‘Gaat hier niet gebeuren…’

Aan de collecties lag  het niet. Ook niet dat het voor het nageslacht bewaard moest worden. Ondanks dát, wil het maar niet lukken. Er is géén draagvlak voor, nóch belangstelling. Wat  faillissement, of vrijwillige sluiting tot gevolg had. Kortom, welkom in de schimmige, obscure, wereld van sport- en wielermuseums, waar niets is wat het lijkt.

Trofeeën werden op openbare veilingen verkocht. Of anders verdween het in de vuilcontainer. De sluiting, in 1995, van het Nederlands Sportmuseum kan onder het kopje ‘groot schandaal’ worden gerangschikt. Voor de weinige  sportmemorabilia die deze beeldenstorm overleefde,  werd een alternatieve locatie gevonden, want het Olympisch Stadion. De laatste opende in 2004 haar Olympic Experience, een sportmuseum dat zich concentreerde op tien sporten zoals schaatsen, ruitersport, voetbal, judo, roeien, wielrennen, hockey, tennis en zwemmen. Met heilige sportrelikwieën als het judopak van Anton Geesink waarmee hij Olympisch goud won, de fiets waarop Jan Janssen de Tour won, en nog véél meer attributen uit de vaderlandse sportgeschiedenis. Opgeleukt met filmbeelden, afkomstig uit de archieven van Studio Sport. Alle ingrediënten voor een  succes aanwezig, met als extra dimensie, de vestiging in het prachtige, historische decor van het Olympisch Stadion.
Tien jaar later sloot het museum zijn deuren. Gregor Hoogentoorn, werkzaam bij het Olympisch Stadion vertelt waarom: ‘De rede van de sluiting? Het was niet rendabel genoeg. Er was totaal geen belangstelling voor. Té weinig bezoekers. Maar het belangrijkste feit was, dat de subsidie van het NOC*NSF verviel. De in bruikleen of geschonken sportobjecten gingen terug naar de schenkers. Als Stadion hadden wij zelf ook wat gehouden. De historische sportboeken gingen naar het NOC*NSF. Er was niets in de container verdwenen’.
Over de plannen, om een nieuw sport- dan wel wielermuseum te beginnen, heeft Hoogentoorn zó zijn bedenkingen. ‘Niet verstandig,’ bezweert hij. ‘Het is vrijwel onmogelijk. Dit land heeft daarvoor geen goed sportklimaat. Er is totáál geen belangstelling voor. Helemaal als je zo iets start zonder een zakenplan.’
Iemand anders die, zowel de sluiting van én het Sportmuseum in Lelystad, maar ook die van het Olympic Experience van dicht bij had meegemaakt, is wielerhistoricus Bap van Breenen.
‘Als voormalig werknemer van het, sportmuseum ‘Lelystad’, wilde ik in het Olympic Experience de spullen zien, die ze van dat museum hadden gekregen’, vertelt Van Breenen. ‘Loop ik in dat Olympic Experience,  Bertus Raats tegen het lijf. Raats, voormalig wielerverslaggever van het Nieuws van de Dag, en auteur van diverse wielerboekjes, deed daar de rondleidingen.  Ik vertelde Bertus over het echec van ‘Lelystad’. Gaat hier niet gebeuren, riep hij. Tsja, niet véél later sloot  het Olympic Experience voor het laatst de deuren’.
‘Het probleem is’, zo gaat Van Breenen verder, ‘Dat niets op papier is gezet. Je weet gewoon niet waar alles naar toe is gegaan. Drie jaar na de sluiting van dat museum was ik een onderzoek begonnen, naar de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen. Daarvoor was ik ondermeer naar dat NOC*NSF gegaan, met de vraag of ik inzage in die boeken mocht hebben. Dat was niet mogelijk, werd mij verteld, want wij moeten dat nog inventariseren. Dat was dus drie jaar na de sluiting van dat museum’. Van Breenen heeft zo zijn donkerbruine vermoedens, hoe dat toe ging. ‘Je wordt angstvallig buiten de deur gehouden. Het is één groot schimmig gebied’.

‘Er kwam geen hond kijken’

Nederland was rijp voor een sportmuseum. Althans, volgens initiatiefnemers. Een gegeven waar men mee aan de slag ging. Binnen korte tijd werd een indrukwekkende verzameling vaderlandse sportparafernalia binnen gesleept. En wat begon als een prachtig initiatief, eindigde binnen vijf jaar in mineur. Het sportmuseum, bevindend in Lelystad, ging failliet. Wat daarna volgde kun je niet verzinnen. Zeldzame historische objecten verdwenen in schimmige kanalen. Waar, voorheen gulle gevers, ze terug kon kopen. Voor deze blog doet iemand die, vijf jaar als vrijwilliger daar aanwezig was, zijn verhaal.

En ze waren er allemaal. Van toenmalig kroonprins Willem-Alexander, tot Jan Janssen, Gerben Karstens, Fanny Blankers-Koen, Anton Geesink en de onvermijdelijke Erica Terpstra. Wat grote namen betreft daar lag het niet aan. De opening van het Sportmuseum gevestigd in Lelystad voltrok zich met veel bombarie De zaal gevuld met hotemetoten. Die met alle egards werden behandeld. Daar had voormalig wielrenner Gerben Karsten geen boodschap aan. Karstens, als coureur al een tikkeltje anarchistisch, baande zich met een, te schenken  koersfiets, dwars door de menigte heen. Kortom de opening mocht er zijn.
Voor  het museum werd een groot sportbibliotheek bij elkaar werd ‘gebietst’. Maar ook een prachtige collectie fotoboeken, beschikbaar gesteld door de weduwe van Piet Moeskops. En nog véél meer. In een eindeloos lang lijstje somt de voormalige vrijwilliger de schenkingen op. Zoals de fietsen van onder meer Jan Janssen, Karstens, veel spullen van Fanny Blankers-Koen, hockeysticks waarmee Olympische medailles werden binnen gehaald, het judopak van Anton Geesink, de Olympische skiff van Jan Wienesse, de voetbaltenues van Bep Bakhuis, truien van de ooit legendarische keeper Leo Halle, gele en groene truien behaald in diverse Tours, de bokshandschoenen van onder meer Ben Bril en Arnold Vanderleyde, Reinier Paping en Ada Kok deden ook nog een gift. En nog heel véél meer. Zoals 30.000 unieke sportboeken, 120.000 sportfoto’s, en duizenden historische sportvoorwerpen.
Een collectie om je vingers er bij af te likken. En even goed ging het helemaal fout. Hoewel de directie vér voor de opening, met een aan waanzin grenzend optimisme, had voorspeld dat er op jaarbasis meer dan 50.000 bezoekers waren te verwachten, bleef het angstig stil. Of, zoals de informant het formuleert,  ‘er kwam er geen hond kijken’.
De leiding probeerde met allerlei commerciële middelen het museum overeind te houden. Zo werden de scholen van Lelystad benaderd. Want altijd een leuke educatieve les. Maar die lieten het collectief afweten. Sponsors haakten vervolgens af.
En het schip genaamd Sportmuseum dreef langzaam naar de scherpe klippen. Het ging na vijf jaar failliet. Ging het met de exploitatie mis, erger was de afwerking van het faillissement. Om te zeggen dat dat netjes ging is een eufemisme.

Het was voormalige VARA-coryfee Ellis Berger die publicitair aan de bel trok. Berger ontdekte in een krantje een advertentie, waarin de door haar geschonken medailles van haar vader, de atleet Chris Berger, te koop werden aangeboden. Vervolgens ging de beerput open. Schenkers waren of hun spullen kwijt of konden dat via-via ergens teru kopen. Sommigen hadden geluk en kregen materiaal terug.
De informant ziet het nog voor zich. Hoe armen vol jaargangen unieke sportbladen, in de container werden gesodemietert. Er was haast geboden bij de ontruiming, het gebouw moest leeg. En daar waren ook de verzamelaars die hun slag sloegen. Die voor een koopje hun auto vulde met sportboeken en programmaboekjes.
De informant, een gedreven sportliefhebber,  heeft zich inmiddels daar mee verzoend. Om met een diepe zucht te verzuchten dat niemand op zo’n sportmuseum zit te wachten.

error: Content is protected !!