Dnjepr

Werner Spannagel, na zijn winst op de Argentijn Tvillo, tijdens de Spelen van 1932.

Sportroem, is net zo vluchtig als de geur van goedkope parfum. Gok daarom nóóit, op de gedoodverfde favoriet. Breng dan liever je geld naar de kroeg. Of besteedt het aan een leuke meid. Dan heb je ten miste iéts. De gokkers die hun geld tijdens de Olympische Spelen van 1932, op Werner Spannagel hadden gezet, vloekte de pannen van het dak: daarover straks meer.

Werner Spannagel, een onbekende Duitse bokser. Versloeg een maand vóór de Spelen in Chicago,  de onverslaanbare geachte Johnny Baltser, die een jaar later de prestigieuze Golden Gloves won. De  lokale gokmaffia moet met Werner niet  blij zijn geweest. Werner Spannagel, vlieggewichtkampioen van Duitsland, werd meteen dé favoriet voor het goud van de Spelen, gehouden in Los Angeles. Een scenario dat niet uit kwam.

Het Duitse vlieggewichtje werd in het Olympisch toernooi  tijdens de kwartfinales, verrassend er uit geslagen door de latere bronzenmedaillewinnaar Lou Salica. Dat de laatste in 1940 wereldkampioen werd in het bantamgewicht, is ter kennisgeving.

Werner Spannagel, – waarvan na zijn Olympisch debacle weinig over terug te vinden valt – beantwoordde totaal niet aan hét geschetste beeld van de superieure, boomlange Germaanse strijder, ontsproten uit de rassenwaanzinnige koker, van zijn Führer. Ondanks Spannagels kleine gestalte, werd hij tóch goed genoeg bevonden voor de Wehrmacht.

In het najaar van 1943, tijdens de Slag om de Dnjepr, sneuvelde de voormalige vlieggewicht. Werner Spannagel tweeëndertig jaar, werd begraven in een ‘kameradengraf’. Dan is er ook nog zijn vroegere tegenstander Lou Salica. Die had meer geluk. Lou sloot op negentigjarige leeftijd, definitief zijn ogen.

Bron onder meer: Olympia 1932, uitgegeven door de ‘cigarettenfabrik Reemtsma’ in 1932. Het gemeentearchief van Barmen-Wupperthal, en de Duitse Oorlogsgravenstichting.

Overtreffende trap

Andrea Carrea, een tot slaaf gemaakte Italiaan.  Of, zoals het in het Italiaans zo mooi klinkt, gregario, een  waterdrager voor zijn kopman. Als profrenner had Andrea zijn knokige lijf, volledig in dienst gesteld van Fausto Coppi, die in het Italië van de jaren vijftig een  treetje lager stond dan de Here zelve. Welke gelovigen Italiaan wil die nou niet dienen? Of Andrea daar mee zat?  Waarschijnlijk niet. De man wist niet beter.

Opgegroeid in het feodale Italië van vóór de oorlog, waar de mores werd bepaald door Mussolini én de Roomse Kerk. Doe maar wat je opgedragen wordt jongen, en wijk vooral niet van de geestelijk uitgezette paden af. En als zo’n jongen tóch ontsnapt was aan de aandacht van mijnheer pastoor en de plaatselijke fascistenleider, dan was er nog altijd zijn moeder. Zo’n dominant Italiaans wijf, waar filmmaker Federico Fellini in z’n films, een patent op had.

Geestelijk getormenteerd en geconditioneerd, werd zo’n  jongen  later dé ideale wielerknecht, waarvan Andrea de overtreffende trap van was. De anekdotes over Andrea’s onderdanigheid jegens Coppi, is stuitend maar ook weer wel fascinerend. Dat Andrea tijdens de Tour van 1952, onverwacht de gele trui pakte, en dezelfde avond huilend bij Coppi zijn excuus daarover maakte, behoort tot de klassiekers in de wielerverhalen.   

Andrea Carrera’s onderdanigheid – waarvan de superlatieven over elkaar heen buitelen, – valt samen in die ene prachtige foto, ooit geschoten tijdens de Giro d’Italia.  Fausto Coppi gevallen, met als resultaat een krom voorwiel.  Voor Coppi geen probleem. Z’n hondstrouwe helper Carrea was er als de kippen bij om zijn voorwiel aan Il Campionissimo af te staan.  Met het peloton ijlend uit het zicht, en nagekeken door Andrea Carrea. Bij de laatste spatte de tragiek, wanhoop en eenzaamheid uit diens ogen.

Andrea Carrea, tien jaar profrenner, met vijf gewonnen koersen en één gele trui in z’n kledingkast, trok op achtentachtigjarige leeftijd ter hemel. Waar hij ongetwijfeld blij ontvangen werd, door de Grote Kopman himselve.

Bennie

Het is tegen negen uur in de avond. Als bij de ronde van Leidschendam de bel luidt, voor de laatste ronde. Voor de coureurs hét sein om hun instinkt te volgen. Ideale sprintposities worden  dringend en wringend, ingenomen. De ronde van Leidschendam, gehouden op een lome zomeravond ergens in juli 1971.  Zo’n ordinair straatrondje, waarvan er wekelijks tientallen werden gehouden, en waar uit de speakers, het geneuzel van de microfonist klinkt. Het gespannen publiek wachtend op wat komen gaat, massaal op de trottoirs.

Dán gaat het mis. Tussen het publiek hangt een meisje iets té ver voorover. Renners botsen tegen haar op. Na de chaos van gekreukelde fietsen en gebutste renners, blijft één coureur bewusteloos achter op het asfalt. Om even later afgevoerd te worden naar de Ursulakliniek in Wassenaar. Waar om kwart over tien in de avond, Bennie Jurriaans komt te overlijden. Bennie werd negentien jaar.

Bennie Jurriaans, – op dat moment één van de beste en talentvolle wielrenners van dit land, – geboren en getogen in Amsterdam-Noord. Opgegroeid in het Floradorp, een van oudsher volksbuurt. In het Amsterdamse wielerwereldje, voelde het overlijden van Bennie als een mokerslag. Bennie, lid van wielervereniging GGMC, werd begraven op het Noorderkerkhof,  een boogschot afstand van zijn geliefde buurtje.

Drama’s blijven beklijven. Ook al vond het een halve eeuw geleden plaats. Of tijd alle wonden geneest is twijfelachtig. Ieder geval niet bij Bennie’s familie en vrienden.

Billy

Billy Papke
Stanley Ketschel

Billy vermoorde zijn vrouw. En stapte vervolgens zelf uit dit leven. Bij Billy waren de stoppen doorgeslagen. Het waarom? Edna zijn vrouw,  had een eind aan de relatie met haar Billy gemaakt. En dat was voor Billy nou nét het druppeltje die zijn geestelijke emmer deed overlopen. Billy Papke, bokser in ruste,  greep in september 1908 de wereldtitel in het halfzwaargewicht. Om deze twee maanden later weer af te staan.

Eerst even vertellen over Billy’s slagkracht, want in 1907  versloeg Billy ene Tony Caponi. Een gevecht gehouden in de Peoria Club in Illionois. Tony Caponi, – een perfecte naam voor een pizzabakker, – ging in de eerste ronde met een gebroken kaak naar het canvas. Om niet meer op te staan. Toni Carponi was klein bier, vergeleken bij Stanley Ketschel. De laatste een gewezen cowboy afkomstig uit Montana die als beginnend bokser had warmgelopen in de saloons, waar hij als betaalde vuistvechter actief was. Tussen de hoeren, pokerspelende kerels en klapperende saloondeurtjes, haalde Ketschel tweehonderdvijftig tegenstanders neer.

Enkele jaren later werd Ketschel wereldkampioen in het middengewicht. En door Billy Papke  in september 1908 uitgedaagd. En laat Billy tijdens deze gevechten, nou zijn kras in de boksgeschiedenis kerven. Dat begon al bij het eerste gevecht. Billy, niet van de pot gerukt gooide meteen een truc in de strijd. Bij het handenschudden haalde Billy uit. Met een ‘hoek’ wel te verstaan. Waarmee meteen de aardappelen op het gas ging. De gewezen cowboy, had waarschijnlijk het idee dat hij tegen een ongetemde bronco stond. Ketchel ging tijdens de eerste ronde drie keer neer. Om tijdens de twaalfde ronde definitief door z’n hoeven te zakken.

Billy  Papke wereldkampioen, waar hij niet lang van kon genieten. Twee maanden later volgde de revanche. Waarin Ketschel les ging lezen. Billy kreeg ongelofelijk op z’n lazer. Na dat gevecht herkende Billy’s eigen vrouw hem niet meer. Billy Papke en Stanley Ketschel jongens van de gestampte bokssport, beiden op een dramatische manier uit dit ondermaanse vertrokken.

Ketschels’s hemelgang gebeurde geheel in stijl. De cowboy, in oktober 1910, zittend in een saloon werd bij een ruzie in z’n rug geschoten. Magere Hein naast je sterfbed, dan laten mensen zich van hun kwetsbare kant zien. En valt toch geen status meer op te houden.  

Stanley Ketchel, de man met de harde kop,  en koude ogen was weer dat jochie uit Montana.  ‘Ik ben zo moe, ik wil naar huis. Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’,  waren zijn laatste woorden.

Moeder Ketchel zal haar jongen nooit meer zien. Op vierentwintigjarige leeftijd stierf  Ketchel. En Billy? Die stapte éven na zijn vrouw, ergens in 1936 uit dit aardse tranendal.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1908.

Jan Legrand gaf college

Jan Legrand vijlend aan een fietsstuur

‘Mijnheer ik hoorde dat U vroeger veel wielen had gemaakt. Heeft U voor mij nog een goede tip, of kunt U mij vertellen hoe U deze maakte’. In de werkplaats van fietsenzaak Segrijn en Van Wees viel er  een stilte. Het was alsof een zondagsschilder aan Rembrandt vroeg, hoe deze een schilderij maakte. Maarten, de jongste bediende, een fietsenmaker in opleiding had zojuist zijn vraag gesteld aan een oudere man, die aan de werkbank stond te vijlen aan een fietsstuur.

‘Jongen’, antwoordde deze vaderlijk, ‘Je doet een beetje zus, en dan een beetje zo. En vergeet vooral niet’, zo ging de oude, voormalige wielenmaker verder, ‘Om er héél veel liefde er in te steken. Dan komt het helemaal goed’. Maarten bedankte de oude man. Nadat de laatste de zaak had verlaten, vroeg de verbaasde Maarten aan z’n baas, wie die ouwe was. ‘Jan Legrand’, antwoordde Ric van Wees. ‘En als je wil weten wie dat is, moet je even op internet kijken’. Maarten de jongste bediende, had zojuist een kleine college wielenmaken gekregen van Jan Legrand, de mystieke, mecanicien van de legendarische wielerploeg Raleigh.

Legrand, ooit bezeten van z’n vak. Die tijdens zijn Raleightijd, letterlijk dag en nacht daar mee bezig was. Die altijd op zoek was naar innovaties van de koersfiets, en die na het eindigen van de Raleighploeg, rigoureus kapte met alles wat wielrennen was. Legrand bezocht nóóit meer een wielerkoers, wilde met het hele wielerwereldje niets meer te maken hebben. Zelf gaf hij nooit opheldering over het hoe en waarom.  Legrand, wonend aan de Linnausparkweg in Amsterdam, trok zich terug op zijn buitenverblijf in Portugal. Om enkele keren per jaar terug te keren naar zijn thuisbasis in de Watergraafsmeer. Waar ook de fietsenzaak van Segrijn en Van Wees domicilie heeft.

Hoewel Legrand gekapt had met het wielrennen, was hij altijd geïnteresseerd in ‘de fiets’. Bij Segrijn en Van Wees mocht hij graag komen. Even een praatje maken. Of, om zelf even aan zijn eigen vouwfiets te sleutelen, waar hij van Van Wees en Segrijn alle vrijheid voor kreeg. Tijdens één van Legrands sleutelsessies, vertelde hij aan Van Wees dat hij zich geen mecanicien voelde, maar fietsenmaker. Jan Legrand een ras-Amsterdammer, een bescheiden, integer mens, stierf afgelopen week op vijfentachtig jarige leeftijd.

Murphy

Charles Pegue

Papa moest geld verdienen. Geld om zijn hoofd en die van z’n dochtertje boven water te houden Charles Peque een weduwnaar uit Parijs, had een jaar eerder zijn jonge vrouw naar het kerkhof gebracht. Charles bleef alleen achter met Marie, een peuter van drie jaar. Voor het kind wachtte het weeshuis. En dat ging Charles nou nét te ver. Charles ging voor zijn kind zorgen. Wat niet gemakkelijk was in 1907.

