Tegenpolen

De pioniers van het fietsen, want jong, wild en avontuurlijk. Jongens lid van de Adrenaline Sekte. Op de wielerbanen zochten ze  de grenzen van het bestaan op. Het moest snel, sneller, allersnelst. In 1898 viel de tandem nog in de categorie ‘snel’.   Zeker op de wielerbaan van München. Waar Taddy Robl met Gustaf Freudenberg een combinatie vormden op de tweezitter. Voor Robl, links op de foto ging de tandem nog niet snel genoeg. Nadat twee jaar later de eerste gangmaakmotor op de wielerbanen zijn opwachting maakte, maakte Taddy de overstap. Met succes. De man werd twee keer wereldkampioen bij de profstayers. Robl tot  rond 1909, één van de sterkste stayers ter wereld, en verdiende daarmee letterlijk goudgeld. Wat hij ook weer even snel er door heen jaagde.
Wat dát betreft was Freudenberg zijn tegenpool. Die had zo zijn bedenkingen tegen het gejakker achter die motor. Waar ongetwijfeld het aantal dodelijke stayersongelukken bij gedragen hadden. Terwijl maatje Robl van het ene succes naar het ander ijlde, ontwikkelde Gustaf zich tot redelijk sprinter,  wat wel zo veilig was. Veilig? Dat het lot van Robl uiteindelijk  bezegeld was, daar  was geen ontkomen aan. Maar dat van Freudenberg…
Dan is het 29 april 1906, als op de wielerbaan van Maagdenburg een groot sprinttoernooi gehouden wordt. Tijdens één van de manches, in volle sprint met kop onder het stuur, klapt der Gustaf tegen een aan de balustrade geparkeerde gangmaakmotor. Met slagaderlijke bloeding in zijn linkerbeen werd Gustaf, 30 jaar, naar het krankenhaus vervoerd. Waar hij enkele uren later de geest gaf. Het woord wrang, is een gotspe, want dát uitgerekend Gustaf, bang voor alles wat met stayeren te maken had, sterft door een verkeerd geparkeerde gangmaakmotor.
Voor maatje Robl, aanwezig bij de begrafenis van z’n vroegere maat Freudenberg, was het stayeren nog niet link genoeg. De man knutselde in 1910 van linnen, houten latten en bijeengehouden door pianosnaren een vliegtuigje in elkaar. Waar hij op 18 juni, hoog vliegend boven Stettin, opeens zijn motor hoorde stoppen. Taddy werd 33 jaar.
Gustaf Freudenberg en Taddy Robl, echo’s uit een vér verleden. Behalve bijgevoegde zeldzame fotootje, zijn die jongens zijn allang vergeten.

De Miniemen

Voor Italiaanse jongens was het leven vijftig jaar geleden overzichtelijk. Of je werd lid van de lokale maffia óf ‘het geestelijke ambt’ riep je. Was dat laatste het geval, dan was er sprake van  een roeping. Het  priesterschap lonkte. Om je plaatsje in de hemel zéker te stellen meldde zo’n jongen zich bij de Order der Miniemen. Dat laatste alleen bedoeld voor de gelovige hardliner.
De monniken der Miniemen,  topsporters  in het geloof,  levend volgens een zeer strenge gelofte van armoede. Mannen die van het ascetische bestaan een wetenschap hadden gemaakt, schurkend tegen het masochisme aan. Wee die monnik die zich zelf betrapte op een lullig foutje. Met een zekere genoegdoening  mocht zo’n monnik zich zelf, mét de korte zweep, fijn geselen.   
De  Miniemen, eten geen vlees, eieren, noch zuivelproducten. Wat die eieren betreft, logisch. Een monnik met een ‘zware zak’, dát wil je niet in je klooster. Zo’n abt moet daar toch niet aan denken.
Of ze ondanks al die ontberingen  wel eens lol hadden? Zekers. Maar dan  wél in het teken van naastenliefde. Lachen om het lachen was er niet bij, zoals Umberto Eco dat beschreef in zijn ‘De Naam van de Roos’.
Lol hadden ze in het klooster als  de Giro d’ Italia langs trok. Tussen de vesters en middaggebed in mocht de jongste fratello de lijdende koersende medemens, verfrissen met de waterslang.  Zoals tijdens de Giro van 1966. Waar een roodgloeiende zon, ruggen van coureurs schroeide. Bij zo’n monnik zat natuurlijk een vorm van herkenning, want pijn is fijn, pijn loutert de ziel, pijn zorgt later voor de beloning, anders wordt je geen Miniem, laat stáán profrenner.  
Lijdt maar jongen, denkt zo’n monnik, voor jou de Rondemiss, maar voor mij het heerlijke, eeuwige leven. Je mag dan wel een Miniem zijn maar ook een Italiaan. Ongetwijfeld werd in het klooster tijdens het avondgebed  gesmeekt dat vooral een landgenoot de Giro mocht winnen. De Heer heeft het met zijn jongens der Miniemen het beste voor.
De Lombardijn Gianni Motta, werd de eindwinnaar van  de Giro d’ Italia 1966.

Stuyfssportverhalen, een blog met meer dan zevenhonderd sportverhalen, én gratis te bezoeken.  Mocht U mijn blog waarderen deel dan svp, de ‘links’ van de verhalen die ik regelmatig op Facebook plaats. Hoewel er over bezoekersaantallen niets te klagen valt, kan er altijd meer bij. Bij voorbaat hartelijk dank en veel plezier op Stuyfssportverhalen.

Laatste gevecht

Leon Spinks, uitdager van heersend wereldkampioen Muhammad Ali, met inzet de wereldtitel bij de zwaargewichten. Plaats van handeling het Las Vegas van 15 februari 1978. Vóór het gevecht,  eerst de gebruikelijke persconferentie.  Waar Ali in grootste vorm verkeerde. Het voorzetje hiervoor, werd door hem met gemak ingekopt. Uitdager Leon Spinks, miste vier tanden in z’n bovengebit.  De man zat daar duidelijk niet mee en  grijnsde onbekommerd in de lenzen van de internationale pers.
‘Ik hoop niet dat die engerd in mijn nek gaat bijten’, was het geestige antwoord van Ali op de vraag waar hij  voor het komende  gevecht het meest bang voor was. Een dag later. In een epische gevecht over vijftien ronden, die de geschiedenis inging als the Legendary Night, waarin Ali, 36 jaar,  zijn laatste danspassen vertoonde, verloor The Greatest  z’n  titel aan de twaalf jaar  jongere underdog, Leon Spinks. Voor de laatste wachtte  een glorieuze toekomst in de ring.
Leon Spinks, inmiddels zesenzestig jaar, bestormde als jongen de bokswereld. Won ondermeer een gouden medaille op de Spelen van 1976. Schokte de sportwereld met zijn onverwachte wereldtitel. De herinneringen aan  deze Leon Spinks is niets meer van over. Het ooit gespierde, ijzersterke torso is verworden tot een mager karkas. Leon Spinks, 36 kilo afgevallen,  lijdt niet alleen aan een beginnende vorm van Alzheimer, maar wordt ook geteisterd door prostaatkanker, uitgezaaid naar de  botten.  Uitgemergeld vecht Spinks nu zijn laatste partij. Met als inzet z’n leven. Een gevecht die hij gaat verliezen.
Het ‘verhaal Spinks’ is zoals met veel voormalige boksers: de man bezit niks meer. Zit aan de grond. Om zijn peperdure medicijnen te betalen – een pot met honderdtwintig pillen,  kost achtduizend dollar, – geeft de voormalige champ betaalde handtekeningensessies. Spinks, een carrière van zesenveertig partijen waarbij maar zeventien keer werd verloren,  woont iets ten zuiden van Las Vegas.
In zijn vrijstaande huis, vol met foto’s van z’n bokscarrière, verplaatst de voormalige kampioen zich in een rolstoel. Liefdevol verzorgd door zijn derde vrouw Brenda. Om de ondragelijke pijn te verzachten rookt Spinks regelmatig een jointje, gekocht bij de lokale apotheek, want inmiddels legaal in Nevada. Ruim veertig jaar geleden werd die zelfde Spinks beschuldigd van een misdrijf. De man werd gearresteerd op het bezit van wat marihuana. Nu verlicht deze ‘drugs’ zijn bestaan. Hoe hypocriet kan het leven in Amerika zijn?

Bron:  USA Today.

Onvergetelijke beelden…

Gaskamer voor Lonnie

Ze hebben een hoog incasseringsvermogen. Ook geestelijk. Maar als een bokser eenmaal  over de rode streep wordt getrokken, berg je dan maar. De geestelijke luiken gaan van het dek. Emotionele remmen komen los.  Mister Jekyll neemt de plaats van Hyde in. Dat had mevrouw Virginia Cook moeten weten. Virginia,  de ex van Lonnie Craft. De laatste een gepensioneerd zwaargewicht afkomstig uit Phoenix, Arizona.
Lonnie, tijdens zijn bokshoogtijdagen  opgezadeld met de bijnaam Battling Blackjack, stond zestien jaar in de loopgraven van het boksen, vocht  daarbij drieënveertig partijen, waarvan 27 gewonnen door knock out.  Zijn laatste gevecht vond plaats ergens in maart 1954. Vijf jaar later stierf Lonnie in de gaskamer van de State Prison van Arizona. Lonnie moest boeten voor de moord op z’n ex Virginia, waar de man vermoedelijk een moeizame relatie mee had.
Dertien maanden duurde het geluk tussen Virginia en de ex-bokser. Geluk, kapot gemaakt door het gestook van de vader van Virginia. Althans als je de versie van Lonnie moet geloven, opgetekend in het rechtbankverslag. Dat liefde een geestelijke sluipmoordenaar is bewees Lonnie. Hij kon z’n Virginia niet los laten.  6 maart 1957 wás de datum voor Lonnie’s  lijmpoging. Op deze dag des Heres ging vertrok hij naar Dispatsch Laundry, een lokale wasserij waar Virginia werkte, en nodigde haar uit voor een lunch in Sublett’s Café. In z’n  broekzak een zojuist gekochte revolver.
In het café, zittend aan de balie werd de lunch besteld. Waarbij Lonnie die ene brandende vraag stelde: of Virginia bij hem terug wilde keren. En daar had ze nou nét geen trek in. Wat haar het leven kostte. Lonnie, de revolver in z’n hand, schoot Virginia twee keer in haar rug. Zonder zijn Virginia stelde het leven weinig voor, besefte hij. En schoot vervolgens twee keer in z’n eigen borst. Lonnie Craft, een ijzersterk gestel, opgebouwd door  zestien jaar van harde trainingen, blee
f met twee kogels in z’n eigen borstkast,  rechtop staan. Als extra dramatisch effect viel Lonnie vervolgens op z’n knieën, laadde z’n revolver en schoot nog een keer op zich zelf. Wat hij ook overleefde.
Lonnie Craft, eenmaal opgelapt en staand voor Judge Lorna R. Lockwood werd op 20 september 1957 tot de doodstraf veroordeeld. Op 7 maart 1959, in de gaskamer van de State Prisson, Arizona vertrok Lonnie Craft, 41 jaar, uit dit ondermaanse.


Bron: Het rechtbankverslag van de Arizona Supreme Court, BoxingRec.
Met dank aan de wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning.

Virus

Het poliovirus trapte nog wild om zich heen. Suikerklontjes besprenkeld met vaccinatie viel niet aan te slepen. Dat laatste,  geweigerd op de Veluwe én Bijbelgordel. De Heer heeft namelijk met alles een bedoeling. Ziektes zijn de straf voor beleden zondes, zo werd van de kansel geroepen.   Een opinie waar de rest van het land lak aan had.
Dan was er ook nog het tuberculosevirus waar hele volksstammen in sanatoria van bij lagen te komen. Om maar te zwijgen over het difterievirus. Begin jaren vijftig, waar de ratio het overwon van massahysterie. Grote bijeenkomsten vonden  gewoon plaats. Sportwedstrijden werden massaal bezocht. En de Koers? Die ging gewoon door. Liep je als toeschouwer daarbij een virus op, dan had je doodgewoon pech. Of anders was het wel de beoogde straf van Hem. De Heer wikt, de Heer beschikt. Dat Parijs-Nice anno 1951 van start ging, dat stond niet ter discussie. Voor Roger Decock maar goed ook. Decock, een Vlaamse stoemper  van vijfentwintig jaar, maakte tijdens de tweede etappe met finish in Saint Etienne, dé beslissende slag (zie foto, met Decock helemaal links). Decock pakte daarmee de leiderstrui. Om het hele koersverloop hier te beschijven is saai. Laten we het er maar op houden dat Roger de overwinningsbloemen van Parijs-Nice mee nam naar Izegem, West-Vlaanderen, z’n woonplaats.
Roger Decock, die in 1952 absolute wielergeschiedenis schreef, door de Ronde van Vlaanderen te winnen, was twaalf jaar profrenner en verdiende zijn  franken voornamelijk in de Vlaamse koersen.  En laten we vooral niet badinerend doen over het instituut, ‘Vlaamse Kermiskoers’, waar alleen de ijzersterke overeind in bleven: Roger Decock won er eenenvijftig van, waarvan akte.
Dat Roger Decock met een ijzersterk gestel is gezegend blijkt wel. Die ouwe, taaie  Vlaamse kasseienstoemper is met zijn vijfennegentig jaar nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint, jaargang 1951.

Fles melk

1960, hét  rock ’n roll-tijdperk van de koers. Waar alleen de geestelijk sterke van het peloton overeind bleven.  Dat waren de jongens met harde, magere koppen, met   een wantrouwende blik, diep verzonken in oogkassen. Altijd op hun hoede om niet besodemieterd te worden door zo’n ploegleider. Wat al een hele prestatie op zich was. Toenmalige ploegleiders, ongure sujetten  ontsnapt aan de aandacht van justitie, dominee en pastoor.
Koersen in de sixties, de Hoge School van het leven. Eenmaal  college gelopen, dan was je voor de rest van het leven gepokt en gemazeld. Of anders had je een  verslavingsprobleem, met dank aan louche  soigneurs. Volgens sommigen was het de romantische tijd  van de koers. Wat twijfelachtig is.
In de loopgraven van het peloton zingen de anekdotes over de toenmalige soigneurs, nog steeds rond. Hilarische, horrorachtige verhalen. Zoals over die ene Amsterdamse verzorger,  die een oekaze had uitgevorderd dat een renner, bij hem in ‘de verzorging’, maar een half liter vocht per dag mocht drinken. Tientallen coureurs kregen prompt last van nierstenen.
Dat ze met  de amfetaminepreparaten wel raad wisten, behoorde tot de mores van het peloton. Minder was, dat deze kwakzalvers een enkele keer té ver gingen.
Zo’n gedrogeerde renner, aan iets vreselijks ontsnapt,  kreeg dan na de koers een fles melk te drinken. Ontgifte werd dat genoemd. Hoe simpel wil je het hebben?
Ongetwijfeld voelde Gastone Nencini zich senang in dat wereldje. Nencini, begenadigd klimmer uit Toscane, won eind jaren vijftig de Giro d’ Italia. Gastone, één van beste dalers uit de geschiedenis, werd door de tifosi beschouwd als dé opvolger van Coppi, Bartali en Magni. Hoger en benauwder kun je  de lat voor een Italiaanse renner niet leggen. In 1960 benaderde Nencini de verwachtingen. Na de tiende etappe van de Tour mocht de Toscaan de gele trui aantrekken. Om die tot Parijs te houden.
Inmiddels wielergeschiedenis. Memorabeler waren de huldigingen na zo’n etappe. Waarin Nencini het vrijgevochten beeld van de toenmalige koers bevestigen, door voor de dagelijkse huldiging van de gele truidrager, even een sigaret weg te paffen. Ongetwijfeld had de verzorger geen melk voor handen…

Bloeddorstige kraaien

De doodsoorzaak? Het materiaal. Stayersbanden die bij hoge snelheden ontplofte. Voorvorken die spontaan braken. En vooral het  stuur, ook een belangrijke hemelbezorger. En het kon nog enger. De loodzware gangmaakmotor, die met twee man amper in bedwang te houden waren. Ging de snelheid boven de tachtig kilometer dan was het op de wielerbanen code rood. Waren de bochten té steil dan wel te vlak, dan werd het echt link. Dan  kwam het begrip ‘middelpunt vliedende kracht’ in werking. Motoren vlogen zomaar tussen het publiek, zoals op de wielerbaan van de Botanische Garden in het Berlijn van 1909, waar negen Berlijners nooit meer thuis kwamen. Sla de archieven open en de schrik slaat om het hart.
Tientallen ongelukken van stayersmotoren die in het publiek terecht kwamen, worden in éénkolommertjes vermeld. En als zo’n monster  de bocht niet uitvloog, dan raasde die wel als een ongeleid projectiel het middenterrein op. Stayeren tijdens de belle epoque was pure horror. Voor renner en publiek.  Zoals bij de Grote Prijs van Brunswijk op zondag 7 mei 1905. Waar motorsturen tijdens het passeren elkaar even raakte.  
In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade. Richard Schröter had ietsje meer geluk. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard op het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Ter plekke werd Richard met behulp van een amputeerzaag van zijn onderstel verlost.  Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd tenminste  compleet mét benen en al begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.
Henri Contenet, een Frans topstayer had meer geluk. Tijdens een stayerskoers gehouden in het Velo d’Hiver in Parijs koerste Contenet achter gangmaker Marius Thé. Hoe het kwam? Niet meer na te gaan. Feit was, dat tijdens de race de motor én Contenet ten val kwamen. Op wat schaafwonden na mankeerde Henry niets. De gangmaakmotor wel.
De benzinetank, gemaakt van dun koper, vertoond duidelijk een gebutste indruk. Waar niemand iets van aantrok. De show moest door gaan. Voor het front van de tribune, gevuld met publiek als loerende, bloeddorstige kraaien werd met een paar grote bacosleutels  de motor opgelapt, op de handen gekeken door  Contenet in badjas.
In tegenstelling tot die tientallen verongelukte stayers had  Contenet meer geluk. Henry,  honderden stayerskoersen gereden over een periode van zeventien jaar, stierf in 1962 op zevenentachtig jarige leeftijd vredig tussen de witte lakens.

‘Utrecht Hooligans’, 50 jaar voetbalgeweld

Dit boek geeft een fascinerende inkijk in de geschiedenis van de oudste harde kern van Nederland. Vergeet Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De absolute pioniers van het Nederlandse hooliganisme zijn de jongens van FC Utrecht. Die de aftrap namen begin jaren zeventig.  Zoals op zondagmiddag 1 oktober 1972, wanneer  Telstar uit Velsen op bezoek komt.
Ruim 9000 supporters wonen de wedstrijd bij, onder leiding van de jonge scheidsrechter Bart Ram. De laatste liet door een  grote blunder de wedstrijd helemaal uit de hand lopen. De forse spits Kees van Kooten van Telstar en zijn bewaker Co Adriaanse gaan een kopduel aan.  Beiden vallen op de grasmat. Ram fluit. Niemand in het stadion denkt op dat moment aan een penalty. Maar tot verbijstering van de Utrechters en tot grote vreugde van Telstar, wijst de arbiter naar de stip. Een beslissing waar Ram tot op hoge leeftijd een trauma had overgehouden.
Honderden woedende supporters maken vervolgens een klopjacht op Ram. Politie probeert de furieuze massa met paarden, honden en knuppels op afstand te houden. Scheidsrechter Ram wordt, na geruime tijd door een gezelschap politieagenten via een achteruitgang van het stadion weggevoerd. Zijn woning wordt tot diep in de nacht door politie bewaakt.
Europa maakte ook kennis met de jongens van de Bunnikside, zoals ze zich inmiddels noemen. Bij de uitwedstrijd tegen Eintracht Frankfurt reisde 700 man van de Bunnikside mee. Een reisje waar de gehele Duitse pers met grote chocoladeletters op de voorpagina’s verslag over deden. Vanaf de Nederlands-Duitse grens tot aan Frankfort waren de Utrechthooligans via  een spoor van vernielingen te volgen.
Een heel wegrestaurant wordt gesloopt.  Alles wat loszit vliegt door het restaurant, alles wat vastzit wordt zo onderhanden genomen dat het ook losraakt. Ruiten spatten uit elkaar door banken die dwars door het glas naar buiten worden gegooid. Borden worden door vitrines geknald. Wat gegeten wordt, wordt niet betaald. Het personeel wordt massaal gemolesteerd. Een mannelijke bediende wordt met een stoel tegen de grond geslagen. De overige gasten ontkomen evenmin aan het geweld. Mensen die aan het eten waren, worden met hun gezicht in hun bord geduwd. Met de spaghetti in het haar, staan zij doodsangsten uit. Nadat alles en iedereen is vernield en mishandeld, gaan de vandalen terug naar de bussen.
Het boek ‘Utrecht Hooligans’, leest als een spannend, verbijsterend oorlogsverslag, waarbij de lezer zelf zijn morele kompas maar moet instellen.

Utrecht Hooligans
Auteurs:  Daniel van Doorn en Evert van der Zouw
Uitgever: Just Publishers.
ISBN: 9789089752895.
Prijs: 20,00 euro.

George in olieverf gevangen

‘Le Vainqueur’ is de naam van het schilderij. Geschilderd tijdens het interbellum door Theo Bennes, een Nederlandse kunstschilder, wonend in het Parijs van de jaren dertig. Dat de afgebeelde figuren te linken zijn aan de wielersport is zeker. Aan de man in het leren pak te zien, betreft het een stayer met zijn gangmaker.  En daar zit nou nét de kneep. Wie zijn die twee? Dat was de vraag van Raymond Hensgens gesteld  aan deze blog. Voor Raymond Hensgens,  – eigenaar van Galerie Nieuw Schoten gevestigd in Haarlem, en recentelijk in bezit van Le Vaiqueur, – belangrijk om de geschiedenis van het doek te weten.
Stuyfssportverhalen had het antwoord. De afgebeelde renner is George Paillard, met gangmaker Guerin. En zó moeilijk was de oplossing ook niet. In het archief van deze blog zit een foto van deze twee, nog wel in  dezelfde setting als op het schilderij.
In de Les Sports Illustrés van 6 september 1932 staan Paillard en Guerin, zojuist wereldkampioen geworden op de piste van Rome, omringd door Italiaanse supporters, te glimmen. Dat de betreffende foto in Les Sports Illustrés voor Theo Bennes dé inspiratiebron voor z’n schilderij was, is zeker.

Dan George Paillard, dé hoofdrolspeler van deze column, en wereldkampioen profstayer in 1929 en 1932. George behoorde tot de top van het internationale stayeren.
Ondanks zijn status zaten ze op de Duitse wielerbanen, hét werkterrein van topstayers, niet op de Fransman George Paillard te wachten. Wat te maken had met het Duitse chagrijn van de Eerste Wereldoorlog. Dat George daarmee zat is twijfelachtig. Als dé best betaalde renner op de Franse wielerbanen vulde Paillard  jarenlang, rijkelijk z’n bankrekening.

George Paillard, taai als een stuk Frans hondenleer. In de herfst van zijn carrière,  streed de inmiddels vijfendertigjarige Paillard mee in de voorste loopgraven van Bordeaux-Parijs, die monsterlijke koers achter derny’s over zeshonderd kilometer.  Waar George voor een dramatische finale zorgde.
Op de wielerbaan van het Parc des Princes in Parijs en  honderd meter voor de finish raakte hij, oververmoeid, even het spatbord van z’n gangmaker. Met een schedelbreuk werd George afgevoerd.  George Paillard, gestorven in 1998 op drieënnegentigjarige leeftijd,  blijft nog steeds voortleven. Weliswaar in olieverf maar toch.

De kunstliefhebber die interesse in George heeft, kan terecht bij, Galerie Nieuw Schoten, art consultancy, Frans Halsstraat 17, 2021 EG Haarlem.

De verse ramsj van Scheltema

Tweeënhalf miljoen boektitels. Verdeeld over vijf etages, wat staat voor 3200 vierkante meter literatuur. Boekhandel Scheltema, de grootste boekhandel van Nederland. Met  op iedere etage, leeshoekjes- en tafels om  ongestoord te lezen. Scheltema, één  groot lezersparadijs. Vooral de tweede etage, met de zogenaamde ramsjafdeling, met honderden titels, rug aan rug,  hoog opgestapeld, en iedere week ververst. Bij  de afdeling  ‘sportboeken’ is het scoren voor de liefhebber, met boeken, die  niet eens zó lang geleden lyrische recensies kregen. En nu staan ze bij Scheltema  in de ramsj voor een schamel bedrag. Tussen de tientallen stapels sportboeken, ook het boek ‘Mien’, van schrijfster Mariska Tjoelker.
 
In ‘Mien’ beschrijft Tjoelker het dramatische leven van wielrenster  Mien van Bree, die tijdens de jaren dertig niet alleen moest knokken om als vrouw te mogen koersen, maar ook worstelde met haar seksuele geaardheid. Prachtig beschreven door Tjoelker, die daarvoor tientallen bronnen raadpleegde. Een verhaal dat  gelezen moet worden. Ondanks dát  staat ‘Mien’, prominent bij de verse ramsj, en afgeprijsd van 20. 99 euro naar  het schamele bedrag van 7.90. Sommigen dingen zijn niet uit te leggen. De ramsjafdeling van boekhandel Scheltema, een absolute aanraaier.
Boekhandel Scheltema, Rokin 9, Amsterdam, 1012 KK.

error: Content is protected !!