Zoute snorren

Geen confettikanonnen, noch spuitende champagneflessen. Een witte ‘regenboogtrui’? Nooit van gehoord. Ook geen enge, hysterische toestanden met een zwaaiende, nationale vlag. En kortgerokte, dellerige rondemissen kwamen alleen voor in duistere nachtmerries. Werd je in 1907 wereldkampioen dan kreeg je een zak geld, een gouden medaille én een hand. Meer niet. En dat laatste zat per definitie vast aan een met zich zelf zo ingenomen politici. Van die opportunistische gladjakkers, met een perfect gevoel voor publiciteit.
Als verse wereldkampioen moest je dat maar laten wel gevallen. Had je zojuist honderd kilometer lang, achter een knetterende en razende motor, je leven op het spel gezet. Waar bij het bloedende scrotum, het zeem van je koersbroek soppig maakte. Val je in de handen van zo’n enge hap. Mannen, met hoge goochelaarshoeden, wurgende, stijve nekboorden, en snorren die stijf staan van het ‘zout’: strak kijkend in de lens van de fotograaf.
Welkom in het Parc des Princes op 7 juli 1907. Decor van het wereldkampioenschap stayeren. Uitverkocht huis. Met lokale favoriet Louis Darragon.  Die de honderd kilometer afraasde in een uur en achttien minuten. De brave Louis. Kreeg behalve de wereldtitel die genoemde zak met achthonderd rinkelende Duitse goudmarken. Darragon moest daarvoor afrekenen met Karel Verbist en George Parrent. Dat Dussot, Loregeo en Rosenlöcher het rijtje kompleet maakte was aardig voor de statistieken. En meer niet.
Even terug naar Darragon. Je moet toch helemaal van de pot zijn gerukt om niet te weten dat Louis zich het liefst onderdompelde in het woeste feestgedruis van zijn supporters. Het proletariaat dus. Die ondanks de Franse Revolutie wél zijn plaats moest kennen. Eerst de bourgeoisie. En dán de ‘wijn en Trijn’. Enfin, Louis’ supporters bleken van het trouwe soort te zijn. Nadat Darragon in november 1917, in het Velo d’Hiver in Parijs dodelijke verongelukte stonden honderdduizenden Parijzenaars op de stoepen om afscheid te nemen van hun held. Of ze dat ook deden met die  rukkers met die hoge hoeden, op de foto…?

Ingehaald door De Dood

De Vlaamse animositeit tegen alles wat Frans was, werd handig op ingespeeld. Want plaats twee Franse tegenover een koppel Vlamingen en je bent verzekerd van een volle bak.  De letterzetter was dan ook snel klaar met zijn aanplakbiljet. De Grote Prijs van Antwerpen, editie 1909, een koers achter zware motoren werd betwist door maar vier renners.  Voor een smak franken wilde Louis Darragon en George Parrent,  drie jaar onafgebroken de beste ter wereld, best naar de Sinjorenstad komen om het duel aan te gaan met die twee Vlaamse jongens. Thuur Vanderstuyft en Kareltje Verbist voornamelijk actief op de buitenlandse wielerbanen waren  langzaam, gestaag en een beetje stiekem de top genaderd. En die middag  barsten ze van de goesting! Want wat is mooier dan om in eigen huis, voor eigen volk die arrogante Fransen een poepie te laten ruiken.
 Aan de sfeer zal het niet liggen. Tien minuten voor de start. Volle roezemoezende tribunes, zinderend van het komende spektakel. Mooie madammekes keken heimelijk maar zwoel naar blote rennersbenen. De harmoniekapel op het middenterrein speelde de longen uit het lijf. Gangmakers controleerden nog even de motor, fietsen werden klaar gezet. De fotograaf van de lokale gazet  installeerde zijn camera, stak zijn hoofd onder het zwarte doek. Voor zijn lens verschenen vier kerels waarvan drie met ernstige, grimmige koppen. Logisch, want ondanks de vrolijke schettermuziek, het geluid van duizenden toeschouwers, was het net of ze op de achtergrond het sinistere geklepper van de doodsklok  hoorde.  Binnen tien jaar  nadat de fotograaf zijn kiek schoot hadden Parrent, Darragon en Verbist  zich bij hun Schepper gemeld.
 De jonge Kareltje Verbist beet de spits af. Twee weken later al gaf hij de geest. Tijdens de Grote Koningsprijs een stayerskoers in Brussel kreeg Verbist in de laatste ronde een klapband. Karel, zeventwintig jaar geworden, moest een eeuw wachten op erkenning.  In 2009 werd in Wijnegem, zijn woonplaats, een straat  naar hem vernoemd.
Louis Darragon, veteraan van de Europese wielerbanen, betwiste honderden koersen achter de motor, was een internationale vedette, en werd twee keer wereldkampioen. Vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog in de voorste loopgraven. Zag, tijdens het offensief bij Casency,  zijn dienstmaatje François Faber, winnaar van de Tour 1909, sneuvelen. Na zelf hersteld te zijn van opgelopen oorlogsverwondingen, stapte de gewezen wereldkampioen weer op de stayersfiets, wat uiteindelijk het voorspel werd van Louis’ hemelgang. Tijdens een stayerskoers op het Parijse Velodrome d’Hiver, 28 april 1918, brak zijn pedaal. De oorlogsheld, vijfendertig jaar, viel tegen de balustrade te pletter. In zijn geboortestad Vichy werden zijn verdiensten op waarde ingeschat. Als erkenning voor ’s mans prestaties werd het grote rugbystadion naar Darragon vernoemd.
Een half jaar later werd George Parrent door De Dood ingehaald. Zoals zovelen meende ook  George, drievoudig wereldkampioen, zijn land te moeten verdedigen.  In diverse veldslagen raakte Parrent zwaar gewond. Opgelapt werd de altijd somber kijkende George  weer terug gestuurd naar de voorste linies. Drie weken voor het einde van de Grote Oorlog stierf hij in de loopgraven van Saint-Germain-en-Laye aan de gevolge van Spaanse Griep. George Parrent werd drieëndertig jaar.
En Thuur Vanderstuyft? De enige die onbevreesd grijnzend op de foto staat. D’n IJzeren zoals zijn bijnaam luidde, reed een decennia achter de zware motor, werd diverse keren voor dood van de wielerbaan geschraapt, maar stierf uiteindelijk op drieënzeventigjarige leeftijd in zijn bed.
Foto 1: v.l.n.r. Parrent, Vanderstuyft, Verbist en Darragon. Foto 2: George Parrent, Foto 3: Parijs 1907 het Velodrome d’Hiver, links Darragon rechts Bobby Walthour.
Bron: Radwelt jaargang 1907, 1909, en 1918.

error: Content is protected !!