Een fenomeen is vertrokken

Gisteren is Herman van Bruggen overleden. Herman was een fenomeen. Een levende legende. Herman had namelijk  een latent erotische relatie met de stopwatch. Voor de man was de tijdrit een vorm van geloof. Alles stond bij hem daar voor in het teken.

Zo’n tien jaar geleden werd hij in Sankt Anton, Oostenrijk, vijfenzeventig jaar oud, wereldkampioen bij de veteranen. Schrijver Tim Krabbé, had zijn  eindtijd ooit uitgerekend, en kwam tot de conclusie dat menig jonge amateur daar niet aan kwam.

Tot zo’n twee jaar geleden raasde Herman, op een strak tijdritschema zijn dagelijkse rondje af. Op een fietsje uitgevonden in een ruimtevaartlaboratorium, en zónder valhelm. Hoofdbescherming is voor mietjes, riep Herman.  Hooguit een koerspetje op. Of een bandana.

In zijn boek ’42 Wielerverhalen’ schreef Krabbé een verhaal over Van Bruggen.  Tim Krabbé noemde hem daarin ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij later van Tim Krabbé kreeg.  Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé, ooit een speech af ter gelegenheid van Van Bruggens wereldtitel.

Herman van Bruggen werd 85 jaar.

Kachelen

Piet Dickentman, achter Adolf Thormann. Aan het stuur Gerrit de Regt. Foto gemaakt in 1902.

Zo’n onbenullig berichtje. Weggestopt in een stoffig, vergeeld, en inmiddels vergeten sportmagazine, uitgegeven in 1921. Waarin werd stil gestaan dat ene Adolf Thormann, zijn vijfentwintigjarig jubileum vierde als gangmaker.

Thormann, ‘man van Thor, de Germaanse god van de donder’.  Klopt aardig. Thormann, was dan ook zo’n rakker van vele oorlogsfronten, en ‘trok’ Amsterdammer Dickentman, in 1903 naar zijn enige wereldtitel. Als je Thormann aan je zijde had, zat je snor. De man kende weinig scrupules. Zat nergens mee. Dat Thormann de nacht vóór Dickentman’s titelrace, de gangmaakmotor bewaakte met een getrokken Lüger, is ter kennisgeving.

Eerst even wat uitleggen: Dickentman stayerde achter de zogenaamde motortandem, een met twee man amper in bedwang te houden monster. Stayerskoersen, honderd kilometer lang, waar na  vijftig kilometer, – als de benzinepeil angstig laag was, – de tweede motor in de baan kwam. In volle vaart wipte Dickentman over.  Dat van Dickentman’s gangmakers er binnen korte tijd twee dodelijk verongelukte, behoorde tot de mores van het vak. Hoogstwaarschijnlijk schudde Thormann dergelijke drama’s, van zich af als een natte hond. Geld verdrong ratio.

Thormann, man met ‘n kennersoog. Zag meteen wie aanleg als stayer had:  lees, géén angst. In 1908 benaderde hij Fritz Theille, een begenadigd Berlijnse sprinter. Fritz liet zich overhalen, en nam zijn plekje achter de rug van Thormann in. Thormann was een kenner. Fritz ging winnen, en niet zo’n beetje ook. Tot 4 juni 1911! Op de Zehlendorfbaan in Berlijn, verongelukte Fritz voor de ogen van zijn moeder.  

Houdbaarheidsdata van gangmakers tijdens de belle epoque, duurde niet lang. De mannen hadden hun lijf en leden té lief. In de uitslagenlijsten gepubliceerd door Radwelt, kom je ze dan opeens niet meer tegen. Niet Thormann, die kachelde een kwart eeuw lustig voort. Een prestatie op zich.

Bron: Rijwiel- En Motor-Orgaan, jaargang 1921, Album der Radwelt jaargangen 1908 en 1911.

Oorlogsjournaal

Vooral de Franse sportbladen, uitgegeven vóór de Eerste Wereldoorlog, lezen als een oorlogsjournaal, ter plekke opgeschreven. Dat het op de wielerbanen tijdens, de belle epoque luguber aan toe ging waren ze op de burelen van het Franse sportblad La Vie au Grand Air inmiddels ook achter gekomen.  

In 1904 verongelukte de Amerikaans stayer Harry Elkes. Voor La Vie een rede om los te gaan. Het verhaal over Harry, – het vijfde dodelijke slachtoffer nadat de gangmaakmotor zijn opwachting had gemaakt, – werd opgeleukt met bijpassende tekening. Terzijde: na Harry Elkes verongelukte meer dan zeventig stayers en gangmakers.

