‘Er kwam geen hond kijken’

Nederland was rijp voor een sportmuseum. Althans, volgens initiatiefnemers. Een gegeven waar men mee aan de slag ging. Binnen korte tijd werd een indrukwekkende verzameling vaderlandse sportparafernalia binnen gesleept. En wat begon als een prachtig initiatief, eindigde binnen vijf jaar in mineur. Het sportmuseum, bevindend in Lelystad, ging failliet. Wat daarna volgde kun je niet verzinnen. Zeldzame historische objecten verdwenen in schimmige kanalen. Waar, voorheen gulle gevers, ze terug kon kopen. Voor deze blog doet iemand die, vijf jaar als vrijwilliger daar aanwezig was, zijn verhaal.

En ze waren er allemaal. Van toenmalig kroonprins Willem-Alexander, tot Jan Janssen, Gerben Karstens, Fanny Blankers-Koen, Anton Geesink en de onvermijdelijke Erica Terpstra. Wat grote namen betreft daar lag het niet aan. De opening van het Sportmuseum gevestigd in Lelystad voltrok zich met veel bombarie De zaal gevuld met hotemetoten. Die met alle egards werden behandeld. Daar had voormalig wielrenner Gerben Karsten geen boodschap aan. Karstens, als coureur al een tikkeltje anarchistisch, baande zich met een, te schenken  koersfiets, dwars door de menigte heen. Kortom de opening mocht er zijn.
Voor  het museum werd een groot sportbibliotheek bij elkaar werd ‘gebietst’. Maar ook een prachtige collectie fotoboeken, beschikbaar gesteld door de weduwe van Piet Moeskops. En nog véél meer. In een eindeloos lang lijstje somt de voormalige vrijwilliger de schenkingen op. Zoals de fietsen van onder meer Jan Janssen, Karstens, veel spullen van Fanny Blankers-Koen, hockeysticks waarmee Olympische medailles werden binnen gehaald, het judopak van Anton Geesink, de Olympische skiff van Jan Wienesse, de voetbaltenues van Bep Bakhuis, truien van de ooit legendarische keeper Leo Halle, gele en groene truien behaald in diverse Tours, de bokshandschoenen van onder meer Ben Bril en Arnold Vanderleyde, Reinier Paping en Ada Kok deden ook nog een gift. En nog heel véél meer. Zoals 30.000 unieke sportboeken, 120.000 sportfoto’s, en duizenden historische sportvoorwerpen.
Een collectie om je vingers er bij af te likken. En even goed ging het helemaal fout. Hoewel de directie vér voor de opening, met een aan waanzin grenzend optimisme, had voorspeld dat er op jaarbasis meer dan 50.000 bezoekers waren te verwachten, bleef het angstig stil. Of, zoals de informant het formuleert,  ‘er kwam er geen hond kijken’.
De leiding probeerde met allerlei commerciële middelen het museum overeind te houden. Zo werden de scholen van Lelystad benaderd. Want altijd een leuke educatieve les. Maar die lieten het collectief afweten. Sponsors haakten vervolgens af.
En het schip genaamd Sportmuseum dreef langzaam naar de scherpe klippen. Het ging na vijf jaar failliet. Ging het met de exploitatie mis, erger was de afwerking van het faillissement. Om te zeggen dat dat netjes ging is een eufemisme.

Het was voormalige VARA-coryfee Ellis Berger die publicitair aan de bel trok. Berger ontdekte in een krantje een advertentie, waarin de door haar geschonken medailles van haar vader, de atleet Chris Berger, te koop werden aangeboden. Vervolgens ging de beerput open. Schenkers waren of hun spullen kwijt of konden dat via-via ergens teru kopen. Sommigen hadden geluk en kregen materiaal terug.
De informant ziet het nog voor zich. Hoe armen vol jaargangen unieke sportbladen, in de container werden gesodemietert. Er was haast geboden bij de ontruiming, het gebouw moest leeg. En daar waren ook de verzamelaars die hun slag sloegen. Die voor een koopje hun auto vulde met sportboeken en programmaboekjes.
De informant, een gedreven sportliefhebber,  heeft zich inmiddels daar mee verzoend. Om met een diepe zucht te verzuchten dat niemand op zo’n sportmuseum zit te wachten.

Het bordje…

Wout Wagtmans won etappes in de Tour de France, en Giro d’Italia en droeg meerdere keren de gele trui. In de jaren vijftig, en vér daarna, waren Wout, en trouwens ook dorpsgenoot Wim van Est, dé grote sporthelden van het land. In 1994, op vierenzestigjarige leeftijd, vertrok Wagtmans naar de Grote Wielerhemel. Wout was dus een wielericoon. En naar iconen worden straten vernoemd. Ook in Almere. En dat laatste kun je wel overlaten aan de jongens van de straatnaamcommissie in deze poldergemeente.
Die wéten wel hoe je een sportheld moet eren. En na lang vergaderen van de commissie verscheen in het ‘grote niets’ opeens een straatnaambordje. Zomaar, in het ‘grote niets’ dus… Letterlijk, want er is namelijk niks! Hé-lé-máál niets. Ja, totale leegte en een overweldigende stilte! Alsof je op de prairie ergens in Montana bevindt, zoiets.  Woutje Wagtmans held van de geboortegolf, wordt levend gehouden aan een doodstille weg die zinderend in een puntje aan de horizon verdwijnt: een gebied dat in de allerergste nachtmerries van  pleinvreespatiënten voorkomt.

Aan de andere kant van het bordje bevindt zich een gigantisch, zwart kolkende wateroppervlakte waarvan vuurtorenwachters nerveus worden.
En kijkend naar rechts  zie je een natuurgebied dat de Serengetivlakte van Nederland genoemd wordt en waar afgelopen winter honderden hoefdieren de hongerdood stierven. Een gebied waar ze de wolf weer willen introduceren want er woont toch niemand.
In deze lugubere, sinistere omgeving, waar je niet eens dood gevonden wil worden, wordt  dus één van de grootste vaderlandse wielerlegendes geëerd.
Goed gedaan Almere, maar niet heus…

error: Content is protected !!