Vliegend Circus

Vandaag honderd jaar geleden beëindigde de Eerste Wereldoorlog. In Frankrijk, Engeland én België groots herdacht. Ook deze blog staat daar even bij stil.

Wat ze gemeen hadden? Nationalisme, patriottisme én een hang naar valse romantiek: de opmaat voor een vers gedolven soldatengraf. Alfred von Richthofen en Octave Lapize. Van die Von Richthofen kon je dat verwachten. De man, een Pruis bij overtuiging én geboorte, speelde als  kleuter, met een fijn scherp, geslepen zwaardje. Had bovendien een verontrustende belangstelling voor de wapenkast van zijn vader. Probeer zo’n joch maar eens te overtuigen van pacifisme. Von Richthofen, als de kippen erbij toen de ‘Groote Oorlog’ uitbrak. Meldde zich meteen bij de Fliegertruppe des Deutschen Kaiserreiches.
Manfred, gevechtspiloot in zijn rode Fokker-tweedekker, vocht zich op tot een hedendaagse cultheld. De Pruis voerde het commando over een tiental geestverwanten, die hij, met veel gevoel voor cynisch realisme, het Vliegend Circus noemde. Maar dan wel een circus waarbij de Dood nooit ver weg was. Von Richthofen, bijgenaamd de Rode Baron, schoot, hoog boven het Westfront, tachtig geallieerde toestellen als vette eenden uit de lucht.
Aangezien culthelden jong behoren te sterven, stelde de Baron niet teleur. Ergens in april 1918 tikte zijn levensklok nog maar een paar seconden. Manfred von Richthofen, door een Engels toestel neergeschoten, werd 26 jaar. Maar waarom in godsnaam die Von Richthofen in Stuyfssportverhalen? Nou gewoon, als ‘kapstok’ om Octave Lapize aan op te hangen.
Want, en daar komt ‘ ie; hoogstwaarschijnlijk had óf Von Richthofen danwel één van zijn vliegende jongens Octave Lapize, piloot bij de Franse luchtmacht, op 14 juli 1917, dodelijk neergehaald. Over Lapize is veel gepubliceerd. Dat de man als beroepsrenner drie keer Parijs-Roubaix had gewonnen, is ter kennisgeving. En bij iedere voorbeschouwing over een Tour de France huppelt de naam ‘Lapize’ ook voorbij. Lapize won de Franse rondrit in 1910.
Aardiger was zijn afscheid van dit aardse tranendal. Lapize, als vrijwilliger in 1914 oorlogspiloot geworden. Vloog samen met zijn verkenner Emile Cologne hoog boven Flirey, Meurthe-et-Moselle, waar hij nét de andere kant opkeek. Buitenkansje voor die vier Duitse Fokkers. Vier tegen één is gemeen. Dat klopt. Maar in de oorlog geldt geen padvindersmores of ander moralistisch geleuter. Enfin, de jongens van Von Richthofen lieten dat buitenkansje niet lopen. Mitrailleurs ratelden dodelijk. Octave Lapize, 34 jaar, overleed enige dagen later in het veldhospitaal van Toul.

Foto boven: Von Richthofen, midden voor, met zijn jongens. 
Octave Lapize en Emile Cologne.

Twee pagina’s én een kameradengraf

Een man zonder lef is als een pornoacteur zonder kloten. Wat dat laatste betrof, hoefde niemand zich zorgen te maken. Ed hád ballen. Maar ook suïcidale trekjes. Een spannende maar bloedlinke combinatie. Een opmaat voor een mooie begrafenis. Of om een plekje in de wielergeschiedenis in te nemen. Voor dat laatste trok hij zich zelf aan zijn haren omhoog uit het sompige moeras der kansloze renners. Eddy Wills, baansprinter met de snelheid van een gemankeerde schildpad, werd stayer. Ed, achter de zware motor: man met een missie, besloot maar meteen om het werelduurrecord aan te vallen. Dat laatste stond met vijfennegentig kilometer op naam van Paul Guignard.
Het werelduurrecord, tijdens het belle epoque, werkte als een magneet op allerlei fatalistische, stayerende cowboys. Wat dát betreft stelde Ed niet teleur. De man liet weten dat hij de honderd kilometer binnen een uur af ging razen. Anno 1908 een onmogelijke opgave. Niet voor Eddy Wills, afkomstig uit Kingstone Engeland. Ed, klein van lijf, groot van moed, liet een door hem ontworpen fiets bouwen. ‘Zo kort mogelijk’, riep hij nog tegen de framebouwer, die je wel om een boodschap kon sturen. Ed besefte heel goed dat hij maar één kans had: zo dicht mogelijk achter de motor rijden, want meer zuiging.
De framebouwer, een vakman, knutselde een ultrakort fietsje in elkaar dat de grenzen van de angstige fantasie vér voorbij ging. De stayer uit Kingstone moet volkomen desperaat zijn geweest om dáár op te stappen. Met de knieën vrijwel tegen het stuur, handen geklemd om een plat stuurtje en de pedalen malend vlak langs het voorwieltje. Eén verkeerde stuurbeweging van een millimetertje, of een bobbeltje in de baan…
Wat gangmaker betreft had Wills, 27 jaar, het getroffen. Op de zware motor zat Jean Bertin, die al vier renners naar een werelduurrecord had gevoerd. Jean was ook een soort onbetaalde voerman van De Dood. Twee door Jean getrokken renners haalden nooit de eindstreep. Paul Dangla en Brecy, jongens nog, konden het nooit meer navertellen. Dat Brecy verongelukte tijdens een recordpoging, door een gebroken voorvork van Bertins motor was ter kennisgeving.

Waarschijnlijk drong dat laatste niet eens door bij Ed toen hij op 17 augustus 1908 op de zeshonderdzesenzestig meter lange wielerbaan van München, zijn toeclipriempjes aantrok voor zijn definitieve aanval. Na een krankzinnig uurtje, voor volle tribunes stapte Wills met een paar verkrampte handen van zijn karretje. Met negenennegentig kilometer en 57 meter was het record verbroken. Te weinig voor eeuwige roem. De magische grens van honderd kilometer werd niet veel later verbroken door Guignard.Eddy Wills, hield aan zijn recordrace wat contracten,  én publiciteit over, want een foto over twee pagina’s in een Frans sportblad. In 1908 won hij in Duitsland twee koersjes en wat ereplaatsen om vervolgens te verdwijnen in de geschiedenis.
Jongens als Wills balancerend langs de randjes van het leven blazen nooit de laatste adem uit tussen de witte lakens. Ed, als soldaat dienend  bij het Yorkshire Regiment  sneuvelde op acht maart 1915, in de buurt van Ieper. Eddy Wills werd begraven op het kameradenkerkhof van Zillebeke.

Foto 1 en 2: Eddy Wills. Foto 3: Guignard.
Bron: Radwelt jaargang 1908. La Vie au Grande Air, jaargang 1908. Commonwealth War Graves en de database van John Brouwer de Koning.

Moordmachines op staalharde kicksen

OLYMPUS DIGITAL CAMERAPervitin! De Führer aller Duitsers werd er dagelijks mee volgepompt. Maar ook zijn troepen lusten er pap van. Razend populair aan het Oostfront, want in moordend tempo marcherend van Berlijn naar de poorten van Moskou: en terug. Pervitin, een methylamfetaminepreparaat, vlijmscherpe stimulantia. Had wél wat nadelen: werd de gebruiker niet knettergek dan spoot  de agressie wel uit z’n oren. Na de capitulatie kwamen de oorlogsvoorraden op de vrije markt. En daar wisten ze in de sport wel raad mee. En nee, niet alleen wielrenners.  Ook in het voetbal waren er liefhebbers, om precies te zijn, de trainers.
Je moest er toch niet aan denken, om zo’n gedrogeerde stopperspil, tjokvol Pervitin, de bal door de benen te spelen. Doodeng.  Zo’n kerel was zich zelf niet. Een moordmachine op van die staalharde ouwerwetse kicksen. Een doodschop lag op de loer. In de kleedkamer vlak voor de wedstrijd hadden  onvergetelijke wedstrijdbesprekingen plaats gevonden. Waar met een, ‘jongens, even de mouwen omhoog dan krijgen jullie van trainer een prikje’, de letterlijke, peptalk  afgesloten werd. perfetinknipsel
De mannen hadden er dan duidelijk zin in. Schuimbekkend, met knetterende haarwortels en ogen op steeltjes werd met de warming-up begonnen. Op de voetbalvelden anno 1952 moeten vreselijke dingen zijn gebeurd. Zo erg dat de KNVB zich ernstige zorgen maakte.
Volgens de geijkte mores werd er een ‘medische commissie’ in het leven geroepen. Met dokter Jan Thomee als voorzitter. Thomee, zo’n  ouwerwetse medische rukker die geen tegenspraak duldde, was voor de Eerste Wereldoorlog zelf voetbalinternational. En nu maakte Jan, met de bijnaam Het Kanon,  zich ernstige zorgen. Niet zo zeer om de Pervitin. Dat vond hij, stiekem, wel fijn spul. In het blad Sportief liet hij weten dat tijdens de oorlog de illegaliteit daar dankbaar gebruikt van maakte. Volgens Jan, die voor de knokploegen de recepten uitschreef, was er niets aan het handje. Want bij de  jongens en meiden van de ondergrondse ging het volgens hem om ‘geestelijke arbeid’.
perfetinehondMaar om nou lekker gedrogeerd achter een bal aan te rennen dat ging bij Jan een straatje te ver. Het moest wel eerlijk sport blijven.
In Sportief geeft Jan Thomee, voor zijn lezertjes even een college, en somt de nadelen van het pepmiddel op. Volgens  hem waren voor het amfetaminepreparaat heel goede  alternatieven.
Dokter Kanon, de man die de knokploegen ‘op scherp’ zette, komt met heftige  middelen op de proppen zoals een kopje koffie, of ‘n tabletje vitamine C, suikerklontjes, schijfjes citroen dan wel sinaasappel. ‘Verraad’, roept Jan voor wie de oorlog in 1952 nog duidelijk niet afgelopen is, op de vraag hoe de bond van het dopegebruik wist.  Thomee wist wel waar de kneep zat. Spelers die bonje kregen met de trainer waren de klokkenluiders. Hoewel meer dan zestig jaar geleden doet dat laatste ergens aan denken…

Bron: Sportief jaargang 1952.

Foto 3: dokter Jan Thomee.

De man met de stalen kin

Eigen schuld dikke bult. Moet je maar niet je  hoofd boven een loopgraaf uitsteken, zelfs niet voor één seconde. Grote kans dat je dan kogels terug kunt koppen. Aan het front bij Verdun waren de sluipschutters goed ingeschoten. Ondanks die waarschuwing deed hij dat toch. Een buitenkansje voor die ene Duitse soldaat. Vlak nadat Heinz de haan van zijn geweer overhaalde ontdekte een verbijsterde Eugène Criqui dat hij voortaan als  kaakloze door het leven moest. Heinz’ kogel was verwoestend. Criqui’s complete onderkaak was weg geschoten.
Eugène, voor de Eerste Wereldoorlog een Franse profbokser. Had ondanks zijn jonge leeftijd al zestig keer in de ring gestaan en won al zijn gevechten. Criqui, vedergewicht én knock-outspecialist in 1914 als vrijwilliger in Franse legerdienst gegaan, verdween voor twee jaar in een lazaret waar hij door een chirurg werd opgelapt.
De laatste maakte van een geitenbot opgevuld met vlees uit Criquis been, een nieuwe kaak. Boksers per definitie tikkeltje rare jongens. Ook Eugène. De man met een gammele nep kin wilde weer de ring in. De chirurg die de bui zag hangen nam de jonge bokser  opnieuw onder het mes, en knutselde een nieuwe kinnebak. Van staal!  Een stalen kaak, de ultieme droom voor iedere bokser.
George Cravat in 1917 eerste tegenstander van Criqui,  had zo zijn twijfels aan de kwaliteit van het metaal, en plaatste in de eerste ronde een verwoestende rechtse op dé kin. George brak bijna zijn hand. En verloor het gevecht. Eugène Criqui moet dat euforische gevoel van onoverwinlijkheid hebben gehad.  Na George Cravat stond de oorlogsinvalide nog drieënzestig keer in de ring, verloor twee keer op punten maar sloeg wél  tweeënvijftig  keer een tegenstander knock-out. En werd ook nog eens Europees kampioen. Zijn naam vloog door de wereld. In het Amerika van 1923 zagen ze goud in de Fransman. Promotor O‘Rourke regelde een gevecht om de wereldtitel. In een kolkend en kokend New Yorkse Polo Ground voor meer dan vijftigduizend liefhebbers trof  de inwoner van Parijs heersend wereldkampioen Johnny Kilbane. Voor de man die de hel van Verdun overleefde moet die brullende massa niet meer zijn geweest dan wat prettig geroezemoes en haalde vervolgens in de zesde ronde Johnny neer.
Wereldkampioen Eugène  Criqui, contractueel vastgelegd dat hij binnen zestig dagen zijn titel in New York moest verdedigen.  Uitdager was Johnny Dundee. En die wist wel een antwoord op die stalen kin. Dundee, een sluwe Ier, had zijn handbandages ondergedompeld in een bak gips.  Met cementen vuisten brak Johnny Dundee in de eerste ronde de stalen kin.  Frankrijks hoop, hield het nog vijftien ronden vol maar verloor toch op punten. 
Eugène Criqui, slechts vierenvijftig dagen wereldkampioen, stierf in 1977 op vierentachtig jarige leeftijd. In 2005 werd hij opgenomen in the International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: De zesde ronde om de wereldtitel vedergewicht. Johnny Kilbane wordt zojuist wakker. Foto 2: Eugène Criqui, Foto 3: Ondanks zijn nederlaag kreeg Criqui in Parijs een groots welkom.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1922 en 1923,  Revue der Sporten jaargang 1923, Les Sports Illustress jaargang 1919, de site Boxing Records.

Met boksen geen ruggenmergtering of kaalheid

Eerste Wereldoorlog. Nederland neutraal en de hoofdstad beschermd door fortencomplex genaamd ‘de Stelling van Amsterdam’. Mobilisatie! Zevenduizend soldaten, voor wie, behalve de dagelijkse mars, geen moer te doen was. Verveling troef. Jonge kerels bij wie de hormoontjes door het lijf gierden. Die de hele dag maar aan één ding dachten… Zelfbevlekking? Ze keken wel mooi uit.  Daar kreeg je ruggenmergtering, anders wel totale kaalheid van. Dat had de dominee er wel goed ingestampt. Hou die jongens maar eens rustig. De legerleiding wist dat. Deed alles om spontane bobbels in soldatenbroeken te voorkomen. De knoet ging er vervolgens over. Er móest en zóu gesport worden. De manschappen moesten de forten uit. Vermoeide mannen hebben immers geen ‘lekkere trek’. In de kazematten ten zuiden van Amsterdam werden de dienstplichtigen massaal het veld ingejaagd. De veldloop had zijn intrede gedaan.
Gerend werd over een loodzwaar parkoers met levensgevaarlijke hindernissen. Maar dié jongens waren nog goed af. Want je zult toch maar in Fort Halfweg gelegerd zijn. Dan had je echt een probleem. Daar  kwam namelijk ene sergeant Hofman regelmatig langs. En Hofman kwam niet met lege handen. De man nam zijn betonharde bokshandschoenen gevuld met paardenhaar mee. Hofman was boksinstructeur en kanonnier Limburg zijn assistent. Limburg, wedstrijdbokser en op de foto’s een redelijk suf geslagen kop, mocht het vuile werk opknappen.
‘Wie wil?’, zal Limburg ongetwijfeld geroepen hebben. Niemand dus. Je zult, als dienstplichtige, wel gek zijn. ‘Wel te drommel’, riep luitenant Van Steeden hardop en wees vervolgens soldaat Bonneveld aan. In de winter van 1917 speelden zich in de spelonken van Fort Halfweg vreselijke, macabere zaken af. Soldaat Bonneveld kreeg van kanonnier Limburg een flink pak op zijn lazer. Of luitenant Van Steeden ook met Limburg ging sparren?  Hij was wel goed maar niet gek, en keek vervolgens met glimmende gepoetste laarzen, punten in de snor en de handen in de zij goedkeurend toe hoe zijn ‘jongen’ bewerkt werd.
Of de zegeningen van het noble art of selfdefence bij Bonneveld waren doorgekomen, is niet duidelijk. In het archief van Stuyfssportverhalen komt hij na 1918 niet meer voor.

Foto 1: Links soldaat Bonnemans, met kanonier Limburg. Op de achtergrond luitenant Van Steeden.

Foto 2: Beter af waren de geïnterneerde Belgische soldaten in kamp Harderwijk. In het kamp bevond zich, behalve een grote wielerbaan waar wekelijks internationale koersen werden gehouden, ook een groot theater, decor van vele bokswedstrijden.

Foto 3: Terwijl het voetvolk elkaar aftuigde hielden de officieren zich bezig met schermen.
Bron: Revue der Sporten jaargang 1917.

‘Dat hadden jullie nou niet moeten doen jongens…’

Karel Heijting was  voetballer  en dat in een tijd dat er tegen ‘het bruine monster’, zo’n leren knikker mét veter, werd getrapt.  Om Karel te passeren was een hachelijke zaak. Lekker schoffelend en bikkelend, hield Karel wekelijks huis in het strafschopgebied van HVV, de club waarvoor hij 246 keer uitkwam, en die hij met zijn sloopwerk zes keer kampioen van Nederland maakte. De snoeiharde meedogenloze acties van Karel vielen op! Zeker bij de keuzeheren van het toenmalige Oranje. Voor de Eerste Wereldoorlog kwam de, in 1883 op Java geboren, Heijting achttien keer uit voor het Nederlandse elftal waarmee hij, tijdens de Olympische Spelen van Parijs,  brons haalde.
Karel kon je nou niet bepaald betichtten van  ‘grijzemuizengedrag’
, want op 23 augustus 1914 deed  de rechtsback iets opmerkelijks: hij tekende een contract. En dan niet bij een voetbalclub, maar bij het Franse Vreemdelingenlegioen.
Kogels kon Karel hoogstwaarschijnlijk terugkoppen, maar Duitse granaten én flitsende blanke bajonetten…
Op 9 mei 1915, in het Noord-Franse Arras onderging de voormalige topverdediger van HVV én Oranje, zijn vuurdoop. Met zijn eenheid van 250 man deed Karel een grote aanval op de Duitse stellingen. Onder moordend vuur werd vijf kilometer opgerukt om te eindigen bij de vijandelijke  loopgraven, waar de jongens van het Legioen met bajonetten ‘warm’ werden onthaald. Slechts vier man overleefden de slachting, waaronder Karel Heijting. Met een granaatsplinter in zijn kin, twee bajonetsteken in zijn been én een buikschot, werd Karel opgenomen in het Krankenlager van Gefangenlager  Friedrichsfeld.
Karels oorlogperikelen waren het thuisfront niet ontgaan. Het sportblad De Revue der Sporten deed daar verslag van en riep de lezers op om ‘den kloeke Hollander zijn leven thans zoo aangenaam mogelijk te maken’
door hem iedere week wat betere kost op te sturen dan het sobere maal dat hem voorgezet werd. Over die oproep hadden zijn oud-ploeggenoten  van HVV zo hun eigen opvattingen over!
Zwaargewond, van top tot teen ingezwachteld in verband, maakte Karel Heijting op een dag, een pakketje open waaruit een voetbal rolde….

Bron: Revue der Sporten, jaargang 1915

error: Content is protected !!