Muilpeer

1948, het jaar dat Trees definitief was ‘uitgesnoerd’ met haar Canadees. En dat de voorheen kaal geschoren  moffenmeiden, weer  voorzien waren, van een fijne bos krullen. En dat Jan en Mien, iedere nacht, het stoom uit hun matras liet dampen:  resultaat, de geboortegolf.
Dat de wederopbouw in volle gang was, weten we onderhand ook wel. Ook dat de  ouwe Drees, het bed van de komende AOW, aan het opschudde was.   
Maar 1948, ook het jaar dat er een serieuze Ronde van Vlaanderen werd gehouden. En daar ging het ruig aan toe. Ná de finish dan. Dat kon je wel aan die Maurice Mollin overlaten. Dat de man over een snelle ‘linkse hoek’ beschikte, werd duidelijk. Of die Maurice,  profrenner afkomstig uit Antwerpen,  ook over een snelle sprint beschikte…?
Ieder geval liet Maurice zich tijdens een eindspurt, niet ongestraft flikken. Zéker  niet voor eigen Vlaamse volk. En al helemáál niet door een Fransman.
Stel een  Vlaming de gewetensvraag, waar hij de meeste hekel aan heeft:  de Mof of een Fransoos. Met de taalstrijd in het achterhoofd weet je het antwoord. Ik bedoel maar.  Het  anti-Franse sentiment,  als een niet te blussen veenbrand. Dat tijdens de jaarlijkse IJzerbedevaart tienduizenden vrolijk met de Vlaamse Leeuwenvlag wapperen, is ter kennisgeving.
Kortom, fijne ingrediënten aan de finish in het Oost-Vlaamse Wetteren. Waar het volk, ‘volgelopen’ in de Staminees,  met spanning afwachten op de aankomst van hun Ronde. Opgewarmd met de mededeling dat er een kopgroep aan zat te komen. Bevolkt met kasseistoempers als een Impanis, Sterckx, Briek Schotte, De Simpelaere, en de genoemde Mollin. Daar tussen, als paardenbloemen op een bed Vlaamse rozen, de Italiaan Magni én Louis Caput. De  laatste kreeg ongetwijfeld een harde bij het horen van de Marseillaise, want een Fransman.
En wat er nou tijdens die sprint precies was voorgevallen…? Onbekend! Maar wél dat het héél érg moet zijn geweest. En ook dat Caput daar bij betrokken was. Mollin,  ging na de koers, tsjokvol adrenaline én meer,  dan ook op een persoonlijke vendetta. Richting Caput. De laatste kreeg van Mollin een heuse muilpeer. Met de genoemde supersnelle linkse.
Dat was dus de ronde van Vlaanderen 1948. Die tot overmaat van ramp voor heel Vlaanderen, ook nog eens werd gewonnen door de Italiaan Magni. Ach die Mollin, had over zijn carrière, géén  rede tot klagen. De man, een middelmatige renner, met onder meer overwinningen in kermiskoersen van Hoboken, Wilrijk, Averbode. Maar evengoed was 1948 hem goed gezind, want de Antwerpenaar won in dat zelfde jaar wél Luik-Bastenaken-Luik.

Simpeler kan een kampioenschap niet zijn

Een natuurlijke selectie. Want om lid te worden moest je eerst met je harses een kassei doormidden rammen. Pas dan was je welkom bij  k.s.v. Deerlijk, een West-Vlaams wielercluppie. Clubleden als een Marcel Kint, Marc Demeyer, Dirk Demol, en Briek Schotte hadden dan ook granietstenen koppen.  De eerste drie staan als winnaar op de eeuwige erelijst van Parijs-Roubaix. De laatste won twee keer de Ronde van Vlaanderen. In het West-Vlaamse kregen ze niet alleen jeukende ballen bij het zien van die gebutste, gekasseide  strontweggetjes. Marcel Kint en Briek Schotte werden ook nog eens wereldkampioen.
Twee renners van dezelfde club als sterkste prof ter wereld. Ga daar als concurrerende vereniging maar aan staan. En alle twee werden ze wereldkampioen in het Limburgse Valkenburg. Op de Cauberg trok  Kint het regenboogshirt aan in 1938. Tien jaar later, op het zelfde parkoers, ging Schotte op herhaling.  Briek Schotte, d’n IJzeren Briek. Bijna twintig jaar professional. De vlees geworden, ultieme Vlaamse stoemper. De antiheld, mooi van lelijkheid, wroetend op zijn fietsje.  IJlde twee keer naar winst in ‘Vlaanderens Mooiste’.  
Sprak, in staccato, een onverstaanbaar dialect en deed over d’n drog nooit moeilijk. Zag geen kwaad om een, zoals hij dat formuleerde, op zijn tijd, een ‘Captagonneke’ te nemen. Welke toenmalige renner is op dat amfetaminepreparaat  niet groot geworden? Briek, na zijn actieve fietscarrière, werd ploegleider.
Zijn renners die suggereerden dat het vroeger allemaal makkelijker was, werden de mond gesnoerd  met onsterfelijke uitspraken als: ‘Anders dan vroeger? Ge moet tegenwoordig om te winnen nog altijd den eersten zijn.’ Dodelijke logica.  D’n IJzeren, stofbril, tube om de schonkige schouders, koerswielen met vleugelmoeren. Ging, tijdens het wereldkampioenschap 1948,  vanaf het startschot tot de finish in de aanval. Rekende in de slotklim vervolgens af met de Franse klimmer Apo Lazarides.
Briek Schotte wereldkampioen, prolongeerde twee jaar later zijn titel, en kreeg na zijn hemelgang in  2004 de status van Heilige toebedeeld. In Kanegem dokkert  d’n Briek nog steeds over de kasseien, maar dan in brons gegoten.  Desselgem, nog zo’n dorp met een héél hoog Suske en Wiske-gehalte ging daar over heen. Pakte het grootser aan.  Op een metergrote foto kijkt de doorploegde kop van Briek niet alleen neer op  het naar hem vernoemde plein maar ook naar  zijn eigen bronzen monument.
Komende zondag wereldkampioenschap wielrennen op een loodzwaar parkoers in Valkenburg. Indachtig de woorden van Briek Schotte: ‘Zevenentwintig keer over de Cauberg. Ik vond dat niet lastig. Ik ging van ’t gedacht uit dat het de laatste ronde toch arrivée was’.
Simpeler kan een kampioenschap niet zijn. En zo is het maar net.

Foto 2: Links Schotte met Lazarides.
Foto 3: Desselgem, het Briek Schottepleintje
Bron:  de site van ksv Deerlijk