Zo was het, zo is het, en zo zal het altijd blijven

Ze staan te wachten. Urenlang. In de brandende zon, petten op het hoofd, en gehuld in interlockjes. Op een smal stoffig geitenpad, als een kerf uitgesneden in een decor van de sinistere Pyreneeën. En opeens is hij daar. Een siddering gaat door honderden mannen als Salvador Cardona, een Spaanse klimvlieg, opdoemt uit een bocht. Salvador Cardona, gezegend zij zijn naam, althans bij de honderden Spaanse supporters. Held van de dag. Dansend over onverharde grintpaden van de Tourmalet, ijle zuurstof happend, op weg naar die pokkentop. Dwars tussen de opdringende en meerennende hordes. Voor Salvador maakte dat geen reet uit. Als je aan hem had verteld over de Tour 2016 met de ‘heisa’ op de Ventoux, waarin renners, volgers en pers, met selectieve verontwaardiging, vol op het ‘jankorgel’ ging, had hij dat niet gelooft. Terecht, want de Tour in het hooggebergte is het domein voor het volk. Zo was het, zo is het, en zo zal dat hopelijk altijd blijven.
Terug naar Ronde van Frankrijk editie 1929, met de etappe Bayon-Luchon over 363 kilometer met onder meer de Aubisque en de genoemde Tourmalet. Wat Salvadors enige Walhalla werd. Sally, knecht in de Elvish-Wolberformatie met kopman Victor Fontan. De laatste was dé onbetwiste le Roi de la Montagne in het interbellum. Fontan, afkomstig uit Pau, had één grote makke: met zijn zevenendertig jaar was hij ver over de houdbaarheidsdatum. De koning onder de grimpeurs nam zijn voorzorgsmaatregel: Salvador Cardona werd als klimknecht ingelijfd. Goede beslissing. Aan zijn achterwiel gekleefd sleepte Cardona zijn meester omhoog. Spijt moet de ouwe Fontan nooit hebben gehad. Fontan en Cardona. Als Don Quichot en Sancho Panza strijdend tegen die teringbergen.
Na ruim zestien lange en slopende uren, en negen minuten voorsprong op nummer drie, bezorgde Cardona zijn kopman de gele trui. Als dank voor bewezen diensten mocht de hondstrouwe Salvador de etappe winnen.
Dat Salvador Cardona, met op zijn conduitestaat onder meer vijf deelnames aan de Tour de France, op 9 juli aan die ene dag in 1929 dacht is zeker. Salvador vertrok op vierentachtigjarige leeftijd van dit ondermaanse.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1929.

Albert en de langste ontsnapping ooit

Een avonturier. Lid van de gestaalde kaders.  Strijder tegen onrecht. Organisator van stakingen. Maar óók profwielrenner. Een wonderlijke en onmogelijke combinatie. Albert Bourlon, communist, én coureur, als een vuurrode roos in een papensport als wielrennen bij uitstek. Of Bourlon, bij aanvang van het wielerseizoen zijn fiets door de lokale pastoor liet zegenen? Vast niet. Goddelijke instraling had de man niet nodig. Hij geloofde in de beginselen van Lenin. En in zijn eigen kunnen! Ook op 11 juni 1947. De veertiende etappe Carcassonne-Luchon, 253 kilometer met als obstakel de col Portet d’Aspet, een kuitenbreker van zestienhonderd meter.
Over de Heer gesproken. God, moet een ware wielerliefhebber zijn, want die zegende de greep van Albert.  De laatste smeerde hem namelijk direct na de start. Om zich acht uur later als eerste te melden in Luchon. Albert, 31 jaar, in zijn uppie over de Portet, harkte  die dag ook alle premies, want honderdduizend frank,  binnen. Geld afkomstig van  die door hem verachte, en verdomde bourgeoisie, vermomd als sponsors. Naar goed communistisch gebruik heeft hij de buit ongetwijfeld eerlijk verdeeld onder zijn ploeggenoten.
Die koersende rooie rakker eiste met zijn solo ook zijn plekje op in de Tourgeschiedenis. Het was de langste ontsnapping ooit. Voor Albert Bourlon waren inspanningen in de veertiende etappe  hoogstwaarschijnlijk een aardig uitstapje. Een vliegenpoepje op zijn avontuurlijke conduitestaat. Dat laatste had niks met De Koers te maken. Zijn grootste prestaties leverde de man afkomstig uit midden-Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Krijgsgevangen genomen, én  als actief lid van de Franse communistische partij, verdween  Albert in een Duits krijgsgevangenenkamp. Waar de poort sinister achter hem dichtsloeg.
De vrijen van geest laten zich niet dwingen.  Na vier mislukte pogingen ontsnapte Albert. Via Roemenië waar hij aan hardloopwedstrijden meedeed, kwam hij thuis.  Na zijn succesvolle seizoen 1947, werd Bourlon wegens zijn politieke opvattingen niet meer opgenomen in wat voor Tourploeg dan ook.
Uiteindelijk nam de onbetwiste held van de veertiende etappe  wraak op het kleingeestige, burgerlijke, Roomse establishment door op zesennegentigjarige leeftijd, en nog scherp van geest, zijn laatste adem uit te blazen. Als eerbetoon werd de wielerbaan in zijn thuisstad Bourges naar hem vernoemd.

 

Bron: Miroir Sprint jaargang 1947.

 

Met de zegen van Sint Réparate

De hel van het Noorden. Kasseien. Een ballenkraker bij uitstek. Slecht voor de eventuele latere kinderbijslag. Maar wél goed voor eeuwige roem. Zeker voor Pierre Molineris, renner ‘om den stokbroden’ en afkomstig uit Nice. Pierre dus, 32 jaar, bij  wie de eeuwige pech aan zijn afgetrainde kont hing. Maar niet tijdens de vierde etappe, Tour 1952,  Rouen-Roubaix, over tweehonderddertig  kilometer.  Pierre, uitkomend voor de Franse zuid-oostploeg. Een regionaal ploegje met obscure renners als Canavese, Vitetta, Bianchi en meer coureurs  met Italiaanse roots, krijgt het in de Hel  op zijn schonkige heupen. Met de zegen van Sint Réparate, schutspatroon van Nice,  lanceert  Pierre zijn ultieme demarrage.  En mocht de,  door Sint Réparate ingestraalde jump geen effect hebben, dan  doet een tabletje  pervitine wél wonderen.  Over dat laatste doen wij niet zó moeilijk. Het is wél 1952 hé…
Terug naar de Hel.  Waar Pierre, met zijn neus tussen de remkabels, open mond, en een horizontale rug waar een fles Pernoud op kan staan, solliciteert naar zijn plekje in de Tourgeschiedenis. Met schuim op de lippen, en twee minuten voorsprong op Jean Dotto,  komt de man uit Nice de wielerbaan van Roubaix opgestoven.  Ongetwijfeld moet hij gedacht hebben aan de ronde van Lombardije 1949. Waar hij diep in de finale, tijdens de klim op de Ghisallo, alleen de almachtige campionissimo Coppi hem kon volgen. God-nog-an-toe, daar breekt Pierre’s wiel. Enfin, voor Pierre wordt het een paar jaar later nog véél erger. Tijdens dezelfde ronde van Lombardije bij het solo oprijden van de Vigorellibaan mét finish in zicht, wordt hij bewust de verkeerde kant op gestuurd. Zijn twee achtervolgers niet. Maar dat waren dan ook  Italianen.
Daar is Pierre Molineris op de wielerbaan van Roubaix nog onwetend van. Waar hij zich even later euforisch laat huldigen voor wat later blijkt zijn enige etappeoverwinning in de ronde van Frankrijk. Pierre Molineris, dertien jaar prof, reed zeven keer de Tour, wat geen slijtage op zijn lijf bracht, want de Zuid-Franse profrenner, vertrok op negenentachtig jarige leeftijd naar een betere wereld.

 

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1952.

 

 

De loze belofte aan Pierre

‘Hoe ouder hij wordt, hoe sneller hij was’.  Een treffend  maar dodelijk Indiaans spreekwoord. Want niets vervelender dan zo’n ouwe rukker die zit te snoeven over zijn vroegere sportdaden. Dát  gaat niet op voor Pierre Cogan. De arme Pierre had niks om over op te scheppen. Terwijl hij ooit een favoriet was voor een Tourzege. Dat niet doorging. Hoe frustrerend wil je het hebben? In plaats dáárvan zat Pierre zijn lange leven  met die ene vertwijfelde vraag: als… Als hij niet was opgeroepen voor militaire dienst. Als, die klotenmof Frankrijk niet de oorlog had verklaard. Als, als… Pierre Cogan had alle redenen voor zijn twijfels. 
Cogan, beroepsrenner afkomstig uit Bretagne, beheerste namelijk iets waarvoor een gemiddelde renner bereid is om één van zijn vingers af te laten hakken: een snoeiharde tijdrit.  Maar hij kon ook als een vlinder tegen de cols op fladderen. Voor een potentiële Tourwinnaar altijd fijn.  Pierre, in 1935 op eenentwintigjarige leeftijd debuterend in de Franse rondrit. Een opwarmertje. Een jaar later volgde de herhaling, maar dan als knecht voor kopman Archambaud. Met de belofte dat Pierre’s tijd nog wél kwam.
Even vertellen over Pier Cogans heldendaden tijdens de Tour van 1936. Die zich afspeelde in de anonimiteit en schaduw van zijn kopman. Maar toch… Op wat toeschouwers na én een fotograaf van Le Miroir des Sports, was niemand getuige hoe tijdens de etappe  Grenoble-Briancon hij, Pierre, lulletje rozenwater afkomstig uit Bretagne de almachtige Archaumbaud, gehuld in de gele trui, de col Bayard  over sleurde. Archaumbaud, een vedette, kon amper het wiel van zijn knecht houden.
Dan is het een jaar later. Cogan in supervorm wint de Grand Prix des Nations, het officiële wereldkampioenschap tijdrijden over honderdveertig kilometer. Niets stond in de weg voor zijn eerste Tourzege.
Niets? Wél de minister van Oorlog! Mobilisatie. Moederland Frankrijk loert  angstig naar de oorlogszuchtige oosterbuur. Enfin, Cogan opgeroepen voor militairendienst kon twee jaar lang zijn land verdedigen.
Uiteindelijk moest de Breton nog twaalf jaar wachten voor hij, in 1947, weer aan het vertrek van le Grande Boucle stond: met een twaalfde in het eindklassement. Pierre Cogan, oersterke kerel,  zeven keer aan de start  in Parijs, reed bij elkaar honderdvijftig etappes, en won niet één daarvan.  Dat Pierre, taai was als oud hondenleer,  bewees hij veel later. De man, scherp van geest tot aan zijn laatste adem, werd, op een paar dagen na, bijna negenennegentig jaar.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1936.

De held van Le Châtre

 

‘Weinig drinken jongen, dat is slecht voor de benen’, had ploegleider Marcel Bidot hem nog toevertrouwd. Indachtig de woorden van Bidot, plaatste hij zijn ultieme demarrage. Met een verzengende zon in de nek, een tong als een gemummificeerde muis, én kristalliserende nieren, trok hij op avontuur. Voor medelijden is geen plaats. Renners dienen  nou eenmaal te lijden, want in  het  zweet des aanschijn zult gij Uw kloten er af rijden. Of hij schroeiplekken in zijn ‘kruis’ had?  Dat zal Marcel Dussault  die donderdag 30 juni 1949 een rotzorg zijn geweest.
Parijs-Reims, de aftrap van de Tour, als de brave en piepjonge poulain van Bidot  het op zijn heupen krijgt. Opgejut door een roeptoeterende ploegleider raast Dussault door. Nog twintig kilometer te gaan. Dertig seconden voorsprong, en elegant op  zijn Stellafiets zittend, is de stylist bezig met wat een mijlpaal in zijn lange leven gaat worden. Zijn ultieme sportmoment. Marcel Dussault, jongen afkomstig uit La Châtre,  departement Indre, en uitkomend voor de regionale équipe Centre-Sud-Ouest, wint de etappe. (Voor de statisticineuroten onder ons: in een tijd van vijf uur met een gemiddelde van 34 kilometer.) Met als bonus de gele trui! Weliswaar voor één dag maar toch… Dat  Marcel op slag dé held van zijn streek werd, daarover straks meer.
Dussault in 1949, winnaar van zes grote koersen waaronder Parijs-Bourges, was geen toevallige voorbijganger. In drie latere edities van de Tour kan hij nog twee keer de bloemen ophalen.  Marcel Dussault, twaalf jaar profrenner, en gestopt in 1959, blijkt  een ware liefhebber van de koersfiets te zijn. Tot op hoge leeftijd trainde hij rondom La Châtre zijn dagelijkse rondje. Tot die fatale dag in 2004. De oude Tourheld wordt aangereden door een auto. Hersteld van twee gebroken ribben en een hersenschudding, hangt de oude strijder voor altijd zijn koersfiets aan de haak. Marcel Dussault, 88 jaar, was de enige renner afkomstig uit het departement Indre die ooit een gele trui won. Dat maakte hem, tot zijn dood in 2014, tot  dé  absolute streekheld.

 

 

Bron: Miroir Sprint jaargang 1949, en de site La Nouvelle République.

Ontwaakt gij verworpenen der wieleraarde!

Een geslaagde voorjaarscampagne. Het lijf scherp. De geest vol moraal. Met een overwinning in het prestigieuze Circuit d ‘L ‘Indre vertrok hij zelfverzekerd naar Parijs. Voor Eloi Tassin mocht de Tour de France, editie 1939, een aanvang nemen. Eloi, een jaar eerder zijn debuut, wist wat hem te wachten stond. Tassin, jongen afkomstig uit Pays de La Loire, achtte zich niet kansloos voor etappewinst. In La France was hij toch al eerder vijf keer in een etappe bij de eerste tien geëindigd? Dát bedoelde hij. Eloi geen man van de natte dromen. De tweede etappe richting Rennes sloeg hij namelijk toe. Voor Tassin was deze Tour een binnenkomer. In tien etappes zag hij zijn naam terug bij de eerste tien. Voor Eloi kon de oogsttijd een jaar later beginnen.
Wat niet doorging. Met dank aan de Pantsereenheden van General Guderian. De Mof was Frankrijk binnen geraasd. De ‘koers’ én de Ronde van Frankrijk lagen op hun kont. Oogsttijd werd oorlogstijd. En Eloi Tassin? De man naderde met angstige snelheid de drie kruisjes. Het lichamelijke verval was begonnen. Gefrustreerd tot het bot kon hij wachten. Zes jaar lang. Dan is het eindelijk 1945. Jaar van grote dromen. En toekomstverwachtingen. Leve De Koers. Ook voor Eloi Tassin. Die demonstreerde dat hij nog lang niet versleten was. Zes overwinningen nam hij meer naar Pays de la Loire waaronder het nationale kampioenschap op de weg en de Grand Prix des Nations. Maar dát was kattenpis. Althans in de ogen van een Franse renner. Want daar draait het maar om één ding… Enfin, 1947! De eerste naoorlogse Tour. Met Tassin en anderen verworpenen der wieleraarde aan het vertrek. Tassin ging geschiedenis maken. Weliswaar klein, maar toch… Acht jaar na zijn eerste zege in de Tour de France, won hij de etappe Bordeaux-Sables-d ‘Ollonne over 272 kilometer.
Eloi Tassin, zestien jaar profrenner, stierf in 1977, vijfenzestig jaar oud. Hoewel ‘maar’ twee etappeoverwinningen in de Ronde van Frankrijk, is de man niet vergeten. In 2012, op zijn honderdste geboortedag ging op het Plateau des Fêtes de cyclosportief ‘Eloi Tassin’ een tourtocht van start. Inmiddels al voor de vierde keer verreden.

 

Bron: But Club jaargang 1947.

Giovanni kreeg de vrije hand

corrieontsnap2Ogen, zwart en gloeiend als de vulkaan de Etna. Een haviksblik. Geboren en getogen op Sicilië. Eiland bevolkt met mannen van eer: haatdragend en niet altijd even goed snik. Opgegroeid in de wereld van Don Corleone, waar conflicten werden beslecht met de Lupo, een fijn in de hand liggend jachtgeweer.  De kneepjes van de omerta zaten ‘snor’, en de  mores van Sicilië was er goed in gestampt. Wat dat zoal met een adolescent doet? Vul dat zelf maar in. Dat zoiets beklijft is zeker. Giovanni Corrieri, Siciliaan tot in de nerven van z’n ziel en opgegroeid in de achterbuurten van Messina. Ondanks dát  liet Giovanni op  twintigjarige leeftijd voorgoed zijn  geliefde eiland achter zich om voor een schamel contractje bij Gloria, een fietsfabriek in Noord-Italie, zijn geluk te vinden. 
Giovanni Corrieri, tjokvol ambitie, maar ook een pragmaticus. Zo één die lijf,  én zweet zonder scrupules verkocht aan kopman, Gino Bartali. De ragazzo afkomstig uit Messina werd de ultieme gregario, die voor zijn broertjes en zusjes de lires bijeenschraapte.
Gino Bartali, God himselve koersend op een Legnanofiets, was wél zo slim om zijn trouwe knecht regelmatig wat kruimels te gunnen. Van die dagen dat Giovanni de vrije hand kreeg.
corrieribloemZoals tijdens de Tour editie 1950. Vijfde etappe Rouen-Dinard 316 kilometer. Waarin vijfentwintig kilometer voor het eind Corrieri samen met René Desbats ontsnapte. Op de finishstreep werd  Desbats vakkundig, met een ‘poeshaartje’ verschil, geklopt.  
Giovanni Corrieri, meesterknecht, één van de belangrijkste helpers in de Tourzege van Bartali in 1948. Gedenkwaardige Tour waarin Giovanni zelf twee etappes wist te winnen.
Het feodale leven van een Italiaanse gregario was zwaar. Tijdens de koers, maar ook daar buiten. Ziel en zaligheid, alles voor de kopman.  Ook in de hotels. De Siciliaanse knecht,  vaste kamergenoot van Gino Bartali, wat geen pretje moet zijn geweest. De mysticus Gino, een godvrezend mens, trouw volgeling van Rome met de bijnaam De Vrome. Klaar ben je. Na de massage wél even op de knieën, om samen met de kopman, de capo di tutto hier boven,  even te danken voor de dag. Dat er geslapen werd met de handen boven de dekens, dat spreekt.
Uiteindelijk heeft het Corrieri geen slecht gedaan. Op vijfennegentigjarige leeftijd is de Siciliaanse supergregario, stram van lijf, maar scherp van geest, nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1950.