, mocht begin maart 1911 het opnemen tegen Sam Mc Vea. In het Parijse Cirque de Paris, tot de nok gevuld met in jacquet gehulde ‘boven ons gestelde’, ook de boksverslaggever van La Vie die later in z’n blad flink uitpakte over dat gevecht. De rest is allemaal geschiedenis.
Ook Sam Langford wachtte het lot dat zoveel zwarte bokser ten deel viel. Half blind geslagen en uitgezogen door gehaaide witte managers, vocht de man tot aan zijn drieënveertigste jaar. Hoe Sam Langford het voor elkaar kreeg is een raadsel. Hoogstwaarschijnlijk op zijn ring-instinkt van tientallen jaren, want tijdens z’n laatste partij tegen was Lanfords gezichtsvermogen vrijwel nihil. Niet veel later was de Boston Bonecrusher, zoals zijn bijnaam was, volkomen blind. In 1956 overleed Sam Langford, 72 jaar.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1911, Boxrec.

‘De Judovader’

Cor van der Geest is de Godfather van het Nederlandse judo en staat op de kop af vijftig jaar aan het roer van ‘zijn’ Haarlemse judoclub Kenamju. In zijn jonge jaren was hij het favoriete trainingsmaatje van judolegende Wim Ruska. Zelf werd Cor twee keer derde van Nederland. Al schreeuwend langs de mat wist hij het uiterste uit zijn leerlingen te halen, onder wie zijn zonen Dennis en Elco, en maakte hij nationaal én internationaal furore als topcoach. Cor ademt nog altijd judo, zijn geest denkt judo. De judovader vertelt in geuren en kleuren over zijn hoogtepunten, maar ook moeilijke momenten, zijn onvermoeibare streven naar ‘intrinsieke’ sporters, zijn bonte avonturen met Kenamju en als gelauwerd bondscoach. Hij heeft kritiek op het beleid van de Judo Bond Nederland sinds zijn vertrek. De gouden jaren van Kenamju als het Ajax van het judo komen nooit meer terug, maar de herinnering is goudomrand.
Naast een gedreven coach, mentor, vader en kampioenenmaker is Cor van der Geest een geboren ondernemer en bestuurder met een eigenzinnige visie op de wereld. Hij neemt geen blad voor de mond.
Judovader en kampioenenmaker Cor van der Geest kijkt aan de vooravond van zijn 75ste verjaardag terug op een halve eeuw Kenamju. Hij geniet na van de internationale successen.
Patricia Jimmink (1956) werkte lange tijd op de sportredactie van Haarlems Dagblad. Govert Wisse (1955) was jarenlang sportverslaggever bij de GPD en Haarlems Dagblad. Gerlof Leistra (1959) is misdaadverslaggever voor Elsevier Weekblad en schreef veel over sport.

Omvang: 288 pagina’s, incl. fotokatern
ISBN: 97890 8975 599 5
Prijs: € 21,99

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: