Debuut

‘Piet, jongen, dat is iets voor jou’, sprak Piet Dickentman in 1898. Dickentman, als negentienjarig renner,  aanwezig op de wielerbaan van Wenen, maakte voor het eerst kennis met een gangmaakmotor: een lullig ééncilindermotortje, die amper de vijftig  kilometer per uur aantikte. Dickentman, jongen van de Amsterdamse Westerstraat, had een profetische blik. Een  paar dagen later, op een gewone baanfiets, maakte Piet, gegangmaakt door de Berlijnse broers Lehmann, zijn debuut als stayer. Het succes van Dickentman als stayer was navenant aan de snelheden, én de bijbehorende gevaren, van de zware gangmaakmotor.
In 1900 maakte  de loeizware, Brennabormotor zijn debuut op de wielerbanen. Het echte tijdperk van het stayeren had een aanvang genomen: garantie voor spanning en sensatie, vooral op de Duitse wielerbanen.  Dat het hard ging bewees Piet op 18 juni 1905  tijdens de Preis der Stadt Leipzig waar hij de  honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten. 
Van Piet Dickentman, de allerbeste stayer uit de geschiedenis, weet deze blog, regelmatig, zeer zeldzame  foto’s, van te scoren. Maar ook feiten en verslagen, gevonden in volkomen onbekende jaargangen van sportbladen, uitgegeven tijdens Dickentmans carrière. Kortom, Stuyfssportverhalen komt daar in  2019 nog op terug.

Koning Eenoog

Revanches werd het genoemd. Wat natuurlijk niet zo was. Het was een strak geregisseerd spel. Ordinaire volksverlakkerij. Doorgestoken kaart.  Met de wereldkampioenen van dienst in de hoofdrol. De jaren vijftig en zestig. Geen of nauwelijks wielrennen op de televisie. De liefhebber werd via radioreportages op de hoogte gehouden. Of anders met opgesmukte verhalen in de krant. Na afloop van  zo’n wereldkampioenschap trok het rondreizend wielercircus langs de Europese wielerbanen. De regenboogtruien werden verzilverd. Dat laatste verpakt als een ‘revanche’. Waar van te voren de winnaar al bekend was.
Een enkele keer was er een onverlaat die schijt had aan de opgelegde rangorde. Zoals  Henny Marinus, – stayer afkomstig uit het van oudst  vrijgevochten en  tikkeltje anarchistische Jordaan, – die tijdens zo’n ‘revanche’ in een vol Olympisch Stadion, dwars door de combine heen reed. Over deze koers is inmiddels al het nodige geschreven.
De Revanches, waar, voor aanvang,  eerst de kampioenen werden gehuldigd. Een ceremonie van een treurige, tenenkrommende, lulligheid. Een bos bloemen, een toespraak én een ereronde voor de kampioenen.
Ook in 1964 in Amsterdam, waar onder meer verse kampioenen als een Jaap Oudkerk,  en Tiemen Groen deze kwelling moesten ondergaan. Oudkerk en Groen ’s werelds beste  amateur-stayer én achtervolger. Tussen Jaap en Tiemen in de Spaanse profstayer Guillermo Timoner: met op zijn erelijst zes wereldtitels achter zware motoren. En sindsdien door het leven ging als de ‘beste stayer ooit’: een hardnékkig misverstand! Dat was en is gewóón niet waar.
Timoner, was een aardige, begenadigde  rolrijder. De beste van zijn generatie. Maar absoluut niét de beste óóit.
De man was Koning Eenoog in het land der blinden, want kende vrijwel geen concurrentie en hoefde maar rekening te houden met een tiental stayers.
Voor de criticasters en andere Timoner-adepten: in de ranglijsten van deze blog staat  de Spanjaard niet eens bij de top-7.Tijdens de Belle Epoque én de tijd tussen de wereldoorlogen in, waren honderden topstayers, onderverdeeld in drie klassen, actief.
Kerels die meerdere keren per week hun kloten achter die pokkemotor, moesten schroeien om de broodnodige contracten te krijgen. Probeer daar maar eens de beste van te zijn.

En wie dat zijn? Op basis van uitslagen, de concurrentie én het aantal verreden koersen waren dat George Parent, Bobby Walthour, Taddy Robl, Piet Dickentman, Paul Guignard en Victor Linart. Op deze ranglijst hobbelt Timoner daar vér achter aan.
Het stayeren, is van het mondiale titeltoernooi verbannen: met dank aan een handvol corrupte, criminele gangmakers. Ook de ‘revanches’ zijn een zachte dood gestorven. En alleen de ouderen onder ons weten zich de wielerbaan, inmiddels gesloopt, van het Stadion te herinneren.

Afgebrand

Wat ze zich vooral herinnerde? De littekens van de brandwonden op zijn benen. Lotti Dickentman, indertijd 93 jaar, zag dat nog scherp voor zich.  Als grietje van zes jaar, maakte dat een diepe en onuitwisbare indruk. Haar vader Piet Dickentman, had dan ook dertig jaar achter zware motoren gekoerst. Pa overleefde vele veldslagen, die plaats vonden  op de beruchte, bloederige Duitse wielerbanen. Vaak letterlijk. Dat de man tientallen keren aan een vers gedolven graf van een verongelukte collega stond is ter kennisgeving.  Piet Dickentman   beoefende namelijk zijn stiel op de stoep van de Hel.  Waar de Amsterdammer, de courage en lef vandaan haalde om telkens van start te gaan? Geld! Waar ongetwijfeld ook een  behoorlijk portie adrenalineverslaving aan te pas kwam.  Geld voor zijn gezin in Amsterdam.  Maar ook voor  een maatschappelijke carrière als hij de stayersfiets definitief aan de haak hing. Dickentman openende in 1928 een succesvolle grote rijwielhandel in de Amsterdamse Scheldestraat.
Dickentman, kende zijn hoogtijdagen in de periode van vóór de Eerste Wereldoorlog.   Om de Amsterdamse stayerslegende toen te verslaan kwam meer voor kijken dan alleen atletische kwaliteiten. Dat laatste kon je wel aan de heren gangmakers overlaten. Die wisten daar wel raad mee. Passeerde ze in een race een tegenstander dan bleef de motor, mét vlammende, gloeiend hete uitlaat, letterlijk  vlak naast zo’n renner ‘hangen’.
Het kenmerkt de ijzeren discipline van Dickentman dat hij niet van de motor af te branden viel. Met littekens van brandwonden op kuiten en dijbenen als blijvende herinnering.  Om honderden keren ‘va-banque’ te spelen met je leven mist zijn uitwerking niet.
Het gezicht is  de spiegel van de ziel. Zie je in het begin van zijn loopbaan, want 1901, nog een onbekommerde jongen in de lens kijken. Na vier jaar was dat wel anders. Zoals bij bijgevoegde foto gemaakt in 1905, vlak na een koers. Een doorploegde kop met dodelijke ernstige oogopslag, kijkt je aan. Een blik zoals je alleen ziet bij soldaten die na een jaar actieve frontdienst op het slachtveld, thuis komen. Je hoeft geen psych te zijn om te weten dat de Amsterdammer nog tjokvol  met adrenaline zat. Hoogstwaarschijnlijk voelde hij de pijn en weeïge schroeilucht van verbrand vlees niet.
Op zijn benen zie je nog steeds de gloeiend hete druipende olie, gelekt door zijn gangmaakmotor.

Alsof de duivel een scheet laat

Copy of groteprijsberlin1905Eind oktober 1906.  Het seizoen was lang, slopend en uitputtend. Lichamelijk, én geestelijk. Vooral de laatste minuten voor een start hakten er genadeloos in. Die gekmakende doodsangst.  Wordt dit mijn laatste koers? Ben ik nu aan de beurt? Binnen twee jaar waren zes collega’s verongelukt. Een veelvoud zwaargewond. Jongens nog, net als hij, barstensvol ambitie en dromen. Er ging heel wat door hem heen als hij met een krans aan het kille graf stond. Alternatief? Terug naar de armoede van de Jordaan, zijn geboorteplek? Nóóit. Geld, letterlijk goud, verdrong angst. Vorstelijke, rijk betaalde  contracten stroomden hem van zelf toe. Iedere Duitse wielerbaan wilde hem, Piet Dickentman, op het programma hebben. 
Ook in Steglitz, waar de Herausforderungsrennen von Steglitz, op punt van beginnen staat. Loeizware motortandems worden aangeduwd. Een gebrul alsof de duivel een scheet laat. Het inferno is niet ver weg.  Het is de laatste koers van het jaar. Uitverkocht stadion. Voelbare,  knetterende spanning op de tribunes. lintpiet
Spanning die ook bij hem, Piet Dickentman, door zijn lijf gieren, maar die verdwijnen als de fotograaf zich meldt met zijn kiekkast. Nog één keer opstellen voor een foto. Bobo’s, strakke boorden, puntsnorren, van alle tijden publiciteitsgeil, verdringen zich achter hem. Ergernis stijgt in zijn lijf. Maar dit is de laatste koers. De winter met zijn rust nadert. Nog één keer ‘vlammen’. Nog één keer waar geven voor het geld.  En ach, wat maakt het ook uit. Want wát een seizoen had hij achter de rug.  Veertien koersen gewonnen, waaronder de grote prijzen van München, Maagdenburg en Steglitz, het Europees kampioenschap en als toetje een wereldrecord over honderd kilometer. Boeren, burgers en buitenlui lagen aan rennersschoenen. Mädels en andere  meiden kregen slappe knieën van erotisch verlangen. Niets prikkelender dan een jongen in duel met de dood.  Doodgaan achter de zware motor. Soms letterlijk. Het grote geld was voor hem. Vijfenveertigduizend harde goudmarken waren dat jaar op zijn bankrekening gestort. De kruimels voor z’n collega’s.
Pietje Dickentman, afkomstig uit de Westerstraat, ijlend achter de zware motor, was geen zweetdief. Iedere wedstrijd vloog hij van kop tot zijn kont erin. Hij, de wereldkampioen van 1903, kwam pas tot leven als de koers over honderd kilometer ging.  Als anderen schreeuwden om hun moeder draaide zijn gangmaker nog even aan de gashendel. Ook op die eenentwintigste oktober op de wielerbaan van Steglitz.
wereldrecord1906Dat Piet Dickentman won, Robl tweede werd en Demke derde,  ach, dat zal wel, aardig voor de statistici.
Dat was dus 1906, zomaar, een jaar uit de dertigjarige carrière van Piet Dickentman.

Foto 1: De Herausforderunsrennen Steglitz,  v.l.n.r. Robl, Huber, Guignard, Demke en Dickentman. Foto 2: Europees kampioen. Foto 3: Dickentman wereldrecordhouder, honderd kilometer. V.l.n.r. Robl, Gunther, Dickentman en Darragon. Zowel Robl (1910), Gunther (1918) als Darragon (1918) verongelukte dodelijk.

Bron: Radwelt jaargang 1906.

Mevrouw Peguy moest nog een jaartje wachten

Copy of natbutlerkleurCharles Peguy wilde nog schreeuwen. Zo’n gil van doodsangst. Maar door ontzetting kwam alleen dof gerochel uit zijn strot. Niet dat het er allemaal veel toe deed. Al had Charles de reclameborden van de baanomheining los gebruld, hij werd evengoed gelanceerd. Charles Peguy, gangmaker uit Parijs. Een getormenteerd mens die het leven donkerbruin inzag. Een jaar eerder was zijn vrouw overleden. En dan was er ook nog Willy Schmitter. Zijn Willy notabene, talentvol stayer waar hij, Charles Peguy, als gangmaker vijftien koersen mee won. Een maand nadat mevrouw Peguy aan de aarde was toevertrouwd, trok ook Willy ter hemel. Viel te pletter, achter Charles’ rug. Hoeveel kan een mens verdragen?  Van Charles was dat niet bekend. Wél dat hij fatalistisch werd. De man hield verdacht vaak en té lang de gashendel van zijn motor open. Zoals gezegd, Charles nam het leven niet meer zó serieus. Het kon hem allemaal geen reet meer schelen. Vermoedelijk ook niet op zondag 15 juli 1906, tijdens de Gouden Bokaal van Keulen. Een stayerskoers over honderd kilometer, met vijfduizend goudmarken in pot. Op de affiches  Yvar Goor, Piet Dickentman en Nat Butler.pequy2
Nat, door de Duitse pers Der Alte genoemd, koerste achter Charles Peguy. De nekharen van Nat hadden eigenlijk als kopspijkers strak moeten staan. Om je te laten gangmaken door een tikkeltje levensmoede man… Door een jarenlang verblijf op de ruige en levensgevaarlijke Duitse wielerbanen herkende Nat Butler de waarschuwingssignalen niet meer. Nat, Amerikaan, een stayer in zijn nadagen, dacht alleen nog maar zijn portemonnee. Wat bijna zijn dood werd.
De Yankee een ouwe frontstrijder, trok na het startschot direct ter aanval, en lapte na een tiental ronden bijna Piet Dickentman. En laat dat nou nét niet doorgaan. Dickentman sloeg de aanval af. Voor Charles het sein om nog maar even aan die fijne gashendel te draaien. 
Copy of piet1924Met ruim negentig kilometer ging het in de bocht mis. Van middelpuntvliedende kracht had Charles namelijk nooit gehoord. De Parijzenaar werd gelanceerd en vloog mét motor én renner de overvolle tribunes in. Tegen de tijd dat de motor was uitgestuiterd was er één dode,  en drie zwaargewonden gevallen, waarvan er twee de ochtend niet haalden; dat laatste  ter kennisgeving.
Tijdens zijn vlucht door de lucht reserveerde mevrouw Peguy onmiddellijk een plekje in de hemel voor haar Charles. De laatste kwam, evenals Butler, met lichte verwondingen er van af. Uiteindelijk moest mevrouw Peguy nog een jaartje geduld hebben. Want op zondag 7 juni 1907 tijdens de ‘300 Kronen von Spandau’ ontplofte de voorband van  Charles’ motor. Peguy werd begraven naast zijn vrouw. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.
 

Foto 1: Nat Butler. Foto 2: Charles Peguy. Foto 3: Piet Dickentman.

Bron: De Telegraaf, jaargang 1906, Radwelt jaargang 1907.

Adolf nam ook zijn pistool mee

demkethormanvliegDe man had lef, zoveel is zeker. Of was anders een tikkeltje knots. Misschien wel beide.  Adolf Thormann, adrenalinejunk vér voor het begrip bekend was, had een merkwaardig  leven. Voor de man was geen dag hetzelfde. Als hij heelhuids de avond haalde moet hem zelf het meest verbaasd hebben. Adolf was namelijk stuurman, op de levensgevaarlijke motortandem. Adolf Thormann, een naam waarbij visioenen van pickelhelmen, en laarzen met spijkers opdoemen,  kon alleen maar sturen. Niet remmen. Dat moest hij over laten aan Ernst Wolf, achter op de motor.
Adolf en Ernst, twee ijzeren Heinen uit Berlijn, de gangmakers van Piet Dickentman. Het kán gewoon niet anders dan dat Adolf, tijdens zo’n race regelmatig kreetjes van pure doodsangst uitstootte. Voor  hem was het altijd maar de vraag of Wolf, met negentig op de teller, wel op tijd remde. Adolf, voorop, zag met griezelige regelmaat links en rechts renners en gangmakers zich de pletter rijden. Adolf nam het leven dan ook maar niet zó nauw: voor de Berlijner smaakte dat naar meer.  Drie jaar nadat de broertjes Wright in Amerika als eerste het luchtruim hadden gekozen, knutselden Thormann met kameraad Bruno Demke hun eigen vliegtuigje, gemaakt van bamboestokken, een motorblok gemonteerd op het onderstel van een kinderwagen. Copy of pietdubbelmooi
Na een vlucht van enkele kilometers stortte het toestel neer. Bruno, tevens topstayer en Adolf overleefde de crash. Tien jaar later, 24 augustus 1916,  moet Bruno, in een split second ongetwijfeld aan zijn makker Adolf gedacht hebben. Bruno Demke, oorlogspiloot bij der Kaiserliche Luftstreitkräfte, gezeten in zijn rode Fokker dubbeldekker, was bezig neer te storten, en nam even later zijn plekje in de Grote Pilotenhemel in. Adolf Thormann had toen al een mooie carrière achter de rug.
Als der Adolf op de man was gevraagd wat zijn mooiste overwinning was, dacht hij ongetwijfeld aan 1903, het wereldkampioenschap gehouden in Kopenhagen waar hij Piet Dickentman naar zijn enige wereldtitel voerde. Adolf had in Denemarken niet alleen zijn Brennabormotor meegenomen maar ook zijn Lügerpistool: altijd handig. Terwijl Taddy Robl, de grote concurrent van Dickentman, de avond voor de race al zijn vrienden op champagne trakteerde voor zijn komende titel, sliep Adolf, met getrokken pistool bij de gangmaakmotor: bang dat de concurrentie die zou saboteren.
Copy of adolfpietDe titelrace behoort inmiddels tot de vaderlandse wielerklassieken. Piet Dickentman reed Robl op negen ronden en nummer drie Alfred Görnemann op vijftien ronden. Net als zoveel van zijn wielerkameraden mocht en moest Adolf Thormann in de Grote Oorlog een uniform aantrekken. Na de oorlog was Thormann nog actief en vierden in 1923 zijn zilveren jubileum als gangmaker om dan langzaam op te lossen in de geschiedenis.

Foto 1: Bruno Demke, rechts en Adolf Thormann, links voor hun zelf gemaakte vliegtuigje. Foto 2: Piet Dickentman achter Wolf en Thormann met links zijn reservemotor bemant met Gerrit de Regt en Josef Schwarzer. Bij koersen over honderd kilometer was halverwege de benzine op. Dan kwamen De Regt en Schwarzer in de baan waarna Dickentman, in volle jacht, even overwipte. Twee jaar na dat de fotograaf afdrukte vielen Schwarzer, 27 jaar, en Wolf 28 jaar, dood. Foto 3: Kopenhagen 1903, Dickentman, zojuist wereldkampioen geworden met naast zich Thormann.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1907, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1923. Vlaamse SportRevue jaargang 1933, interview met Piet Dickentman.

De beruchte quint-Mulder was een feit

quintmulderDat was even een goede investering! Jan Mulder, aanwezig op de wereldtentoonstelling  in Parijs, kocht daar voor zestienhonderd piek, een quintyplette, een vijfmanstandem. Een smak geld in 1895, maar dan had je wél wat. En Jan, bijgenaamd De Houte, wist wel waar hij zijn karretje mee ging bemannen. Mulder kende  nog wel wat jongens. Van die ruwe onbehouwen  knapen waar je een blokkie voor omliep. Mannen net zo wild als Jan en dagelijks te vinden op de wielerbaan achter het Rijksmuseum. De beruchte quint-Mulder was een feit, met Jan, – want het was mooi wél zijn karretje –  aan het stuur. Achter Jans kont Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn, Jan Slesker, en Piet Dickentman. Wedstrijden tussen quinten? Spektakel verzekerd. Vlogen ze niet de baan uit dan was er wel knokken na afloop. Zoals tegen de quint van Italië.  Italianen en sport, een explosieve combinatie.
Het was maar een héél klein zwiepertje die de Houte met zijn jongens uitdeelde. Genoeg om de complete squadra in één klap te elimineren. Nadat de  houtsplinters uit Italiaanse ledematen waren gepulkt ging stuurman Parmac verhaal halen: met een mes in de handen. Dirk van den Berg, een gewezen worstelkampioen, keek ‘per ongeluk’ even de andere kant uit. Het was Dickentman die de rel wist te sussen. Voor quint-Mulder werd Nederland te klein. Jan en zijn rebellenclub gingen voor het grotere werk, want geld, naar Duitsland.Copy of huret9
In Charlottenburg bij Berlijn werd een flatje gevonden:  en wat hadden ze dáár gelachen, vertelde Slesker vijftig jaar na dato in het blad Sportief. Maar er werd ook iedere dag hard getraind op de Friedenaubaan. Vanuit Berlin werd heel Europa bestreken. Quint-Mulder, wat staat voor vijf bravourejongens, verdiende geld als water.
De gangmaakmotor was nog maar net uitgevonden. Behalve koersen tegen andere vijftallen fungeerde  de quint ook als levende gangmaking. Voor niks gaat de zon op en gratis kan je ook nog ‘s in de sloot pissen. Wilde je als profrenner achter Jan en consorten rijden dan  moest de portemonnee open. Honderd mark rekende Mulder voor een paar sprintjes aantrekken. Een financiële klapper werd gemaakt in Hamburg waar behalve wedstrijden voor quinten de  stayerskoers over honderd kilometer het hoofdnummer was. Constant Huret, wereldkampioen stayeren  was dé publiekstrekker. Huret had wél een groot probleem: zijn motor was niet gearriveerd, die stond ergens op één of ander treinperron. Of de quint-Mulder  niet als gangmaker wilde fungeren. Voor twaalfhonderd goudmark ging Jan akkoord.
‘We hebben die Huret honderd kilometer laten jakkeren. Hij werd tweede’, verteld de inmiddels bejaarde Slesker in 1949 aan Sportief.
dirktandemNadat Piet Dickentman in 1899 de overstap maakte naar de zojuist ingevoerde zware motor, was het tijdperk van de vijfzitter voorbij. En de beroemde quint zelf? Die heeft tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de catacomben van het Olympisch Stadion liggen te verstoffen om opeens spoorloos te verdwijnen. Hoogstwaarschijnlijk in de container gegooid.

Foto 1: De quint-Mulder, v.l.n.r. Jan Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn, Dirk van den Berg en Piet Dickentman.
Foto 2: Constant Huret in 1898 achter de motor.