Jan Huppen een stylist met trotyl

Als Huppen niet naar de Spelen mag, wie dan wel’?, riep trainer Dick Groothuis in wanhoop uit. Groothuis  begreep er niets meer van. Nog twee maanden te gaan voor de Olympische Spelen van Tokio, 1964 en nog verkeerde zijn pupil Jan Huppen in onzekerheid. Jan Huppen, zijn Jantje, vlieggewicht, vierenvijftig kilo schoon aan de haak en nog geen 1.60 meter lang, was even daarvoor kampioen van Nederland geworden. En dan  niet met een gelukstreffer. Huppen, pas drie jaar in de ring,  twintig gevechten, waarvan zeventien met winst. Een betere conduitestaat was niet te overleggen. Ondanks dát had Huppen zijn uitnodiging voor de Spelen nog steeds niet binnen.
De Amsterdamse vuistvechter, een voormalig voetballer die het met zijn elfen iets te veel vond, meldde zich als jochie van zeventien bij de boksschool van Groothuis,  in de hoofdstedelijke Warmoesstraat. In de  illustere boksgym van Groothuis, op de zolders van een zeventiende eeuws pand, werden de kampioenen gemaakt. Ook Jan Huppen. De vlieggewicht, trotyl in zijn knuisten was ook nog eens een stylist want won vier keer een  stijlprijs. Een zeldzame combinatie. De boksbond en het Olympisch Comité zagen dat allemaal iets anders. Jan Huppen heeft geen internationale ervaring was het argument. Dat  laatste  was niet waar. Ook in Europa had Huppen een spoor van knock outs achter zich gelaten, want klinkende overwinningen in Parijs, Wales en Duitsland.
 Twee maanden later stond Jan Huppen tóch in de Olympische ring van Tokio. En daar werden de hoog gespannen verwachtingen niet ingelost. Jan, tegen de Amerikaan Louis Henry Johnson leed een volkomen onnodige nederlaag. Na afloop in de kleedkamer vroeg Huppen zich radeloos af hoe dát nou kon. Volgens Groothuis was de verdediging van zijn jongen prima,  slipte keurig weg bij aanvallen, maar vergat één ding.  Jan had zich tegen de kop grotere tegenstander ‘in moeten te vechten’ en meer initiatief moeten tonen.
Voor Jan Huppen waren de Spelen voorbij voor hij er erg in had. En toch, toch schreef hij geschiedenis. Maar dan niet in de boksring maar in de Budokan, hét judopaleis van Tokio. Huppen, samen met Jan de Rooij, ook bokser uit de school Groothuis, waren getuigen van de historische overwinning van Anton Geesink. Nadat de Utrechtse reus tot overwinnaar was uitgeroepen stormden twee toeschouwers uitgelaten de mat op. Het duo werd niet alleen met een simpel handgebaar door Geesink terug gestuurd maar ook vereeuwigd op het celluloid. Op de filmbeelden van Geesinks  historische zege, regelmatig vertoond, blijft Jan Huppen voor eeuwig de jongen, ‘Jantje Huppen’, dat boksertje uit Amsterdam dat het nét niet haalde.

Bron: De Waarheid en Het Parool, jaargang 1964

Heineken House op de Spelen van 1928

Het Heineken House én de Olympische Spelen. Dat staat voor zuipen, hossen, lallen, brallen én de polonaise:  het liefst met een raar oranje hoofddeksel op. Waar onze toekomstige troonpretendent zijn bijnaam van Prins Pils waar maakte en Erica Terpstra een hele natie plaatsvervangende schaamte bezorgde. Een  ontmoetingsplaats voor atleten, sponsoren en bobo’s, vooral die laatsten. Sinds  ‘Barcelona ‘92’ toen Heineken zijn meesterlijke reclameproject startte, is het niet meer weg te denken van de Spelen. Het concept is niet nieuw. Op de Olympiade van Amsterdam in  1928 stond er al een biertent van  ‘heerlijk, helder, Heineken’.

Dat Amsterdam voor de Spelen een nieuw Stadion bouwde, was logisch. Maar om dat nou te voorzien van een blijvend restaurant dat plaats bood aan vijfhonderd bezoekers, dat was even te veel van het goede.  In ‘normale’ tijden, want als het Olympisch circus de stad had verlaten,   zou dat toch niet lonend zijn: zo werd georakeld. Om de buitenlandse bezoekers van een natje en droogje te voorzien, werd besloten om de horeca in een grote tent onder te brengen. Architect Jan Wils kreeg niet alleen de opdracht om een nieuw Stadion te tekenen maar bemoeide zich ook met de vormgeving van de horecatent: gesitueerd vlak achter het Stadion. Op Wils’ aanwijzingen werd in Duitsland een futuristische tent van blauw en wit canvas in elkaar genaaid. Voor de exploitatie hiervan mochten bedrijven van naam en faam zich inschrijven. Heck’s Lunchroom met vestigingen in heel Nederland, maar ook brouwerijen als  Amstel, Oranjeboom en Heineken waren in de race. 
Heck’s Lunchroom en Heineken mochten de klus klaren, want zij voldeden aan de enige eis van het Olympisch Comite: op drukke uren een vlugge bediening. Met dat laatste ging het faliekant mis. Hoewel de buffetten als de biertapinstalaties voor toenmalige begrippen supermodern waren, was de bediening ronduit slecht, veroorzaakt door onervaren personeel. Tijdens de grootste drukte liepen  zo’n tweehonderd mannen en  vrouwen niet alleen de  benen uit het lijf maar ook elkaar in de weg. En daar zat nou net de kneep, want van die tweehonderd waren er negentien man eigen personeel en de rest ongeschoold.
Ondanks de vijftigduizend ontkurkte bierflessen, de ruim vijfentwintigduizend liter getapt bier, de zestigduizend limonadeflesjes en de zeventigduizend gesmeerde broodjes, kregen Heck’s en Heineken de kwart miljoen gulden die werd geïnvesteerd, er niet uit.
Sinds 1928 is veel veranderd. Maar wat blijft is de personele bezetting. Voor de Spelen van Londen heeft het Heineken House tweehonderd ‘enthousiaste’ vrijwilligers nodig. Horeca-ervaring is niet nodig, zo leert de site van de bierbrouwer. Als dat maar goed afloopt.

Foto: Heineken voor het eerst op de Spelen van 1928. Bron: Officieel Gedenkboek Olympische Spelen Amsterdam, uitgegeven 1930.

error: Content is protected !!