Beul van IJburg het hele jaar op scherp

jouke 007Weinig gewonnen. Maar tóch top. Een schaatser die zijn sponsor nooit teleurstelt.  Zo’n kerel voor wie het begrip ‘’aanvallen’ een tweede natuur is. Rossend en rammend in helse natuurijsklassiekers tot het kots tegen de huig borrelt. Behoort tot het elitaire groepje dat geacht wordt een  Elfstedentocht te winnen. En dat allemaal dankzij tramlijn 1. Had Jouke Hoogeveen op de Amsterdamse Overtoom skeelerend nooit het duel aangegaan met deze  tramlijn, dan was zijn duurvermogen nooit aan het licht gekomen. Niet veel later, zo  rond 2007 maakte Hoogeveen zijn debuut op het ijs. Dat laatste móest gewoon gebeuren, was genetisch bepaald. Want stond je wieg in het Friese IJlst, één van de Elfsteden, dan is daar geen ontkomen aan.
Jouke Hoogeveen al meer dan tien jaar wonend in Amsterdam. Behoorde de laatste drie seizoenen tot de smaakmakers op het natuurijs. Met dat bijna twee meter lange lijf altijd met zijn snufferd in de volle wind. Hoogeveen, vierendertig jaar, in de kracht van zijn leven, is semiprof  met alle voor- en nadelen. Als het in de winter zó koud en guur is dat een Marianne Thieme een wegtrekker krijgt bij het idee om een hond naar buiten te sturen, stapt hij op zijn racefiets. Ga daar maar even aan staan, duurtrainingen van vijf uur. joukejuichen
Voor een man als Hoogeveen, taai als een steppewolf, staat het sportverstand altijd op nul, gewoon maar niet aan denken dat vlak bij je huis zich de Jaap Edenbaan bevindt. Jouke, wonend op het Amsterdamse IJburg, wordt geacht meerdere keren per week op de Thialfbaan in Heereveen te trainen. Schaatsprofessor Henk Gemser slijpt dan aan zijn techniek.
Als je zoals Hoogeveen, niet over snelle benen beschikt  moet je andere middelen in de strijd gooien. Daar is niets geheimzinnigs aan, maar doodgewoon nog hárder de finale van en wedstrijd ingaan. Zorgen dat niemand naast je komt. Hoogeveen met de sprint van een gemankeerde schildpad, eindigt daarmee wel regelmatig bij de eerste tien. Na een loodzwaar seizoen, met als apotheose de kampioenschappen en klassiekers op natuurijs, moet je als professionele schaatser het ‘zwarte ijs’ zien. Heb je er even schoon genoeg van, krijg je lichte braakneigingen bij het zien van trainingsschema’s. 
joukekarperNiet Jouke Hoogeveen. De man, liefhebber pur sang, schakelt moeiteloos over op zijn allereerste liefde: het skeeleren. Iedere avond is hij op zijn spacy uitziende rollers te vinden in het Diemerpark, een boogscheut van zijn huis. Jouke Hoogeveen, de Beul van IJburg, traint dat lange, tanige en schrale lijf voor de komende skeelerkoersen. Zoals de ‘Klim van Steenwijk’, een klassieker met lugubere bijkomstigheid dat in het parkoers een heuvel zit. Omhoog gaan op rolschaatsen is één, maar dalen in een vol peloton met zestig in het uur is doodgewoon heel eng.  Hoogeveen, een gewezen winnaar van ‘De Klim’, haalt zijn schouders daarover op, gewoon niet aan denken. Dat Jouke Hoogeveen alleen maar leeft vanuit een sporttas, is niet waar. Regelmatig verruilt hij zijn schaatsen en skeelers om voor die andere passie. De snoeken en karpers rondom Diemen en IJburg weten dat als geen ander.
En dan is er nog die ene onbeantwoorde vraag: wie won nou hét ultieme duel tussen die twee tramhaltes op de Overtoom? Er is maar één Amsterdamse Fries die dat kunstje kan flikken.

Atje vertrokken naar het Grote Rayonhoofd

ATJE KEULEN DEELSTRA 01 (1)Wat het meeste aansprak? Haar strijd tegen de toenmalige bobo’s van de KNSB, die haar te oud vonden. Sindsdien was ze voor Stuyfssportverhalen, van jong af een gloeiende hekel aan bobo’s, jurymannetjes, scheidsrechters, cheffies en ander soort enge baasspelers, een heldin. Atje Keulen-Deelstra dus. Het  meldpunt tegen ‘Leeftijdsdiscriminatie’ moest nog uitgevonden worden, en in 1970 waren sportende meiden hooguit programmavulling. Schaatsende moeders op leeftijd waren niet alleen  hoogst verdacht, maar golden bij het klootjesvolkmoraal ook nog als ontaarde moeders.
Atje had daar  lak aan, gooide haar Friese kont tegen de krib en flikte het evengoed. Hoe het met haar sportcarrière is verlopen weten nu wel. En voor de onwetende: na haar dertigste jaar drie keer wereldkampioen, evenzoveel keer de beste van Europa, Olympische medailles, en vier keer Nederlands kampioen.
Al die rennende, fietsende, schaatsende en andere sportieve moeders anno nu zijn dan ook schatplichtig aan haar. Atje, feministe zonder dat te beseffen, was voor hen de wegbereider. Als eerbetoon aan die stoere Friezin geen foto in zo’n oubollig schaatspak met idem dito mutsje maar heel gewoontjes als mammie,  een heel aantrekkelijke, charmante en leuke vrouw.  Atje Keulen-Deelstra is afgelopen vrijdag naar de Schaatshemel vertrokken waar het Grote Rayonhoofd  altijd garant staat voor prachtig, vers gedweild ijs.

‘Ik ben zo Hollands als wat’

In het peloton van het marathonschaatsen, van oudsher gedomineerd door stoere, blonde, blozende kaaskoppen, valt hij met zijn tropische verschijning op. Luis Veen is niet alleen de enige rijder met een kleurtje, maar ook een talentvolle schaatser.

Hete chocolademelk komt met liters tegelijk uit een tapkraan. Aan meterslange houten tafels wordt, schouder aan schouder, zuurkool gegeten. Het bier komt uit Gulpen. Aan het plafond  honderden houten schaatsen en aan de muren schaatsparafernalia uit een ver verleden..  De Skeeve Skaes, een horecaonderneming op de Jaap Edenbaan is een unieke combinatie van café, restaurant; bruine kroeg, en schaatsmuseum.
Als het dagelijkse trainingsuurtje voor toerrijders en recreanten is afgelopen, loopt de Skaes vol met mannen en vrouwen gekleed in strakke en kleurrijke schaatspakken. Er wordt warme chocolademelk mét slagroom gedronken. Flarden van sterke schaatsverhalen dwarrelen rond. Boven monden verschijnen ‘bruine snorren’. Het is ‘Holland’, mét koek en zopie in het kwadraat.
Aan een tafel zit, gekleed in een ‘burgerkloffie’, een licht getinte jongen, door niemand opgemerkt. Dan doet hij zijn jack uit. Onder zijn kleding komt  een professioneel schaatspak te voorschijn. Uit een sporttas komen een paar hightech, spacy, schaatsen te voorschijn. Hij legt deze achteloos op tafel. De metamorfose is compleet. Onmiddellijk wordt hij door enkele recreanten herkend. Voor insiders is Luis Veen, spreek uit Louis, een talentvolle marathonschaatser.
‘Dit seizoen gaat het heel goed. Bij de laatste twee wedstrijden stond ik twee keer op het podium. Gisteren in Biddinghuizen werd ik tweede. Momenteel sta ik achtste in het algemeen klassement. Dat is een klassement over alle koersen die ik dit jaar gereden hebt’, vertelt Veen, uitkomend bij de b-rijders. Voor een schaatsknots land met ongeveer duizend marathonrijders in verschillende klasse, is de b-divisie het voorportaal tot het Nirvana, want de a-rijders met zijn profploegen. Veen, 25 jaar, kwam al een seizoen uit in de hoogste klasse maar kwam nog een maatje tekort. ‘Tussen die profs kon ik alleen maar de koers uitrijden. Het ging vreselijk hard. Heb bewust een stapje terug gedaan om lichamelijk sterker te worden. Dit seizoen eindig ik bij de koersen regelmatig bij de eerste tien. Vorig jaar, bij het nationaal kampioenschap werd ik vijfde.’
Luis Veen is als schaatser opgegroeid zonder natuurijs. Het was de periode van kwakkelwinters waarin hele generaties jonge schaatsers zich afvroegen hoe het schaatsen op Hollands en Fries natuurijs nou was. ‘Die ouwe knakkers met hun verhalen in de kleedkamers hadden er geen woord van gelogen. Man, schaatsen op buitenijs is het mooiste dat ik meegemaakt heb. Het publiek, de natuur, dat hele sfeertje eromheen. Twee jaar geleden kreeg ik, tijdens het nationaal kampioenschap, op de Oostvaardersplassen mijn vuurdoop. Onvergetelijk. Ik ben een allrounder,’antwoord hij op de vraag hoe hij zich zelf omschrijft. ‘Voor massasprints ben ik niet rap genoeg. Maar aankomst met een klein ploegje win ik. Ik ben een aanvaller. Vorig jaar heb ik twee keer een tweehonderd kilometer race op natuurijs gereden. Voor mij mag de Elfstedentocht deze winter doorgaan. Daar hoop ik vurig op. Conditioneel ben ik daar klaar voor.’
Alleen een visueel gehandicapte zal ontkennen dat Veen, in het doorgaans roomblanke peloton, niet opvalt.’Ik ben de enige rijder in het peloton met een kleurtje’, vertelt hij grinnikend. ‘Inmiddels zijn ze het wel gewend. Toen ik pas marathonrijder was, keken ze vooral in het oosten van het land daar nog wel eens raar van op. Vorig jaar, bij een criterium op de Weissensee, zat ik in de kopgroep. De microfonist riep meteen om dat Shani Davis, die zwarte Amerikaanse schaatser, in de kopgroep zat. Ik kan daar wel om lachen In principe ben ik zo Hollands als wat.’
Luis Veen, student Sport en Bewegen aan de Hoge School Holland, is geboren in Colombia. Op eenjarige leeftijd werd hij samen met zijn zusje geadopteerd door Henk en Saartje Veen. Het was vader Henk, een gedreven sportman, die zijn zoon de beginselen van het schaatsen bijbracht. ‘Mijn vader is mijn grootste fan. Maar niet op een vervelende opdringende manier. Door hem ben ik gaan schaatsen.’ Luis Veen dankt nog steeds het ogenblik dat hij geadopteerd werd. ‘Een paar jaar geleden zijn we met het hele gezin naar Colombia geweest. Ook naar Cartagena, waar mijn zusje en ik vandaan kwamen. Het was heel indrukwekkend maar ook confronterend. Ik zag kinderen van mijn leeftijd in grote armoede. Ik werd daar stil van.’
In  Colombia is het skeeleren, het zomerbroertje van het schaatsen, een volkssport. Speciale stadions zijn iedere week stampendvol en bij wereldkampioenschappen grossieren de mannen en vrouwen uit het Zuid-Amerikaanse land in de titels. Of voor Veen een nieuwe wereld opengaat? ‘Verschrikkelijk’, komt het hartgrondig uit zijn mond. ‘Van skeeleren moet ik niks hebben. Bij die sport heb ik niet alleen last van mijn enkels maar vind het ook nog eens bloedlink. Zomers hou ik mijn conditie op peil met het rijden van wielerkoersen.’

Foto’s: Hilco Koke

Eerste podiumplaats voor Kimberly Muusse

Logica in de sport bestaat niet. Op de kunstijsbanen is Kimberly Muusse, rank,  frêle,  een ‘meerijder’ vaak blij als ze aan het eind komt. Je houdt je hart  als zo’n meisje zich aan de grillen van de barre natuurwedstrijden overgeeft.
Zorgen om niks, want  Muusse blijkt een keiharde tante te zijn, taai als hondenleer.  Tijdens het kampioenschap van Nederland op natuurijs, een slijtageslag op het Laardermeer, dartelde ze onder barre omstandigheden naar de tiende plaats.
Bijna te laat voor de start omdat een lusje van haar sportbeha los zat en alle lagen kleding uit moesten, vloog ze er direct in. Gaten dicht rijdend,  demarages beantwoorden, tot een moment van verslapping. Even niet opletten betekent de slag missen, want twee meiden pierden er tussen uit. In een achtervolgend ploegje spurtte de Zaanse naar de tiende plaats.
Nauwelijks hersteld van de inspanningen stond ze drie dagen later in het Zweedse Fallun aan de start voor een honderd-kilometerrace die onder Siberische omstandigheden werd gehouden.
In het land van Pippi Langkous waar alle vrouwen blonde, blauwogige godinnen zijn en mannen een heel hoog sukkelgehalte hebben was het 23 graden onder nul. Als oren van  hoofden vriezen en aan daken ijspegels hangen als stalagmieten dan moet je als schaatster eigenlijk een beetje knots zijn, of van beton. Schaatsen werden aangetrokken in een verwarmde tent en met frisse tegenzin werd gestart. Op het lokale meer werd het een slagveld. Het overgrote deel van het peloton stapte af. Alleen de sterksten gingen door. In de eindfase sprongen drie meiden weg en met een alles of niets poging sloot Muusse aan.
In de sprint pakte ze de eerste podiumplaats uit haar loopbaan. Achter Andrea Sikkema werd de studente tweede. Ondanks lichte bevriezingsverschijnselen en een verkoudheid vertelde ze aan Stuyfssportverhalen dat  ze het ‘Ongelofelijk en onvoorstelbaar mooi vond.’
Van Muusse gaan we volgend jaar meer horen
.
Foto: Hilco Koke

‘Ik vind het fijn om diep te gaan’

Stralende lach, geëpileerde wenkbrauwen, de nagels strak in de lak en gekleed naar de laatste mode. Gewoon een mooie, goed verzorgde meid. Maar er zijn van die momenten dat het uiterlijk haar niks kan schelen. Dan loopt het snot uit haar neus en rollen vette fluimen soepel tussen haar lippen. Kimberly Muusse, studente bewegingswetenschappen aan de VU, maar ook een bikkel in het marathonschaatsen.
Voor een duursporter is er maar één credo: pijn is fijn. Alleen de geestelijk allersterkste kunnen dat opbrengen. Neem schaatster Kimberly Muusse, die in een marathonwedstrijd het gevoel heeft drie keer dood te gaan. Om alléén maar het peloton te kunnen volgen dat schijnt véél pijn te doen. Hoewel Muusse, 24 jaar, regelmatig het gevoel had voor de poorten van de hel te glijden, heeft ze nóóit maar dan ook nooit het idee gehad om uit een koers te stappen. ‘Ik laat mij niet naar de kloten gaan’, opent de studente bewegingsleer haar relaas. ‘Ik ben geen masochiste maar vind het wel fijn om elke keer weer zo diep te gaan dat mijn wereld lijkt in te storten. Ik heb die uitdaging nodig om te leven.’
Een leven dat bestaat uit schaatsen en ’s zomers skeeleren, en tussen het trainen door studeert ze aan de VU bewegingswetenschappen. ‘Ik heb eerst psychologie gestudeerd waar ik mijn bachelor in haalde. Deze studie combineer ik nu met bewegingswetenschappen. In mijn vrije tijd doe ik het huishouden van bejaarde mensen. Met het zuur verdiende geld betaal ik mijn sport’.
Oorbellen
Om iedere dag urenlang je lijf af te beulen, daar zit een bepaalde neurose achter. Duursporters staan dan ook bekend om hun dwangneuroses. Voor de start gebeuren in het geheim de meest bizarre rituelen. Kimberly Muusse, schaatsster maar ook nuchtere psycholog, gunt ons een blik in de kleedkamer. ‘Mijn eerste koers reed ik, met onder mijn schaatspak een groen-gele string. Ik reed prompt een heel goede wedstrijd. Aan deze string dichtte in direct magische krachten toe. Iedere week zit die, gewassen, in mijn sporttas. Ook ontdekte ik een keer dat ik heel goede wedstrijden reed als ik s ‘morgens mijn oorbellen indeed. Totdat iemand mij erop wees dat deze bij wedstrijden op natuurijs vast kunnen vriezen. Voor een wedstrijd kan ik al in de war raken als ik de veters van mijn schaatsen in verkeerde volgorde strik. Het is de psycholoog in mij die zorgt voor dit zelfbewustzijn.’
Open knieën
Dat ze er van houdt om bij trainingen mannen er af te rijden en dat ze bij de gevaarlijke skeelerkoersen als een gek sprint voor een premie van twee euro, daar staan collega psychologen ook begrijpend bij te knikken. Het woord is gevallen: skeeleren, de zomerse variant van het schaatsen. ‘Op wieltjes rij ik ook mijn koersen. Best gevaarlijk hoor. Als je op ijs uitglijdt, dat is dan jammer maar heeft geen consequenties. Op de weg is dat heel anders. Vooral in de gevaarlijke, maar bij het publiek heel populaire straatrondjes in het oosten van het land. Ik heb daar vaak een glijer gemaakt. Dan stond ik een paar dagen later, in een kort rokje, mét open gereten knieën, in een ijssalon een ijsje te kopen. Kinderen wezen verschrikt op mijn benen. Met afkeurende blikken keken moeders beschaamd weg.’
Muusse is in haar sport geen ‘weggooier’, geen figurant, want in de vele klassen die het marathonschaatsen kent komt ze uit op het hoogste niveau, zeg maar gerust met en tegen de wereldtop. Ga daar maar eens aan staan, met een lengte van 1.63 en een gewicht van amper 55 kilootjes. Ze oogt frêle, maar een sportkenner ziet onder haar strakke jeans een paar gespierde benen sluimeren.
Afgewaaid
‘Ik rij op het hoogste niveau. In een schaatsland als Nederland met zijn overvloed aan rijders is het al moeilijk genoeg daar te komen. Ik kan goed meekomen, rij mijn prijsjes maar een podiumplek zat er nog niet in. Mijn gewicht speelt mij wel eens parten. Bij een natuurijswedstrijd werd ik, met wind aan de zijkant, er zo tussen uit gewaaid. Maar met wind op kop heeft ook zijn voordeel, want ik kan mij goed verschuilen achter de rug van een voorganger.’ Het vereist enige fantasie om bij de aanblik van Muusse zo’n stoere bikkel van een schaatsenrijdster te ontdekken. Van die meiden die de indruk wekken met hun tanden een wak in het ijs te bijten. Muusse zien is denken aan een meisjesblad als de Tina maar ook K3, en je houdt je hart vast hoe dat moet aflopen in de barre natuurijskoersen. Nou, we hoeven ons geen zorgen te maken.
Rochelen
‘Voor een topsportende vrouw is het heel moeilijk het onderscheid tussen vrouw zijn én sportster te maken. Ik heb daar een goede balans in gevonden. Bij het schaatsen ben ik een bikkel en dan maakt uiterlijk mij niks meer uit. Bij de alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee rochel ik erop los, laat voor de start scheten en hangt het snot met slierten langs mijn gezicht. Na de koers stap ik onder de douche en ben dan weer ‘vrouw’.
Het is onomkoombaar want praten met een schaatsster eindigt, hoe dan ook, over natuurijs. Want wekelijks je kunstjes op een kunstijsbaan doen is aardig maar niet meer dan dat. Voor de ‘eeuwige roem’ moet je toch zijn op bevroren water van meren, sloten en plassen. ‘Mijn eerste optreden op een tweehonderdkilometerkoers ging direct heel goed’, onthult ze. ‘Dat was twee jaar geleden op de Oostenrijkse Weissensee. Ik werd tiende. Maar daarvoor moest ik wel tot het gaatje gaan. Ik had het gevoel helemaal kapot te gaan.’Ook bij het nationale kampioenschap, dat, vorig jaar, voor het eerst in tien jaar weer eens in Nederland gehouden werd, ging het goed. Op die koers, op Oostvaardersplassen, waren veel supporters waaronder mijn ouders, afgekomen.’
Vragen naar Kimberly Muusse’s plannen is een voorzet geven voor open doel. ‘Ik hoop deze winter af te studeren en ga dan met schaatsen er vol tegen aan. Dat laatste heeft toch mijn prioriteit.’

Geplaatst: Mug, januari 2010. Foto’s: Hilco Koke

IJskonijn Van Leeuwen maak je niet gek

maianne9Als  schaatsinstructrice op de Jaap Edenbaan mocht ze, na de lessen,  zelf ook graag een baantje trekken. Dat deed ze opvallen hard. Kenners adviseerde haar koersen te rijden. Dat was drie jaar geleden. Anno nu duelleert  Marianne van Leeuwen tegen de nationale top: op schaatsen én skeelers.

Frêle, slank en gekleed naar de laatste mode. Ze oogt alles behalve een  struise, stoere marathonschaatser die de zomer op skeelers door brengt. Maar een kenner weet wel beter.  Onder de kreet  ‘zeg mij wie de knieën zijn en ik zal zeggen wie gij zijt’, ontdekt hij direct dat de scharnieren van  Van Leeuwen  behoorlijk gestigmatiseerd zijn want dragen sporen van  verse valpartijen. Dat betekent één ding: een skeeleraarster. Zelf vindt Marianne van Leeuwen, 40 jaar,  dat niet zó erg. Pijn vindt ze niet fijn, want Van Leeuwen is altijd bang om met veertig in het uur over het asfalt te schuiven.
Voor ze ons betrekt in de wondere wereld van de zoevende wieltjes vertelt ze eerst over de geneugte van zwart ijs, snerpende kou, en wedstrijden over tweehonderd kilometer. Van Leeuwen is namelijk natuurijsspecialist. Dat snelle nerveuze, gedoe op de ijsbanen is duidelijk  niet aan haar besteed.
Waarom? ‘Ik ben een diesel’, onthult ze tussen twee happen tosti in.  ‘Ik doe pas drie jaar aan schaatsen en ontbeer de snelheid maar ook de koerssluwheid voor de marathons op de ijsbanen.’
Harde verrekijker
En wat natuurijs betreft viel ze, afgelopen winter, met haar neus in de boter: om maar een lullig gezegde uit het toetsenbord te trekken. De Oostvaardersplassen, dé hangplek voor vogelaars die een harde verrekijker krijgen bij het zien van de zeearend, was afgelopen winter het Nirvana van de schaatssport. Ondanks de stichtelijke praatjes van onheilprofeten als Erwin Krol, Helga de Leur en die malle weerman van SBS6, over klimaatsverandering, vond daar op 7 januari de hoogmis van het vaderlandse folklore plaats: het kampioenschap van Nederland. Slechts overtroffen door de Elfstedentocht.
Gans het volk,  jarenlang  kampend met afkickverschijnselen, was present.
‘Een gekkenhuis,’ laat Van Leeuwen weten. ‘Dat was ik niet gewend. Het omkleden vond plaats in een schuur van Rijkswaterstaat. We zaten op elkaar. Heel romantisch hoor. Dat was even wat anders dan het gelikte en afstandelijke gedoe op de ijsbanen. Het was nog donker. Buiten was het loeikoud. De pers, televisie en duizenden toeschouwers waren naar de polder gekomen. Iedereen was opgetogen.’
Weissensee
Die Van Leeuwen blijkt een beetje ijskonijnenbloed te hebben: om maar in de juiste terminologie te blijven. ‘Ik had geen last van spanningen, noch kreeg ik daar emoties bij’.
Onder het toeziend oog van miljoenen mensen, want live op de televisie, liet Marianne van Leeuwen zien dat ze, ondanks beperkte trainingsmogelijkheden, hard kan schaatsen. ‘Ik ben een paar keer op avontuur geweest. Maar het peloton liet mij niet gaan. Vijfhonderd meter voor de finish kwam ik in het gedrang ten val’. Een paar weken later nam ze revanche. Bij de Aart Koopmans-trofee, een marathon  gehouden in het Oostenrijkse  Weissensee werd ze derde.
Voor een  ‘vrije’, reclameloze sporter  is het verkrijgen van een sponsor zo iets als het winnen van een prijs in de Staatsloterij. Als je naam maar regelmatig in de uitslagenlijsten opduikt valt die prijs vanzelf. Ook bij Marianne van Leeuwen. Na het eerste jaar werd ze benadert voor een ploeg. Wat ze prompt afwimpelde. Gesponsord worden? Prima maar dan met drie van haar schaatsende vriendinnen. De wielerploeg van Leontien van Moorsel kon daar mee leven.
110 millimeter
‘We zijn door haar gesponsord. Ze vond het leuk om een paar marathonschaatsers te helpen. Sporten op zo’n hoog niveau kost geld dus alle beetjes helpen. Ik schaats  nu in een professionele omgeving. Alles wordt voor je geregeld. Vroeger moest zat ik te piekeren wie mij, tijdens grote wedstrijden, van bidons ging voorzien. Dat is nu allemaal geregeld’.
Maar nu is het zomer. Om het hart én longen op spanning te houden wordt door Van Leeuwen geskeelerd. En niet op huis-tuin-en-keuken rolschaatsen maar op hightechrollers. ‘Honderdtien millimeter wielen heb ik eronder gezet’, verklaard ze geheimzinnig.
‘Dat zijn grotere  wielen als standaard. Het aanzetten is zwaarder maar daar krijg ik kracht van. Ik rij de complete landelijke competitie. De seizoensopening was meteen goed. Ik werd, in een veld van meer dan zestig meiden, zevende.’
Waar ze de tijd vandaan haalt om te topsporten is een raadsel. Ze heeft een gezin met kinderen, is onderneemster, en moet ook nog strakke trainingsschema’s afwerken. Dat Marianne van Leeuwen op een agenda leeft is zeker. En daar zit nou ook de kneep. Zo’n leven is niet lang vol te houden.
Voor Marianne van Leeuwen staat het nu al vast dat ze, hooguit,  een paar seizoen meegaat.
‘Ik werk heel hard, heb een soort reclamebureau. s ‘Morgens vroeg gaat de wekker af. Ik breng mijn twee kinderen naar school. Tussen de bedrijven door train ik wat. Eén keer per week een duurtraining en daar moet ik het mee doen. Als ik een wedstrijd op woensdag heb neem ik mijn zoontje Teun mee. Die vindt dat prachtig. In de winter rij ik ook nog alle landelijke koersen. Dat kan je niet lang volhouden.’

‘Ik ben gewoon sportverslaafd’

Erik-Jan Spijkerman    Sportpagina

 ‘Hij traint als een professional maar krijgt daar geen cent voor terug. Dat kan hem eigenlijk ook niets schelen want sporten doet hij voor de kick. Fietsen, rennen, schaatsen of skeeleren? Het liefst de hele dag en als dat niet gaat dan maar in één wedstrijd bijvoorbeeld de wintertriatlon. En daarin is  Erik-Jan Spijkerman de alleenheerser. In oktober won de student lichamelijke opvoeding de grote wintertriatlon van Assen.

 

 

Skeeleren? Dat is volgens hem een fascinerende maar rare sport. Bloedjelink bovendien. Daar bedoelt hij niet een sullig toertochtje door het Vondelpark  mee maar de kermiskoersen in het Oosten van het land. Of internationale wedstrijden waar die niets ontziende skeelerende gangsters uit Zuid-Amerika aan mee doen.  

Ter illustratie stroopt hij even zijn broekspijp op. Zijn knie maakt de indruk of hij ooit, met weinig succes, een granaat heeft gedemonteerd. Strakke huid heeft plaats gemaakt voor woest littekenweefsel. Omdat hij iets te vaak de  chirurg in het ziekenhuis een hand gaf borg hij zijn skeelers op.

Alpe d’Huez

Erik-Jan Spijkerman (25 jaar) weet waar hij het over heeft. Vijf jaar heeft de student aan de Academie voor Lichamelijke  Opvoeding, in het nationale skeelerteam gezeten. Nóóit  een ‘sportjunkie’ geloven op zijn  woord! Afgelopen zomer bedwong Spijkerman meerdere Alpencols, waaronder de legendarische  Alpe d’Huez: op skeelers.

‘Dat was pas echt zwaar’, trapt Spijkerman een open deur in. Franse automobilisten die mij omhoog zagen klauteren, wezen op hun voorhoofd. Die dachten ook dat ik op skeelers naar beneden ging’.  Natuurlijk niet: Spijkerman mag dan ‘sportdwaas’ zijn maar is natuurlijk niet van de pot gerukt.

‘De wintertriatlon is in oktober en de basisconditie daarvoor, moet ik in de zomervakantie leggen’, verklaart hij zijn bizarre oefentochten. ‘Door mijn studie kan ik overdag niet goed trainen, en moet mij dan, tussen de lessen in, of in de avonduren behelpen’. Het woord is gevallen: ‘wintertriatlon’, die merkwaardige combinatie van rennen, fietsen en schaatsen. Of de toekomstige gymmeester ook op het ijs mee kan komen? Ja natuurlijk! In de wintermaanden was hij een fanatieke marathonschaatser. En dan niet als ‘vrolijke passagier’ maar in de top van de a-categorie.

‘Ik heb vijf jaar in het marathoncircus meegedraaid maar kon de vele avondkoersen, in het land, niet combineren met mijn studie. Het was geen weg gegooide tijd. Ik weet zeker dat, als ik over een paar jaar weer ga schaatsen, de vedetten gemakkelijk kan volgen. Ik pik dat heel snel op. Maar ik heb daar nu geen tijd voor. Aangezien ik  wel  gek op trainen ben heb ik daarom gekozen voor de dingen waar  wel tijd voor is zoals de wintertriatlon en run-bike-run koersen. Daar zijn er maar een paar van in het seizoen. Dat kan ik beter inplannen.’ Zoals de prestigieuze triatlon van Assen – 10 kilometer rennen, vijftig fietsen en twintig schaatsen –  waar Spijkerman, met een verontrustend lage hartslag van zesendertig slagen per minuut, aan de start stond.

Zwaardere benen

‘Het ging lekker’ gooit de latere winnaar een eufemisme er tegen aan. ‘Ik had van te voren een strategie, zover als je dat kan doen. Na het lopen mocht ik maar één minuut verliezen op de eerste. Als je, zoals ik, jaren aan schaatsen gedaan heb dan veranderd je lijf. Ik heb veel zwaardere benen dan een echte hardloper. Ik moest alles op de macht doen en dat zijn langere passen maken.  Dat lukte goed want kwam bij de eerste terug. Met het fietsen heb ik huisgehouden. Ik reed een gemiddelde van dik boven de veertig en kwam als eerste terug op de ijsbaan. Met het schaatsen heb ik het afgemaakt’.

Zoals Dracula een hekel aan de zon heeft hebben wielrenners de pest aan hardlopen want blessuregevoelig. Hoe de student aan de ALO in Osdorp dat probleem opgelost heeft?

 ‘Dat valt bij mij wel mee hoor. Na het rennen kan ik probleemloos fietsen. Maar als ik van de fiets af kom heb ik met schaatsen wél last. De benen voelen dan aan als elastiek. Mijn lijf moet leren daar mee om te gaan’.

Hoe Eric-Jan Spijkerman zijn toekomst eruit ziet is gemakkelijk te raden. Sporten, sporten en nog eens sporten en dan op het scherpst van de snede. En dan niet trainen voor de kat zijn ‘derde oog’ maar met een doel. Spijkerman legt uit.

‘Ik zit nu in het  laatste jaar van mijn studie. Als ik docent ben ga ik maar drie dagen in de week werken. De rest zijn voor de wedstrijden. Ik ben van plan mij te gaan specialiseren op de run-bike-run wat staat voor vijftien kilometer rennen, zestig fietsen en afsluiten met een tien kilometer-ren. Die sport is niet  Olympisch erkend en daardoor is er geen cent in te verdienen. Maar   zwáár en héél leuk’, verteld hij verlekkerd. Spijkerman’s favoriete trainingsgebied is het  Noordhollandse landschap  waar hij over dijken, langs sloten en molens dagelijks, al zwetend, met zich zelf in het reine komt. Maar volgend jaar  verlaat hij zijn polder en zoekt de strijd met buitenlandse de concurrentie op. ‘Ik ga mij dan richten op het internationale circuit. Trouwens, ik heb wel enige ervaring met deze sport. Vorig jaar werd ik bij een grote nationale koers derde’.

En als je honderden kilometers gereisd hebt voor een koers dan laat je niets aan het toeval over. Onder de kreet ‘iedere seconde is er één’ worden niet alleen de longen, spieren en het hart gestaald. ‘Tijdens trainingen boots ik wedstrijdsituaties na zoals het wisselen van fiets. Dat moet heel snel gebeuren. Ik bedenk daar allemaal handige snufjes voor. Zo ren en fiets ik op dezelfde schoenen’, onthult hij.

 

Het gesprek is afgelopen! Met een klap slaat de verslaggever zijn notitieblok dicht, als 

Erik-Jan Spijkerman, 1.85 meter lang en afgetraind tot het merg van zijn botten, nog een bekentenis voor ons heeft.

‘Ik wil nog even terug komen over mijn skeelercarrière. Ik ben regelmatig flink gevallen maar heb ook wel eens mazzel gehad’. Spijkerman heeft het over  die, later beruchte, Dam tot Damrace van een paar jaar geleden, waaraan ook een skeelerrace aan verbonden was.  Met veel gevoel voor details vertelt hij over die afdaling in de IJ-tunnel. Toen een paar honderd skeelers, met snelheden van over de zestig, naar beneden ijlde. En toen, toen was er geen koffie maar ging er iets goed mis. Dat geluid van die   weemakende zachte klap, dat vergeet hij nooit meer.   Opgestapeld lagen ze. Een veldlazeret bij de Slag om Stalingrad was er niks bij.  Ziekenauto’s maakten overuren. En Erik-Jan Spijkerman?

‘Ik was daar net aan ontsnapt. Ik werd tweede in die race’, verteld hij, met een nog verbijsterde blik in zijn ogen.

 

 

Geplaatst: Mug, December 2008. Foto: Hilco Koke