Frau Antje en de Giro

Als een vers gebakken pizza, die snél genuttigd moet worden: dát was  de carrière van Ercole Baldini. Kort genot, maar wél lekker. Ercole Baldini, beroepsrenner tijdens de fifties. Koersend op een fietsje, gespoten in een geraffineerde kleurencombinatie,  opgeleukt met verchroomde tussenstukjes. Afgewerkt tot in het détail, en voorzien met het modernste Campagnolomateriaal. Een lust voor het oog. Púre kunst op twee wielen, zonder hoerig noch ordinair te zijn.  Waar alleen Italiaanse framebouwers een patent op hadden.
Het Italië van de jaren vijftig, scheurende Fiatjes-500, keffende Lamborghini-scooters, films van Felini, een Paus die de wapens van de Duitse legers had gezegend, en super gesoigneerde renners. Maar ook het land van  Sofia Loren, Gina Lollobrigida en Claudia Cardinale, godinnen met een boezem die de verbeelding ver voor bij ging.  
En wij? Wij moesten het doen met  Frau Antje. En onze wielrenners met racefietsen waar het calvinisme vanaf droop. Karretjes, waar mijnheer de dominee himselfe zijn goedkeuring aan gaf. Waar zo’n modale Hollandse profrenner, koersend op zo’n bokkenkar, het moraal en zin vandaan haalde, is nog steeds een goed bewaard  geheim. Enfin, daar had Ercole Baldini ieder geval geen last van.
Baldini, Toscaan en hardfietser als levensovertuiging. Kreeg  de goedkeuring van de altijd machtige mama Baldini én de zege van de pastoor van Forli: zijn  geboortedorp. Verbrak, als amateur in 1956,  het onaantastbaar geachte werelduurrecord van Fausto Coppi. Waarmee meteen het lot van Ercole bezegeld was. Baldini,  nat achter de oren, in 1957 meteen voor de leeuwen gegooid, met debuut  in de Giro d’ Italia,  waar hij een etappe won. Aardig te vertellen is ook zijn overwinning in de Trofeo Barrachi, een koppeltijdrit, waarin hij gekoppeld was aan de toen stokoude Coppi.
Baldini wist meteen waar de mosterd gehaald werd, en ging in de ‘verzorging’. Liet bij zich zelf  een liter bloed aftappen, opgeslagen in z’n koelkast. De jaren vijftig,  die heerlijke, onschuldige tijd waarin een renner zich kon verzorgen,  zonder meeloerende journalistieke scherpslijpers, of andere, met het vingertje zwaaiende moraalridders. Met een surplus aan rode bloedlichaampjes  werd  Ercole, in 1958 wereldkampioen op de weg, maar won eerst de Giro d’ Italia.
De Giro, van oudst her een tikkeltje louche, beetje corrupt, daarom onvoorspelbaar. Waar zaken in de schemering van het peloton afspelen. Waarschijnlijk daaróm is de Ronde van Italië, ieder jaar weer, vele malen leuker dan de Tour de France. En Ercole? Na  1959 geen platte prijs meer gewonnen is met zijn zesentachtig jaar nog scherp van lijf en geest.
De man daalt iedere morgen af naar de kelder van z’n huis. Waar zich zijn eigen privémuseumpje bevindt. Een soort bedevaartkapelletje afgeladen met zijn koersfietsen, wielershirts, zijn gouden Olympische medaille gewonnen op de Spelen van 1956, en andere voor hem heilige voorwerpen. Dan knikt hij, en mijmert dat zijn carrière er best mocht zijn.