In het archief van deze blog worden regelmatig nieuwe ontdekkingen gedaan van tot nu, onbekende catastrofes op de Europese wielerbanen, waarover wordt gepubliceerd.

Posted in Geen categorie. Leave a Comment »

Kroeg

De man was een stayer van nét niet. Stayers als een Jan van Gent, daar zaten ze in het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog niet op te wachten. Een enkele keer mocht Jan bij de oosterburen zijn opwachting maken. Zonder noemenswaardig succes. Jammer voor Jan, want in Duitsland viel het gróte geld te verdienen.

Het karige beleg op zijn boterham, schraapte Jan bij elkaar op de kleine Nederlandse, Vlaamse en Franse wielerbanen, waar het ruig aan toe ging. Ook op de Antwerpse Zurenborgwielerbaan, ergens in 1915, waar zijn gangmaker Käser, tijdens de race ten val kwam. Jan van Gent, met tachtig kilometer, vliegt  over Käser heen. Waarbij de gangmaakmotor, als een losgeslagen projectiel over de houten wielerbaan stuitert. Om brullend tot stilstand te komen tussen het publiek.   

Van Gendt, Käser en drie toeschouwers worden zwaargewond, en bewusteloos afgevoerd richting hospitaal. Dat Jan van Gent in 1915 Nederlands stayerskampioen werd, was een kwestie van geluk. Grote kanshebbers als een Piet Dickenman, koersten die dag, ergens op een Duitse wielerbaan: uiteraard  voor een volle zak goudmarken.

En toch… Toch struikel in je in het archief van deze blog regelmatig over Jan’s naam.  Of Van Gent, daar blij om had moeten zijn?  De man beschikte namelijk over losse handjes. Met name op de Amsterdamse Zeeburgbaan had Jan een bedenkelijke naam op te houden. Razend achter de zware gangmaakmotor gaf Jan ooit, tijdens het passeren een tegenstander een muilpeer. Met die snelheid een prestatie op zich.

Ach, die Jan van Gent. De man had evengoed zijn verborgen kwaliteiten. Ondanks zijn bescheiden verdiensten, kon hij hoogstwaarschijnlijk goed met geld omgaan. Na zijn stayerscarrière opende Jan, in de Amsterdamse Ferdinand Bolstraat, een café.  Heineken Bier op tap, én twee elektrisch verwarmde Wilhelmina billards.  Jan van Gent, pedant poserend voor zijn kroeg. Bedenkelijk kijkend, op z’n hoede, alsof  hij ieder moment door een brullende gangmaakmotor te grazen wordt genomen.

Broekenschijtend

Wat heeft een renner liever, een erelijst met honderd overwinningen in zogenaamde b-koersen. Of een palmares, met maar vier gewonnen koersen: waar dan wél twee grote klassiekers bij staan. Van die gewetensvragen. Of Leon Devos daar wakker van lag? De man, getrokken uit vette West-Vlaamse klei, had een erelijstje dat op een bierviltje paste. Dat hij daar depressief over was..? Als je Luik-Bastenaken-Luik én de ronde van Vlaanderen wint, kun je daar de rest van je leven in de Vlaamse staminees gratis op teren.

Devos, in 1919 winnaar van L-B-L. Om drie jaar later, de ronde van Vlaanderen te winnen. Dat laatste flikte Devos, – waar in de wielerarchieven heel weinig van terug te vinden is, – op die ene stormachtige zondag in april, van het goddelijke jaar 1922. Waar hij, Leon Devos, in de buurt van Roeselare, met nog honderd kilometer te gaan, én in een bulderende storm, zijn definitieve demarrage plaatste, richting finishplaats Gent. Om  vervolgens zeven minuten te wachten op nummer twee.

In Gent nam Devos zijn plekje in de Vlaamse heldengalerij in. Om daarna meteen in de anonimiteit te verdwijnen. Hoe en waarom? Karel van Wijnendaele, stichter van de ronde van Vlaanderen, én nestor van de Vlaamse wielerjournalistiek, begreep daar ook niets van. In zijn epos ‘Het Rijke Vlaamsche Wielerleven’, vraagt hij zich af, of dat van Devos een kwestie was van gebrek aan lichamelijk te kortkoming, wilskracht, training, of volharding? Karel kwam er niet uit.

