Knol

Zomaar, een zondag ergens in 1908, op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan. Een wielerbaantje met een zekere reputatie, waar de politie nooit ver weg was. Het te bekijken programma kende voornamelijk lokale wielerhelden, soms afgewisseld met een verdwaalde Franse, dan wel Duitse stayer. Altijd volle bak. Op de tribunes voornamelijk havenwerkers, en scheepslossers afkomstig van het nabijgelegen Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg.

Ruig volk,  die zich vóór de koers, in de omliggende kroegen lieten vollopen. Om in zekere staat de koers van de dag te aanschouwen. Waarbij gehoopt werd op een fijne rel, dan wel een knokpartij. Waar met een zekere regelmaat in werd voorzien.  Matpartijen, in details beschreven in de toenmalige sportbladen, en fijn om te lezen.

Zoals in die ene zomer van 1914 waar een rondtrekkend Amerikaans wildwestshow onder aanvoering van ene Texas Ted, neerstreek in het wielerstadionnetje aan de Zeeburgerdijk. Een rodeoshow die niet voldeed aan de  verwachtingen.  Met bijna fatale gevolgen. Texas Tex en zijn indianen van de prairies, beloofde het publiek op een sensationele wildwestshow.
Tex ging namelijk, op zijn knol,  een race aan tegen een gangmaakmotor. Nadat om vier uur de show nog niet was begonnen brak een ‘ernstig gevecht  los’, zoals de Courant Het Nieuws van den Dag het beschreef.

Nadat Tex,  zittend op z’n paard, eerst  met zijn lasso  de menigte had afgeranseld, trok hij zijn colt. Tex werd vervolgens met stukken hout, afkomstig uit de wielerbaan van zijn paard gerost.  Om daarna bijna te bezwijken onder de trappen en slagen van, zoals de journalist vilein beschrijft, ‘de verwoede wielerliefhebbers’.
IJlings opgetrommelde agenten mét blanke sabels gaven er een extra dimensie aan.

Hoe het op die ene zondag ergens in 1908 aan toe ging…? Aan de foto te zien moet het een sullige bedoeling zijn geweest. Tenminste, niét als het aan de starter had gelegen. Met een broeiende blik loert de man strak in lens van de camera. In zijn hand achteloos z’n revolver, mét gespannen haan, richting publiek, waarvan het te hopen was dat er losse flodders in zaten. Tsja, dat was zomaar een zondag ergens in 1908, die dankzij die ene fotograaf aan de vergetelheid ontrukt.

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1914, diverse jaargangen van Revue der Sporten van voor de Eerste Wereldoorlog.

Usance

Jongens met een kaal hoofd. In  het Italië van de jaren vijftig was je daar mooi klaar mee. Volgens oeroude Roomse mores, duidde dat op dwangmatige masturbatie. Vanaf de preekstoel werden de adolescenten, gegeseld met de mantra, dat je van masturberen, óf ruggenmergtering, dan wel een kale schedel van kreeg. Voor jongens met een dunne haartooi,  ‘n garantie op een levenslang trauma. Zeg nou zelf, wie wil in z’n  dorp doorgaan als  een verstokte rukker?  

Dergelijke jongens, zaten tjokvól met bewijskracht om te bewijzen dat dat niét zo was. Resultaat? Of  de dorpsmeiden  waren niet meer veilig. Of een racefiets werd aangeschaft. Zo’n smal zadeltje, én de nodige lichaamsinspanning doet lekkere lust verdwijnen. Voor de latente kaalhoofd wachtte de koers.

Of dat óók opging voor Fiorenzo Magni…? Met zijn kale schedel was hij anders wel uiterst verdacht. Enfin, de man eenmaal prof, kon akelig hard fietsen. Waarbij tevens geleden werd in het kwadraat. Voor een coureur, dé perfecte combinatie voor de ‘helse koers’.  Magni, in 1948 de Giro d’ Italia gewonnen, trok dan ook ter bedevaart.  En waar anders dan in Vlaanderen met z’n kasseienweggetjes, waar  modder en koeienmest nooit ver weg zijn? Tijdens de rondes van Vlaanderen, editie 1949 en het jaar daarop, hield Magnie ‘huis’.  Twee overwinningen, –  in wat nu, met veel hysterie de Vlaamse Hoogmis wordt genoemd, –  altijd goed voor een plekje in de eeuwige ranglijsten.  

Magni, vond dat nóg niet  genoeg. Voor de editie 1951 had de Witte Wolf, zoals z’n bijnaam luidde, zich perfect geprepareerd. Dat de Wolf door z’n soigneur ‘op scherp’ werd gezet, behoorde tot de usance van de koers in de fifties: waar wij niet al te moeilijk over doen.  Terwijl de meeste van z’n Latijnse collega’s liever in het warme zuiden koersten, zat Magni, een week vóór de Ronde in een hotelletje in Gent. De Wolf verkende meerdere malen het laatste stuk van het parkoers. Wielen met houten velgen, gemonteerd met tubes voorzien van een extra grote luchtkamer, vormden de munitie voor de kasseien.  

Niets saaier dan een koersverloop te beschrijven. Laten we het er maar op houden dat Magni, op de Muur vertrok. In een vliegende storm, met regen en hagel ijlde  de Italiaan richting finish in Wetteren. Waar hij ruim vijfenhalve minuut kon wachten op nummer twee, Bernard Gauthier.

Fiorenzo Magni, die taaie, ouwe rakker, vertrok in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd naar z’n Schepper. Bernard Gauthier, vierennegentig, volgde in 2018.

Bron: Sport Club, jaargang 1951.

Bij elkaar geveegd

Een wedstrijd om des keizers baard. Een pauzenummer, meer niet. Uiteindelijk werd het een race, met garantie op een levenslang trauma. Waarschijnlijk vroeg het publiek daar wél om. Eigen schuld, dikke bult. Want het volk was op komen draven, om  de adrenaline van de tribunes te voelen kolken. Het wérd bloed, ook niet mis.

De wielerkoersen gehouden op de Buffalowielerbaan in  Parijs. Waar de directie het wel een aardig idee  vond om het publiek, tijdens de pauze  te vermaken  met een motorrace. Twee racemotors, meer was niet nodig, vond men. Je moet er toch niet aan denken dat er meer van start waren gegaan…  Enfin, twee racemotoren, bemand door ene Contant en  z’n handlanger Pernette. En die hadden er wel zin in, op die ene dag in augustus 1906. Contant en Pernette, jongens  met soepele polsen, want de gashendel ging meteen open. Tegen de negentig kilometer in het uur. In de bocht wel te verstaan. Probeer dan maar eens zo’n machine in bedwang te houden. Wat ook niet lukte.

Contant, ‘gebroken oogkas’

Eerst even vertellen over de supersnelle Buffalowielerbaan, bekend om z’n steile, hoge bochten. Waar je als motorcoureur, in godsnaam het begrip, ‘middelpunt vliedende kracht’ nooit mocht vergeten. Pernette en Contant deden dat wel.  Het grote drama wat er vervolgens aan kwam, kende  geen inleiding. Het ging namelijk direct mis tijdens de  tweede ronde.

Bij het ingaan van de bocht besloot Contant,  gappie Pernette te passeren. En stuurde daarbij iets te scherp. Waarbij een pedaal van de motor de baan raakte.  Contant sloeg om. Viel van de motor, en verloor daarbij z’n helm. In een snelle reactie stuurde Pernette omhoog. Scheerde daarbij, via de boarding vlak langs de overhangende toeschouwers. Motor en coureur kwamen als een op hol geslagen projectiel  midden in het publiek terecht.

Contant

Twee toeschouwers, met een verbrijzelde schedel kwamen nooit meer thuis. Een tiental anderen,  werden met zwaar hoofdletsel afgevoerd naar het hospitaal.  Contant, inmiddels bij elkaar geveegd, werd met  een zware hoofdwond, én een verbrijzelde oogkas op een brancard geschoven. Pernette verschillende breuken, kwam er niet veel beter van af.

Ach, dat was allemaal klein bier wat racemotorongelukken betreft. In 2019  stond de teller van dodelijke ongelukken tijdens TT van de Isle of Man, op tweehonderdvijftig. Contant en Pernette bedoelde maar…

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1906.

Melkfles

Zomaar, een foto. Waarbij striptekenaars René Goscinny en Albert Uderzo enthousiast hadden geknikt. Om direct  de teken- én schrijfpen pen te pakken, voor een hilarische verhaal. Het is dan ook een foto waarvan het stripboekgehalte van afdruipt. Alles wat een ‘strip’ geestig maakt, zit in daarin.

De foto,  geschoten vlak na een bokspartij, gehouden in de Pelican Boxing Club in het Parijs van 1908. De Pelican Boxing Club, hangplek van  de liefhebber van een eerlijke ram- en rospartij. Ook op die avond ergens in februari 1908, met hoofdpartij Sam mcVea tegen Harry Shearing.   In het voorprogramma, als opwarmertje ene Bill Chester versus Peter Brown, een onbeduidend gevecht.

Het Parijse grauw kwam voor Sam McVea, die grote, imposante,  oersterke zwarte zwaargewicht, afkomstig uit Texas. In de voorafgaande weken had Sam in de verschillende Parijse bokspaleizen, een spoor van verwoesting achter gelaten. Sam was namelijk in vorm. Sam had er wel zin in. Een maand eerder had Sam op dezelfde locatie, Jack Scales in de tweede ronde knock out geslagen.

Harry Shearing

Maar nu  stond Harry Shearing op zijn menu. Harry, parmantig kereltje, puntige snor, met een lijf, zo wit als een volle melkfles, afkomstig uit Walthamstow, een dorp iets ten noordoosten van Londen. Wat in het hoofd van Harry, uren voorafgaande het gevecht rond ging…?   Van zijn palmares kon Harry ook niet veel moraal aan ontlenen. Van de vier voorafgaande gevechten, had Harry er twee gewonnen en evenveel verloren.

Ongetwijfeld had zijn trainer zich de blaren op z’n tong geluld om Harry te overtuigen, dat hij best een kansje maakte tegen die McVea, wat natuurlijk geneuzel was. Alleen al de áánblik van McVea, die de stevige indruk wekte gráág iemand z’n kop er af te slaan, liet de moed in z’n boksschoenen zakken.  Harry’s lot stond vast.  Het was alleen de vraag welke ronde hij neer zou gaan.

Harry’s neergang vond plaats in de vierde ronde, waarin Harry als een zoutzak neerplofte, na  een verwoestende ‘hoek’ van Sam. Het gevecht zat er op. En dan, dan is hét moment van de fotograaf van dienst, die de ring in stapte. Samen met zijn ‘kiekkast’.  Waarvan het scenario vast stond. Winnaar en verliezer, mét supporters op de gevoelige plaat. Centraal, Harry Shearing, zojuist wakker geworden, met slappe knieën ondersteund, de punten uit z’n snor geslagen en een verbijsterde blik dat hij het sowieso overleefd had.

En de winnaar? Ontspannen, met de armen over elkaar, of zojuist een lekker potje sparren er op zat,  liet deze alles over hem heenkomen. Voor  Sam McVea zat het klusje er op.

bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1908.

Leeuwenhart

Joop Kasteel is een legende in de vecht- en krachtsportwereld. Van mollig, gepest jongetje ontwikkelt hij zich tot vice-wereldkampioen armworstelen en uiteindelijk wereldkampioen in het keiharde freefight. Vervolgens bouwt hij een succesvolle loopbaan op, zowel in de sport als in security management.

Dan slaat het noodlot toe. Na een tijd lang kwakkelen met zijn gezondheid krijgt Joop een heftige diagnose: MDS. Een kwaadaardige bloedziekte die, in zijn geval, onontkoombaar leidt tot acute leukemie. Maar in plaats van af te wachten zet hij de knop om en gaat zich fysiek en psychisch voorbereiden op wat misschien zijn laatste gevecht zal worden. Als de levensbedreigende ziekte na tweeënhalf jaar aanvalt, zal Joop Kasteel ‘in de ring van het AMC’ dieper moeten gaan dan hij voor mogelijk had gehouden. En maakt hij, in een gevecht op leven en dood tegen ‘Het Monster’ acute leukemie, zijn bijnaam meer dan ooit waar.

Leeuwenhart is een ontroerend en inspirerend relaas over onmetelijke liefde, een rotsvast geloof en omgaan met ziekte en verlies.’ Door zijn vermogen pijn weg te bijten en tegenslagen te incasseren ‘verdient’ Joop Kasteel tijdens zijn freefightcarrière de bijnaam Leeuwenhart. Als hij aan de zwaarst mogelijke chemo moet en een stamceltransplantatie ondergaat om de levensbedreigende acute leukemie te bestrijden, belandt hij in een emotionele en fysieke rollercoaster.

Over die emoties, en de gebeurtenissen in deze periode, houdt hij een dagboek bij.  Maar Leeuwenhart vertelt ook uitermate boeiend, van binnenuit, over de ogenschijnlijk genadeloos harde vechtsport. Over omgaan met angst en pijn, over gepest worden en het verwerken van minderwaardigheidsgevoelens, ‘werken aan de deur’ en als persoonsbeveiliger.

Omvang : ca. 288 blz. Formaat : 15 x 23 cm, paperback met twee fotokaternen ISBN : 97890 8975 813 2 Prijs : € 22,50.

Kruispunt

Het was zijn eerste autorace, waarbij hij meteen tot dé favoriet werd uitgeroepen. Waarop zijn favorietenrol was gebaseerd, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk omdat Henri Cissac ervaring had  met snelheden. Cissac, een gangmaker op de wielerbanen. Op zijn zware gangmaakmotor trok hij in 1903, Tommy Hall naar een toenmalige wereldsnelheidsrecord van ruim tachtig kilometer.

Voor Cissac was het leven op z’n gangmaakmotor  tóch nét niet spannend genoeg. Zijn lijf smachtte naar nóg meer adrenalinekicks. Het feit dat  er inmiddels tientallen zware ongelukken, soms met dodelijke afloop op de wielerbanen plaats vonden, schudde hij, als een natte hond van zich af. Voor jongens als een Henri Cissac, was de komst van  het vliegtuig én de raceauto een niet te missen kans. Collega gangmaker  Bertin, verruilde zijn gangmaakmotor om voor een vliegtuigje. En stortte in 1909, van  zo’n honderd meter hoogte, richting aarde. Bertin kreeg een vorstelijke begrafenis. Maar dat terzijde.

Cissac ging voor de raceauto. De datum zeven juli 1908, stond vast  in z’n agenda rood omcirkelt. Op deze dag beleefde de voormalige gangmaker zijn première als autocoureur. De man ging van start bij de Grand Prix des Voiterettes, een race over ruim vierhonderd kilometer, gehouden over de landweggetjes in de buurt van Rouen.  

Henri Cissac, aan het stuur van z’n bolide. Naast hem zijn mecanicien, ene Schaub. De fotograaf van het Franse sportblad La Vie au Grand Air, was ook ter plekke. Zijn foto’s van deze race, nú bekijkend,  moet het voor toeschouwers en coureurs, een helse aangelegenheid zijn geweest. De meest vreselijke ongelukken, met duidelijk in beeld,  zwaar gewonde mensen,  afgedrukt over de breedte van een pagina.

Henri Cissac stond daar ook bij. Voor Henri was een hele pagina uitgeruimd. Halverwege race, op volle snelheid en in de buurt van het kruispunt Willy-le-Haut, kon Henri het stuur niet meer houden. De bolide van Cissac belandde op z’n kop in een droge sloot. Waarbij mecanicien Schaub, zich direct meldde aan de hemelpoort. Cissac hield het iéts langer vol. ‘Haal me weg, haal me weg’,  stootte de ongelukkige Henri uit, tegen toegesnelde toeschouwers, en verloor het bewustzijn.

Cissac, afgevoerd naar een boerderij in Maisoncelles, waar hij, twintig minuten later, dit ondermaanse verliet. Henri Cissac, eenendertig jaar geworden, werd op zijn verjaardag, vijftien juli, begraven. Dat dan weer wel…

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Ratten, heel veel ratten

August Fossier, links, gangmaker van zijn broer Honoré Fossier

11 November 1918, de dag dat de ‘Groote Oorlog’ eindigde. Ruim acht miljoen  gesneuvelden. Jongens, weg gerukt uit hun jeugd. Vechtend aan het Westfront. Vier jaar lang overlevend in vochtige loopgraven, de hel, op een paar vierkante kilometer.

Slaapgebrek, kou, regen, honger, dorst, modder en ratten. Héél veel ratten. De stank van ontbindende lijken. Om uiteindelijk de sterven voor Kaiser, und Vaterlant, en andere nationalistische idioten. Op de oorlogskerkhoven in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk liggen die jongens te wachten op de jongste dag. Op hun graf een wit steentje met naam en rangnummer. Eindeloze rijen.

Ook de laatste rustplek voor Auguste Fossier. August, een voormalig wegrenner, ruilde zo rond 1902 zijn fiets om voor een gangmaakmotor. August werd de vaste gangmaker van zijn broertje Honoré.  Succesvol zijn ze niet écht geweest. Zeker niet op de Duitse wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog,  de premier league  van het stayeren. In de  lange, pijnlijk nauwkeurig genoteerde, uitslagenlijsten gepubliceerd in de jaargangen van Radwelt, kom je de broertjes Fossier niet tegen.

De jongens Fossier waren gebonden aan de koersen, gehouden in hun vaderland Frankrijk. Ach wat maakt dat ook uit. Dit stukje gaat over gangmaker August Fossier. Die op de allereerste dag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zich kon melden bij het Franse Leger, waar hij toegewezen werd als ‘cyclist’. Het monster van de ziektes, heerser in de loopgraven kreeg uiteindelijk ook August te pakken.

In 1915 werd de voormalige gangmaker getroffen door tyfus. August Fossier zou nooit meer op z’n gangmaakmotor zitten. Ergens in mei 1915 blies  August zijn laatste adem uit. August Fossier, eenenveertig jaar, liet een vrouw en drie kinderen achter.

Negende

Hupsakee! Daar ging er weer één. Even voor dat het weeë geluid van zacht vlees op hard beton klonk, kreeg Eugene Bruni een klapband.  Met tachtig kilometer stuiterde Bruni tegen het beton. Bewusteloos,  op een brancard,  afgevoerd richting het hospitaal. Waar de priester van dienst al klaar stond met de laatste sacramenten. 

Voor Bruni’s leven werd geen centiem gegeven. Maar God was genadig die dag. De Heer had zijn grenzen. In  zijn eigenste hemelse paradijsje,  werd het  opvallend druk met die malle stayerende jongens.  In dat goddeloze jaar 1904, had Hij al acht dood gevallen stayers mogen verwelkomen.  Bruni, twee dagen later wakker geworden met een knallende koppijn, ontsnapte als negende. Als stayer mocht de man  dan wel regelmatig zijn leven op het spel zette, maar helemaal van de pot gerukt was hij ook nou weer niet.

Van een oude cavaleriehelm knutselde hij een valhelm. Een maand later zal hij de Heer op z’n knieën gedankt hebben. Bruni mét helm, én een contract voor een stayerskoers  gehouden op het Parc des Princes. Tegenstanders  Walthour en George Leander, 22 jaar, afkomstig  uit Chicago. De laatste, razend, zonder valhelm achter gangmaker Cissac, kwam ten val en kwam terug in Chicago in een loden doodskist.

Parijzenaar Bruni, zoon van straatarme Italiaanse ouders, werd gelokt door het grote geld  dat op de Duitse wielerbanen te verdienen was. Acht seizoenen was Bruni regelmatig op de levensgevaarlijke banen actief, won vijfentwintig grote koersen, goed voor bijna tachtigduizend goudmark.

Getuigen van de dramatische afgang  van Eugene Bruni, gefotografeerd en afgedrukt in een groot Franse sportmagazine, hadden nooit kunnen vermoedden dat Bruni, pas in 1956 op tweeënzeventig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Aaien

Een klein schriel kereltje, een jochie nog, haast een kind. Maar geen wonderkind. Boksertje Moos Linneman amper zeventien jong, trainend in de legendarische boksschool van Dick Groothuis. De laatste had de handen vol om Linneman’s aanvalslust te beteugelen.

In het blad Sportief, jaargang 1950, geeft Groothuis een aardig kijkje in de  feodale verhoudingen ‘trainer versus pupil’, begin jaren vijftig. Groothuis roemt de inzet van zijn jongen, die volgens hem keihard iedere dag traint. Zodra de eerste gongslag klonk, stoof Moos op zijn tegenstander af, om, zoals Groothuis dat formuleerde ‘te gaan pompen’.  Volgens de journalist ter plekke,  maakte de Amsterdammer zijn tegenstanders duizelig door ze geen seconde rust te gunnen. Steeds maar weer vlogen vuisten naar het hoofd en ribben van Moos’ tegenstanders: om er maar een schepje boven op te gooien.

Linneman, Nederlands kampioen bij de vedergewichten, en weinig partijen verloren mocht zijn land op de Spelen van 1948 vertegenwoordigen. En verloor  de eerste beste partij tegen  de Ier Kevin Martin. Volgens Groothuis kwam dat omdat Moos in een zwaardere klasse moest uitkomen. Linneman had geen ‘punch’ op de Spelen. Zijn stoten kwamen over als ‘aaien’. Waarbij Groothuis haastte te vertellen dat dat kwam doordat hij in een zwaardere klasse uitkwam, en daardoor té geforceerd moest trainen.

Wat dat ‘aaien’ betreft, wél enige nuances op z’n plaats. Voordat Moos de finale van dat kampioenschap bereikte had hij negen achtereenvolgende wedstrijden gewonnen door knock out.  

Linneman, greep in 1950 de nationale titel in het weltergewicht, door de Hagenaar Schoenmaker te verslaan.  In de Warmoesstraat, midden in de Amsterdamse rosse buurt waar de gym van Groothuis zich bevond, werd met gemengde gevoelens op dat kampioenschap gereageerd. Moos’ z’n verdediging was niet goed, volgens Groothuis.  Moos ‘nam’ te veel, meer dan nodig was.  De Amsterdamse vuistvechter, kwam nog één keer uit op de Spelen van Helsinki waar hij sneuvelde in de kwart finales.

Moos Linneman, nog drie jaar actief als profbokser, vocht zestien partijen waarvan er vijftien werd gewonnen, werd na zijn  bokscarrière bloemenkoopman. Op het Amsterdamse Hoofddorpplein baatte hij jarenlang zijn bloemenstal uit.

Linneman, een echo uit een groots Amsterdams boksverleden, overleed afgelopen weekend. Linneman werd negenentachtig jaar.

Bron: ‘Sportief’, jaargang 1950. Cartoon: Bob Uschi.

Jewey

Rochelend, hijgend,  voorzien van een gescheurde oor én mond, bloedend uit zijn neus, werd hij de ring uit gesleept.   Zijn moeder had haar jongen niet meer herkend. Joseph Smith een vierentwintig jarige joodse bokser, afkomstig uit de achterbuurten van Londen had zojuist zijn zesde gevecht achter de rug.

Dat Joseph, bijgenaamd Jewey, door zijn manager rustig,  het profmilieu binnen geloosd werd,  is hoogst twijfelachtig. Tijdens zijn debuutjaar stond Smith negentien keer in de ring, met elf gewonnen partijen. Maar na dat zesde gevecht moet hij zich vertwijfeld afgevraagd hebben, of hij wel de juiste sport gekozen had.  

Joseph Jewey Smith, versus  Sam mc Vea. De laatste een Afro-Amerikaanse zwaargewicht, van vierentwintig jaar, had zijn gesegregeerde vaderland de rug had toegekeerd. Amerika het land van onbegrensde mogelijkheden. Maar niet voor een bokser met een donkere huidskleur. Sam mcVea trok zijn conclusie en pakte in 1907, z’n bokshandschoenen in en nam de boot naar Frankrijk. Waar hij vier jaar verbleef. Sam  vocht  voornamelijk in Parijs, waar hij drieëndertig keer in de ring stond.

Met mcVea – gebeeldhouwd, gespierd  lijf –  op de aanplakbiljetten, altijd garantie voor een uitverkocht huis.  Ook op die ene avond in het Parijs van 1908. Plaats van handeling het Bowling Palace, met plaats  voor drieduizend toeschouwers. ‘Brandpreventie’, was nog onbekend geneuzel. Onder de kreet, ‘schik maar in’, passeerde vierduizend liefhebbers de kassa van het Bowling Palace.   De Parijse boksliefhebbers roken sensatie. Met de  arme Jewey in een dubieuze hoofdrol.

Joseph Jewey Smith

Joseph Smith werd in de eerste ronde meedogenloos door mcVea neergehaald.  Smith mocht dan kanonnenvoer zijn, maar de man beschikte wel over een groot vechtershart. Liefst tien keer zag hij het canvas van zeer dicht bij. Om telkens op te staan. Tot de derde ronde. Waar Jewey, zwaar gehavend, definitief het licht uit zag gaan.

Dat in het zogenaamde verlichte Parijs, ook niet zó fris tegen de zwarte medemens werd aangekeken onderschreef  sportjournalist, Jacques Mortane. Of zoals Mortane in zijn verslag schreef: ‘Wij haten het te zeggen dat de neger met groot gemak als overwinnaar tevoorschijn kwam. Maar hij sloeg wel elf keer Jewey neer’.

Sam mcVea, man met eelt op z’n ziel, verbleef vier jaar in La France. Vocht daarbij drieëndertig partijen en verloor daarvan maar één. En zoals het met dat soort jongens toeging: ook Sam werd door zijn manager besodemieterd. Nog geen veertig jaar oud, stierf Sam mcVea berooid. Zijn graf en begrafenis werd betaald door bokslegende Jack Johnson.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: