‘Met een kont voor je meeglijden, dat is een misverstand’

Charly LandmanTwee volle studies, een baan van zestien uur per week, en dan ook nog eens mee kunnen komen in één van de zwaarste schaatscompetities ter wereld! Fysiek gesproken onmogelijk. Maar als je strikt op de agenda leeft, woekert met tijd en geld, je sociale leven op een laag pitje zet, is dat volgens marathonschaatser Charly Landman best te doen.

Laat het even duidelijk zijn: Charly Landman is marathonschaatser! En hij zal het nooit in zijn hoofd halen om het langebaanschaatsen te beoefenen. Dat is meer voor dwangneuroten die hun leven laten bepalen  door de stopwatch! En we als we niet begrijpen wat Landman bedoeld moeten we, volgens hem,  maar eens een kijkje nemen in de kleedkamer tijdens een langebaantoernooi. Die strakke koppen alsof je  in een aula bent beland.

Volgens Landman komt dat door de stres want één misslag en je toernooi is over en uit. Nee dan de kleedkamer bij de marathonkoersen. Lachen man! Tenminste, als je de pijn op de koop toe neemt. Want we moeten ook weer niet denken dat schaatsen tegen en met de marathontop  louter dikke pret is.

Studie en werk

Als je het beoefent zoals Charly Landman dan moet je daar wel van bezeten zijn. Alleen al om je lijf te harden  en te laten wennen aan die hoge snelheden daar moet iedere dag urenlang voor getraind worden. Dat noemen ze  dan ‘topsport bedrijven’, en daarin is  geen plaats voor  studie en werk.   Landman, 23 jaar en student filmwetenschappen, beaamt dat. ‘Als ik niet zou werken en studeren zou ik sneller de top kun halen. Maar ik kan mij dat niet veroorloven. Mijn studie is ook héél belangrijk. Ik heb een klein contractje bij een ploeg, heb studiefinanciering, woon bij mijn vader, en hoef geen huur te betalen. Naast het trainen en studeren moet ik ook zestien uur per week werken om de financiële gaten te vullen.’

;”>Zo, het maatschappelijke geleuter hebben we gehad, en nou gaan we lekker over het marathonschaatsen hebben. Bijvoorbeeld hoe Landman zijn debuut op het hoogste niveau ervaren heeft!  

Ik had twee jaar bij de b-rijders gereden en dat is toch meer recreatief . Twee jaar geleden  kreeg ik een contractje bij een a-ploeg en maakte mijn debuut in de ere-divisie  van het marathonschaatsen. Tijdens mijn eerste wedstrijd vloog ik er direct af. Man, die snelheden, daar schrok ik van. Dat was ik niet gewend. Voor mij was het een kwestie van overleven. Je leert om tegen de pijn te vechten. Het is een heel proces dat je aflegt.  Gemiddeld rijden a-rijders een koers zes minuten sneller dan de b-klasse. Vorig seizoen begon ik eindelijk kleine prijzen te rijden. Ik eindigde regelmatig tussen de twintigste en veertigste plaats. Niet wereldschokkend, maar het begin is er.’

Filmwetenschappen

Charly Landman is realist genoeg om te weten dat hij trainingstijd tekort komt. Want als de student fimwetenschappen mee wil doen om de hoofdprijzen moet hij  niet alleen meer  trainen maar ook rusten. Kortom het woordje ‘tijd’ is  gevallen. En daar zit hem nou nét de kneep.

Conditie krijg je niet op het ijs,’ onthult hij. ‘Marthonschaatsen dat is veel fietsen. Iedere dag meer dan honderd kilometer. Daar heb ik geen tijd voor maar heb dat op een creatieve manier opgelost. Voor dat ik ’s morgens naar school ga fiets ik nog een paar uurtjes. Ik train ook veel op de atletiekbaan. Om mijn beenspieren te trainen maak ik daar schaatssprongen. Dinsdagavond doe ik aan shorttrack maar dat is voor de handigheid. Ik klaag niet maar soms is het een slopend bestaan. De wedstrijden zijn door het hele land heen. Diep in de nacht kom ik dan thuis. Je moet er zin in hebben maar dat is wat ik leuk vind.’

SBS6

Voor dat Landman verder gaat vertellen even een open deur intrappen: marathonschaatsen is in dit land een vorm van religie want mateloos populair. SBS6 is dat niet ontgaan en zendt wekelijks, live, een koers uit. Vanuit de luie stoel met een pot bier onder handbereik lijkt zo’n wedstrijd  een genoeglijke bezigheid.  Want een flitsend snel schaatspak aan, ‘spacey’ zonnebril op de neus geparkeerd, blitse bandana om het hoofd en dan lekker achter een kont voor je, uit de wind zitten en je mee laten glijden. Nou, dat is volgens Landman dus een misverstand!

Het is letterlijk knokken’, legt Landman uit. ‘Vroeger hoefde je niet om je positie in het peloton te vechten, maar het is nu veel fysieker geworden. Het is duwen, je er brutaal tussen gooien. Vooral de rijders die vanuit de skeelersport zijn overgestapt zijn daar heel bedreven in. Schaatsers die nooit aan skeelerwedstrijden hebben gedaan zijn net houten klazen.’

Landman is een kind van zijn tijd want een product van de kunstijsbaan. Zou hij het begrip ‘rayonhoofd mét peilstok’ kennen? Die hilarische mannetjes die, bij twee graden vorst,  vanaf  de televisiejournaals, bloedserieus,  in een onbegrijpelijk soort Nederlands,  het volk toe knauwden dat de ‘tocht der tochten’ er nu toch écht wel aan zat te komen? Nee dus!

Natuurijs

Ik kan mij héél vaag ijs op slootjes herinneren’, beklemt toont hij de  milieuverandering. ‘Schaatsen op natuurijs heb ik Nederland nooit gedaan dus. We snakken daar naar. Dat geeft de sport nieuwe impulsen. Op de klassieke tochten zie je de echte schaatsers. Ik heb wél  in Oostenrijk en Zweden op natuurijs gestaan.. Vorig jaar, in die landen,  twee koersen over tweehonderd kilometer  gereden. Ik heb die koersen wel uitgereden,’voegt hij er trots aan toe.

Charly;’s erelijst mag dan maagdelijk zijn maar toch is de naam Landman een begrip in het schaatspeloton. Zijn oudere broer Andres was een erkend prijsrijder die nu in de nadagen van zijn carrière is belandt.  

Ja daar heb ik wel een mazzel aan dat mijn broer tot de top van het marathonrijden behoorde. Hij geeft mij veel adviezen. Normaal moet je alles zelf uitzoeken. De concurrentie houd lekker zijn mond dicht. Andres is, net als ik, een liefhebber  van experimenten. Hij was de eerste de ijzers van zijn schaatsen extra buiging gaf. Dat geeft meer afzet op het ijs. Die extra kromming heb ik ook in mijn schaatsen gebracht.’

Charly Landman is een geduldig mens. Zijn tijd komt wel. Eerst heeft hij nog andere doelen.’Dit jaar ga ik een documentaire maken en volgend jaar mijn  scriptie. Het gaat bij mij, als schaatser, iets langzamer maar mijn tijd komt wel. Wacht maar als ik klaar ben met mijn studie,’ besluit hij met een veel betekende blik

Geplaatst: Mug November 2008. Foto: Hilco Koke

 

‘Ik ben een stoemper’

 

joukyTechnisch onbekwaam, want ‘pootje over’ en flitsend demarreren gaat moeilijk. Maar als Jouke Hoogeveen eenmaal op stoom is dan kreunt en kraakt het peloton. Pas vier jaar beoefent de Amsterdammer het skeeleren en heeft al twintig koersen gewonnen, waaronder de Bartlehiemtocht een loodzware klassieker over honderd kilometer. Ook op het ijs trakteert hij zijn collega’s regelmatig op ‘prettige’ momenten.

Rijdt iedere zichzelf respecterende schaatser op hightech schaatsen, waarvan de ijzers haast op wetenschappelijke wijze geslepen zijn. Niet Jouke Hoogeveen (28), die schaatste tot vorig jaar op een paar totaal versleten ouderwetse noren, met een haperend klapmechanisme waar een bout uit verdwenen was. Of dat niet genoeg spotte mettopsport was, ook nog eens op schoenen een maat te groot en ijzers waar de ronddingen uit verdwenen waren.
In het peloton werd niet alleen om Hoogeveen’s materiaal gegrinnikt, maar ook over zijn gebrekkige techniek, want bochten werden stumperend genomen.
Maar lachen ging snel over in verbijstering als  Hoogeveen  op kop ging rijden, en het peloton geselde met een moordend tempo.
Fridaynight Skate

Het is met de sportcarrière van Hoogeveen raar verlopen. Tot vier jaar geleden had de pas afgestudeerde pedagoog, nooit aan een schaats- of skeelerkoers meegedaan. Skeelers? Dat was voor hem een vervoersmiddel in de stad waar je snel mee op college kon komen. Het viel hem wel op dat hij trams bij kon houden en tijdens de Fridaynight Skate, de wekelijkse toertocht door de stad, had hij het idee in een groep rollende valiumgebruikers belandt te zijn. Véél te traag ging dat.
Jouke Hoogeveen ontdekte dat hij gezegend is met een groot duurvermogen en als je daar de beschikking over hebt dan wil je maar één ding: rammen, rossen en tegenstanders pijn doen. Waar kan je dat beter doen als op de Jaap Edenbaan?
‘Vier jaar geleden ben ik begonnen met het rijden van schaatsmarathons’, vertelt Hoogeveen. ‘Welliswaar op het laagste niveau maar ik won al snel wedstrijden. Tijdens mijn trainingen kwam ik in aanraking met jongens die zomers skeelerkoersen reden en mij vroegen eens mee te doen.’
Dat hebben ze geweten! Met zijn jarenlange trainingen door de jungle van het Amsterdamse verkeer werd hij in zijn eerste koers tweede en drie seizoenen later staat er op zijn conduitestaat twintig overwinningen waaronder twee nationale titels bij de b-rijders. En dan niet van die lullige zeges maar de Bartlehiemtocht, eind augustus gehouden, een helse wedstrijd over honderd kilometer dwars door het Friese land.
‘In die koers reden we samen met a-rijders, dat zijn dus profs. Met drie man, waaronder de fransman Michaud, zat ik in de kopgroep. We hebben honderd kilometer kop over kop gereden om uit de greep van het peloton te blijven. Voor de winst in mijn klasse moest ik die mannen zien bij te houden’. Is het skeeleren in Amsterdam een vrij onbekende wedstrijdsport anders is het in het oosten van het land. Razende rondjes om de kerk zijn daar niet alleen mateloos populair en trekken duizenden toeschouwers, maar vereisen van de rijders het nodige aan techniek. Iets wat Hoogeveen node mist. Technisch onbekwaam, met de snelheid van een strijkijzer, gaat hij gewoon op kop sleuren, zoals in de ronde van Ommen waar hij het hele peloton op een ronde zette, al de premiesprints opstreek en de overwinning greep. Dat hij na afloop van zo’n wedstrijd met een zak geld naar huis gaat wordt door hem hartstochtelijk ontkent. ‘Als het echt goed gaat verdien je honderd euro per koers, dat is geen vetpot.’
Buik over de streep

De wereld op wieltjes kan heel gevaarlijk zijn. De benen van Hoogeveen zien er verontrustend uit of hij zojuist een bedevaart op knieën achter de rug heeft: akelige verse wonden zijn zichtbaar. Niets aan het handje volgens hem. ‘In de ronde van Groningen gleed ik in de eindsprint onderuit, en kwam op mijn buik over de streep’, vertelt hij stoïcijns, om erop te volgen dat zijn sport met wielrennen te vergelijken is.
Jouke Hoogeveen, conditie van gewapend beton, kent geen rustperiode. Zijn skeelerseizoen gaat naadloos over in het schaatsen. De twee meter lange pedagoog oogt afgetraind, op zijn geschoren benen zie je de spieren en aderen kronkelen als een rivierlandschap op een landkaart: het resultaat van een Spartaanse zomer. De trainingen waren harder dan ooit. Niet op schema’s natuurlijk, maar voor het ‘vaderland’ weg.  In een sportschool zal je hem niet tegen komen.  ‘Vreselijk’, roept hij bij dat idee. Ook die rare schaatssprongen, waarmee een schaatser de zomer door komt, ziet hij niet zitten. Hoogeveen heeft zo zijn eigen, nogal merkwaardige manier van trainen. Zo beklom hij, tijdens zijn vakantie, de huiveringwekkende, tweeduizend meter hoge Tourmalet: op skeelers dus.
‘Op vakantie ben ik altijd van plan het rustig aan te doen. Maar ik had ooit geroepen dat ik die berg op mijn skeelers zou bedwingen. Ik kwam er snel achter dat skeeleren echt voor het vlakke bedoeld is. Het was warm die dag, het asfalt voelde zacht aan en ik had het gevoel of ik aan het klunen was.’
Voor Hoogeveen is het te hopen dat hij hersteld uit de zomer kwam, want voor het zojuist begonnen schaatsseizoen kan hij zijn borst nat maken. De Amsterdammer debuteert in de zwaarste schaatscompetitie ter wereld, die van de a-rijders. Om professionals als een Heideman, Landman, Michaud, Roozendaal en anderen, alleen maar te kúnnen volgen moet er nog meer getraind worden, en dat staat voor iedere dag fietsen, urenlang in weer en wind. ‘Ik heb een contract gekregen bij de ploeg Powerplay en stel mij daar veel van voor. Het is heel spannend en ik weet niet wat ik mij daar bij moet voor stellen. Op het hoogste niveau gaat het constant hard, je moet daar een enorm duurvermogen voor hebben. Als je die Jan-Maarten Heideman ziet rijden, dat is buitenaards’, vertelt hij nuchter. ‘Nu ik in een grote ploeg zit is er een zekere druk, nu moet het. Maar dat heb ik er graag voor over, het marathonrijden is zó spectaculair’.
Gemankeerde schildpad

Wat de rol van Jouke Hoogeveen, met het sprintvermogen van een gemankeerde schildpad, in een duur betaalde ploeg, wordt? Dat is aanvallen, gaten voor ploeggenoten dicht rijden, maar vooral in de koersen op natuurijs, zoals de alternatieve elfstedentocht op de Weissensee, wordt wat van hem wat verwacht.
‘Ik ben een stoemper,’onthult hij, wat staat voor een renner die kilometerslang een hoog tempo kan aanhouden. ‘Ik heb de laatste tijd veel trainingstips gehad van Hans Pieterse mijn  trainer. Ik probeer mijn snelheid te verhogen en heb het gevoel dat daar nog wel rek in zit. Mijn bochtentechniek is opeens met sprongen vooruit gegaan. Ik ga er nu plat in’. Om dat te  illustreren houdt hij zijn vlakke hand in een hoek van vijfenveertig graden.’
En dan is er nog die ene laatste gewetensvraag: of hij nog op zijn oude schaatsen gaat rijden? ‘Ik heb nieuwe superlicht materiaal gekregen. Dat was even een wereld van verschil’, vertelt hij verbaast, ‘En het gaat nu nog véél gemakkelijker,’ laat hij er onheilspellend op volgen.
Deze winter wordt er om Jouke Hoogeveen niet meer gelachen.

Geplaats in Mug, oktober 2007. Foto: Harm de Boer

 

 
 
 

 

‘Op het ijs gun ik niemand iets’

lieky3Vorig jaar vielen alle puzzelstukjes in elkaar, want na een tiental keer bij de eerste drie te zijn geëindigd, won ze eindelijk haar eerste grote wedstrijd. Marathonschaatster Lieke Splinter had het gevoel een drempel geslecht te hebben. De afgelopen zomer werd nog harder getraind als anders. De vorm was er. Wat haar betrof kon het seizoen beginnen. Toen sloeg het noodlot toe.

Klappen heeft ze genoeg in haar leven gehad. Zeven jaar geleden verloor ze haar moeder, en eind september overleed haar steun en toeverlaat: haar vader. Ze voelt zich ontreddert en is boos dat ze hem moet missen. De motivatie voor het pas begonnen seizoen was nihil. Voor wie zou Lieke Splinter 26 jaar, zich nou nog inspannen? Na lang nadenken vond ze het antwoord: haar enige zusje. Maar ook voor zich zelf, want de herinnering aan het vorig seizoen, toen ze als marathonschaatster met een eerste overwinning eindelijk doorbrak, speelde mee. Schaatsten is nu haar beste medicijn tegen zielpijn. Resultaten komen op de tweede plaats. Vier weken geleden, in Groningen, beleefde ze haar seizoenopening. De afgelopen zomer had Splinter zich suf getraind waardoor ze, ondanks haar verdriet, het tempo makkelijk kon volgen. En toch was ze na afloop helemaal kapot. Emotioneel zat ze er door heen. Want bij het uitrijden zag ze haar zusje aan de kant staan. Normaal stond haar vader daar altijd naast.
,,Achteraf gezien was die wedstrijd toch heel opfrissend,’’ vertelt Splinter, lerares van een basisschool. ,,Voor de start kreeg ik, uit de meest onverwachte hoeken, zoveel steun. Dat gaf een heel warm gevoel. Sporten is op dit moment het belangrijkste in mijn leven. Ik rij in een heel goede ploeg waar ik kopvrouw van ben. Samen met ploeggenoot Linda Verdouw hebben wij de taak zo hoog mogelijk te eindigen. Linda staat nu eerste en ik moet haar helpen. Nu mijn topvorm nog ver weg is vind ik dat geen punt. Het is nu niet realistisch om voor de hoofdprijs te gaan.’’
Dat was vorig seizoen wel anders. De frêle Splinter was toen de smaakmaker bij menig wedstrijd en zat regelmatig bij de juiste ontsnapping om vervolgens tweede of derde te worden. Een overwinning kon niet uitblijven. En die kwam dan ook en nog wel in een hoog gewaardeerde driedaagse koers.
,,Met die zege viel alles op zijn plaats. Vanaf toen leek het wel of alles vanzelf ging. Vol vertrouwen reisde ik af naar Oostenrijk voor de Weissensee-tocht. Een tweehonderd kilometer lange race op natuurijs.’’
De woorden kicken, gaaf en geweldig rollen van haar lippen. En gelijk heeft ze, want het is niet niks om als vrouw gelijk op te stomen met die beulen van kerel.
,,Het ging allemaal zo makkelijk. Ik zat bij elke ontsnapping. Zonder dat mijn tong op mijn hielen lag. We werden ingehaald door de mannen.Ik pikte aan en kon honderdveertig kilometer volgen. Geweldig vond ik het om zo lang bij die toprijders te kunnen blijven.’’
Lieke Splinter oogt lief, zacht en kwetsbaar, maar ergens binnen in haar moet een bikkelharde tante schuil gaan. Want om aan de top van het marathonschaatsen te staan, daar zijn opofferingen voor nodig. Trainen, iedere dag keihard, en in de avonduren reizen naar de uithoeken van het land waar de koers is. Klagen doet ze niet. Wel wil ze een beetje waardering hebben. Als ze dat nou in Hilversum ook eens doorhadden.
,,Vrouwenschaatsen komt sowieso weinig op de televisie. Maar als ze er een keer zijn wordt het dikwijls heel negatief verslagen. Zo’n verslaggever durft dan te vertellen dat er te afwachtend gereden wordt. Terwijl ik al zeven keer aangevallen heb.Ik vraag mij af wat we dan meer moeten doen? We worden niet echt serieus genomen.’’
Splinter leeft, denkt, en traint als een professional, maar wat kan haar dat geld nou schelen wat daar mee te verdienen valt. De eer en niet de poen. Dát is de drijfveer.
,,Ik krijg van mijn sponsor een goede onkostenvergoeding, we hebben mooie kleding, een lease-auto en perfecte trainingskampen. Maar nogmaals, voor het geld doe ik het niet. Wel voor de roem. Ik droom van een overwinning in een tweehonderd kilometerrace. Dat is, gezien verleden jaar, best realistisch. En stiekem droom ik ook van een nationale titel. Of dat op natuur- of kunstijs is maakt mij niets uit. Wat een dromen heb ik hè,’’ schatert ze. Winnen in een marathon is leuk maar daar liggen ze in Amerika niet echt wakker van. Want wil je eeuwige schaatsroem krijgen dan dienen de Olympische loopgraven opgezocht te worden. Iets wat Gretha Smit, het marathonkanon uit Rouveen, goed begrepen had, toen ze de zilveren medaille in Salt Lake City greep.
,,Ik ben heel nieuwsgierig wat ik op de langebaan presteer. Als junioortje kon ik daar heel goed uit de voeten. Ik ben heel jong overgestapt naar het marathonrijden. Lichamelijk was ik nog niet ontwikkeld. Nu word ik begeleid door Arie Koops en Richard Louman. Ik heb nu meer inhoud gekregen. Op de langebaan zien ze mij nog wel eens.’’
Schaatsen aan de top, dat is in de belangstelling staan. En een beetje rijdster heeft een schare supporters achter zich. Hoe zit dat met Splinter? Is er voor haar wel belangstelling?
,,Nou en of. Een hele klas vol,’’ zegt ze vol vuur. ,,Ik ben lerares van groep zes. In mijn klas zitten veel allochtone kindjes. Die zijn heel geïnteresseerd en juichen als ik in de krant heb gestaan. Voor hen ben ik heel beroemd. Ze maken dan tekeningen voor mij. Sta ik op het podium. Heel schattig.’’
Een peloton vol met meiden die alleen maar met zich zelf bezig zijn kan een mand vol krabben zijn. Intriges, en afgunst liggen op de loer. Is dat eigenlijk wel zo gezellig sporten?
,,Ja hoor,’’ knikt ze. ,,Ik heb veel vriendinnen en na de wedstrijd gaan we heel gezellig met elkaar om. Maar niet in de koers. Op het ijs gun ik niemand iets.’’

geplaatst: Amsterdamsstadsblad

Beulenkamp vindt draai in de marathon

 

beule1Mondiale en nationale titels zijn geen garantie dat je schaatsbedje gespreid is, zelfs niet met een wereldrecord op zak. Jelmer Beulenkamp over kwam dat, trok zijn conclusie en keerde het langebaanschaatsen de rug toe. Een nieuwe uitdaging vond hij bij het marathonschaatsen.

Aan het plafond hangen honderden antieke Friese doorlopers, foto’s met lang vergeten kampioenen staren je aan, het menu van de dag is zuurkool met spek en aan de bar drinken buikige mannetjes, gehesen in strakke schaatsmaillots, warme chocolademelk met slagroom. Restaurant de Skeeve Skaets aan de Jaap Edenbaan, is dé hangplek van alles wat zich op gladde ijzers voortbeweegt. Hardop twijfels uiten aan schaatsen op buitenijs is vloeken in de kerk, het lot tarten. Jelmer Beulenkamp (27) neemt de proef op de som.
,,Schaatsen op natuurijs heeft weinig met sport te maken,’’ beweert de student commerciële economie. Als stof neerdwarrelt van de Friese doorlopers, fotolijstjes scheef hangen, zuurkool van een vork valt en hete chocolademelk halverwege slokdarmen blijft steken gaat Beulenkamp onverdroten verder.
,,Maar het is wel ongelooflijk mooi. Die sfeer, de natuur en die ambiance. De echte rotten kijken daar naar uit. Natuurijs, dat is de motor van het hele marathongebeuren,’’ relativeert hij zijn boude woorden. In het marathonpeloton draait Beulenkamp pas twee jaar mee en probeert daar zijn weg te vinden. Maar een echt schaatsgroentje is hij nou ook weer niet. In het hele peloton is er maar een met een wereldtitel op zak: Jelmer Beulenkamp. Beulenkamp kan schaatsen en hard ook, maar dat was op de langebaan. Op zijn visitekaartje staat een wereldtitel bij de junioren, een wereldrecord op de drieduizend meter, nationaal kampioen, in ’98 deelgenomen aan het Europees én wereldkampioenschap en toch…toch heeft Beulekamp gekozen voor het zware labeur van de marathon.
,,Ik zat in de kernploeg, presteerde goed maar werd er toch uitgezet. De trainer wilde een ploeg hebben die internationaal bij de top acht mee kon komen, terwijl ik de enige was die het EK gereden had,’’ vertelt hij nog ongelovig. Om even later de waarschijnlijke reden te onthullen: een lang slepende zware liesblessure speelde de voormalige wereldkampioen parten. Beulenkamp was niet meer in staat om een constant topniveau te handhaven. ,,De ene keer ging het heel goed, om het net zo makkelijk af te wisselen met slechte wedstrijden. Ik heb toen maar de knoop door gehakt en voor de marathon gekozen.. Het was voor mij een volkomen nieuwe uitdaging.’’
Beulenkamp maakte zijn opwachting bij de mannen van de lange adem, kerels gehard aan het oorlogsfront van honderden marathons en natuurijswedstrijden. Hoe de voormalige langebaanrijder dat vond? Een cultuur en conditieschok! ,,Ik heb verleden jaar een ongelooflijk zwaar seizoen gehad. Bij het langebaan rijden sta je met zijn tweeën in de baan en is het ijs spiegelglad. In een marathon heb je te maken met negentig rijders en een ongelooflijk slecht ijs met uitgetrapte bochten . Als technische rijder kwam ik slecht uit de voeten. Ik had grote aanpassingsmoeilijkheden. Fysiek kon ik het ook niet goed aan, de intervalintensiteit is veel hoger, je rijdt daardoor constant in de verzuring. Dat is heel anders dan bij het langebaanschaatsen. Daar bouw je een wedstrijd op. Daar komt ook nog bij dat ik een tikkeltje te zwaar was.’’
Beulenkamp had zijn les geleerd, en afgelopen zomer werd er anders getraind. Meer interval maar ook de duurtraining werd niet geschuwd. Scherp, afgetraind, en gemotiveerd van kop tot aan zijn klapschaatsen aan toe begon hij het nieuwe seizoen al was het alleen maar om zich te bewijzen bij zijn nieuwe collega’s. Want marathonrijders kijken, volgens Jelmer, een beetje neer op die jongens van de lange baan. Die laatste zie je namelijk niet zo snel een marathon rijden, en als ze het doen worden ze onderweg gelost als een postduif.
,,Toen ik bij Henk Gemser in de kernploeg zat had ik al een paar marathons gereden en ik haalde de eindstreep. Geloof me dat is al heel moeilijk. Ze blijven gaan, het tempo ligt constant hoog, er wordt flink met de handjes gewerkt, want duwen en trekken wordt niet geschuwd. Maar je moet mee, niemand wacht op je. De koersen gaan nu een stuk beter, ik pak mijn prijsjes en voel mij echt geaccepteerd,’’ verzekerd hij.
Zelf denkt de Amsterdammer nog minstens twee jaar nodig te hebben om het vak te leren, al was het alleen maar om de koers te doorgronden, zien wanneer de slag valt. Maar evengoed sluit hij een verassing niet uit om een korte uitslag te rijden. Dan is er die laatste, nogal domme vraag. ,,Wanneer ik stop? Voorlopig niet. Studeren staat op een laagje pitje en werken kan je je hele leven nog, maar sporten op topniveau houdt een keertje op. Dat is een bewuste keuze. Wat ik nu nog mee maak dat kunnen ze mij later nooit meer afpakken.’’

Geplaatst: Amsterdams Stadsblad

De Graaf heeft wel wat in huis

graafy1Zaterdag wordt in Alkmaar het schaatsseizoen afgesloten met een vier uur durende koppelkoers. Voor de Amsterdamse Jaike de Graaf was het seizoen lang en zwaar, en ondanks de handicap dat ze sprint als een strijkijzer, wil ze zaterdag nog een keer vlammen. Met haar grote vermogen is ze niet kansloos. En als er nog een schaatsploeg is die een goede knecht kan gebruiken dan is ze beschikbaar.

Ze is toch óók goed? Ze traint toch dagelijks de buizen uit het ijs? Wat doet ze nou verkeerd? Kan iemand dat eens uitleggen? Vragen die direct na de koers bij haar opborrelen als ze weer net naast de prijzen grijpt. Als studente bewegingswetenschap hoeft niemand haar te vertellen hoe ze trainen moet. Innerlijk weet ze wel wat ze te kort komt.
Jaike de Graaf (23) heeft de sprint van een strijkijzer en ontbeert iedere vorm van koersinzicht. Die vermaledijde rotsprint die al twee ronden voor het eind ingezet wordt en waarbij een roedel nietsontziende meiden op de streep af ijlt en zij, als een loneley wolf, zonder steun van een ploeg, kansloos in mee knokt. Ze weet dan niet hoe ze positie moet kiezen, en als ze een leuk plekje veroverd heeft is er altijd wel een concurrente die haar eruit drukt.
Niemand hoeft te beweren dat De Graaf een zweetdief is die over en achter de rug van een ander probeert prijs te rijden. Tijdens de koers doet ze haar werk. Maar daar zit nou net de kneep: demarreren op de verkeerde momenten, concurrenten terug pakken als dat niet nodig is, en als dan dé beslissende slag valt zit de studente net naar adem te happen of heeft ze niet het lef om er naar toe te springen. Een coach, verzucht ze, of anders iemand die haar de fijne kneepjes van het schaatsvak onthult, dat ontbeert haar. Het liefst ziet ze voor zich zelf een rol weggelegd als knecht in een goede ploeg, want nu heeft ze het gevoel doelloos rond te rijden.
En de aanstaande ploegleider krijgt met De Graaf geen kat in de zak want hoe zat het ook al weer, vier weken geleden, bij die helse tweehonderd kilometerrace van de Weissensee?
,,Dat was een heel speciale week voor mij. Op natuurijs kon ik eindelijk laten zien wat ik in huis heb,’’ opent ze. ,,Tijdens die week waren er diverse grote koersen gereden zoals het open Nederlands kampioenschap natuurijs en de laatste dag de alternatieve Elfstedentocht over tweehonderd kilometer. Bij het nationale kampioenschap kon ik goed mee komen en ging de laatste bocht onderuit.’’
De Graaf, blond, rijzig, blozende wangen, oer-Hollands, beweert dat ze op natuurijs beter presteert want dan komt het aan op de elementen en de afstand. En wat voor een gemankeerde sprintster aardig meegenomen is, is het feit dat na tweehonderd kilometer de sprint anders is dan op een kunstijsbaan waar de koers zestig ronden lang is en met vijfendertig minuten bekeken. De Graaf gaat eerst vertellen over haar ultieme momenten op het Oostenrijkse ijs wat ‘s morgens vroeg al begon met het aantrekken van de klapschaatsen.
,,Zo’n grote wedstrijd rijden is toch wel heel speciaal. Dat begon al voor de start met al die journalisten en cameraploegen. We reden gelijk met de mannen mee en dan is het voor de vrouwen zaak om daar zo lang mogelijk bij te zien blijven. Als je gelost wordt sta je moederziel alleen op dat grote meer en dan is het moeilijk om snelheid te maken.’’
Jaike de Graaf wist de grote schaatsmathadoren zestig kilometer te volgen, tot een van die verwoestende tempoversnellingen waarbij de studente eraf vloog. En dan zijn er van die momenten dat het leven voor een geloste topsportster wat dragelijker maken: vlak voor De Graaf losten er nog vijf schaatsers daaronder twee meiden.
,,Gelukkig kon ik aanhaken. We begonnen meteen te rekenen, want er waren al veel meiden er af gereden en voor ons zaten nog zeven dames. We reden dus voor de achtste, negende en tiende plaats. Achter ons zat een grote groep met daarin nog tien meiden. We hebben hard door moeten rijden, kop over kop. Dat is het echte schaatsen,’’ vertelt ze verlekkert. ,,Nee op kunstijs gebeurt dat nooit.’’
Hoe ga je dat aanpakken, vroeg een van de mee rijdende kerels aan De Graaf, refererend aan haar belabberde sprint. Als de aankomende inspanningsfysiologe iets geleerd heeft is het wel dat een sprint na tweehonderd kilometer andere koek is dan op de Jaap Edenbaan. Dan is het: je doet je best en dan doet God wel de rest. En dat laatste is keihard op meet afgaan, waar haar een cadeautje wachtte.
,,Er ging nog een meisje over mij heen maar ik werd toch achtste want Linda Verdouw was uit de kopgroep gestapt. Na afloop was ik opgekikkerd en nog tamelijk fris. De concurrentie zat als een zielig hoopje op een bankje. Dat gaf mij veel moraal en wetenschap dat ik atletisch gezien toch wel wat kan.’’
Het schaatsseizoen was lang, slopend en met een vier uur durende koppelkoers wordt in Alkmaar, zaterdag, het seizoen gesloten. ,,Dat is een leuke koers voor mij, waar ik veel zin in heb. Vier uur is lang en dodelijk en er doen maar weinig damesploegen mee. De ploegen bestaan uit vier rijders en die van ons is best sterk.’’ In kleine onbewaakte momenten wordt De Graaf wel eens besprongen door vervelende vraagjes waarvoor ze het doet. Relativeren is voor een topsporter de dood in de pot, want die moet de oogkleppen ophouden en trainen en nog eens trainen. ,,Dat is maar heel kort hoor. Het schaatsen is voor mij nog steeds een manier van leven.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad