Mooie momenten op de Apollolaan

De koers beklijfde aan hen. Harry Mater en Franco Ballerini, overgoten met dat vreemde wielersausje. Maar eerst Harry Mater, een zielsverwant, want schrijver dezes heeft dezelfde,  obsessie als Mater: fietsen achter motoren. Of anders de derny. Heeft allemaal te maken met nostalgische, onvervalste wielerromantiek. De hang naar het verleden. De kolenkachel. Eten aan de grote tafel, zittend onder de lamp. Op de Philips buizenradio de Selvera’s met hun lullige liedjes.  En donderdagavond op de fiets naar het Olympisch Stadion. De ‘populaires’, baankoersen met onder meer stayeren  achter de grote motoren. Het leven was overzichtelijk.
Of stayeren dat ook was? Natuurlijk niet! Dat was rauwe spektakel. Met louche gangmakerspraktijken, renners die van de motor werden ‘gebrand’, bedrog, combines en meer.  Wat kon mij dat allemaal schelen.  Het ging om de lekkere spanning. De brullende, olie lekkende motoren. De krakende leren gangmakerspakken. Verweerde koppen op de motor. Sluwe blikken onder valhelmen. Harry Mater, die een bloeiend schildersbedrijf runde, was daar een groot liefhebber van. Een liefde die hij zijn leven lang trouw bleef. Dat Martin Venix, gesponsord door Mater, naar twee wereldtitels ijlde, is genoegzaam bekend.
Ook  Mater als organisator van de indertijd befaamde Rai Derny Races. Met de grote klassiekerkoningen aan het vertrek. Die achter  knetterende derny’s, door het bekakte Amsterdam-Zuid raasde. Samen met mijn kleinzoontje Bas werd dan een plekje gezocht op de stille Apollolaan. Waar ik ooit, op de onregelmatig liggende klinkers, kasseienkoning Franco Ballerini, met diepliggende ogen in de kassen, ‘piano, piano’ hoorde schreeuwen naar zijn gangmaker. Het moest rustiger. Wij zagen dat en voelden ons doodgewoon gelukkig op de Apollolaan.  
Franco Ballerini dus, tweevoudig winnaar van Parijs-Roubaix, wát waren wij, Bas en ik, supporter van die renner.
Een jaar eerder in de catacomben van het Rai-complex. Vijf minuten voor het vertrek van de race. Derny’s werden gestart. Renners nerveus aan  de startstreep.
Op één na. Franco Ballerini ontbrak.  Die kwam uiterst relaxt, waar Latino’s patent op hebben,  omringd door overspannen bobo’s, uit de kleedkamer. Dan ziet Ballerini een klein jochie staan. De Italiaanse kasseienspecialist  gaf hem een hand, vroeg naar zijn naam. Maakte een praatje. En ging met Bas op de foto. De Derny Race, bobo’s en andere patjepeeërs konden zijn rug op.
Franco en Harry. Beiden zijn er niet meer. Franco verongelukte zes jaar geleden. En Harry Mater, sympathiek, en charmant mens, ­ – wie ik postuum wil bedanken voor de mooie momenten op de Apollolaan, –  overleed vorige week op drieënzeventigjarige leeftijd.

Foto 1: Harry Mater met Franco Ballerini.  Foto 2: Franco met Bas.

De eerste  foto’s kreeg Stuyfssportverhalen, via de mail, (16-8-2012) van sportfotograaf Guus de Jong.

De ulevel van Moos

Van sportfotograaf Guus de Jong, regelmatig bezoeker van deze blog, ontving Stuyfssportverhalen een serie mooie historische foto’s, door De Jong ‘geschoten’  in het Olympisch Stadion. Op één van de foto’s staat naast  renner Martin Wierstra, samen met gangmaker Lucien van Ingelghem, ook soigneur Moos Bremer: helemaal rechts. De laatste is voor Stuyfssportverhalen een icoon uit zijn wielerjeugd.

Als piepjong rennertje zat ik ‘in de verzorging’ bij  Moos Bremer: mijn vaste masseur. Moos hield praktijk in een bovenhuisje ergens in De Pijp, Amsterdam. Moos was niet zomaar een ‘benenpoetser’. Moos had een naam op te houden. Bewoog zich al meer dan vijftig jaar als soigneur in het wielerwereldje. Als Moos mij masseerde was ik goed doordrongen van het feit dat diezelfde handen ook de onderstellen van Gerrit Schulte, Peter Post, Wim van Est en een hele rits vedetten,  hadden beroerd. Moos was mijn goeroe. Ik was ‘in Moos’.
Tijdens één van de massages vertelde Moos mij dat ik slechte benen had. Van Moos, in witte doktersjas, mocht ik nog maar één liter vocht per dag drinken. En mijn trainingen diende afgewerkt te worden met een ulevel achter de kiezen. Een tiental apotheken had ik in Vlaanderen afgestroopt voor ik erachter kwam dat het begrip ‘ulevel’ stond voor een zuurtje. Ik was jong. Wist van niets. Met een wijnbal van Jamin achter de kiezen maalde ik mijn dagelijkse kilometers weg. Op een dag gebeurde een wonder. Het scheenbeen oogde als een scherp zwaard. En de rest van mijn benen vertoonde het uiterlijk van een landkaart. Ieder adertje en spiertje was goed te zien. Ik had ‘goede benen’. Tevens was ik een nierpatiënt.
Op een ochtend plaste ik onder helse pijnen een niersteen als een handgranaat uit. Wie mij dat wijs had gemaakt vroeg de internist, nadat ik vertelde van die liter vocht én mijn trainingen. Nooit, maar dan ook nóóit verraadde ik mijn goeroe. En wat wist zo’n internist nou…  Ging over Moos niet het hardnekkige gerucht dat deze, met de inhoud van zijn koffertje, een dode weer tot leven kon wekken? Ik bedoel maar!
Ondanks Moos’ verzorging had ik het als renner niet verder geschopt dan een meerijder. En  Moos Bremer, een aardige, lieve man, is al decennia niet meer onder ons. Met Moos is ook het begrip ‘geheimzinnige soigneur’ uitgestorven. Het wielrennen een stuk romantiek armer…

Foto rechts: Jaren twintig, Moos Bremer winnaar van de Kikkertbeker een tijdrit. Moos maakte, na zijn fietscarriere, het prachtige, en inmiddels uitgestorven vak van wielersoigneur eigen.

Foto: Guus de Jong

error: Content is protected !!