Discussie beslecht

Ga naar het kerkhof en je ziet meteen het verschil. Waarmee hopelijk het jaarlijkse geneuzel, ‘ wie de beste was’, is beslecht.  Want je kunt de klok er op gelijk zetten. Is het twee januari, de sterfdag van Fausto Coppi, dan barst de discussie op de sociale media  los, of Fausto Coppi, dan wel zijn tijdgenoot Bartali, tot de beste renners ooit behoorden.  
Het levensverhaal van Coppi is inmiddels totaal uitgemolken. Ook dat van Bartali. En wie de beste van de twee was? Ach, dat zal wel. Laten we het er maar op houden dat het twee kampioenen waren. Voor wie beter het fenomeen, ‘cultheld Coppi’ wil begrijpen, die dient  af te reizen naar Castellania, zijn geboorteplaats.   Over de verlaten  weggetjes van de wondermooie Apennijnen, ooit het trainingsgebied van Coppi, richting  Castellania, waar je een kanon af kon schieten zo stil.
 Eén grote belevenis. Een aanrader, ook voor niet Coppi-adepten. Castellania, een openluchtmuseum, waar vanaf iedere blinde muur, of schuurdeur de vroegere kampioen op bilboardformaat in actie is. Met als theatraal hoogtepunt, het  pompeuze mausoleum, midden in het dorp, waar Fausto mét zijn verongelukte broer Serge, op de jongste dag liggen te wachten. Een monsterlijk groot grafmonument. Een regelrechte heiligverklaring, gevangen in marmer.  Hoe Rooms wil je het hebben? En dat voor een atheïst die regelmatig zijn middelvinger opstak tegen de paus en diens schijnheilige clerus.
Wat dat betreft kan de tegenstelling tussen Coppi en Bartali niet groter zijn. Want reis af naar Ponta a Ema in Toscane, het geboortedorp en laatste rustplaats van Gino Bartali.  Dat Bartali ondanks zijn affectie met de Roomse kerk, een eenvoudige, bijna calvinistische man was, is te zien op de lokale begraafplaats. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Dat is wat het graf van de oude Gino uitstraalt.
Waar Coppi  in een soort Hollywoodsetting is begraven, daar rust Bartali in een eenvoudig graf. Gino Bartali werd drie hoog in de muur geschoven. Met op de afsluitsteen alleen zijn naam, geboorte- en sterfdatum. En nét als je denkt dat Bartali’s tifosi hun kampioen zijn vergeten, doemt daar opeens het Museo del Cyclisme Gino Bartali op. Bartali’s museum, als een moderne kathedraal tussen de eenvoudige Toscaanse huisjes van Ponta a Ema,  gevuld met fietsen, shirts en andere parafernalia, gelinkt aan  Bartali.

Strak in de leer

De dramatische val  Wim van Est in het ravijn van de Aubisque. Leuke wielergeschiedenis. Maar ook een  totaal afgegraasd onderwerp, dat jaarlijks bij iedere voorbeschouwing van de Tour, wel een keer langs komt. Meer dan  zes decennia kon het verhaal rijpen, waarbij  ongetwijfeld flink bij gefantaseerd werd. Heiligschennis om dat op de juiste feiten te controleren. Misschien daarom is de kukel van Van Est, hoog geëindigd op de parade van smakelijke sportanekdotes. Althans in dit land.
Dat twee jaar later, tijdens  de Ronde van Frankrijk 1953, ene Guy Buchaille, een jonge Franse regionale prof, op exact dezelfde plek ook in dat genoemde  ravijn lazerde,  weet niemand. Ook niet dat Guy, met aan elkaar geknoopte tubes omhoog werd gehesen. Jammer voor Guy, maar  goed voor de heldenstatus van Van Est. Want Buchaille’s val was daarmee ontsnapt aan de aandacht van striptekenaar Yves Duval.
De laatste, afkomstig uit de rijke school van Belgische striptekenaars. In 1973 verscheen het stripalbum, ‘Heldenepos van de Ronde van Frankrijk’. Waar in  veertig pagina’s  de geschiedenis van de ronde van Frankrijk langs komt.  De renners en het materiaal zijn met veel gevoel voor details door Duval getekend. Waarmee de mare, dat strips, vooral de Belgische uitgaves, pure kunst is, wordt bevestigd. Ondanks dat Duval zich goed in de materie had verdiept maakte hij toch zijn foutjes. 
Dat Fausto Coppi zijn hele carrière op een licht blauwe Bianchifiets koerste, en niet op ’n rood exemplaar is hem vergeven. Erger is dat andere kleine foutje. Ongetwijfeld opgevallen bij wielerkenners die strak  in de leer zijn.  De tekening van Van Est, open mond, neerstortend naar de bodem van het ravijn, en gevangen met het potlood van Dumas, die voor het dramatische effect zorgde met een vette,  in rood gekleurde schreeuw. Kunst op enkele vierkante  centimeters. Alleen jammer dat Duval bij Van Est iets vergeten was. Diens  polshorloge! Want hoe  zat het ook alweer? Was de  reclamekreet, waarmee Nederland in de fifties werd overspoeld niet,    ‘Van Ests hart stond stil, maar zijn Pontiac-horloge deed het nog’?

Tekening: Yves Duval, S. Ardan, Marc Hardy.

Koerskinderen

Parijs-Roubaix, editie 1950, waar alleen de Vlaamse, Italiaanse én de Franse pers acte de préséance gaven. Vooral Miroir Sprint, thuisbasis Parijs, pakte groots uit. Veertien grote actiefoto’s, vier achtergrond- en koersverslagen, geschreven door evenzoveel journalisten. Opgemaakt over vijf pagina’s: voor wielerliefhebbers het betere werk.
Vers gedrukt in grote oplages, op maandagmorgen te verkrijgen in de lokale kiosken en tabakszaken. Wél een kleine domper voor de redactie én uitgever van het blad. Parijs-Roubaix kende geen Franse winnaar. Noch één van die vele kansrijke, Vlaamse kasseienstoempers. Dat uitgesproken een Italiaan er met de publicitaire buit van door ging, gaf op de redactie het nodige tandengeknars.
Winnaar Fausto Coppi, op de cover van de Miroir, daar kwam men niet onderuit. Coppi, hét archaïsche rennerstype uit de fifties, stijlvol zittend op z’n Bianchifiets, afgemonteerd met Pirellitubes, máár zonder versnellingsapparaat. Fausto, door verzorger Biagio Cavanna, ongetwijfeld op ‘scherp gezet’, solo zwevend over de kasseien van de Hel. Met aan zijn wiel, als een zak aardappelen op z’n fiets,
Maurice Diot, ongetwijfeld ook een greep uit de amfetaminepot gedaan, waarbij geen moreel oordeel over geveld moet worden. Wat dát betreft waren Coppi en Diot, koerskinderen van hun tijd.
Diot, een Parijzenaar, de enige renner die Coppi enigszins bij kon houden. Om kilometers vóór Roubaix, door Il Campionnissimo, als een lastige strontvlieg afgeschud te worden. Voor Miroir Sprint maakte dat niet veel uit. De commerciële meubels werden gered door Diot naar een heldenstatus te schrijven, opgeleukt met een tweekoloms actiefoto.
Diot, werd vervolgens in een zespuntslettertje, weg gestopt in het uitslagenlijstje, waar hij op drie minuten achter Fausto Coppi, als tweede terug was te vinden.
Over Coppi weten we alles. Diot niet. Dat de man zes keer de op de deelnemerslijst van de Ronde van Frankrijk stond, met één etappeoverwinning is ter kennisgeving. Dion, geen fietsende weggooier, werd twee keer tweede in Bordeaux-Parijs. In 1951 won de Parijzenaar, de monsterlijke klassieker Parijs-Brest-Parijs, over twaalfhonderd kilometer, wat niet genoeg geprezen kan worden.
Maurice Dion werd slechts negenenveertig jaar.

Op oude, opgelapte fiets, naar de wereldtop

Is het mogelijk dat je op een acht jaar oude, tweedehands fiets, waarvan het frame twee keer gebroken was, tijdens  het wereldkampioenschap bij de top kan eindigen? Ja, want Enzo Leijnse flikte dat! Waarmee de mythe doorbroken werd dat zoiets alleen mogelijk is op peperduur materiaal.

Twee dagen voor het nationaal nieuwelingenkampioenschap tijdrijden, brak Enzo Leijnse de achtervork van zijn fiets. Zijn vader, Hans Leijnse, fysiotherapeut van beroep, én jeugdtrainer vond het niet nodig om een nieuwe te kopen.  Terwijl zijn zoon wél dé grote favoriet voor de titel was. Hans Leijnse, dagelijks beroepsmatig gewrichten intapet, maakte van de nood een deugd. Met een stukje metaal en epoxihars tapete hij de achtervork van zoons fiets. Enzo Leijnse eindigde op twee seconden van de winnaar.
Hans Leijnse, zelf fanatiek wielrenner en al jarenlang jeugdtrainer, heeft daarover zo zijn eigen filosofie. Hij vindt fietsen  een echte volkssport, wat door het geld, steeds meer gaat veranderen. Als trainer ziet hij regelmatig pupillen, op het allerduurste materiaal: ouders met een reservefiets aan de hand. De laatsten  maken elkaar helemaal gek. Volgens hem moet plezier bij de kinderen voorop staan, wat ook mogelijk is met een goedkope fiets. Zo had hij ook zijn zoon opgevoed.   Enzo Leijnse behoort inmiddels bij de junioren wereldtop. Vorig jaar, tijdens een zware internationale etappekoers in Zwitserland, begon het talent ‘Enzo’ te ontluiken. Enzo, 1.90 meter lang en zeventig kilo, niet echt het gewicht van een klimmer, won deze  klimkoers.
Het geknutsel van vader Hans pakte ook wel eens verkeerd uit. Een dag voor het Europees kampioenschap, in augustus gehouden op de winderige polderwegen rondom Alkmaar, had senior een nieuwe ketting op Enzo’s fiets gezet. Niet wetende dat het voorblad compleet versleten was. Tijdens de spurt om de medailles sloeg de ketting over. Zoon Leijnse werd vierde.
Enzo Leijnse mocht wel zijn land vertegenwoordigen in Engeland, waar afgelopen week het WK werd gehouden. Om op een acht jaar oude, tweedehands, opgelapte fiets, aan de start van deze mondiale race te staan, vereist een moraal van staal, maar vooral geloof in jezelf. Enzo Leijnse, een paar dagen eerder tweede geworden bij de tijdrit, beschikt daar over. Met twee renners voorop ging hij tijdens de laatste ronde in de aanval. Om voor de derde plaats nipt geklopt te worden door de Amerikaan Sheffield.
Enzo Leijnse, supertalent, hoeft wat materiaal zich geen zorgen meer te maken. Volgend jaar komt de jonge Amstelvener uit voor het opleidingsteam van profformatie Sunweb. Wat betekent dan vader Hans zijn zoon moet loslaten.

‘De sigaret van de sportman’

In de  koers sluw en doortrapt. Maar in de maatschappij waren profrenners simpele zielen,  die je van alles wijs kon maken. De jaren vijftig. Hoogtijdagen voor ploegleiders als een Pellenaars en Lomme Driessens, haaien, vermomd als kerels, die gretig misbruik maakten van hun koersende groenzoeters. En als loodsmannetjes dááromheen, soigneurs van het type Dr. Dopey, en diens wonderbaarlijke elixer (goed voor lijf en potentie), die de renners prepareerden met amfetamines, tot het hun oren uitspoot.
Om na de koers de gedrogeerde stumpers,  met de inhoud van een fles  melk, weer te ‘ontgiften’:  zorgzame  jongens die soigneurs. De fifties, het tijdperk  waarin wielerverslaggevers helemaal los konden gaan. Vanuit schrijfmachines werden renners tot mythische proporties verheven,  of het  allemaal de waarheid was, viel toch niet te controleren. Het was de glorietijd  van de geïllustreerde sportbladen. Met onder meer voorbeschouwingen van de Ronde van Frankrijk,  in duizelingwekkende oplages gedrukt. Pagina’s vol met adembenemend mooie foto’s. En daar tussen door,  de advertenties.
Sommigen advertenties met een geheimzinnige, onbegrijpelijke  inhoud. Zoals die ene, over twee kolom geplaatst,  zonder tekst maar wél met een foto van een rubberen bal, voorzien van een  tuitje. Daaronder één regel  met de naam van de fabrikantsnaam. Een klein onderzoekje maakte duidelijk dat deze bal gebruikt werd door moeders om, gevuld met leidingwater,  pa’s verse zaad er ‘uit’ te blazen. Goddank wist mijnheer pastoor daar niets van.
Ook advertenties van de tabaksindustrie. Kruisvaarders van de antirooklobby krijgen daar nog steeds een  spontane rolberoerte van. In 1952 moest dat kunnen, althans volgens  de redactie van het Vlaamse sportblad Sportclub.  Sigarettenfabrikant Laurens mocht onbeschaamd zijn product aanprijzen, met de kreet dat zijn filtersigaretten, ‘goed voor hart, keel en tanden’,  zijn, om te besluiten dat  het wél om de ‘de sigaret van d’n sportman’ ging.
Of Jan Nolten ooit dat blad of advertentie onder ogen had… Jan Nolten, klimmer bij de gratie Gods, had tijdens de Tourvan 1952, de helse bergetappe Sestrieres-Monaco, gewonnen. Waarmee hij onder meer Dotto, Bartali en Coppi achter zich hield.  Na zijn glaasje melk,  snakte Jan naar zijn paffertje, want altijd trek in een ‘pakje Old Mac’, dé sigaret uit die tijd.
Hoogstwaarschijnlijk was Jan door ploegleider Pellenaars, een geborneerde sigarenroker,  in gefluisterd dat roken na de koers geen kwaad kon. Enfin, Noltens carrière  was als een opgestoken sigaret, kort, hevig maar wel lekker.

Geboortedag van de enige echte Campionissimo

Ben je nooit aan zijn graf geweest, dan ben je geen echte wielerliefhebber. De tocht naar Castellania, een piep klein dorpje hoog weg gestopt in de Apennijnen, is daarom verplichte kost. Beter gezegd een hedendaagse pelgrimstocht. Beschouw het bezoek aan Castallania daarom maar als een  boetedoening.  Castallania, waar Fausto Coppi, de enige echte campionissimo van de wielersport, geboren werd. En ben je geen wielerliefhebber, dan is een wandeling door Coppi’s geboortedorp evengoed een bizarre, maar fascinerende ervaring.
Wat al begint tijdens de autorit tegen  de steile hellingen rondom het dorpje. Kijkend omhoog ontwaar je, opeens en onverwacht,  tussen de woeste natuur in, een metershoge actiefoto van Coppi, gemonteerd op een vijf meter hoog electragebouw. Castelania, waar geen blinde muur van een gebouw noch schuur zijn te vinden. Deze zijn allemaal voorzien van foto’s, type billboard,  van de kampioen zelf. Met als bizar hoogtepunt het kolossale, pompeuze praalgraf,  waar ook Coppi’s broer Serge in mag rusten. Naast het graf een kapelletje zonder Roomse parafernalia, maar tjokvol relikwieën uit de wielergeschiedenis.
Fausto Coppi was natuurlijk geen heilige. De man was op dopegebied een trendsetter. En van zijn turbulente liefdesleven zijn genoeg verhalen over geschreven. Misschien dat hij daarom, ten onrechte, nu een cultheld is. Dáárom staat deze blog,  even bij stil dat vandaag 15 september, het honderd jaar geleden was, dat deze kleurrijke, grote kampioen werd geboren.

Foto: Op 22 september 1947, verpletterde Fausto Coppi, tijdens de Grand Prix de Nations, een monsterlijke tijdrit over 140 kilometer, de concurentie, in een tijd van ruim drieënhalf uur. Dat Emile Idéé, tweede werd op ruim acht minuten is ter kennisgeving.

‘Slachtoffer van den Wielersport’

Overwoekerd door struikgewas. Verwaarloosd door de tijd.  Tientallen jaren niet bezocht, en door personeel van de begraafplaats totaal vergeten. Tot twee weken geleden. Een wandelaar trok uit pure  nieuwsgierigheid de struik weg. Een prachtig grafmonumentje, voorzien van  een wielrenner in reliëf uitgehakt, kwam uit het groene onkruid tevoorschijn, met aan de voet een foto van een jongen. De tekst op de steen  verraadde dat zich vijfennegentig jaar geleden een dramatisch voorval had afgespeeld. Dat ene Herman Sluijter, zeventien jaar oud, in het graf rustte  was zeker. En waarschijnlijk had het reliëf op de grafsteen betrekking op hem.  Maar wie was deze Herman Sluijter? En wat voor drama had zich precies afgespeeld? Stuyfssportverhalen ging op onderzoek uit…

Het clubkampioenschap van wielervereniging De Romein. Een  koers van niks, en gehouden   in de polders ten westen van Muiderberg, met start en finish bij de Hakkelaarsbrug. Een van de deelnemers is Herman Sluijter, 17 jaar, zoon van een gemeentewerker,  afkomstig uit de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Herman’s club, De Romein, organiseerde net zoals veel andere wielerclubs, hun koersen in de stilte van de weidse polders rondom Muiderberg.
Ook op die  zondagmorgen in  juni 1924, waar op de verlaten  polderweggetjes   veilig gekoerst kan worden. En waar het tóch mis ging.  Waarschijnlijk door die bedrieglijke stilte liet Herman Sluijter, eerste jaar nieuweling met een bescheiden palmares,  even zijn voorzichtigheid varen, en klapt vervolgens vol op een tegemoetkomende auto. De jonge Sluijter, zwaar gewond afgevoerd naar het  Gerardus Majella Ziekenhuis in Bussum, waar hij enkele dagen later sterft. Een week later wordt de ongelukkige jonge renner begraven in een ‘algemeen graf’, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.
Een algemeen graf, een eufemisme voor een begrafenis ‘van de armen’.  Een gegeven voor  wielvereniging De Romein om  een inzamelingsactie onder de wielerverenigingen te starten:  doel een eigen graf mét gedenksteen voor hun lid. Twee jaar later, een dag na Herman Sluijter’s geboortedag, is het zover: het grafmonument van Herman,  herbegraven, wordt onthuld met onder meer  voorzien van de tekst: ’Slachtoffer van den wielersport’.
Helemaal soepel verliep de inzamelingsactie niet. De solidariteit onder de clubs was ver te zoeken. In Het Nieuws van den Dag,  aandacht bestedend aan de onthulling, laat een verbitterde secretaris van de club, ene Cornelisse, weten dat: ‘Dat andere clubs er anders over dachten en het soms zelfs niet eens noodig oordeelden te antwoorden’. Om in een zin te verwoorden dat HSV De Kampioen, de Amsterdamse Wielervereniging, én De Peddelaar wél gedoneerd hadden.

Neef Herman Sluijter
Hoewel hij als kind regelmatig bij zijn opa en opoe kwam, werd over de verongelukte Herman nooit gesproken. Naamgenoot Herman Sluijter, 86 jaar, neef en naamgenoot van zijn jong gestorven oom, wist van diens bestaan af. Al was het alleen maar omdat hij met zijn opoe regelmatig het graf bezocht. Ondanks dát werd over zijn oom nooit gesproken. Zo ging dat in die tijd verzucht hij. Emoties werden weg gestopt. Herman Sluijter, hierna genoemd Herman senior, heeft evengoed een band met de jonge oom die hij nooit gekend had. Al tientallen jaren bewaart hij zuinig de weinige stoffelijke herinneringen aan z’n oom. Het zijn onder meer fragiele krantenberichtjes, foto’s, en heel bijzonder, een doosje. Waaruit,  open gemaakt,  vier medailles tevoorschijn komen, gewonnen door oom Herman en voorzien van inscripties.

Enigste overwinning

Ook die ene medaille met de tekst,  dat  Herman Sluijter, op 8 juni 1924 een ‘honderd kilometer’ koers won. Het was de enige overwinning voor de nieuweling afkomstig uit de Amsterdamse Monnickenstraat. Twee weken later verongelukte hij. Hoewel Herman senior al jaren niet meer het graf bezocht, betaald hij sinds het overlijden van zijn vader in 1985, jaarlijks de grafrechten. Herman senior weet weliswaar niet veel over de wielercarrière van zijn oom, maar wel over de geschiedenis van het graf. Zoals dat in 1938, Stientje, zijn tante én het zusje  van de verongelukte renner, op achttienjarige leeftijd werd bijgezet. In 1959 volgde de moeder. Waarmee het graf vol was.  Om ruimte op de grafsteen te maken voor de namen van het zusje en de moeder, werd de waarschuwingstekst ‘Slachtoffer van den wielersport’ weg gehaald.
Over de toekomst van het familiegraf behoeft Herman senior zich geen zorgen te maken. Mischa Smeding, staflid van de Nieuwe Oosterbegraafplaats, heeft verzekerd dat bijzondere graven, zoals die van Herman Sluijter, nooit geruimd gaat worden.

Foto 1 en 2, gemaakt door Hans Kramer tevens de tipgever van dit verhaal.

Goede genen

Stammend uit een oeroud Amsterdams wielergeslacht. Haar oudooms waren  de legendarische stayer Piet van Nek en diens broer, zesdaagserenner Klaas. Wat genen betreft zit het dus snor. Voor  Melissa van Neck, wielrenster, 28 jaar, mooi meegenomen. Melissa, dochter van een Tsjechische vader en Amsterdamse moeder, heeft twee nationaliteiten. Drie  jaar geleden zocht ze haar heil in het land van haar vader en belandde in Praag. In Tsjechië  waren volgens  haar de mogelijkheden als renster groter.
Vrijwel direct werd ze ingelijfd bij de wielerploeg van Dukla Praag, en koerste  voornamelijk in het Oostblok, wat niet onderschat moet worden. Op het programma stonden onder meer etappekoersen in de Oekraïne, waar de wegen volgens haar net zo slecht waren als op het Vlaamse platteland.
Vrijwel, alles moest ze zelf uitzoeken. Mede daarom heeft zij in Tsjechië, ‘grote stappen’ gemaakt in haar ontwikkeling als renster. Met de aantekening dat zij, in tegenstelling tot haar ploegmaatjes, overdag werkzaam was als lerares Engels. Kilometers werden gemaakt in de vrije tijd. Een hardingsproces tot volwassenheid in het wielermetier. Als ze professionele ploegmaatjes,  de hele dag op de fiets,  hoorde zeuren over futiliteiten,  had ze daar haar eigen gedachten over.
Investeren als renster in het ‘wilde oosten’ van Europa geeft rendement.  Vorige week kreeg ze een contract aangeboden bij het Italiaanse extrasportieve merk BePink, een damesploeg koersend op De Rosafietsen. Van Neck, een weekje in Amsterdam bij haar moeder, rijdt dit weekend als gastrenner de Omloop van de IJsseldelta.

Frau Antje en de Giro

Als een vers gebakken pizza, die snél genuttigd moet worden: dát was  de carrière van Ercole Baldini. Kort genot, maar wél lekker. Ercole Baldini, beroepsrenner tijdens de fifties. Koersend op een fietsje, gespoten in een geraffineerde kleurencombinatie,  opgeleukt met verchroomde tussenstukjes. Afgewerkt tot in het détail, en voorzien met het modernste Campagnolomateriaal. Een lust voor het oog. Púre kunst op twee wielen, zonder hoerig noch ordinair te zijn.  Waar alleen Italiaanse framebouwers een patent op hadden.
Het Italië van de jaren vijftig, scheurende Fiatjes-500, keffende Lamborghini-scooters, films van Felini, een Paus die de wapens van de Duitse legers had gezegend, en super gesoigneerde renners. Maar ook het land van  Sofia Loren, Gina Lollobrigida en Claudia Cardinale, godinnen met een boezem die de verbeelding ver voor bij ging.  
En wij? Wij moesten het doen met  Frau Antje. En onze wielrenners met racefietsen waar het calvinisme vanaf droop. Karretjes, waar mijnheer de dominee himselfe zijn goedkeuring aan gaf. Waar zo’n modale Hollandse profrenner, koersend op zo’n bokkenkar, het moraal en zin vandaan haalde, is nog steeds een goed bewaard  geheim. Enfin, daar had Ercole Baldini ieder geval geen last van.
Baldini, Toscaan en hardfietser als levensovertuiging. Kreeg  de goedkeuring van de altijd machtige mama Baldini én de zege van de pastoor van Forli: zijn  geboortedorp. Verbrak, als amateur in 1956,  het onaantastbaar geachte werelduurrecord van Fausto Coppi. Waarmee meteen het lot van Ercole bezegeld was. Baldini,  nat achter de oren, in 1957 meteen voor de leeuwen gegooid, met debuut  in de Giro d’ Italia,  waar hij een etappe won. Aardig te vertellen is ook zijn overwinning in de Trofeo Barrachi, een koppeltijdrit, waarin hij gekoppeld was aan de toen stokoude Coppi.
Baldini wist meteen waar de mosterd gehaald werd, en ging in de ‘verzorging’. Liet bij zich zelf  een liter bloed aftappen, opgeslagen in z’n koelkast. De jaren vijftig,  die heerlijke, onschuldige tijd waarin een renner zich kon verzorgen,  zonder meeloerende journalistieke scherpslijpers, of andere, met het vingertje zwaaiende moraalridders. Met een surplus aan rode bloedlichaampjes  werd  Ercole, in 1958 wereldkampioen op de weg, maar won eerst de Giro d’ Italia.
De Giro, van oudst her een tikkeltje louche, beetje corrupt, daarom onvoorspelbaar. Waar zaken in de schemering van het peloton afspelen. Waarschijnlijk daaróm is de Ronde van Italië, ieder jaar weer, vele malen leuker dan de Tour de France. En Ercole? Na  1959 geen platte prijs meer gewonnen is met zijn zesentachtig jaar nog scherp van lijf en geest.
De man daalt iedere morgen af naar de kelder van z’n huis. Waar zich zijn eigen privémuseumpje bevindt. Een soort bedevaartkapelletje afgeladen met zijn koersfietsen, wielershirts, zijn gouden Olympische medaille gewonnen op de Spelen van 1956, en andere voor hem heilige voorwerpen. Dan knikt hij, en mijmert dat zijn carrière er best mocht zijn.

De strandkoning heersend in de Afrikaanse woestijn

Zolang de stranden niet vol liggen als de Kalverstraat op een zaterdagmiddag kun je er beachbiken, mits je de kracht van Ramses Bekkenk hebt. Voor hem is het Hollandse zand niet eens ruig genoeg.

Géén idee wat hem te wachten stond. Ja, dat de koers door bloedhete woestijnen ging. Dat vijftig procent van de wegen onverhard waren. En de rest over paden met een uitgesleten dubbel spoor. Voor Ramses Bekkenk, 42 jaar was de Munga 2018, één blanke vlek. Maar hoe bereid je je,  als renner, afkomstig uit het Noord-Hollandse  op zo’n monsterklus voor? Over zijn conditie geen zorgen, de man heeft een gietijzer gestel. Om duizend kilometer lang, op de toppen van het duurvermogen te balanceren, onder een roodgloeiend, hete zon, daar komt meer bij kijken. Er werd daarom niet alleen op het duurvermogen getraind,  maar ook het darmstelsel. De Munga,  de allerzwaarste mountainbikerace ter wereld, valt namelijk  niet op wat sportvoeding te volbrengen: grote kans dat je dan regelmatig met de koersbroek op de enkels naast de kant van de weg zit.  
Bekkenk, wekenlang getraind  op vast voedsel,  en afgetraind tot  het merg van de botten  stond begin december, met honderddertig andere vermetele aan het vertrek in Bloemfontein. Argeloos werd  aan een groot avontuur te begonnen, waar, voor de zekerheid toch wat voorzorgsmaatregelen waren genomen. In zijn rugzak bevonden zich drie binnenbanden een paar luchtpatronen, een pompje en wat sportrepen.
Wennen, zo noemt hij de eerste vijfhonderd kilometer, wat natuurlijk een eufemisme is. Urenlang werd afgezien als een ouwe trekhond voor een melkkar. Dan gebeurt er iets wat sportartsen omschrijven als ‘íngereden zijn’. De bloedvaten staan wagenwijd open, de pijn veroorzaakt door het moordende tempo, wordt als minder erg ervaren. Voor Bekkink het sein om meer kolen op het vuur te gooien. De man vertrok in zijn eentje uit het peloton, op weg naar een bar, en eenzaam avontuur.
Een topatleet is geen machine, ook al is die voorzien van longen als blaasbalgen en een hart van een stier. Iedere tweehonderd kilometer was er daarom een rustpost. Rust betekent ook  oponthoud. Voor de Koning van het strand een duivels dilemma. Maar doorrijden is een reguliere zelfmoordpoging. Op de rustplaatsen nam Bekkink zo kort mogelijk wat rust, waarbij  tevens spaghetti en in de schil gekookte aardappelen werd gegeten. Wat snel naar binnen werd geschrokt.
De koers wacht op niemand, om een cliché af te stoffen. Dus opstappen en doorrazen door de Afrikaanse nacht, die twaalf uur duurde, koud, én pikdonker was. Bekkenk, van beroep mecanicien bij een wielerzaak,  én jongen van de polderwegen, had op zijn mountainbike een grote fietslamp gemonteerd. Wie Afrikaanse woestijnen zegt, denkt aan filmbeelden van National Geographic. Wat dat betreft kwam Bekkenk aan zijn trekken. Doodstil, uitgestrekt, stoffig en heet waren de omstandigheden, met naast de weg de onvermijdelijke springbokken en ander wild spul. Vooral de stof zorgde voor een extra zware dimensie. Met droge kelen, en veel hoesten tot gevolg. Sommigen renners hadden stofdoeken voor het gezicht. Bekkenk niet. Die kende ander malheur.  
Om met een afgetrainde kont op een hard koerszadeltje, honderden kilometers, hobbelend, schurend en stotend, over niet als wegen te herkennen paden te rammen,  doet wat met het zitvlak. Met zadelpijn en een kapot gereden kont werd door gereden. Dan, na vijftig uur koers, komt Wellington, mét de finish in zacht, waar  Ramses Bekkenk zijn wiel als eerste over de finishstreep drukte. De Koning van de Hollandse stranden had niet alleen de zwaarste mountainbikerace ter wereld gewonnen maar ook in een recordtijd van vijftig uur waarvan drieenhalf uur rust, en verbrak tevens het snelheidsrecord met vijf uur. Dat nummer twee op ruim twee uur zat was ter kennisgeving.
Dát nooit meer, waren zijn eerste gedachten, nadat hij van zijn fietsje was gestapt.  Een voornemen dat vrijwel meteen verdrongen werd door een gevoel van euforie én verrassing. Het laatste door de massale aandacht van pers, televisieploegen en ander publiciteit. De gehele koers was via internet live te volgen. Vanuit de gehele wereld kreeg de Noord-Hollandse mecanicien reacties. 
Of ze Ramses Bekkenk nog eens aan de start van de Munga zien? Onzeker! Afgelopen november vertrok hij fris en onwetend aan het avontuur. Nú weet hij wat voor verschrikkingen hem te wachten staat. Maar geloof nooit een duursporter op zijn woord. Komende maanden borrelen de mooie Afrikaanse herinneringen bij hem op. Geheid dat ze in Afrika nog lang niet van die Bekkenk af zijn.

André Stuyfersant. (Gepubliceerd in MUG-Magazine, Maart 2019). Foto 1: Rob Duin.

error: Content is protected !!