De dominee en de zondaar

Veiligheidsvoorschriften? Nooit van gehoord! Benzine werd ijzerenheinig, mét losse hand in de tank gekolkt. Een man mét brandende sigaar in zijn knuist, kijkt toe. Gaf een extra fijne dimensie. Dwarrelende benzinedampen, én een brandende bolknak… Enfin, we gaan verder, want Emile Bouhours, stayer op leeftijd, had wel ergere dingen mee gemaakt.
Daarover straks meer, want welkom in het  Parijs van juni 1903. Waar op de  stoep vóór de wielerbaan van het Parc des Princes,  de rolverdeling strak verdeeld was. Bouhours, met de benzine. Gangmaker George Devilly controleerde de motor. Terwijl Bouhours, pet achteloos op het achterhoofd, bezig was, werd opponent Jimmy Michael, geprepareerd door de masseur van dienst.
Jimmy Michael, een voormalig wereldkampioen én een van God, drank en dope vergeven stayer. Bouhours versus Michael. De dominee en de zondaar. Bouhours, drieëndertig jaar, een sportman levend volgens de mores van zijn beroep. In 1903 zag Emile dat beloond met acht gewonnen koersen in Duitsland, want het Gouden Wiel van Maagdenburg en de Grote Prijs van Hamburg: wat géén Franse kattenpis was. ’s Werelds beste stayers stonden daar aan het vertrek. Uiteindelijk viste Bouhours financieel tóch achter het net.
Niet veel later rinkelden, met name op de Duitse wielerbanen, de goudmarken volop. Robl, Dickentman en een handvol anderen mochten zich de eerste wielermiljonairs noemen. Bouhours niet. De man was té oud, hikte lichamelijk tegen het einde van zijn carrière aan. Wat waarschijnlijk zijn leven, dan wel zijn ledematen, redde. Niet veel later sleep Hein namelijk, zijn zeis vlijmscherp om tientallen stayers naar een betere wereld te maaien.
Evengoed had die ouwe Bouhours zijn deel van een pijp kaneel opgepeuzeld. Zoals in 1901 op de Amsterdamse Wielerbaan Zeeburg. Tweestrijd tussen lokale held Piet Dickentman en Bouhours. Zesde ronde. De ketting van Bouhours motortandem vliegt tussen het achterwiel van de motor.
Terwijl zijn stuurman op de baan bij elkaar werd geraapt, ijlde de Fransman, achter de reservemotor, ver voor Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, klapte de voorband van diens motor. Dickentman, en zijn bemanning gelanceerd. In een flits stuurde de gangmaker van Bouhours, de zware Brennabormotor omhoog. Op de houten tribunes verslikten kerels zich in hun pruimtabak, en in damesdirectoires verscheen natte plekken, want met tachtig in het uur verpletterde de motor de balustrade.
Bouhours en Dickentman ‘deerlijk gewond uit bloedende wonden’, werden met paard en wagen ijlings afgevoerd naar het Wilhelmina Gasthuis.
In 1904 was de emmer voor de oude Franse strijder vol. In dat seizoen schraapte Emile in Duitsland nog ruim zesentwintigduizend goudmark bij elkaar, om direct te stoppen.
Op donkere winteravonden als de wind over het Franse platteland jaagde zal Emile Bouhours,  tot aan zijn dood op drieëntachtig jarige leeftijd, ongetwijfeld zijn zegeningen als stayer  geteld hebben. Jimmy Michaels kon dat niet meer doen. Jimmy sneuvelde, op zevenentwintigjarige leeftijd, ten gevolgen van een val achter de motor.

Foto 2: Jimmy Michael.

 

Bron: Radwelt jaargangen 1903 en 1904. Nieuws van den Dag jaargang 1901.

Hoe een bolknak een rebel op de knieën kreeg

De gewone maatschappij lag hem niet. Huisje, boompje, beestje? Hij gruwde daarvan. De brave burgermaatschappij kon zijn rug op. Johnny Schlebaum, een vrije jongen die zich niet liet knechten. En al helemaal niet door een baas. Johnny, zoon van een kolenhandelaar uit de Jordaan. Sterk als een gorilla in de paartijd. Loste voor zijn ouwe heer regelmatig en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk daardoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum besloot stayer te worden. Beschouwde dat als een heus vak. En een vak moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.
De voormalige kolensjouwer liep in moffenland stage. Was, als onbekende noodgedwongen alleen actief op de kleine baantjes. Van die wielerpistes die graag een héél goedkope buitenlander op de affiche  hadden. Schlebaum reed daarom voor noppes of heel weinig geld zijn koersjes. Johnny, de rebel uit de Jordaan, vocht in het ruige circuit van kanslozen om zijn plekje. Dat waren jaren van anoniem lijden, sappelen en afzien. Een harde leerschool waarbij de kloten regelmatig eraf werden gedraaid. Na drie jaar was de opleiding voltooid. De kolensjouwer uit de Jordaan was stayer.
Johnny Schlebaum, serieus genomen, kreeg in 1920  zowaar een contract voor de Grote Prijs van Antwerpen. Johnny kwam en won. Voor de Jordanees een zoete wraak. Hoe vaak had hij wel niet om een contractje gebedeld bij Jan van de Berg, directeur van het Amsterdamse Stadion? Van de Berg ging overstag en Schlebaums naam prijkte ook op de Mokumse affiches. Wat een journalist zich Johnny’s kolenloopbaan deed herinneren. Prompt verscheen een verhaal in de krant waarin de Jordanese stayer met de bijnaam ‘roetmop’ werd neergezet. De scribent, met gevoel voor sensatie maakte zijn lezertjes ook wijs dat ‘Roetmop’ een gewezen schoorsteenveger was. De media ging daarmee aan de haal. Kreeg er niet genoeg van. Foto’s, woeste verhalen wel of niet waar, en gedichten vulden de kolommen. Johnny, dat jochie uit de Lindenstraat, werd een cultheld. En met zijn niet aflatende aanvalslust in de koers was zijn kostje gekocht.
Schlebaum, een mooie jongen, voelde zich artiest. En had maar één missie: het publiek vermaken. En die kwamen aan hun trekken. Als Johnny, razend populair in Amsterdam, voor de zoveelste keer woest ten aanval trok, loeide het hele stadion de oeroude schoorsteenvegerskreet ‘hoeiii’.
Johnny Schlebaum boerde als stayer financieel goed. Werd vier keer kampioen van Nederland en behoorde in het interbellum tot de beste rolrijders van Europa. Kocht van zijn geld een sigarenzaak. En dat laatste had hij nou nóóit moeten doen. Dodelijk voor zijn image. Het beeld van ‘a Rebel Without a Cause’, kantelde. De definitieve ‘doodsteek’ was dat er een sigaar naar hem werd vernoemd. De Schlebaumbolknak. Lulliger kon het niet. Was Johnny nou maar gestorven in het harnas… Dan had zijn naam nu nog rondgezongen.  Maar Roetmop zakte weg in de grijze anonimiteit en stierf op achtenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: Het ‘oude’ Amsterdamse Stadion. Links Johnny Schlebaum.
Foto 2:  Johnny Schlebaum, boven, trekt ten aanval.
Foto 3: Schlebaum met de naar hem vernoemde sigaar.

Bron: Sportief jaargang 1947, Het Nieuws van de Dag jaargang 1958.

error: Content is protected !!