Bijna honderd jaar later, maakt dat ook niets meer uit. Leon Devos, had voor eeuwig zijn naam gekrast in de wielergeschiedenis. En als wij het dan tóch over helden hebben, nomineert schrijver dezes, ook die ene, onbekende supporter, pontificaal afgedrukt op de cover van de Geïllustreerde Sportwereld.

Om zo’n beslijkte renner, vlak na een koers op je schouders te nemen, vereist een zekere lef. Of defaitisme. Ga maar na. Zo’n Vlaamse stoemper, zat tijdens een koers nergens mee. Broekenschijtend, pissend dwars door de koersbroek heen, met als extraatje, soms een meurende biefstuk om het zitvlak te beschermen, liet deze zo’n schouderhuldiging, met een zekere voldoening aan zich voltrekken

Bron: Het Rijke Vlaamsche Wielerleven, uitgave 1943, Geïllustreerde Sportwereld, jaargang 1922.

‘Monument?’

Milaan-San Remo, driehonderd lange, en saaie kilometers.  Een koers – zonder uitstraling, waar de heroïek ver weg is, – met een prachtige bijnaam als een La Primavera. Dat het de  openingsklassieker van het voorjaar is, dat zal wel. Maar waarom het als een zogenaamd wielermonument wordt beschouwd, is niet helemaal duidelijk.  

Milaan-San Remo,  kan daarom niet in de schaduw staan van zogenaamde mindere Vlaamse koersen, als een Kuurne-Brussel-Kuurne, Dwars door Vlaanderen en Nokere Koerse, géén ‘monumenten’, maar wél met een hoog kijkersgehalte.  Enfin, als sportblog, toch even aandacht geven aan La Primavera, van ouds her een Italiaans onderonsje.

De Italiaanse renner,  hét voorbeeld van hoe het hoort, vroeger en nu. De verzorging, kleding, het materiaal, alles lijkt ontworpen te zijn door stylisten. Ook tijdens Milaan-San Remo,  editie 1930. Waarin zeven Italiaanse renners op de eindstreep kwamen afstormen. Het mag dan wel negentig jaar geleden zijn, evengoed spat het hoog verzorgde rennersgehalte,  van de foto. Kerels, voorzien van scherpe, bruine koppen, koersend op toentertijd hightech materiaal van  fietsenfabriek Bianchi,  gespoten in de klassieke hemelsblauwe kleur.

1930, Waar de macht van het getal zegevierden. Zeven Italiaanse renners in de kopgroep, waarvan vijf van het Bianchi-team. Dat Bianchirenner Michele Mara won, is daarom leuk voor de statistieken, en meer niet. Komende zaterdag La Primavera, waar schrijver dezes maar niet naar gaat kijken. Zijn tijd komt een week later,  als Gent-Wevelgem de aftrap geeft, gevolgd door Dwars door Vlaanderen, Driedaagse De Panne, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Wat wil een mens nog meer..?

Bron: Jubileumnummer ’50 jaar, Milaan-San Remo’, door Lo Sport Illustrato, uitgeven in 1959.

‘Vuile, Ierse rat’

Die boksende rakkers in de oudheid van de sport. Kerels met patent op drama en romantiek.  En vertel nou niet, dat er eind negentiende einde eeuw niets gebeurde. In het calvinistische Holland misschien, maar niet in de halfduistere bokszalen in New York City.  Arena’s,  verlicht  met gaslantaarns, waar het  boksgrauw rijkelijk aan hun adrenalineshot kwamen. Met dank aan die onafgebroken stroom vuistvechters, gerekruteerd in de achterbuurten.

Bekijk de vergeelde foto’s goed, en je ziet vroegoude jongens met harde koppen,  warm gedraaid in de stegen en slumps, en gepolijst in de vele boksschooltjes. Zwetend, stompend en rammend op weg naar glorie en rijkdom: aan de horizon de vage contouren van verval, armoede en ander drama. Met dank aan louche trainers en managers, die hun jongen wel ‘brachten’, en ondertussen de eigen zakken vulden.

Om Terry Mc Govern op de aanplakbiljetten te krijgen was voor zijn manager een eitje.  Terry, negentien jaar  was er opeens. Tijdens zijn eerste partij,  gehouden in het Brooklyn van 1897, ging bij Terry het licht uit. Johnny Snee was de dader. Johnny kon zijn lange leven tegen zijn kinderen en kleinkinderen opscheppen dat hij, Terry Mc Govern knock out had geslagen. Het waren er namelijk niet véél, die dat kunstje flikte. Om precies te zijn drie vuistvechters. Terry  overkwam dat niet meer. Sterker, in zestig partijen werden drieënveertig  tegenstanders op het canvas wakker, met als aardig detail tijdens de eerste drie ronden.

Ook ene George Dixon, wiens botten allang tot stof zijn vergaan, kreeg een pak rammel. George, tien jaar wereldkampioen bij de vedergewichten, verdedigde drieëntwintig keer zijn titel. Tijdens zijn vierentwintigste titelgevecht werd George in de achtste ronde definitief neer gehaald. Tegenstander? Terry Mc Govern. Ach, dat zijn van die stoffige, oeroude verhalen, maar die nog stééds beklijven.   Want ook aan Terry’s schrikbewind kwam een eind. Met dank aan Young Corbett, een man met een zeker psychologisch talent.

‘Kom maar naar buiten, vuile, Ierse rat, dan krijg je hét pak slaag van je leven’, schreeuwde Young Corbett, tijdens het passeren van  Terry’s kleedkamer, enige minuten voor aanvang van het wereldtitelgevecht. Dat een dolgedraaide Mc Govern vervolgens in de elfde  ronde neerging, is aardig voor de geschiedenisboeken.

Terry McGovern, een schim opgegraven in de vergane loopgraven van het boksen, eindigde tragisch, wat het verhaal wél zo mooi maakt. Kort na het beëindigen van z’n bokscarrière in 1908, werd Terry opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij tien jaar later zijn laatste ademtocht uitstootte. Terry McGovern werd 38 jaar.

Bron: onder meer La Vie au Grand Air, Boxrec.

Pindakaas

De aquarel is van de hand van kunstenaar Jan de Haas.

Noem het een jubileum, want vandaag, precies vijfentwintig jaar geleden reed Evert van Benthem zijn allerlaatste marathon. Gehouden op het Uitgeestermeer, waar de vlaggen strak stonden, met pronte, roodwangige meiden achter de koek-en-zopie, en een  bontpeloton schaatsers dat langs gleed. Anton Pieck, zal begrijpend knikken. Zo’n schaatsmarathon, waar we niet genoeg van krijgen, en waar afgelopen week naar gesnakt werd.

Het Uitgeestermeer, als decor van de ultieme finale van Van Benthem, waar hij voor het laatst zijn wedstrijdschaatsen afdeed. Een historisch feit, dat nu, collectief door alles en iedereen is vergeten. Wat te vergeven is.  Alhoewel… iedere, zich zelf respecterende schaatsliefhebber, dient dat wél te weten. De man heeft namelijk de status van ijsheilige. En nee, wij gaan op deze blog niet de lacune opvullen met Van Benthem’s prestaties. Daar is genoeg over gepubliceerd.

Van Benthem, na zijn emigratie  langzaam uit het beeld van de media weg gezakt. Tijdens de laatste schaatskoorts, géén interviews met de tweevoudige voormalige winnaar, met die eeuwige, lullige vraag, of ‘de tocht der tochten’, wel of niet door gaat.  Geen Evert op de televisie. Wél Erben Wennemars! Godsamme, Erben, tikkeltje overspannen indruk,  geobsedeerd, en neuzelend, bij ieder praatprogramma. Hoeveel kan een mens verdragen…?

Maar het voorjaar komt er aan. De winter is bijna voorbij. Van Erben zijn wij voorlopig verlost, wat een opluchting is. Op naar het volgende marathonseizoen, met nieuwe kansen voor die arme, schlemielige  marathonschaatsers, die door een oekaze van ene Van Dissel, afgelopen winter niet aan de bak kwamen.

Of ik zelf nog aan Evert denk? Ja natuurlijk! Iedere ochtend aan het ontbijt, als ik mijn bammetjes besmeer met pindakaas van Calvé…

Boom

De man was een streber. Of een idioot. Zeg het zelf maar. Wie neemt nou twee weken vakantie, om vervolgens voor z’n baas gratis te werken? Felix Luquin, zat daar niet mee. Dat zich zelf afstrafte, waarover straks meer.  Eerst even vertellen over Felix,  sportverslaggever tijdens de belle epoque.

Het mocht dan wel 1907 zijn, neemt niet weg dat in Felix een adrenalinejunk school. De man kreeg prettige gevoelens bij alles wat bloedlink was. Dat was de organisatie van een autorace, dwars door Frankrijk dan niet ontgaan. Felix kreeg een uitnodiging. De sportschrijver als bijrijder in één van die levensgevaarlijke bolides.  Of hij van zijn hoofdredacteur daarvoor vrij kreeg? Alleen als hij zijn vakantie opnam, én een verslag maakte over deze race: Felix ging akkoord. Waarbij aan de horizon iets vreselijks gloorde, met hem zelf in  een bedenkelijke  hoofdrol.  

Op de tweede dag, tijdens de etappe Clermont-Ferrand-Bordeaux, scheurend in een Peugeot met racenummer 31. Boven het geraas van de motor uit, hoorde de sportverslaggever opeens een raar scheurend geluid. Wat het laatste was dat zijn trommelvliezen bereikte. De achterkant van de auto brak spontaan af. Felix gelanceerd vanaf de achterbank, kwam met z’n hoofd tegen een boom.

Het verslag over zijn hemelgang, geschreven door een collega, leest als een horrorverhaal, vol bloedige details. Felix, brak zijn hoofd op vijf plekken. Verbijsterde toeschouwers met een sterke maag boden eerste hulp. Wat niets uithaalde, want Felix was al onderweg naar een betere wereld.

En nét als je denkt dat de beker vol ellende leeg was, komt er nog een macabere slok achteraan. De auto van ene Amigues, een collega van Luquin, scheurend richting het slachtveld mét de gesneuvelde Felix. Duikt opeens, vanuit een onoverzichtelijke bocht wedstrijdbolide nummer 35 op, met daarin Marc Roulier, Michel Martin, Jacques Villemain én mecanicien Pierre Métayé op. Niet veel later ‘reisde’ dit kwartet Felix Luquin, 25 jaar achterna.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1907.

Knokig

Of er iets te beleven viel op een zondag in 1931? Nee!  Hélemaal niks! De Grote Depressie, mét de bijbehorende armoede, én de hel- en verdoemenispreek van mijnheer de dominee, die een hele dag door je hoofd raasde, gaven daar een patent op.  Probeer daar maar een leuke zondag van te maken.

Moeders trok zich daar geen ene reet van aan. Die zat in haar gebloemde schort aan de grote tafel, verborgen achter een berg sokken die ze nog moest stoppen. De zondagen in het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden, één grote, eindeloze saaiheid.  Waren de zondagen dan overal zo? Nee natuurlijk niet. Zeker niet in Vlaanderen en Frankrijk,  waar de koers glorieerde. Iedere zondag wel ergens een kermiskoers.  Gratis toegang. Reuring, met een goudgele, bruisende pint in de hand, je favoriete renner aanmoedigen: ‘Goedverdoeme Jef, rij Uwe kloten eraf’.

Ook de zondagen in Frankrijk. Zoals bij het nationale kampioenschap. Waar ene Armand Blanchonnet het op z’n heupen kreeg. Blanchonnet in actie op de Cote Lapides, waar hij stumperend en stakkerend bezig was, om zijn knokige lijf omhoog te hijsen. Aangemoedigd door de lokale, toffe jongens, mét platte pet.  Armand Blanchonnet, die op zijn eigen manier geschiedenis schreef. Dat hij als jonge renner op de Olympische Spelen van 1924 twee gouden plakken binnen harkte, was aardig voor z’n kinderen en kleinkinderen. En dat hij, in datzelfde jaar wereldkampioen bij de amateurs werd, valt ook niet genoeg te prijzen.

De brave Armand kraste pas écht een kerf in de historie van de wielersport, tijdens de Zesdaagse van  Parijs in 1934. Waar hij van plan was om nog één keer te vlammen. Daarvoor liet Armand zijn ouwe lijf prepareren door Roger Viel, een verzorger met een bedenkelijke reputatie. Meerdere renners door Viel verzorgd, werden niet veel later ernstig ziek.   

Of Blanchonnet dát wist? Vast niet. Met een lijf vol dope kukelde hij de eerste avond, schuimbekkend van z’n karretje. De man lag vervolgens dagen lang in coma, waarbij artsen vochten voor zijn leven, en kwam eindelijk bij kennis met de legendarische kreet, ‘Ze hebben mij vergiftigd’, alsof heel Parijs dat niet wist.

Armand Blanchonnets naam,  inmiddels weg gezakt in de kieren van de wielersport, leeft alleen voort in de stoffige jaargangen van de Franse sportbladen, werd op vierenzestigjarige leeftijd bij zijn Schepper geroepen.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931 en 1934.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: