Een worstelpartij met fijne afloop

Project1Een circusact. Dat was de worstelsport eind negentiende eeuw. Weekblad De Clown had dat goed begrepen. Het allereerste nationale kampioenschap worstelen werd georganiseerd door een ‘satiriek humoristisch weekblad’.  Tussen de goochelaars, het doorgezaagde weesmeisje, jongleurs, trapezewerkers, gedresseerde apen  en clowns sloegen de gespierde jongens in hun kruippakje geen raar figuur. Circusdirecteur Corty Althof, fijne neus voor spektakel, wist dan ook precies hoe je het Paleis voor Volksvlijt vol kon krijgen. Althof  liet de stad dichtplakken met affiches voor een worstelpartij tussen de Turk Memish en lokale favoriet Dirk van den Berg. Vanuit de Jordaan, de Oostelijke Eilanden en andere volksbuurten toog het proletariaat massaal naar het Paleis op het Frederiksplein.
Was het worstelen sinds de oudheid streng gereglementeerd, niet in Nederland. Daar werd niet zó nauw gekeken. De mannen in de ring deden maar wat. ‘De Clown’, een vooruitziende blik op rottigheid, drukte op de voorpagina nog maar eens de spelregels af.  Dat één van de laatste regels was dat ‘het publiek beleeft verzocht wordt geen advies aan de deelnemers te geven’, werd natuurlijk massaal aan laarzen gelapt. Gelukkig maar, want het liep fijn uit de hand. Waarvan de Turk, niet vies van een provocatie, hét beslissende voorzetje had gegeven.
Project2Memish, meer spieren dan bescheidenheid, had dagen voor de partij tegen journalisten geroepen dat Dirk duizend gulden kreeg als hij won. Om in één adem te vervolgen dat zijn tegenstander dan ook meteen ‘de kampioen van de wereld was’. Dirk, een tweeëntwintig jarige, simpele maar oersterke slagersknecht met een schamel loontje van hooguit twintig piek in de maand, stond dan ook op scherp. Dirk had zin.
Dat Amsterdammers tolerant zijn is natuurlijk geleuter. Helemaal niet in 1894. Memish was daarom gewoon een hoogstverdachte oetlul, die strak in de gaten gehouden diende te worden.
Ondanks die controle haalde Memish, na een half uurtje worstelen, wél Dirk onderuit. Waarbij de slagersknecht maar met één schouder de grond raakte. Met een theatraal gebaar riep de scheids de Turkse vechter tot winnaar uit. Dan gebeuren spannende zaken. Het smeulende vonkje van opwinding, vooroordeel en chauvinisme dwarrelt in een vat buskruit. De afgeladen tribunes ontploft. 
In het licht van gaslantaarns en tussen wolken sigarenrook door was vanaf de tribunes duidelijk gezien dat Van den Berg niét met twee schouders de mat raakte wat reglementair staat voor ‘verloren’.
palijsvolksvlijtEn dat wordt niet gepikt. Hun Dirkie was bestolen. Vanaf de goedkope rangen stormen supporters van Dirk massaal de ring in.  Memish, niet van gisteren, nam onmiddellijk de vlucht naar zijn kleedkamer. Achternagezeten door het Mokumse grauw. Terwijl Memish via de achteruitgang van het Paleis weg was geslopen, wist Dirk van de Berg de brand bij zijn supporters te blussen. Een dag later vroeg  een journalist in de kolommen van de Courant zich vertwijfeld af of de scheidsrechters én de jury niet beter vervangen konden worden door iemand uit het publiek.

Foto’s: Dirk van de Berg. Het Paleis voor Volksvlijt. Bron: Stadsarchief Amsterdam, de Courant Nieuws van den Dag.

‘Je moet ze aan het boksen laten proeven’

De partijen waren aardig. Het decor schitterend. En het initiatief valt niet genoeg te roemen.  De prestigieuze Ben Bril Memorial, gehouden in Carré liet zien hoe het ooit was. Keren de tijden van boksgala’s in Krasnapolsky en het Zonnehuis weer terug? Is er nog toekomst voor  de, dit jaar, een eeuw bestaande boksbond? Of balanceert het Nederlandse boksen op de rand van de afgrond? Stuyfssportverhalen, aanwezig in Carré, sprak met de man die het weten kan.

‘Het was een leuke avond. Deed denken aan de jaren tachtig. Maar toen stonden er alleen maar Amsterdamse jongens in de ring. En dat waren geen programmavullers hè, maar de hoofdpartijen. En nu? Ze bellen wat rond en dan staan er een Braziliaan en wat Oostblokkers in het Carré.’ Voormalig boksnestor Ruud van der Linden ramt meteen de spijker op zijn kop. Legt de hand op de zere plek. ‘Het Amsterdamse boksen maar ook die van het land, ligt op zijn kont’, gaat Van der Linden verder.
‘Geld voor kleinere toernooien waar het talent vandaan moet komen, is er niet meer’, sombert de voormalige kampioenenmaker. ‘Om mijn boksers van boksschool Albert Cuijp wedstrijden te geven, huurde ik voor een prikkie het Zonnehuis. Tegenwoordig moet daarvoor duizenden euro’s voor worden opgehoest.  Terwijl bokspromotors de grootste moeite hebben om een redelijk programma financieel rond te krijgen, groeien bij de concurrentie, want kickboksen, de bomen nog steeds naar de hemel.
Niet alleen geldgebrek is de oorzaak, maar vooral gebrek aan doorstroming van talent. Ooit was de hoofdstad, maar ook Rotterdam, de bakermat van het boksen. Iedere buurt kende zijn eigen boksschool, met een onuitputtelijke aanwas van talent. De bron is opgedroogd. De kleine boksschooltjes, uniek in hun soort, zijn verdwenen.
´Klopt´, vult Van der Linden, nu bestuurslid van het rayon Noord-Holland aan. ´Wat je nu hebt zijn grote sportscholen waar weinig of niets vandaan komt. De weinige aanwas die je hebt moet je aan het boksen laten proeven. Ze moeten wedstrijden hebben. Wij hebben daar een beginnetje mee gemaakt.´ Van der Linden heeft het over de instuifwedstrijden op zondagmorgen gehouden in Purmerend, Den Helder en in Amsterdam. ´Die partijtjes zijn bedoeld voor nieuwelingen, en junioren. Ze mogen niet te hard slaan, dan wordt er ingegrepen door de scheidsrechter. Het succes is redelijk. Er zijn al veertien jongens doorgestroomd naar de diverse competities.´
Dan is er nog die ene vraag. Waarom floreert het kickboksen wel? ‘Boksen is een Olympische sport, gebonden aan allerlei regels. Dan moet je aan allerlei eisen voldoen zoals gediplomeerde trainers. Kickboksen is wat dat betreft niet georganiseerd. Iedereen kan zomaar zo’n schooltje beginnen.’

Foto 1: Vissen in de Goelag-Archipel. Van der Linden op uitnodiging van Russische boksvrienden in Siberië. Foto 2:  Boksteam Albert Cuijp, met rechts de latere Europees kampioen Pedro van Raamsdonk . 
Foto 4: Het kampioenschap van Amsterdam 1915, gehouden in café Oost-Indie in de Watergraafsmeer.

‘Ik heb nooit acht tellen gehad’

In zijn burgerkleding heeft hij het perfecte uiterlijk van een student. Zo’n jongen die je op kakkineuze roeiclubs tegenkomt. Hij is dan wél student maar voor de rest gaat de vergelijking niet op. In het rauwe, harde wereldje van het kickboksen is Hafid el Boustati een zeer gewaardeerd vechter.
Opeens was daar dat telefoontje! Er was een bokser geblesseerd geraakt, of  Hafid el Boustati zijn plaats kon innemen. Een week later, vrijwel onvoorbereid,  kon de zesdejaars student business management zijn vuistkunsten vertonen in theater Carré. In het Koninklijk theater aan de Amstel werd de Memorial Ben Bril gehouden, Nederlands meest prestigieuze bokstoernooi.
Jongens als Hafid, 24 jaar, staan altijd op scherp, kun je dag en nacht oproepen voor een gevecht, maar nu was er wél een probleem. Hafid el Boustati is kickbokser! En in Carré stonden alleen maar partijen op het programma waar ‘gewoon’ klassiek gebokst werd. ‘Ik was totaal onvoorbereid’, verteld hij. ‘Een week lang werd ik klaar gestoomd door trainers Martin Jansen en Mousid Akhamrane. Ik heb zo vaak in de ring gestaan dat ik niet nerveus was van de ambiance. Ik vocht in een andere gewichtsklasse. Mijn tegenstander was zes kilo zwaarder. Ik moest mer letterlijk invechten’. De rest is geschiedenis want in een uitverkocht, Carré was de partij Schouten versus El Boustati hét spektakel van de avond.
Voor een zinderende zaal vol kenners verloor Hafid nipt, maar deed dat wél groots, dapper en meeslepend. Hoewel er keihard gekleund en geslagen werd, viel, volgens de student, de hardheid van de partij mee. ‘De trainingen in de gym van Mousid zijn veel harder’, onthult El Boustati. In de boksschool van Mousid Akhamrane, ergens in de Indische Buurt, schijnt er iedere avond op het scherpst van de snede geknokt te worden. ‘Mousid heeft in de bokswereld een heel goede naam. Iedereen wil bij hem trainen. Hier lopen allemaal kampioenen rond, allemaal vechters. Als je daar mee spart willen ze je allemaal verrot slaan.’
El Boustati, een man van twee werelden, die van de boksring en de commerciële banken. ‘Ik heb stage gelopen bij Fortis én bij de Rabobank. Directies waarderen het dat ik zo gepassioneerd ben. In december ben ik klaar met mijn studie’. De houdbaarheidsdatum van bankmedewerkers is tientallen jaren maar voor kickboksers zéér beperkt. El Boustati wil na zijn afstuderen eerst kijken hoever hij in zijn sport kan komen. Een broodvechter noemt hij zich zelf, maar haast er bij te zeggen dat hij er niet van kan leven. Hij wil graag verder in zijn sport maar niet ten koste van alles.
‘Ze komen vaak met aanbiedingen, dat zijn tegenstanders die niks voorstellen. Maar dat wil ik niet. Ik vecht alleen tegen toppers. Ik heb achtenzestig gevechten achter de rug en maar zeven keer verloren. Ik vind het heel leuk om in de ring te staan, geef mij voor honderd procent. Heb nooit acht tellen rust van een scheidsrechter gekregen, maar toch is het héél moeilijk om er tussen de gevestigde orde te komen. Er zijn weinig vechtgala’s en de organisatoren, vaak boksschoolhouders, laten daar alleen maar hun eigen vechters toe.’ Zoals een oude man nooit zijn allereerste liefje vergeet, onthoud een bokser tot aan zijn dood, zijn eerste gevecht. ‘Na mijn eerste optreden werd ik wakker onder de douche. Ik was knock out gegaan. Dat was de eerste en de laatste keer. Als ik nu de ring inga ben ik klaar voor het gevecht.’
Het woord is gevallen: vechtgala’s! Volgens burgemeester Eberhardt van der Laan een broeinest van criminaliteit. Een oekaze die bij Mousid Gym als een bom insloeg. Jongens als een Hafid el Boustati voelen zich door Van der Laan  op het hart heeft getrapt.  Hoe kan hij, Hafid el Boustati, zesdejaars student nou crimineel zijn, vraagt de vuistvechter zich vertwijfeld af. Iedere dag gaat hij naar college, studeert, en in de uren die over blijven traint hij zich het schompes. Al zóu hij het criminele pad op willen dan heeft hij daar nog geen tijd voor.

Foto’s: Hilco Koke. Op de foto Hafid el Boustati met traier Mousid Akhamrade.

Maar de muziek was goed

Wereldwijd loopt de populariteit voor het  amateurboksen terug. Volgens de Internationale Boksbond allemaal de schuld van de dikke hoofdkap die de bokser moet beschermen tegen blessures of nog erger.  Want het publiek wil de bokser in zijn gezicht kunnen kijken,  zien waar de stoten aan komen, kijken of er angst dan wel moed uit zijn ogen spat. In een poging het tij te keren, besloot de internationale bond de kap af te schaffen. De Final Four, een bokstoernooi gehouden in Purmerend, had de wereldprimeur waarbij halfzwaargewicht Danny Smit absolute boksgeschiedenis schreef.
Razend was hij! Het liefst had hij de complete jury én de scheidsrechter een ‘linkse hoek’ willen verkopen. Voormalig bokser Peter Zwezerijnen (foto: links), honderddertig partijen gevochten en nu coach, voelde zich bestolen. Gelijk had hij. Een visueel gehandicapte kon zien dat Zwezerijnens pupil,  Scot Duncan, met een straatlengte voorsprong de partij tegen Robert van Nimwegen op zak had.
Maar zowel Zwezerijnen als Duncan maakte een kapitale fout. Want hoe luidt die ene ongeschreven boksregel ook alweer? Is dat niet dat als je tegenstander een lokale favoriet is, je deze voor minstens tien minuten  tegen het canvas moet rammen? ‘Puntendrukker’ Duncan vergat dat: een dure fout. Hoewel Purmerender Van Nimwegen een straatlengte achterstond, werd hij door scheidsrechter Cen Dunbar tot overwinnaar uitgeroepen.
Geschoren torso’s
Tot ongenoegen van een kolkende afgeladen zaal. En dat was pas de eerste partij, dat belooft nog wat, én het publiek gaat er nog maar even goed voor zitten. En de boksers? Die hebben er duidelijk zin. Met  afgetrainde, geschoren torso’s wordt  met een opvallende  gretigheid de ring ingeklommen. Voor het eerst in  lange tijden kunnen ze hun vuistkunsten weer vertonen voor een groot publiek.
Dat laatste waren de organisatoren niet meer gewend. Na jarenlang amateurwedstrijden te hebben gehouden in achteraf zaaltjes, voor een handjevol liefhebbers, waren pers én  toeschouwers  massaal komen opdagen voor de Final Four, waar veertien boksers om de hoofdprijs vochten. Aan entertainment is ook gedacht. Voor een verbijsterd publiek van geharde mannen klimt Peter-Jan Rens met zijn gitaar de ring in. De Grote Mijnheer Kaktus show kan beginnen.
Barre, donkere winter
Als eindelijk ringspeaker Jakhals Erik, bekend van DWDD, de partijen aankondigt,  staat elders  in het gebouw halfzwaargewicht Danny Smit (foto: rechts) te sparren met trainer  Raymond Joval.  Smit heeft er zin in. Na een lange, barre, donkere winter van trainen in de sportschool van Bert Kops staat de Amsterdammer op de poort van het beroepsboksen te kloppen.
Met ritmische dreunen slaat Smit op de handschoenen van de voormalige wereldkampioen. De bloedvaten staan wagenwijd open, de hartslag is ver boven de honderd en zweetdruppels vallen op de vloer.
‘Gevaarlijk zonder kap?’, echoot  hij tussen een serie schijnstoten door. ‘Ik ken mijn grenzen, ben nooit knock-out geweest en heb dertig gevechten gedaan. Samen met  Joval heb ik mij heel goed voorbereid. Maar welke sport is niet gevaarlijk? Kijk naar wat er met die rodelaar op de Spelen gebeurd is. Ik heb veel ervaring, ben vlug en sterk, heb een snelle linkse die ik goed weet te plaatsen’. Maar Smit  heeft óók zijn twijfels om zonder kap te vechten.  ‘Ik ben wel bang om voor een blessure aan mijn gezicht’, fluistert hij bezweet: wat een profetische uitspraak zal blijken te zijn.
Ophoesten
Danny Smit, 24 jaar, een geblokte Amsterdammer, houdt duidelijk van het gevecht, is gretig, staat als het even kan iedere dag in de ring, en heeft de droom om ooit K-1 vechter te worden, op wereldkampioen zwaargewicht na, het hoogste echelon in de vechtsporten.
‘Om prof te worden moet er geld zijn’, verklapt verzorgster Ilona Lenten. ‘Vijftienhonderd euro kost een gevecht. Zeshonderd voor Danny, evenveel voor de tegenstander en de rest gaat naar de bond’. Een bedrag dat in het betaalde voetbal verdiend wordt door de ballenjongen, maar dat Smit  niet kan ophoesten.
De warming-up zit erop. Smit, op een stoel, wordt door de voormalige wereldkampioen geestelijk voorbereid voor het gevecht. ‘Haleluja’ Joval fluistert geheimzinnige woordjes in Smits oor, smeert zijn gezicht in met vaseline en duwt het bitje in zijn mond. Danny Smit, sportinstructeur in de Baarsjes, staat er nu alleen voor, moet het nu zelf zien te rooien.
Een van de aardige bijzaken van het boksen is dat de pugilist van dienst zijn eigen muziek mag uitkiezen waarmee hij aangekondigd wordt.
Hollywoodmuziek
Wat muziekkeuze betreft had Smit op punten gewonnen.  Met bombastische Hollywoodmuziek komt de Amsterdammer ‘op’, klimt de ring in en het gevecht kan beginnen. Helpers weg, eerste ronde! Voor Smit dé kans om uit de betrekkelijke anonimiteit te komen. Het gaat een proeve van bekwaamheid worden om die felbegeerde profstatus te krijgen, katalysator hiervoor is tegenstander Andaman Daku, notabene een vriend van Smit.
Kopstoten
Kijkend, loerend achter zijn hoog gesloten dekking, wordt tegenstander  Daku bestookt, die niet van plan is zich af te laten slachten.  De eerste minuut worden  gekenmerkt door  bezwete lijven, trillende spieren, harde klappen  en koppen die tegen elkaar slaan. En na een minuut is  het opeens over!
Van de wenkbrauw van Smit druipt  traag een druppel bloed. Op medisch advies wordt het gevecht beëindigd. Een nachtmerrie voor een jonge aankomende bokser! Maandenlange training was voor niks, weg profcontact. Het leven voor een amateurbokser is hard en wreed. ‘Ik kreeg twee kopstoten’, vertelt Smit, eenzaam, en troosteloos  zittend in een groot trainingslokaal. ‘Ik had gemakkelijk door kunnen vechten want ik had er geen last van.’
Supporters komen af en aan kloppen hem zwijgend op de schouders. ‘Kut hé’, roept zijn trainer. Na minutenlang zwijgend voor zich uit gestaard te hebben, reageert Smit. ‘Maar de muziek was goed hè?’
Geplaats in Mug Mei 2010. Foto’s Hilco Koke

Als jullie nog niet op mijn boek “Flirt met de Dood’gestemd hebben…tot 21 april is dat mogelijk! http://nicoscheepmakerbeker.nl/index.php?module=boeken&s=lijst#WIELRENNEN

Voormalige dakloze knokt zich omhoog

Iedere dag traint hij zes uur, maand in maand uit. En dat zijn slopende sessies van hardlopen, slaan tegen bokszakken, en natuurlijk de onvermijdelijke sparringpartijen in de ring. Al die inspanningen, gezweet en geploeter waren niet voor niets: als profbokser is hij al  twintig keer ongeslagen.  Maar de nodige mentale hardheid werd niet gevormd in de boksschool maar op straat.  Als voormalig illegale dakloze heeft bokser Innocent niet alleen zijn plaatsje veroverd op de ranglijsten maar ook in de maatschappij.
Er was niks! Géén stromend water, géén elektra, géén school noch een ziekenhuis. Wat er wel was? Honger! Voor een beter leven verliet hij Nigeria en vertrok naar het naburige Gabon, wat ook niet opschoot want dat was terechtkomen in de spreekwoordelijke drup. Als verstekeling op een schip liet Innocent Afrika achter zich.
‘Ik wist niet eens wat de bestemming van dat schip was’, begint hij zijn levensverhaal. ‘Zonder reispapieren of documenten kwam ik aan in  Amerika. Als illegaal bega je daar een misdrijf en ik werd voor een jaar opgesloten in de gevangenis’. Hoe raar ook maar achter de tralies ontdekte hij iets dat zijn latere leven ingrijpend zou veranderen. ‘In de gevangenis zag ik op de televisie bokswedstrijden van Mike Tyson. Dat had ik nooit gezien, prachtig man. Dat wilde ik ook. Om sterker te worden begon ik met opdrukken. De hele dag door’. Gespierder maar nog even berooid werd hij een jaar later op het vliegtuig gezet. Op Schiphol werd hij achtergelaten, en aan de genade van de autoriteiten overgeleverd. Na twee maanden opsluiting werd Innocent de straat op geschopt. Wat zijn huis was? De hele stad! Als dakloze, zonder één cent, moest hij het zien te rooien.
‘Ik moest letterlijk overleven. In de Bijlmer kon ik wel eens in een kerk slapen, maar dat hield ook niet over. Ik vroeg iedereen om werk. In Nigeria was ik automonteur. Als ik een gulden had was ik heel blij’. Van vijftig gulden, verdiend met een reparatieklusje, kon de latere champ twee maanden leven, want een beetje rijst, dat  hij iedere dag at, kost niet veel. En toen kwam het keerpunt in zijn leven. En waar dat plaatsvond? Op de Albert Cuijp! Want daar bevindt zich de boksschool van gelijke naam, toentertijd  geleid door Ruud van de Linde. Innocent, dakloos, illegaal, mét een lege knorrende maag, liep gewoon naar binnen en vertelde dat hij bokser wilde worden.
‘Als jij dat wilt’, antwoordde Martin Jansen, de trainer van dienst, ‘dan leer ik jou dat’. En dat was het begin van een unieke samenwerking. ‘Martin maakte voor mij een trainingsprogramma. We trainden keihard. Dat was wel een rare tijd. Na de training sliep ik gewoon op straat of in die kerk. Via Martin kreeg ik wat geld en kon een kamer huren’.  Martin Jansen, in zijn vrije tijd bokstrainer, maar van beroep advocaat, begon structuur in het leven van de Nigeriaanse dakloze te brengen. Niet alleen maatschappelijk ontfermde Jansen zich over de supervedergewicht. Ook in de jungle van het boksen waar  Jansen ieder paadje weet, gidst hij zijn poulain overal door heen. Mede daardoor heeft Innocent tot nu toe de ‘boel’ heel kunnen houden. En  dat laatste komt ook op rekening van  dagelijks zes uur keiharde trainingen.
‘Mijn conditie is letterlijk van levensbelang. Ik ben prof, vecht vijf partijen per jaar en geloof me, die zijn héél zwaar. Dat zijn gevechten over twaalf ronden van drie minuten elk. Wat voor trainer Martin is? Ik kan geen betere hebben.  ’s Morgens om zes uur begin ik met een duurloop. Ik ben dan niet alleen. Martin is er dan bij. Ik zie hem meer als mijn grote broer dan als trainer. Ik heb nooit iemand gezien die zo goed is. Ondanks zijn drukke advocatenkantoor staat hij altijd klaar. De man is heel betrouwbaar. Afspraak is bij hem afspraak.’ Sinds de samenwerking tussen trainer en bokser stijgt niet alleen de  sportieve maar ook de maatschappelijke curvelijn van de voorheen dakloze illegaal. Als professioneel is Innocent, 28 jaar, al twintig partijen ongeslagen, is kampioen van dit land maar ook van de Benelux, en staat op de Afrikaanse rankinlist als derde genoteerd. Maatschappelijk heeft de 1,64 meter grote  en 58 kilo wegende pugilist ook geen klagen.
‘Ik heb een vriendin, ben vader geworden en heb ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ik ben een heel gelukkig mens.’ Zijn geluk en succes heeft de nu Amsterdamse vuistvechter niet alleen aan zijn trainer te danken. Er is volgens hem nog iemand die veel invloed op zijn leven heeft: God! Want zonder Hem zag het leven er iets anders uit. Innocent gaat uitleggen. ’Toen het minder ging vroeg ik mij altijd af of ik de enige was. Maar God had een plan met mij. Ik moest vol houden en dat heeft mij sterk gemaakt. Tussen de trainingen door studeer ik in de bijbel’.
In de bokswereld is Innocent een bekende verschijning. Tijdens de grote toernooien, zoals afgelopen maand in Carré, vormt hij de hoofdmoot. Alleen daarom al kent de gemiddelde Amsterdamse sportliefhebber hem. In de Bijlmer zal hij ongetwijfeld de grote held zijn, wat dus niet zo is. ‘Ik heb nooit contact met de Nigeriaanse gemeenschap gehad. Veel voormalige landgenoten kennen mij niet eens. Ik wil dolgraag dat ze naar mijn wedstrijden komen kijken.’
En als afsluiting nog even een paar stichtelijke woorden, want indachtig de woorden van Hem dat je je naaste lief moet hebben is Innocent een maatschappelijk project gestart. ‘Ik ben bezig met een stichting, _ be Innocent Foundation _ waar ik, naast het boksen, al mijn energie in stop. Want weet je wat nou dé rede was dat ik mijn land verliet? Waarom ik mijn leven op het spel zette?  Géén vers water, géén medische zorg en géén school! Deze drie basisvoorzieningen wil ik daarom realiseren in mijn geboortedorp. We hebben geografisch onderzoek gedaan en er is water waar je niet eens diep voor hoeft te boren. En als alles mee zit, komt dat  ziekenhuisje én dat schooltje er ook. Ik ben op zoek naar financiële steun. Iedere cent is welkom’.

Geplaatst: Mug, november 2009. Foto Bert Kops

Worstelen: zo zwaar als ballet

Kamran BakthiariAcademici trekken regelmatig het worstelpakje aan. Kamran Bakthiari, medisch analist, kan het weten. Hij is niet alleen worstelaar maar ook trainer/coach van een succesvol hoofdstedelijk team.

Een wetenschapper als worstelaar? Niet zo vreemd als je uit een land komt waar worstelen net zo populair is als schaatsen in Holland. Volgens de gewezen Iraniër is worstelen sport nummer één in zijn voormalige vaderland. In zijn geboortestad waren maar liefst zeven clubs te vinden. Noem het de macht van het getal, want op de Iranese worstelschooltjes barst het van het talent. Logisch dat het eerste Olympisch goud voor dat land door een worstelaar behaald werd.
Twintig jaar geleden besloot Bakthiari (43) Iran om te ruilen voor Amsterdam. In 1989 meldde hij zich aan bij de sportschool van Bert Kops. Met de kreet ‘iedere worstelaar uit Iran móet wel goed zijn’ werd hij door Kops met open armen ontvangen. Hoe hij het niveau vond? ,,Het peil was heel laag”, verklapt de academicus. ,,Voor mijn sport moet je over een heel goede techniek beschikken, maar ook kunnen knokken. Hier hadden ze wel knokkers maar de techniek was niet goed.”
Schrikken
Kamran Bakthiari bracht met zijn techniek meer schwung op de mat en droeg zijn kennis over. En bij Kops kreeg hij daar wat voor terug. ,,Ik sprak geen Nederlands. In het begin hoefde dat ook niet want iedereen communiceerde in het Engels met mij. Kops zag dat met lede ogen aan en verordineerde dat iedereen Nederlands met mij moest spreken. De taal had ik heel snel onder de knie.”
En wat hij aantrof in worstelend Amsterdam? Voor iemand afkomstig uit een cultuur van eeuwenoude vechtsporten was dat even schrikken en slikken. ,,Hier is worstelen een heel kleine sport, meer op hobbyniveau. Er zijn hooguit 250 worstelaars in Nederland. Amsterdam telt maar twee clubs. Wil je goed worden dan moet je iedere dag trainen. Mijn jongens hebben daar geen tijd voor. Als ik ze drie keer per week hier op de mat krijg dan mag ik mijn handen dicht knijpen. Ik moet ze constant bellen of ze komen.”
Wie geen training overslaat is Melvin Witteveen, een voormalig Nederlands kampioen. Witteveen heeft ‘wat’ met Kamran Bakthiari. ,,Kamran heeft mij leren worstelen”, vertelt de onderwijzer aan een Amsterdamse basisschool. ,,Wat zijn sterkste punten zijn? Als coach is hij onovertrefbaar”, steekt Witteveen een veer in het achterste van Bakthiari. ,,Als leraar kijk ik zelf heel kritisch naar iemands pedagogische kwaliteiten, maar hij is echt heel goed. Bij wedstrijden weet hij mijn tegenstanders goed in te schatten, wat hun kwaliteiten en beperkingen zijn. Hij is een coach die wars is van schreeuwen. Hij weet precies wat hij wel en niet moet zeggen. Als ik de mat op ga voor een gevecht dan moet ik eerst weten waar hij zit. In de hectiek hou ik zijn aanwijzingen altijd goed in de gaten.”
Kamran Bakthiari’s jongens behoren tot de beste van dit land. Meerdere keren werd de nationale titel meegenomen naar de Weesperzijde. Maar niet vorige maand! Bakthiari kan daar nóg beroerd van worden.
Domme kracht
,,We vochten in Dordrecht voor het kampioenschap van Nederland. We waren favoriet en gingen met veel supporters daar naar toe. Hoewel we favoriet waren had ik twee worstelaars met een blessure en één was te zwaar voor zijn gewichtklasse. De thuiswedstrijd in Amsterdam hadden wij met elf punten gewonnen. Maar in de finale moesten we het met maar twee punten verschil afleggen.”
Terug naar de Weesperzijde met de vraag of worstelen toch niet een combinatie van trekken, plukken én een beetje domme kracht is? ,,Nee natuurlijk niet”, reageert hij geprikkeld. ,,Worstelen is één van de moeilijkste sporten. Fysiek en mentaal moet je heel sterk zijn. Het is een heel technische sport. Je mag niet wurgen, iemand pijn doen of aan een gewricht trekken. Er zijn twee vechtstijlen, het Grieks-Romeins en de vrije stijl. Het is heel moeilijk om van het ene naar het andere over te stappen.” Hoewel de worstelsport eeuwenoud is en strak staat van tradities kan je die kerels niet meer in hun blote lijf laten vechten, zoals dat in het Griekenland van voor de geboorte van de Heer gebeurde. Maar dat lullige pakje schreeuwt om veranderingen.
Eeuwige roem
,,Ik weet ook wel dat dat worstelpakje een beetje oubollig is”, weerlegt hij handig. ,,Maar dat zogenaamde zwempakje wordt nu ook gebruikt in de atletiek, triathlon en gewichtheffen. Het is voor onze sport heel functioneel.”
Even lekker kleunen tijdens een worstelwedstrijd, met je verstand op nul, is er volgens de voormalige Iraniër niet bij.
,,In andere vechtsporten, zoals kickboksen, is het veel makkelijker om aan de top te komen. In onze sport niet, daar wordt alles van je lichaam gevergd. Worstelen kan je op één lijn zetten met turnen en ballet. Dat duurt ook jaren voor je dat beheerst.”
Worstelaars mogen dan door de eeuwen heen over aanzien beschikken, rijk wordt je er ieder geval niet van. Dat was al tijdens de antieke Griekse Spelen zo. Daar ging je naar huis met eeuwige roem én een lauwerkrans. En dat is nog steeds niet veranderd. Althans in Nederland niet.
AMC
,,Het is hier een heel arme sport. In Amsterdam lopen er genoeg goede worstelaars rond. Vooral jongens uit het voormalige Oostblok. Die hebben het idee dat er op onze sportschool flink geld voor ze betaald wordt. Maar dat is er niet, daar is het een veel te kleine sport voor. Ze komen een paar keer en dan zien we ze niet meer.”
Kamran Bakthiari brengt niet alleen de techniek van het worstelen over, maar houdt zich ook bezig met wetenschap. Binnen enkele maanden hoopt de worstelcoach te promoveren op het onderwerp ‘stolling van het menselijk bloed’. Of ze bij het AMC ook zo blij zijn met zijn sportactiviteiten valt te betwijfelen.
,,Mijn baas is ook mijn promovendus en die maakt een beetje bezwaar dat ik zoeel tijd steek in mijn sport. Maar ontspanning is ook heel goed voor mijn studie”, verdedigt hij zich. Volgens Bakthiari zit worstelen in je bloed, om maar even bij zijn vakgebied te blijven. En als dat zo is, dan maakt afkomst en opleiding niets uit.
,,Ik ben niet de enige worstelaar op universitair niveau. Ik ken verschillende artsen, advocaten, chirurgen en een patholoog die aan deze sport doen.”

Geplaatst: Mug april 2009.  Foto: Hilco Koke

‘Mijn slagkracht moet groter worden’

fotohammie92

 Zijn geheime wapen? Benen met een lengte waar geen eind aan komt. Er lopen drie kickboksers rond die ooit het dubieuze genoegen hadden daar kennis mee te maken. Voor dat het trio dáár erg in had werden ze door die stelten knock out geschopt. Ging ineens het licht uit. Want even tevoren kwam één van die fameuze rechtse ‘highkicks’ van Hamza Rouki op de juiste plaats van bestemming aan.

Of Rouki medelijden met zijn tegenstanders had? Natuurlijk niet! Waanzinnige opluchting, dát is wat hij voelde. ‘Ringkoorts’ maakte plaats voor dat heerlijke gevoel van ontspanning en euforie dat het gevecht in zijn voordeel is beslist. Vechtlust en moed heeft de handelsstudent aan het ROC genoeg. Fysiek en techniek komt hij tekort.

Het is snel gegaan met het lichaam van  Hamza Rouki, 20 jaar. In een jaar tijd groeide hij een tiental centimeters wat voor zijn beenlengte mooi meegenomen was. Maar zo’n groeispurt gaat wel ten koste van spierkracht.

‘Mijn spieren zijn nog slap. Ik doe heel veel aan krachttraining. Ook mijn slagkracht moet sterker worden. Mijn stoten zijn niet hard genoeg. Ik train nu veel op bokstechniek. Ook mis ik agressie. Voor een gevecht moet je jezelf boos maken maar dat lukt mij niet zo goed’ Voor de a-klasse wordt hij voorzichtig’ gebracht’. Trainer Mousid Akhamrane is zuinig op zijn talent. Dit jaar heeft hij maar vijf gevechten gehad, waarbij strak gekeken wordt dat Rouki niet té veel klappen krijgt.  Om zo’n jongen in de hoogste categorie  uit te laten komen is volgens Mousid bloedlink In de a-klasse krijgt hij geen ‘koekies’ als tegenstanders maar kerels gestaald in tientallen zware gevechten.

Hamza Rouki, die vijf jaar aan kickboksen doet, zit nog in het opleidingstraject. Gehard wordt hij wel in de trainingen waar hij tegen jongens staat als Fikri Tijarti, een professionele Thaibokser. De vechters van Mousid’s boksschool zijn gewild, geven altijd waar voor hun geld. De boksers uit de Balistraat worden overal gevraagd. Iedere organisator wil ze op het programma hebben. Als tegenprestatie verlangt de trainer ook ruimte voor zijn jonge aankomende talenten.

Ook voor Hamza Rouki, die, uitkomende in de b-klasse,   vierentwintig gevechten op zijn conduitestaat heeft staan, waarvan  zeven verloren en drie onbeslist.  Rouki, 1.87 meter lang en zeventig kilo aan spieren en botten voelt zich een topsporter en geen vechter. ‘Niet alleen mijn opleiding aan het ROC is belangrijk maar ook de boksschool. Ik train iedere dag. Als je tien jaar de kickboksschool doorlopen heb sta je sterker in de maatschappij. Je leert hier veel discipline. Dan laat je je echt niet meer gek maken door andere’.

Alleen halfgare ouders vinden het niet erg dat hun zoon klappen krijgt maar als je van je kind houd vind je dat vreselijk. Ook de ouders van Rouki hadden moeite met de kickboksaspiraties van hun zoon. Vader en moeder Rouki stonden in het begin niet te springen van enthousiasme. Maar na een gesprek met Mousid Akhamrane zijn ze helemaal ‘om’. ‘Mijn ouders hebben geen sportachtergrond’ verteld Hamza, vlak na een training. ‘Geen ouder vindt het leuk om te zien dat hun kind klappen krijgt. Voor die mensen was het gewoon vechten. Maar ze wisten niet dat bij het kickboksen veel regels gehanteerd wordt. Wat dat betreft lopen voetballers meer blessures op. Ze zien ook dat ik veel train, dat ik thuis veel rustiger en gedisciplineerder geworden ben. Als ik nu een partij vecht gaat mijn vader altijd mee’.

Voor zijn laatste  partij hoeftde vader Rouki de buurt niet uit. Afgelopen juni vond  in sporthal Zeeburg een groot vechtgala plaats. Aardige bijkomstigheid was dat het kickboksfeest georganiseerd werd  door de jongens zelf die de buurt willen laten zien waar ze mee bezig zijn. Volgens Mousid Akhamrane was het een project om de jongens te leren om iets te organiseren waarbij Akhamrane de hoofdlijnen uitzette. Voor Hamza Rouki was het een memorabele avond.  Niet alleen vocht hij in één van de hoofdpartijen, staat voor het eerst in zijn carrière prijkt zijn foto op de reclameposters, maar komt ook de complete familie kijken. ‘Mijn moeder en zusjes hadden mij nooit in de ring in actie gezien. Omdat het gala in de buurt was waren  ze allemaal komen kijken. Vooral mijn zusjes maken zich behoorlijk zenuwachtig. Ze waren  bang dat ik klappen ging krijgen. Natuurlijk kreeg ik die maar ik wist ook heel zeker dat ik die partij ging winnen.’ Hamza’s tegenstander was  Glenn Groen  een ras-amsterdammer en een taaie vechter. En voor hem sond nog een kleine rekening open. Zijn laatste gevecht verloor hij tegen Hamza Rouki. Tegen Groen vocht Hamza ‘achteruit’, want defensief, maar bleef daarbij goed kijken en loeren op zijn kans. Die kwam en met een bloedende snee in zijn wenkbrauw moest Glenn het gevecht staken.

‘Groen is een dapper tegenstander en een goede vechter,’ prijst Rouki zijn tegenstander de hemel in. ‘Maar ik was niet bang voor hem. Het was  een hard gevecht. Die jongen was  gebrand op een revanche. Ik ging winnen,’ vertelt Rouki met een blik die geen tegenspraak duldt. 

Geplaatst: Mug,  Juni 2008. Foto: Hilco Koke