De gouden jaren van voetbalicoon Rinus Israel

Rinus Israel, de beste verdediger die Nederland ooit kende. De man met de lange pass, die als keiharde verdediger niet te passeren viel. Maar ook een bikkelharde, cynische, rancuneuze en gemene speler. Die er niet mee zat om tijdens trainingspartijtjes zijn clubgenoten tanden uit de mond te slaan of anders wel zwaar te blesseren. En dat allemaal omdat Rinus niet tegen zijn verlies kon. Ron Jans, nu trainer in het betaalde voetbal, weet daar alles van. Als negentienjarige speler van PEC Zwolle waagde Jans het tijdens een trainingspartijtje de bal door de benen van Israel te spelen. Even later krijgt Jans van Rinus een bewuste ‘elleboog’. Het kostte Jans een tand.
In het zojuist uitgekomen boek ‘IJzeren Rinus’ heeft auteur Harry Walstra geen half werk verricht. Met een vlotte pen neemt Walstra de lezer mee naar het Amsterdam-Noord in de jaren vijftig. Om precies te zijn het Floradorp, de geboortegrond van Rinus. Waar de laatste  bij buurtvereniging DWV op zeventienjarige leeftijd zijn opwachting maakte in het eerste elftal. Floradorp, waar zijn voetbaltalenten door de Volewijckers, spelend op het legendarische Mosveld, zo’n honderd meter van Israëls huis, over het hoofd werden gezien.
Stadsgenoot DWS had een betere scout. In 1963 maakte Rinus, met een jaarcontract van 12.000 gulden zijn debuut in het betaalde voetbal. DWS werd dat seizoen landskampioen, onder meer door Israels verdedigende talent. Niet veel later wordt de verdediger door Feyenoord ingelijfd.
Walstra beschrijft de carrière van Israel zonder opsmuk, duikt diverse archieven in, en laat ook veel van zijn vroegere medespelers aan het woord.
Rinus met zijn fabelachtige voetbalinzicht én meedogenloze acties. Voor dat laatste had iedere ‘aanvaller’ de nodige angst. Maar niet iedere voetballer. Er was één speler waar Israël geen vat op had. Of zoals hij dat door Walstra laat optekenen: ‘Met Cruijff had ik als verdediger de meeste problemen gehad. Hem intimideren lukte niet. We hadden vaak geprobeerd hem hardhandig af te stoppen. Het is zelden gelukt.’
In ‘IJzeren Rinus’, beschrijft  Walstra  Rinus’  interland- én trainerscarrière, met alle ups en downs, maar ook andere  anekdotes. Kortom, ‘IJzeren Rinus’ beschreven in vierenveertig hoofdstukken, verveelt nergens. Daarvoor was de carrière van Rinus Israel te kleurrijk en hectisch.

‘IJzeren Rinus’
Uitgever: Just Publishers.
ISBN: 9789.0897.50280.
Paperback
Prijs: 19,95 euro.

Doffe oogopslag werd een twinkeling

Boksen of de wielerkoers. Sporten waar het drama aan de kont hangt. En waar  bedrog, zogenaamde vriendschap en verraad nooit ver weg is. Vaak een tikkeltje louche. Maar nooit saai. En dat maakt het zo fascinerend. En als dat een spiegel van de maatschappij is dan keek Fighting Mack daar op latere leeftijd vaak in. Mack, ooit goed voor volle bokstempels. Was als jonge bokser Europees kampioen en won tientallen profpartijen. Had op zijn hoogtepunt tientallen zogenaamde ‘vrienden’.
Nu, zeventig jaar oud is Fighting Mack een, letterlijk, vergeten champ. Terug getrokken, op een Spartaans ingericht flatje ergens in Zandvoort brengt hij zijn dagen in eenzaamheid door. Vorig jaar oktober had ik hem geïnterviewd voor een verhaal: zie Stuyfssportverhalen. Bij het afscheid gaf ik Mack de belofte om in het voorjaar bij hem langs te komen.
Vanmorgen de belofte ingelost. Samen met Bert van Galen, nog zo’n sportadept én een doos gebak, onze opwachting bij Mack gemaakt. Het was een bijzondere ochtend. Voor ons deed Mack zijn verhaal. De man, altijd alleen  verhaalde over zijn illustere carrière, compleet met kleine boksbewegingen. Met alle diepte- maar ook hoogtepunten. En verdomd, na een kwartier verscheen een twinkeling in zijn eerst doffe oogopslag. Je zag hem bij wijze van spreken weer in de ring staan. Na afloop, terug rijdend naar huis ramde Bert de bekende spijker op zijn kop met de opmerking dat hij  zelden zo’n indrukwekkend verhaal had gehoord.

Geplaatst in Boksen. Leave a Comment »

Een eeuw lang gaat zijn naam door de familie

Het ongeluk vond een eeuw geleden plaats. Maar het trauma is er niet minder om. De verhalen over zijn tragische dood, gaan nóg regelmatig door de familie. Het was dan ook niet niks. Het verongelukken van de Amsterdamse stayer Piet van Nek in 1914, kun je gemakkelijk plaatsen in de top-5 van de meest tragische sportdoden. Alle ingrediënten waren daarvoor aanwezig. Tijdens de Grote Voorjaarsprijs van Leipzig, 14 april 1914, het allereerste grote contract voor Van Nek, verongelukte Piet jammerlijk.
Bij de familie Van Nek zien ze, anno nu hun kinderen dan ook niet graag op een koersfiets stappen. Ondanks deze familieoekaze hadden zes nakomelingen van Piet, een wielerlicentie aangevraagd. Ook nu. De achterkleinnichtjes van de stayer, Alysha en Melissa Van Neck behoren in het damespeloton tot dé vaste waarde. Dat in hun achternaam een c zit gaat moeder Marijan, uitleggen.
Haar overgrootvader Huib, een volle neef van Piet, vond dat namelijk sjieker en plakte, begin 1900 er een c tussen. Vandaar. Marijan van Neck opgegroeid met de verhalen over haar illustere oud-oom. Overleveringen vertelt door haar opa, die het uit ‘tweede hand’ had, want opa werd opgevoed door Jan van Nek, de broer van Piet.
Dan was er ook nog Marijans oma, die altijd haar kinderen waarschuwde om nóóit te gaan koersen. ‘Te gevaarlijk’, riep ze, om als extra dimensie er aan toe te voegen: ‘Je weet wat er met Piet is gebeurd…!’ En niet alleen oma. Alle vrouwen in de familie Van Nek, generaties lang, wilden persé niet dat er gekoerst werd. Er rustte een ban op. Aan dovemansoren. Ook Marijans vader kon de lokroep van ‘de koers’ niet weerstaan. Henk van Neck was in de jaren vijftig een meer dan redelijk amateur. Dat stayer Piet van Nek maar ook diens broer Klaas bijgenaamd ‘de oude’, een succesvolle zesdaagsencoureur, dé inspiratiebron voor pa waren is logisch.
Van  Piet van Nek waarvan bekend was dat deze niet tegen onrecht kon en daardoor behoorlijk driftig was. De vechtpartijen die daardoor ontstonden, met onder meer collega stayer Jan van Gendt in 1908 maar ook met de toenmalige wereldkampioen Darragon, vulden de kolommen van de sportbladen.
Volgens Marijan een familiekaraktertrek. Dat gevoel voor rechtvaardigheid herkent ze nu nog in haar familie.
Maar terug naar de meisjes Van Neck, die enkele jaren geleden de achternaam van hun moeder officieel aan genomen hadden en die nu de familietraditie voortzetten.
Dat de aspiraties serieus zijn, bewees Melissa, die in Ierland haar eerste koers had gewonnen.Vrouwen op de koersfiets! Of Piet van Nek dat leuk had gevonden..? Marijan weet dat niet. En dat maakt ook niet zo veel uit. Piet is en blijft nog steeds in hun gedachten. Een enkele keer bezoekt de familie nog diens graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. In de Grote Stayershemel knikt Piet ongetwijfeld begrijpend en is trots op zijn koersende achternichtjes.

Foto 1: Piet van Nek. Foto 2 en 3: Melissa van Neck.

Geplaatst in Wielrennen. 1 Comment »

Het filmpje behoort tot de beste in het horrorgenre

Hij voelt zich goed. Laat dat even duidelijk zijn. Ontspannen zittend  op een stoeltje op het middenterrein van het Amsterdamse Velodrome staat hij de pers te woord. Een cameraman maakt opnames, bedoeld voor een documentaire over zijn komende  recordpoging. ‘Stof’ genoeg. Want je kunt alles over hem zeggen, maar niet dan Maas van Beek een dorre grijze muis is. De zes kruisen al gepasseerd leeft hij het leven van een ultieme stripheld. Maas van Beek, hardrijder uit overtuiging. Jager op records. Vijf jaar geleden verpulverde hij het werelduurrecord achter de derny. De onwetenden onder ons moeten maar even de UCI-recordlijsten naslaan. Namen als een Stan Ockers, Rik van Steenbergen, Peter Post en anderen voormalige champs, ketsen van de lijst.
Maas van Beek, die rare, schilderachtige paradijsvogel afkomstig van de Veluwe, reed al die kampioenen met een afstand van ruim zesenzestig kilometer uit de boeken. Maas, bijgenaamd the Monk, blijkt een ‘rupsje nooit genoeg’. De man gaat volgende maand zijn eigen record aanvallen. Decor, de wielerbaan van Moskou.
En nee wij gaan het niet hebben over zijn voor bereidingen. Die speelden zich namelijk af in de twilightzone. Met als detail huiveringwekkende, calvarietochten in het Boliviaanse Andes-gebergte. Godsallemachtig-nog-aan-toe, De Monnik, op meer dan drieduizend meter hoogte, rennend met een rugzak vol met stenen, tegen die steile hellingen. Het filmpje dat daar van gemaakt is behoort sindsdien tot de betere uit het horrorgenre. Enfin, het is nu een paar dagen voor vertrek naar Poetins hoofdstad.
Het fijne van striphelden is dat deze van het ene avontuur in het andere rollen. Ook Van Beek. ‘Normale’ menen nemen het vliegtuig naar Moskou. Van Beek gaat met de auto. De filmmaker op de passagiersstoel. De laatste hoeft zich, met Maas in de nabijheid, geen zorgen te maken over een saaie reis. De recordman, vult namelijk zijn eigen romantische, avonturenboek in. Het liefst had hij met een bed een maand lang, in de catacomben van het Moskouse wielerstadion geslapen. Maar dát mocht niet. Hij slaapt nu in een hotelletje vlak bij de wielerbaan. In dat Russische logement zal de komende jaren nog ongetwijfeld de naam van ‘Van Beek’ vallen. De Monk neemt namelijk zijn zuurstofmachine mee. Een hels apparaat dat de ijle Andeslucht nabootst: doel meer zuurstofopnames in het bloed. Naast de dagelijkse trainingen achter de derny stapt Van Beek nog een uurtje aangekoppeld met een masker aan de zuurstofmachine, op de hometrainer.
Waarom een mens zich dat allemaal op de hals haalt…? Voor jongens als een Van Beek een rare vraag. Erkenning natuurlijk. Een vermelding in de recordlijsten van de UCI. Meer niet.
Maas van Beek, avonturier, en dé held van de Veluwe heeft genoeg gekletst. Hij gespt zijn helm op. Stapt op zijn fietsje. Met een trage pedaalslag duwt hij de monsterversnelling van 70 tanden voor en veertien achter, op gang. Eenzaam zoeft hij over de baan.
Het zal voor schrijver deze wel verbeelding zijn geweest, maar boven Maas’ hoofd zag hij duidelijk een tekstballonnetje met de tekst ‘wordt vervolgd…’

De dominee en de zondaar

Veiligheidsvoorschriften? Nooit van gehoord! Benzine werd ijzerenheinig, mét losse hand in de tank gekolkt. Een man mét brandende sigaar in zijn knuist, kijkt toe. Gaf een extra fijne dimensie. Dwarrelende benzinedampen, én een brandende bolknak… Enfin, we gaan verder, want Emile Bouhours, stayer op leeftijd, had wel ergere dingen mee gemaakt.
Daarover straks meer, want welkom in het  Parijs van juni 1903. Waar op de  stoep vóór de wielerbaan van het Parc des Princes,  de rolverdeling strak verdeeld was. Bouhours, met de benzine. Gangmaker George Devilly controleerde de motor. Terwijl Bouhours, pet achteloos op het achterhoofd, bezig was, werd opponent Jimmy Michael, geprepareerd door de masseur van dienst.
Jimmy Michael, een voormalig wereldkampioen én een van God, drank en dope vergeven stayer. Bouhours versus Michael. De dominee en de zondaar. Bouhours, drieëndertig jaar, een sportman levend volgens de mores van zijn beroep. In 1903 zag Emile dat beloond met acht gewonnen koersen in Duitsland, want het Gouden Wiel van Maagdenburg en de Grote Prijs van Hamburg: wat géén Franse kattenpis was. ’s Werelds beste stayers stonden daar aan het vertrek. Uiteindelijk viste Bouhours financieel tóch achter het net.
Niet veel later rinkelden, met name op de Duitse wielerbanen, de goudmarken volop. Robl, Dickentman en een handvol anderen mochten zich de eerste wielermiljonairs noemen. Bouhours niet. De man was té oud, hikte lichamelijk tegen het einde van zijn carrière aan. Wat waarschijnlijk zijn leven, dan wel zijn ledenmaten, redde. Niet veel later sleep Hein namelijk, zijn zeis vlijmscherp om tientallen stayers naar een betere wereld te maaien.
Evengoed had die ouwe Bouhours zijn deel van een pijp kaneel opgepeuzeld. Zoals in 1901 op de Amsterdamse Wielerbaan Zeeburg. Tweestrijd tussen lokale held Piet Dickentman en Bouhours. Zesde ronde. De ketting van Bouhours motortandem vliegt tussen het achterwiel van de motor.
Terwijl zijn stuurman op de baan bij elkaar werd geraapt, ijlde de Fransman, achter de reservemotor, ver voor Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, klapte de voorband van diens motor. Dickentman, en zijn bemanning gelanceerd. In een flits stuurde de gangmaker van Bouhours, de zware Brennabormotor omhoog. Op de houten tribunes verslikten kerels zich in hun pruimtabak, en in damesdirectoires verscheen natte plekken, want met tachtig in het uur verpletterde de motor de balustrade.
Bouhours en Dickentman ‘deerlijk gewond uit bloedende wonden’, werden met paard en wagen ijlings afgevoerd naar het Wilhelmina Gasthuis.
In 1904 was de emmer voor de oude Franse strijder vol. In dat seizoen schraapte Emile in Duitsland nog ruim zesentwintigduizend goudmark bij elkaar, om direct te stoppen.
Op donkere winteravonden als de wind over het Franse platteland jaagde zal Emile Bouhours,  tot aan zijn dood op drieëntachtig jarige leeftijd, ongetwijfeld zijn zegeningen als stayer  geteld hebben. Jimmy Michaels kon dat niet meer doen. Jimmy sneuvelde, op zevenentwintigjarige leeftijd, ten gevolgen van een val achter de motor.

Foto 2: Jimmy Michael.

 

Bron: Radwelt jaargangen 1903 en 1904. Nieuws van den Dag jaargang 1901.

Kos ging psychologisch ten onder

De pr-machine draaide op volle toeren. Facebook, diverse wielersites én de regionale pers maakten melding van het stayerskampioenschap. Met succes. Het Alkmaars Sportpaleis was vrijwel vol. Meer dan duizend toeschouwers waren getuigen van een boeiend stayerskampioenschap. Met acht renners aan het vertrek. Waar voor outsiders geen plaats was. Patrick Kos en Reinier Honig, waren namelijk de gedoodverfde favorieten.

Een duel. Buigen of barsten. Pokeren achter de zware motor. Wachten wie het eerste ‘ho’ riep. En dan er langs. Of anders de bocht uitvliegen. Reinier Honig, als zesde renner gestart, had meer dan honderdvijftig rondes achter de ontketenende Patrick Kos zitten jagen. Met een achterstand van een halve baanronde kroop Honig centimeter voor centimeter dichterbij. Een fascinerende stayersfinale nam een aanvang. Met de genoemde Kos en Honig in de hoofdrollen.
Dat Patrick Kos van start af sterk de leiding nam, had hij zelf niet verwacht. Kos, afgelopen maanden afscheid genomen als topsporter, werkt nu hele dagen. Getraind wordt er in de avonduren. Of het weekend. Aangeboren talent én zijn topgangmaker Willem Fack, zorgden er voor dat Kos lang uitzicht bleef houden op de titel.
Bij Kos, meervoudig kampioen, en winnaar van de voorgaande trainingskoersen, doofde het kaarsje langzaam. Met een vertrokken kop voelde hij dat Honig er aan zat te komen.
Zelf vond hij dat ‘psychologisch zwaar’.

Met nog een veertigtal rondes te gaan, voltrok het vonnis zich. Honig, achter Jos Pronk, plaatste zijn definitieve aanval. Een  mooi duel nam een aanvang. Waarbij beide renners het contact met de motor verloren. Het was Kos die als eerste ‘ho’ schreeuwde naar zijn gangmaker. Honig wist meteen dat de kampioenstrui in de knip zat. De aanval van Honig kwam bijna te laat. Als zesde gestart rekende hij er op, dat de eerste vijf renners, elkaar kapot gingen rijden: wat niet gebeurde. Wat resulteerde in de genoemde spannende finale. Dat de verse kampioen tot het conditionele gaatje ging, zag een visueel gehandicapte. Na de huldiging stond de verse champ strak van de kramp. De derde plek was voor de dappere en talentvolle West-Fries Jeroen Kaldenbach. De laatste hartstochtelijk aangemoedigd door flinke luidruchtige supportersclub.

Foto 1 én 2: Reinier Honig met rechts Jos Pronk.

Mooie momenten op de Apollolaan

De koers beklijfde aan hen. Harry Mater en Franco Ballerini, overgoten met dat vreemde wielersausje. Maar eerst Harry Mater, een zielsverwant, want schrijver dezes heeft dezelfde,  obsessie als Mater: fietsen achter motoren. Of anders de derny. Heeft allemaal te maken met nostalgische, onvervalste wielerromantiek. De hang naar het verleden. De kolenkachel. Eten aan de grote tafel, zittend onder de lamp. Op de Philips buizenradio de Selvera’s met hun lullige liedjes.  En donderdagavond op de fiets naar het Olympisch Stadion. De ‘populaires’, baankoersen met onder meer stayeren  achter de grote motoren. Het leven was overzichtelijk.
Of stayeren dat ook was? Natuurlijk niet! Dat was rauwe spektakel. Met louche gangmakerspraktijken, renners die van de motor werden ‘gebrand’, bedrog, combines en meer.  Wat kon mij dat allemaal schelen.  Het ging om de lekkere spanning. De brullende, olie lekkende motoren. De krakende leren gangmakerspakken. Verweerde koppen op de motor. Sluwe blikken onder valhelmen. Harry Mater, die een bloeiend schildersbedrijf runde, was daar een groot liefhebber van. Een liefde die hij zijn leven lang trouw bleef. Dat Martin Venix, gesponsord door Mater, naar twee wereldtitels ijlde, is genoegzaam bekend.
Ook  Mater als organisator van de indertijd befaamde Rai Derny Races. Met de grote klassiekerkoningen aan het vertrek. Die achter  knetterende derny’s, door het bekakte Amsterdam-Zuid raasde. Samen met mijn kleinzoontje Bas werd dan een plekje gezocht op de stille Apollolaan. Waar ik ooit, op de onregelmatig liggende klinkers, kasseienkoning Franco Ballerini, met diepliggende ogen in de kassen, ‘piano, piano’ hoorde schreeuwen naar zijn gangmaker. Het moest rustiger. Wij zagen dat en voelden ons doodgewoon gelukkig op de Apollolaan.  
Franco Ballerini dus, tweevoudig winnaar van Parijs-Roubaix, wát waren wij, Bas en ik, supporter van die renner.
Een jaar eerder in de catacomben van het Rai-complex. Vijf minuten voor het vertrek van de race. Derny’s werden gestart. Renners nerveus aan  de startstreep.
Op één na. Franco Ballerini ontbrak.  Die kwam uiterst relaxt, waar Latino’s patent op hebben,  omringd door overspannen bobo’s, uit de kleedkamer. Dan ziet Ballerini een klein jochie staan. De Italiaanse kasseienspecialist  gaf hem een hand, vroeg naar zijn naam. Maakte een praatje. En ging met Bas op de foto. De Derny Race, bobo’s en andere patjepeeërs konden zijn rug op.
Franco en Harry. Beiden zijn er niet meer. Franco verongelukte zes jaar geleden. En Harry Mater, sympathiek, en charmant mens, ­ – wie ik postuum wil bedanken voor de mooie momenten op de Apollolaan, –  overleed vorige week op drieënzeventigjarige leeftijd.

Foto 1: Harry Mater met Franco Ballerini.  Foto 2: Franco met Bas.

De eerste  foto’s kreeg Stuyfssportverhalen, via de mail, (16-8-2012) van sportfotograaf Guus de Jong.