Peque, geen kantoorpik, noch had hij had een reguliere baan. De man verdiende zijn franken op de wielerbanen als gangmaker. Met redelijk succes. Charles de vaste entraineur van stayer Paul Guignard:  een klein morsig kereltje behorend tot de wereldtop.  Peque en Guignard, niet alleen actief op de Franse banen maar vooral in Duitsland, waar het grote geld te verdienen was. Ook tijdens die ene zondagmiddag 9 juni 1907. Waar het Franse duo was gecontracteerd voor de ‘300 Kronen’,  een stayerskoers over honderd kilometer, gehouden op de Spandauwielerbaan in Düsseldorf, met een goed gevulde prijzenpot van tienduizend goudmark. 

Op de affiches een internationaal stayersveld met de Amerikaan Nat Butler, de Zwitser Fritz Ryser, de Vlaming Thuur Vanderstuyft en thuisrijder Peter Günther.  Een stayerskoers zoals in het Duitsland van vóór de Grote Oorlog er wekelijks tientallen waren. Zo’n koers die anoniem werd bijgezet in de marge van de wielersport. Het scenario verliep anders. In de eenennegentigste kilometer klapt de voorband van Peque’s motor. De Parijse weduwnaar hard tegen het harde beton gesmakt, waarbij  de eveneens gevallen Guignard, door de helse machine vijftien meter werd mee gesleurd.

Murphy’s wet is onverwoestbaar. Want ‘alles wat fout kan gaan, gaat fout’! Peque versuft opgestaan, zag tot z’n afgrijzen, de aanstormende gangmaakmotor van Vanderstuyft op zich afkomen. Met een gebroken kaak én schedel werd Charles afgevoerd naar het lokale krankenlager. Waar hij de volgende dag om drie uur in de middag de naam van zijn dochtertje uitstootte. Om even later de geest te geven. Charles Peque werd bijgezet in het graf bij zijn vrouw. Aan de groeve de kleine Marie.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1907, Album der Radwelt jaargang 1907.

Duivels en demonen

De Sint Jansnacht op 24 juni. De nacht dat heksen op de Kale Berg bijeenkomen om de duivel te ontmoeten. Om heksen en demonen op een kale berg te ontmoeten hoef je niet te wachten tot de Sint Jansnacht. Een gemiddelde Tourrenner kan dat bevestigen. Tot aan hun laatste snik herinneren deze nog wel een paar helse bergtoppen, waarin ze langs de poorten van de hel scheerden. Zoals die van de coll de Tourmalet, waar de duivel een dependance schijnt te hebben.

Stumperend en stakkerend tegen die kale Tourmalet. Met als decorlicht een brandende, zinderende zon. De sombere jaren dertig, met zijn Grote Depressie, en het dreigende Duitse gevaar.  De tijd van het recht van de sterkste. Waar alleen desolate kerels in de Tour hun geld bij elkaar sprokkelde. Armoe troef.  Het laatste druppeltje vocht uit het pezige lijf persend, trappend op een loodzware fiets. Gebogen ruggen. Ogen, diep verzonken in kassen.  Zich zelf omhoog hijsend, over een geitenpad vol steenslag. Omringd door donkere bergtoppen, verlicht door sneeuwvelden. Waarbij  die ene vraag als een flipperkastballetje door het hoofd ketste: ‘Heer waarom had ik niet een  fatsoenlijk vak geleerd’.  

De kreet, ‘Dwangarbeiders van de weg’, was nooit zó van toepassing als de bijgevoegde foto bekijkend. Een kopgroep van vier renners, tijdens de Tour van 1937. Met minuten voorsprong over die verdomde Tourmalet. Juliàn Berrendero, Félicien Vervaecke, Edward Vissers en Sylvere Maes. De laatste drie, weg geplukt tussen de Vlaamse vlasakkers. Op zich al wonderlijk genoeg.

De Spaanse grimpeur Juliàn Berrendero, werd winnaar van de etappe. Of deze overwinning in Spanje werd gevierd, is twijfelachtig. In zijn thuisland hadden ze wel wat anders aan het hoofd. Een week eerder was daar een burgeroorlog uitgebroken. Ach, dat laatste was kleinbier wat drie jaar later stond te wachten. Toen een Oostenrijkse duivel zijn demonen los liet over Europa. Wat een Sint Jansnacht werd die ruim vijf jaar duurde.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1937.

Romantiek

Jong, onschuldig en mooi. Ook in het Frankrijk van juli 1939. Meisjes in zomerjurkjes, onzeker giechelend, naast hun held René Vietto. Vragend om een handtekening. Of deze autogram voor hun poëziealbum bedoeld was? Of dat het de meiden alleen maar ging, om de geur van René op te snuiven? Wat kan dat ook eigenlijk schelen. Het resultaat is een foto waar de romantiek van af spat. Een ontroerend tijdsbeeld van een onbezorgde jeugd, gevangen op celluloid, gemaakt door die ene onbekende fotograaf, tijdens de Tour de France van 1939. 

Onschuldige onbezorgdheid, die een jaar later definitief was afgelopen. Op het moment suprême dat de fotograaf afdrukte, moest de Duitse blitzkrieg nog een jaar wachten.  René Vietto, tijdens de jaren dertig door Franse sportkranten- en magazines naar een heldendom geschreven. Vietto, een grimpeur bij de gratie Gods én het Franse volk. Tijdens de Tour van 1934, danste en dartelde René twintig jaar jong, in het hooggebergte onbekommerd, vér voor alles en iedereen uit. Dat René twee bergetappes won was aardig. Maar láng niet genoeg voor eeuwige roem.

Dat laatste verkreeg hij pas nadat hij in diezelfde Tour, in de Pyreneeën tijdens  een afdaling, met de gele trui in het vooruitzicht,  zijn voorwiel moest afgeven aan kopman Magne. Snikkend van machteloos verdriet om zoveel onrecht kon René, zittend op een muurtje, meer dan vijftien minuten wachten op de materiaalwagen. Waarmee hij zijn winst op een touroverwinning mee opofferde. Een drama vast gelegd in een, inmiddels iconische foto, gepubliceerd op alle voorpagina’s wat in Frankrijk van de drukpersen rolden. Waarmee René’s plekje in de eeuwige heldengalerij zeker mee werd gesteld. Ach die René. Zo’n coureur, waar de dramatiek aan z’n koersbroek was geplakt. Ook in de Tour van 1939, waarin hij de gele trui draagt. Om in zijn geliefde hooggebergte gelost te worden door Sylvère Maas. Einde Tourdroom. En het wordt nóg erger. De oorlog breekt uit.  Waarmee René Vietto’s carrière werd geknakt.

En hoe het met het leven van meisjes afliep? Willen wij dat wel weten? Want ook hen wachtte het lot wat zoveel generaties jonge mensen over kwam. Het geriatrisch monster wachtte geduldig in de coulissen. Schoonheid verdwijnt. Strakke lichamen zakken uit. Haar wordt grijs, en de eerste rimpels verschijnen. Waarbij te hopen valt dat deze meisjes, ieder geval een heel lang en gelukkig leven hadden. Een leven waarbij ongetwijfeld terug gedacht is, aan die ene mooie dag tijdens de Tour van 1939.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1934 en 1939.

Vaders en zonen in de wielersport

Mathieu van der Poel is op dit moment Nederlands meest spraakmakende en succesvolle wielrenner. Zodra hij een koers domineert, dan weet de camera altijd weer zijn vader te vinden: Adrie van der Poel, oud-wielrenner met een indrukwekkende erelijst die veel betekent voor Mathieu en zijn andere zoon David. Geïnspireerd door dit gegeven heeft wielerhistoricus en -liefhebber Fred van Slogteren onderzocht hoe belangrijk vaders zijn (geweest) voor de wielercarrière van hun zoon. Dat bleek in veel gevallen zo te zijn waardoor Van Slogteren zich heeft moeten beperken tot de meest aansprekende voorbeelden. Zo bespreekt hij naast opa Raymond Poulidor, vader en zonen Van der Poel onder andere de vaders en zonen Pellenaars, Zoetemelk, Van der Velde, Nijdam, Breukink, Van Poppel, Wagtmans, Tolhoek, Dekker, Kroon en Groenewegen. Door het interviewen en lezen van hun verhalen ging Van Slogteren tevens na wat de invloed van zijn eigen vader is geweest bij zijn passie voor de wielersport.

Er blijken vele soorten wielervaders te bestaan. Vaders die het geweldig vinden dat hun zoon wielrenner is, omdat ze dat zelf zo graag hadden gewild. Zoals Rien Boogerd, de vader van Michael. Maar er zijn ook vaders die er niets van willen weten omdat ze de sport te volks of te gevaarlijk vinden; vaders die hun wielrennende zoon inzetten voor de publiciteit van hun bedrijf; vaders die het niet verdienen om überhaupt vader te zijn of vaders die er ineens niet meer waren.. Ze komen allemaal aan bod.

En dan zijn er natuurlijk de vaders die beroemde wielrenners waren en zonen kregen die als coureurs bijna evenknieën zijn of waren. Zoals (alweer) Adrie en Mathieu van der Poel, Henk en Jelle Nijdam en (misschien) Erik en David Dekker. Denk in dit verband ook aan Jean-Paul van Poppel en zijn zonen Boy en Danny.

Als een rode draad door het boek loopt de relatie van vader en zoon Van Slogteren. Gaandeweg zijn onderzoek ging Fred zich steeds meer afvragen welke rol zijn eigen vader speelde in zijn levenslange passie voor de sport op twee wielen. Hij kwam tot de ontdekking dat die rol groot is geweest. Zijn vader was lang geleden wielrenner en heeft daar in zijn jeugd veel over verteld. En wel zodanig dat Fred er al zijn leven lang aan verslingerd is. Daarom is dit boek voor een deel autobiografisch.

Al in zijn prille jeugd raakte wielerhistoricus Fred van Slogteren (1938) gefascineerd van de sport op twee wielen. Inmiddels heeft hij een imposant aantal wielerboeken op zijn naam staan; waaronder biografieën van Jan Raas, Peter Post, Jan Janssen en Joop Zoetemelk. In 2003 werd hij door de KNWU gevraagd de geschiedenis van de toen 75-jarige wielerunie op schrift te stellen. Zijn weblog wielersport.slogblog.nl die van 2006 tot en met 2018 in de lucht was, trok dagelijks honderden bezoekers.

Omvang : ca. 288 blz. Formaat : 15 x 23 cm, paperback met fotokatern, ISBN : 97890 8975 5636, Prijs : € 22,50.

Onbekende

‘Kareltje, Kareltje, Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge nu niet gelegen in Uwe kist’.  Een regel uit een nogal macaber liedje, massaal gezongen in de Vlaamse staminees. Karel was dus wél actief  op de piste. Karel was stayer achter zware motoren. Een levensgevaarlijke stiel, waarbij hij ongetwijfeld, de risico’s tegen elkaar had afgewogen. Het gewicht van de vele goudmarken liet de weegschaal doorslaan.

Karel, zoon van een arme moeder. Maakte in 1907 zijn debuut op de gevaarlijke Duitse wielerbanen. Won een jaar later tien grote koersen, waaronder het prestigieuze Grote Prijs van Duitsland. In 1909 stond er honderddertigduizend goudmark op Karels rekening, waarin hij zijn moeder ruihartig in liet delen. En dan, dan is er geen koffie maar 21 juli 1909. Belgische nationale feestdag. Op geleukt met een stayerskoers gehouden op de Karreveldwielerbaan in Brussel. Karel als publiekstrekker op de affiches. Uitverkocht huis, voor een stayerskoers over een uur.

Met nog maar één minuut te gaan, ligt Karel in gewonnen positie. De Grote Hemelse Regisseur had een fijn gevoel voor een dramatische finale. Karel krijgt een klapband. Acht dagen later krijgt Verbist zijn postume hulde, met een  begrafenis die groots, meeslepend en dramatisch was, waarbij zo’n beetje heel Antwerpen afscheid van hem nam. Met als grote finale Karels monumentale graf, nog steeds bevindend op de gemeentelijke begraafplaats in Wijnegem, vlakbij Antwerpen.

Karel Verbist, allang vergeten in het collectieve geheugen. Behalve in Wijnegem, zijn geboorteplek, waar een pad naar Karel is vernoemd.

Als je denkt alles van Karel Verbist te weten duiken, er weer van die onbekende foto’s op. Zoals bovenstaande van Verbist’s begrafenis.  

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: