De Knoest en de rochel van de Keizer

Dick ‘Knoest’ Tol en Peter ‘Keizer’ Post! De één voetballer, de ander wielrenner, de eerste ondergewaardeerd, en vrijwel weggezakt in de krochten van de sportherinnering, de laatste zit al jaren geriefelijk op het pluche van de nationale eresportgalerij.
Dick Tol! Fluwelen balbehandeling, een van de beste spitsen ooit. Dé dodelijke sluipschutter van het Waterland en verre omstreken: vierenveertig jaar geleden topscorer eredivisie. Anno nu, ongetwijfeld furore gemaakt in de Premier League of de Serie-A. Zo’n speler dus, en toch…nooit opgesteld in Oranje en erger, door iedereen vergeten: het sportleven kan best wreed zijn.
‘De Knoest’, evenals het hele elftal van Volendam, dat merkwaardige dorp, zit nu nóg in mijn geheugen. Komt waarschijnlijk door die bijnamen die té mooi waren om te vergeten. Niet van dat gemaakte, gekunstelde en roomse gedoe zoals in de wielrennerij maar héél gewoon, calvinistisch in zijn schoonheid.
Dit valt toch niet te verzinnen? Jaap ‘Aaltje’ Keizer, Jaap ‘Snert’ Kroon, Dick ‘Kick’ Maurer, Jaap ‘Jut’ Smit, Harm ‘Poes’ Veerman, Jan ‘Jintje Koles’ Schilder, Thijs ‘Thijssie Kouwe’ Bont en Klaas ‘Blubber’ Karregat. Godallemachtig, Blubber… de legendarische, illustere, snoeiharde verdediger van Volendam waar hele generaties gepensioneerde linksbuitens nu nóg nachtmerries van hebben.
1961! In het kolkende en kokende stadion van Volendam stond ik, samen met mijn vriendjes, op de staantribune temidden van Volendammers, want wij, de jongens uit de Nieuwmarktbuurt dús Ajax-supporter, gingen namelijk even ‘les lezen’.
De thuiswedstrijd was 9-1 voor ‘ons’ en in Volendam, zo wisten wij vóór de wedstrijd stellig, ging keeper Aaltje Keizer minstens vijf keer ‘vissen’: met minder namen wij geen genoegen. Ajax, toen al arrogantie, zelfingenomenheid en kapsones op voetbalschoenen, werd die middag finaal weggespeeld en droop met 4-1 af, wat op het conto geschreven kon worden van ‘De Knoest’.
Oók denk ik nog wel eens aan de winter van 1966! De Zesdaagse van Amsterdam in de RAI, waar ik met dezelfde vriendjes aanwezig waren: hoog in de bocht, diep in de nacht en veel toeschouwers al naar huis. Overdreven luidruchtig, brooddronken én Amsterdams jennend, moedigden wij Peter Post aan. Gewoon, puberaal gedrag van jochies, dat van alle tijden is.
Post dacht daar anders over. Op zijn rode RIH-fiets, scherp sturend, scherend op centimeters van de balustrade en vlak bij, rolde, soepel, een vieze fluim van zijn lippen die temidden van ons uit elkaar spatte.
Sinds dát incident vond ik die Post, opeens, een vreselijk overschatte renner, zeg maar gerust een proleet. Keizer van de Zesdaagse werd hij genoemd, want meer dan zestig gewonnen! Ja… en? Dat is toch het boerenbonte, wintercircus van list, bedrog, en waar de injectiespuit nooit ver weg was,, waar afspraken maken de mores was, en waar de winnaars per definitie niet de sterkste zijn?
Dick Tol en Peter Post. De één, ras-Volendammer, aimabel, talentvol, bescheiden, in 1973 véél te jong overleden, en de ander de man van de ‘wereld’ die het voor de buitenwacht gemaakt, en als ‘heer’ door het leven ging. Maar ik weet beter…. 

error: Content is protected !!