De beruchte quint-Mulder was een feit

quintmulderDat was even een goede investering! Jan Mulder, aanwezig op de wereldtentoonstelling  in Parijs, kocht daar voor zestienhonderd piek, een quintyplette, een vijfmanstandem. Een smak geld in 1895, maar dan had je wél wat. En Jan, bijgenaamd De Houte, wist wel waar hij zijn karretje mee ging bemannen. Mulder kende  nog wel wat jongens. Van die ruwe onbehouwen  knapen waar je een blokkie voor omliep. Mannen net zo wild als Jan en dagelijks te vinden op de wielerbaan achter het Rijksmuseum. De beruchte quint-Mulder was een feit, met Jan, – want het was mooi wél zijn karretje –  aan het stuur. Achter Jans kont Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn, Jan Slesker, en Piet Dickentman. Wedstrijden tussen quinten? Spektakel verzekerd. Vlogen ze niet de baan uit dan was er wel knokken na afloop. Zoals tegen de quint van Italië.  Italianen en sport, een explosieve combinatie.
Het was maar een héél klein zwiepertje die de Houte met zijn jongens uitdeelde. Genoeg om de complete squadra in één klap te elimineren. Nadat de  houtsplinters uit Italiaanse ledematen waren gepulkt ging stuurman Parmac verhaal halen: met een mes in de handen. Dirk van den Berg, een gewezen worstelkampioen, keek ‘per ongeluk’ even de andere kant uit. Het was Dickentman die de rel wist te sussen. Voor quint-Mulder werd Nederland te klein. Jan en zijn rebellenclub gingen voor het grotere werk, want geld, naar Duitsland.Copy of huret9
In Charlottenburg bij Berlijn werd een flatje gevonden:  en wat hadden ze dáár gelachen, vertelde Slesker vijftig jaar na dato in het blad Sportief. Maar er werd ook iedere dag hard getraind op de Friedenaubaan. Vanuit Berlin werd heel Europa bestreken. Quint-Mulder, wat staat voor vijf bravourejongens, verdiende geld als water.
De gangmaakmotor was nog maar net uitgevonden. Behalve koersen tegen andere vijftallen fungeerde  de quint ook als levende gangmaking. Voor niks gaat de zon op en gratis kan je ook nog ‘s in de sloot pissen. Wilde je als profrenner achter Jan en consorten rijden dan  moest de portemonnee open. Honderd mark rekende Mulder voor een paar sprintjes aantrekken. Een financiële klapper werd gemaakt in Hamburg waar behalve wedstrijden voor quinten de  stayerskoers over honderd kilometer het hoofdnummer was. Constant Huret, wereldkampioen stayeren  was dé publiekstrekker. Huret had wél een groot probleem: zijn motor was niet gearriveerd, die stond ergens op één of ander treinperron. Of de quint-Mulder  niet als gangmaker wilde fungeren. Voor twaalfhonderd goudmark ging Jan akkoord.
‘We hebben die Huret honderd kilometer laten jakkeren. Hij werd tweede’, verteld de inmiddels bejaarde Slesker in 1949 aan Sportief.
dirktandemNadat Piet Dickentman in 1899 de overstap maakte naar de zojuist ingevoerde zware motor, was het tijdperk van de vijfzitter voorbij. En de beroemde quint zelf? Die heeft tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de catacomben van het Olympisch Stadion liggen te verstoffen om opeens spoorloos te verdwijnen. Hoogstwaarschijnlijk in de container gegooid.

Foto 1: De quint-Mulder, v.l.n.r. Jan Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn, Dirk van den Berg en Piet Dickentman.
Foto 2: Constant Huret in 1898 achter de motor.

Ideale handlanger van de bourgeoisie

vanstadenpoortOp het ijs het trotse bestuur. Aan de poort hun handlanger, Karel van Staden. Welkom bij de Amsterdamse IJsclub achter het Rijksmuseum. Dat ijspret rangen en standen doet wegvallen, is hoogst twijfelachtig. Zeker niet in het Amsterdam van rond 1900. Want wilde je zwieren en zwaaien op het Museumplein, dan moest eerst de portemonnee getrokken worden. Ruim zeven piek was de jaarcontributie: alleen opgebracht door de welgestelde.  De gemiddelde Amsterdammer, thuis een hok met kinderen, kon dat niet missen en mocht glijden op de grachten en vijvers.
Vorst, ijs en schaatsen. Eeuwenlang de ideale combinatie voor een collectieve vorm van nationale idioterie. Dobberden met een beetje vorst de eenden nog in de grachten, op de baan achter het Rijksmuseum lag er dan een ijsvloer. Voor de elite hét sein om de doorlopers  onder te binden. En wat hadden ze een leut. Vooral in de avond. Bij het ‘feestelijke’ licht van vetpotten, lampions en Bengaals vuur heimelijk de meiden bij hun kont pakken. Onderwijl vermaakt ‘met leuke deunen’ van de  Prinsesse Harmonie onder leiding van dirigent Haut, wat altijd fijn was. Het sportieve proletariaat mocht toekijken. Buiten de hekken wel te verstaan. Verschil moet er zijn. Het bestuur van de ijsclub, mannen met bolhoeden, streeppakken én knettervesten voorzien van gouden horlogeketting, behoefde zich geen zorg te maken om clandestien naar binnen geglipt gepeupel. Daar zorgde Karel van Staden wel voor.vanstaden
Karel, de ideale handlanger van de bourgeoisie, stond namelijk aan de toegangspoort. Van Staden, net zo hardvochtig als het door hem te bewaken ijs, was de schrik van schaatsend en arm Amsterdam. Van Staden, door zijn baasjes benoemd  tot ‘chef der bedienden’ zat daar niet mee. Sterker, de chef was trots op zijn Judasbestaan. ‘Ik heb er al heel wat gesnapt, en uit het gat van de deur geschopt’, vertelt hij glunderend aan Het Nieuws van den Dag. Niet alleen clandestiene schaatsers maakte hij het leven zuur. Ook fotografen. Was er een wedstrijd, zoals het wereldkampioenschap in  1892, en kwam het journaille massaal, dan was het  feldwebel Van Staden die wel even ging uitmaken waar de fotografen mochten staan.  ‘Menig brutale kiek-kast-held had ik tot de orde geroepen’, lult hij in de krant. God weet wat voor schitterende actiefoto’s hij van Jaap Eden, daarmee om zeep had geholpen. Na een winters schrikbewind van vijfentwintig jaar werd de helse poortwachter in 1915, in het clubhuis van de ijsclub verwacht.
vanstadenbestuurKarel werd gehuldigd. Achter de bestuurstafel het voltallige bestuur. Staand,  als een kwispelende kwijlpoedel, de jubilaris. Na een aantal ongetwijfeld niet gemeende woorden kreeg Van Staden een envelopje met inhoud. Wat de Revue der Sporten deed uitroepen dat het ‘Voor den grijzen kerel wel een onvergetelijk moment zal zijn geweest.’ Anders voor menig Amsterdammer wel.

Foto 1: Toegangspoort van de ijsbaan Museumplein. Rechts Van Staden, Foto 2: de ijsbaan op het Museumplein, foto 3: Huldiging van Van Staden.

Bron: Nieuws van den Dag jaargang 1915, Jubileumboek Amsterdamse IJsclub uitgegeven in 1914, Revue der Sporten.

Van onze correspondent in New York

bochelWrakkige, houten, spartaans aandoende stadionnetjes die niet eens die naam verdienden. Kippenhokken voor hooguit een paar duizend man,  waar de timmerman, om de boel overeind te houden, overuren draaide. Niet alleen op de wielerbaan of het veld was het afzien. Op de tribunes werd ook geleden. Voor een bezoeker was het maar de vraag of hij of zij heelhuids het einde haalde.  Dat was de sportbeleving in Nederland zo’n eeuw geleden.
Sport! Een  hoogstverdachte aangelegenheid, waar vooral geen cent aan gespendeerd mocht worden. En wee die sporter die zijn kop boven het maaiveld uitstak. Met goedkeuring van de dominee werd die er onmiddellijk afgehakt. ‘Doe maar gewoon…’, dat soort hypocriete, moralistische geleuter. Nee, dan in Amerika. Mijlenver vooruit! Voor Charles Plaat, redacteur van de Revue der Sporten was het dan ook een cultuurschok. Het is Zaterdagmiddag 15 april 1912, als de man  aanwezig is in New York bij wat nu de Amerikaanse World Series zijn.  Superlatieven waren niet aan te slepen. Voor Charles begon het voorspel op weg naar het Polo Grounds stadium, thuisbastion van honkbalclub The Giants. Verbijsterd constateerde hij ‘drommen menschen die zich in hordes naar het stadion begaven’. Om te vervolgen dat het heel gewoon is dat Newyorkse werkgevers hun employés een uur eerder vrij gaven om de the ballgame bij te wonen.bocheltribune
Plaat kreeg ongetwijfeld spontaan natte plekken in zijn lange onderbroek bij het betreden van het stadion. Zoiets kolossaal had de man nog nooit gezien.  ‘Prachtige dubbel-decked ijzeren tribunes met menschenmassa’s waar wij in de Oude Wereld geen begrip van hebben’, noteert hij ijverig.  Na een korte uiteenzetting over het basebalspel en de match Giants versus the Athletics, beschrijft hij tot in detail de opkomst van de teams. Vooral het fenomeen ‘mascotte’ krijgt zijn aandacht. Anno nu beschikt iedere zichzelf serieus nemende vaderlandse basket- en honkbalclub over een mascotte. De laatste, één of andere kneus die zich in een mal schuimrubber pak hijst en de hele wedstrijd ‘leuk’ is met infantiel en irritant vermaak. In 1912 beschikte men niet over zo’n pak.
bochelstadionDát probleem werd door the Athletics creatief opgelost. De opkomst van het  baseballteam de Athletics, met hún mascotte, (zie foto) wordt door Plaat fijntjes beschreven.   Enfin voor bultenaren waren dat nog eens gouden tijden. Kom daar nu eens om.

Foto 1: De opkomst van the Athletics uit Philadelphia. Foto 2: De in de jaren vijftig gesloopte Polo Ground, Foto 3: De wrakkige Amsterdamse wielerbaan na een klein storm.

Bron: Revue der Sporten jaargangen 1912 en 1915.

Kasseienstamper eindigt zonder benen

crupelandtTour de France 1910. De allereerste etappe met finish in Roubaix.  En daar ging hij toe slaan. Charles Crupelandt, geboren en getogen in Roubaix, en wist niet beter dan dat een weg bestond uit kinderkopjes. Trainde dagelijks over die tering kasseiweggetjes, waar hij zijn toekomstige ‘kinderbijslag’ sluipenderwijs aan gort reed. Crupelandt, zesdejaars prof met een erelijst zo dik als een anorexiapatiëntje. Stond slechts twee keer na afloop van een koers met bloemen te zwaaien. Maar de winter van 1909 werd orde op zaken gesteld. Geen wijntje noch Trijntje. Ascetisch en hard ging er getraind worden. In storm, regen, hagel en sneeuw over die lege sinistere hellepaden.  Charles had dat er graag voor over. Het alternatief was veel erger want de linnenfabrieken van Roubaix. crupeland
Charles, bijgenaamd De Stier van het Noorden hield woord en won. Een Touretappe winnen, aardig voor de statistieken. Maar wil je als Roubiaxian tot je laatste snik onsterfelijk zijn dan moet er iets anders gebeuren. Parijs-Roubaix winnen bijvoorbeeld.  Charles kende de publicitaire waarde van P-R, wist dat de kranten daar dagen lang van vol stonden. Besefte heel goed wat dat te weeg bracht en dacht met huivering aan de hysterische  toestanden aan de finish waar het leger de mensenmassa onder controle hield.
Voor Crupelandt, groot geworden  met het begrip ‘kassei’, zal het een schandvlek zijn als dié klassieker, niet op zijn erelijst stond. De Stier flikte het kunstje. Liefst twee keer. In 1912 dokkerde Charles over zijn geliefde stenen naar eeuwige roem. Twee jaar later ging hij op herhaling. Met een erelijst waarop vier gewonnen Touretappes, én winst in klassiekers als Parijs-Roubaix en Parijs-Tours, brak de Eerste Wereldoorlog los. Charles Crupelandt vocht mee, toonde heldenmoed. Met een Croix de Guerre één van de hoogste onderscheidingen verliet de voormalige kasseienvreter de loopgraven.
crupelandtkasseiZijn leven krijgt dan een wending waar dramaschrijvers een patent op hebben. Crupelandt, wordt namelijk een tragisch figuur, een soort Job op de mestvaalt. De voormalige kasseienstamper gaat zich  met obscure zaakjes bezig houden, wordt betrapt, verguisd en geschorst door de wielerbond. Er volgt een treurig leven vol kommer en kwel waar de diagnose ‘diabetes’ nog bij kon.  Blind, geamputeerd aan beide benen en straatarm sterft de vroegere wielerheld in een tehuis voor daklozen. Lang na zijn dood krijgt Roubaix’ aller beroemdste wielrenner eindelijk de eer die hij bij zijn leven niet kreeg. De allerlaatste kasseistrook in Parijs-Roubaix is naar hem vernoemd. Charles Crupelandt werd negenenzeventig  jaar.
Bron: Vie au Grand Air jaargangen 1909 t/m 1916. Wikipedia

The Little Dutches zat tjokvol dope

‘Plied with drugs, miss Gast feebly pedals on’, kopte de New York Times in een lekker groot corps.  Het mag dan wel 1900 zijn, maar de journalist was niet helemáál van de pot gerukt. Mejuffrouw Gast zat tjokvol dope. Dat zag een blinde. Margareth Gast, vierentwintig jaar, een wilde meid van Duitse afkomst, was bezig een nieuw afstandsrecord te fietsen. Schuimbekkend, met een schurend ‘mutsje’ op een hard zadel, stampte Maggie, twaalf dagen onafgebroken, door. Iedere scheet van Maggie ijverig noterend, lustte de pers daar wel pap van. De conservatieve bewoners langs het vijfentwintig mijl lange parkoers op Long Island, waren niet zó gecharmeerd. Maggie, bijgemaand de Little Dutchess, gegangmaakt door een stel luidruchtige supporters, veroorzaakte een schok.
Maggie Glas, op zestienjarige leeftijd alleen van Duitsland naar Amerika geëmigreerd, was in haar dolle race om erkenning al twee keer bewusteloos van haar karretje getuimeld. Met vlugzout bijgebracht werd ze er weer op geholpen.  ‘Een  schandelijke demonstratie van het menselijk uithoudingsvermogen, terwijl de autoriteiten toekijken’, gooide de journalist nog maar een paar liter olie op het vuur. Als de man in details treedt, leest het verslag als fijne horror. Na de rustpauzes van een paar uur waren haar voeten namelijk zo opgezwollen dat ‘deze in de pedalen moesten worden gewrikt’, om er verlekkerd aan toe te voegen ‘Dat haar  vingers verstijfd door de kou eerst van het stuur werden losgetrokken’.
Aan the Little Dutchess zat natuurlijk een behoorlijke steek los, maar ze beschikte wél over doorzettingsvermogen. Na twaalf dagen, storm, regen en onweer, stond de teller op tweeduizend mijl. Een nieuw wereldrecord, voor wat dat waard was. Maggie, wiens geboortenaam Nagengast was, ging door. Na bijna driehonderd uur zat ze  op zesentwintighonderd mijl als sheriff Abraham Furman ingrijpt en haar van de fiets trekt. Voor Maggie Gast was het fietsen niet opwindend genoeg.
In 1910 maakte ze als stuntrijdster de overstap naar de ‘Wall of Death’. Amerikanen gek op de ultieme superlatief hadden daar geen woord van gelogen.
Motorracen op een steile wand in een kermistent, bestemd voor zwakzinnigen met suïcidale trekjes. Margareth Gast speelde tien jaar lang met haar leven. Jaren vol bloed, spanning en angst. Zag tientallen collega’s verongelukken, of vielen anders voor het  leven invalide. Nadat Maggie Gast voor de zoveelste keer met een ambulance met gillende sirene naar het ziekenhuis was gebracht, nokte ze er mee. Na een leven vol adrenaline begon ze een fitnesstudio, gevolgd door  een saloon genaamd the Little Dutches Inn. Maggie Gast, pionier van het dameswielrennen, superfeministe zonder zelf het woord te kennen, overleed op vierentachtig jarige leeftijd.

Bron: Het digitale archief van de New York Times jaargang 1900, Hall of Fame U.S. Bycycling, Jack Nagengast, achterneef

Eeuwige roem én naderende ondergang

Bordeaux-Parijs, monsterlijke koers over zeshonderd kilometer. Vóór de Tweede Wereldoorlog, op de Tour na, de belangrijkste koers. Althans in België en Frankrijk. Het journaille had het over een strijd tussen Frankrijk en België alsof er een landsbelang in het geding was. Sportbladen én kranten, in extra oplages, stonden er weken vol van. Prognoses werden gemaakt. Achtergrondinterviews met de eventuele deelnemers. Plechtig werd daarbij gesproken over De Derby. Bordeaux-Parijs 1931mét een primeur! Na jaren achter auto’s werd er voor het eerst achter motoren gekoerst. De koers waarin de ster van Bernard van Rijsselberghe flonkerde. Om daarna weer snel te doven.

Zeshonderd kilometer koersen, heroïsch,  maar niet gezond. Daar kwam Bernard Rijsselberghe ook achter. Te laat. Net vijfentwintig jaar geworden en winst in een Touretappe én veertiende in het eindklassement. Voor ploegleider Leo Veron het sein om Bernard van Rijsselberghe op te stellen voor dé klassieke koers van het jaar. Bernard, struis, één brok gezondheid met jeugdig enthousiasme in het avontuur gestort. Pikte in Orleans zijn motor op.
Bordeaux-Parijs, de grensoverschrijdende klassieker, bestemd voor ouwe, doorgetrainde  kerels met een hart van een os en een paar longen waarmee  je een deur uit de sponning blaast.  Niet voor jongens als een Van Rijsselberghe. Die laatste ging heel diep in zijn nog ongebruikte lichaamsreserves. Het begin van het einde. 
Bernard, jakkerend over die eindeloze Franse pokkenwegen. Door en over de gevreesde vallei van Chevreuse. Slopend. Zijn kont leek op een oorlogsgebied. Het bloed stond in de koersbroek. Pijn in rug en lendenen waren niet te verdragen. Raakte van het motorgeronk in een soort hypnose. Moest alert blijven. Kokhalzend en gespannen vlak achter het spatbord. Mocht en kon die geen seconden uit het oog verliezen. Op een gruwelijke zware, vaste versnelling, duwend en stampend op de pedalen. Twee keer lek gereden en zelf gerepareerd. Werd vanuit de  volgwagen verzorgd met bidons vol geklutste eieren, cognac en suiker. Die arme Van Rijsselberghe, kreeg onderweg meerdere instortingen.  Kon op de Côte de Dourdon, een benenbreker, veertig kilometer voor Parijs, de motor niet meer houden. Werd door Jef d’n soigneur opgelapt met zo’n fijne oppepper waarvan je je maar moest afvragen of je dat overleefde.
Voor Bernard was  finish in Parijs met winst dé apotheose, maar ook verlossing uit zijn lijden. Twee jaar later streed de inwoner van Gent nog één keer mee in de frontlijn van B-P en werd tweede. En daarna was het gedaan. Wist in zijn korte carrière maar zes wedstrijden te winnen. Eind 1935,  met een gesloopt lijf waar een auto-ongeluk het er niet beter op maakte, stopte Van Rijsselberghe met koersen. Tot aan zijn dood in 1984 moet de Gentenaar aan die ene, zo glorieuze zondag in 1931,  hebben gedacht. De dag dat eeuwige roem én de naderende ondergang vlak naast elkaar lagen.

Foto’s:  Van Rijsselberghe gelost op de Cote du Dourdon, verzorgd met geklutste eieren mét cognac, én de apotheose in Parijs. 

Bron: Geïllustreerde Sportspiegel, jaargang 1931, Het Rijke Vlaamse Wielerleven jaargang 1943.

Simpeler kan een kampioenschap niet zijn

Een natuurlijke selectie. Want om lid te worden moest je eerst met je harses een kassei doormidden rammen. Pas dan was je welkom bij  k.s.v. Deerlijk, een West-Vlaams wielercluppie. Clubleden als een Marcel Kint, Marc Demeyer, Dirk Demol, en Briek Schotte hadden dan ook granietstenen koppen.  De eerste drie staan als winnaar op de eeuwige erelijst van Parijs-Roubaix. De laatste won twee keer de Ronde van Vlaanderen. In het West-Vlaamse kregen ze niet alleen jeukende ballen bij het zien van die gebutste, gekasseide  strontweggetjes. Marcel Kint en Briek Schotte werden ook nog eens wereldkampioen.
Twee renners van dezelfde club als sterkste prof ter wereld. Ga daar als concurrerende vereniging maar aan staan. En alle twee werden ze wereldkampioen in het Limburgse Valkenburg. Op de Cauberg trok  Kint het regenboogshirt aan in 1938. Tien jaar later, op het zelfde parkoers, ging Schotte op herhaling.  Briek Schotte, d’n IJzeren Briek. Bijna twintig jaar professional. De vlees geworden, ultieme Vlaamse stoemper. De antiheld, mooi van lelijkheid, wroetend op zijn fietsje.  IJlde twee keer naar winst in ‘Vlaanderens Mooiste’.  
Sprak, in staccato, een onverstaanbaar dialect en deed over d’n drog nooit moeilijk. Zag geen kwaad om een, zoals hij dat formuleerde, op zijn tijd, een ‘Captagonneke’ te nemen. Welke toenmalige renner is op dat amfetaminepreparaat  niet groot geworden? Briek, na zijn actieve fietscarrière, werd ploegleider.
Zijn renners die suggereerden dat het vroeger allemaal makkelijker was, werden de mond gesnoerd  met onsterfelijke uitspraken als: ‘Anders dan vroeger? Ge moet tegenwoordig om te winnen nog altijd den eersten zijn.’ Dodelijke logica.  D’n IJzeren, stofbril, tube om de schonkige schouders, koerswielen met vleugelmoeren. Ging, tijdens het wereldkampioenschap 1948,  vanaf het startschot tot de finish in de aanval. Rekende in de slotklim vervolgens af met de Franse klimmer Apo Lazarides.
Briek Schotte wereldkampioen, prolongeerde twee jaar later zijn titel, en kreeg na zijn hemelgang in  2004 de status van Heilige toebedeeld. In Kanegem dokkert  d’n Briek nog steeds over de kasseien, maar dan in brons gegoten.  Desselgem, nog zo’n dorp met een héél hoog Suske en Wiske-gehalte ging daar over heen. Pakte het grootser aan.  Op een metergrote foto kijkt de doorploegde kop van Briek niet alleen neer op  het naar hem vernoemde plein maar ook naar  zijn eigen bronzen monument.
Komende zondag wereldkampioenschap wielrennen op een loodzwaar parkoers in Valkenburg. Indachtig de woorden van Briek Schotte: ‘Zevenentwintig keer over de Cauberg. Ik vond dat niet lastig. Ik ging van ’t gedacht uit dat het de laatste ronde toch arrivée was’.
Simpeler kan een kampioenschap niet zijn. En zo is het maar net.

Foto 2: Links Schotte met Lazarides.
Foto 3: Desselgem, het Briek Schottepleintje
Bron:  de site van ksv Deerlijk

Acht kruisjes jong en nog topfit

Sensatie! Hij klopte de huidige wereldkampioen én grote kanshebber voor de nieuwe wereldtitel. Wie dat was, ‘kopte’ de Franse kranten. Nooit had iemand van hem gehoord. Opeens stond hij er. Deze maand is het precies zestig jaar geleden dat Piet van Heusden wereldkampioen achtervolging werd. Stuyfssportverhalen zocht hem op en kwam terecht in een klein museumpje.

Parijs 1952. Wereldkampioenschap achtervolging, amateurs.  Mino de Rossi, titelverdediger,  had in zijn prijzenkast al een plekje voor een verse  regenboogtrui gereserveerd. De Italiaan was dé grote favoriet. Wat hem betrof was de finale een formaliteit. Met een arrogantie waar Italiaanse renners patent op hebben, plaatste hij een dag voor de eindstrijd handtekeningen uit  met de kreet ‘de nieuwe wereldkampioen 1952’. Mino had er wel trek in, barstte van het zelfvertrouwen. Met zijn tegenstander, een brildragend totáál onbekend ventje uit Amsterdam, had hij snode plannen. Een scenario voor een slachtpartij, met De Rossi als slager, lag klaar. Het liep anders. Het werd een opmaat voor een Latijns drama.
Niet hij de huizenhoge favoriet, maar de totaal onbekende Piet van Heusden, met de snelste tijd door de series gefietst,  kreeg het regenboogshirt aangetrokken. De Rossi droop af op het pad der afgang. Wie die Van Heusden  was, kopten de Franse kranten. Nooit van gehoord. In Amsterdam wel. Zijn faam als jachtrijder was al een jaar bekend. Uit het totale  niets was de drieëntwintigjarige Amsterdammer opeens opgedoken. Piet, een voormalig korfballer, die wel eens iets individueels wilde doen, zat pas drie jaar op de koersfiets. Het was dat clubgenoot Jan Mehagnoul, een sparringpartner zocht. Anders was Van Heusden nooit achter zijn jachtcapaciteiten gekomen. Jan Mehagnoul, een Mokumse  achtervolger die een reputatie als hardfietser had op te houden, werd, notabene in zijn Olympisch Stadion, ingehaald door Pietje. Een jaar later werd Van Heusden nationaal kampioen en mocht naar het wereldkampioenschap in Parijs.
Hoewel De Telegraaf orakelde dat er een nieuwe Gerrit Schulte was opgestaan, doofde de ster van Piet van Heusden even snel als hij opkwam. Na vier keer op rij de nationale titel ‘opgehaald’ te hebben, borg de  voormalige wereldkampioen in 1958 zijn fiets op en  begon een maatschappelijke carrière bij de Amsterdamse krant  Het Parool waar hij tot zijn pensionering actief was.
Verpatste veel gestopte renners hun materiaal, niet Van Heusden. Al helemáál niet zijn baankarretje. Iets waar zulke prachtige herinneringen aan zit doe je niet weg. Anno nu, is Piet van Heusden, 83, conservator van zijn eigen museum. In een speciale kamer staan de tastbare memorabilia aan een sensationele, maar korte wielerloopbaan. Bekers, oorkondes, bossen met overwinningslinten, ingelijste krantenknipsels, foto’s én  het rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd. In een stofvrije doos verpakt in vloeipapier, zitten zijn kampioenstruien waaronder het regenboogshirt. Een ereplaats heeft natuurlijk Dé Fiets.
Niet één seconde had hij erover gedacht die weg te doen. Een relikwie noemt hij dat zelf.  Hij pakt hem op, en je ziet zijn gedachten terugdwalen naar die ene augustusdag zestig jaar geleden. Een lichtblauwe baanfiets met blokketting, die duidelijk door zijn eigenaar gekoesterd wordt. Speciaal voor hem gemaakt en gekregen van de Amsterdamse fietsbouwer Aandewiel, vertelt hij aan Stuyfssportverhalen. Piet van Heusden, scherpe, afgetrainde bruine benen, topfit, mag dan acht kruisjes achter zijn naam hebben, maar blijft een hardrijder. Om de dag maalt hij zijn kilometers weg. Laat Mino de Rossi, en Jan Mehagnoul, ook allebei in de tachtig, en nog steeds op de fiets, maar komen. 

Foto 1: Parijs 1952, Piet van Heusden op jacht naar zijn sensationele wereldtitel.

Foto’s: Van Heusden tussen zijn dierbare sportrelikwieën waaronder zijn fiets, rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd én regenboogtrui.

Joop koos voor zekerheid én de dood

Doping, zo oud als het wielrennen zelf. Hoort er bij als een fles jenever bij een ouderling. Nu, maar ook vroeger. Zo was het en zal het altijd blijven. Niet uit te roeien.  Joop de Wolf had de bedenkelijke eer om als eerste Nederlandse dopeslachtoffer de geschiedenis in te gaan.

De gifkast kende geen geheimen. In het pikkedonker wist hij feilloos de flesjes, voorzien van  een doodshoofd, te vinden. En het gifmengen had hij als apothekersassistent geleerd. Betere aanbevelingspapieren kan je als wielersoigneur niet hebben. Binnen korte tijd behoorde Pierre Viel  in zijn vak tot de top. Om je als renner door Viel te laten verzorgen was spannend. Gaf er een extra dimensie aan. Of je ‘vloog’ op zijn preparaten, of  je hing aan je vingertoppen dagenlang te bungelen boven het ravijn der Dood. Armand Blanchonnet wilde dat risico best nemen.
De brave Armand, won ooit twee gouden plakken op de Spelen van 1924, maar was op  inmiddels op leeftijd. Was van plan om in de Zesdaagse van Parijs 1934, nog één keer te vlammen. Blanchonnet liet zijn ouwe lijf door Viel prepareren tot ‘d’n drog’ uit zijn oren kwam. Op de eerste avond kukelde de voormalige Olympische kampioen  schuimbekkend van zijn karretje. Blanchonnet, dagen lang in coma waarbij artsen voor zijn leven vochten, kwam bij kennis met de legendarische kreet: ‘Ze hebben mij vergiftigd.’ Alsof heel Parijs en omstreken dat niet wist. 
Viel was beroemd.  Of beter gezegd berucht.  Meerdere renners door hem verzorgd werden plotseling ernstig ziek.  Zijn reputatie vloog de wereld over. Tijdens de Zesdaagse van New York werd hem én zijn apotheek de toegang tot het Madison Square Garden verboden. Die Janks, ook niet gek, wisten dat ze met Viel de kat op het dak haalde. In de Zesdaagse van Amsterdam was de Parijse alchemist welkom. Wat de ondergang werd van Joop de Wolf.
Joop, eerzuchtig, jong, verbrak op een haar na  het werelduurrecord. Kreeg voor deze prestatie een contract voor de six van zijn eigen stad.  Voor Wolf  een uitgelezen kans om zich voor eigen volk te bewijzen. Amsterdamse Joop nam het zekere voor het onzekere, en liet zich door Viel verzorgen. Enige weken later was Joop dood. Een longontsteking zo luidde het officieel. Maar insiders wisten beter. Jonkheer Bosch van Drakenstein, secretaris van de toenmalige Nederlandse Wielerbond, eiste een onderzoek. De NWU weigerde. Joop de Wolf , 25 jaar, werd bijgezet op begraafplaats Vredenhof. En zijn naam verdween in de doofpot .

Foto’s: linksboven Pierre Viel, rechts Armand Blanchonnet, Linksonder Joop de Wolf én zijn begrafenis.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1935, Sport Revue jaargang 1934.

De ulevel van Moos

Van sportfotograaf Guus de Jong, regelmatig bezoeker van deze blog, ontving Stuyfssportverhalen een serie mooie historische foto’s, door De Jong ‘geschoten’  in het Olympisch Stadion. Op één van de foto’s staat naast  renner Martin Wierstra, samen met gangmaker Lucien van Ingelghem, ook soigneur Moos Bremer: helemaal rechts. De laatste is voor Stuyfssportverhalen een icoon uit zijn wielerjeugd.

Als piepjong rennertje zat ik ‘in de verzorging’ bij  Moos Bremer: mijn vaste masseur. Moos hield praktijk in een bovenhuisje ergens in De Pijp, Amsterdam. Moos was niet zomaar een ‘benenpoetser’. Moos had een naam op te houden. Bewoog zich al meer dan vijftig jaar als soigneur in het wielerwereldje. Als Moos mij masseerde was ik goed doordrongen van het feit dat diezelfde handen ook de onderstellen van Gerrit Schulte, Peter Post, Wim van Est en een hele rits vedetten,  hadden beroerd. Moos was mijn goeroe. Ik was ‘in Moos’.
Tijdens één van de massages vertelde Moos mij dat ik slechte benen had. Van Moos, in witte doktersjas, mocht ik nog maar één liter vocht per dag drinken. En mijn trainingen diende afgewerkt te worden met een ulevel achter de kiezen. Een tiental apotheken had ik in Vlaanderen afgestroopt voor ik erachter kwam dat het begrip ‘ulevel’ stond voor een zuurtje. Ik was jong. Wist van niets. Met een wijnbal van Jamin achter de kiezen maalde ik mijn dagelijkse kilometers weg. Op een dag gebeurde een wonder. Het scheenbeen oogde als een scherp zwaard. En de rest van mijn benen vertoonde het uiterlijk van een landkaart. Ieder adertje en spiertje was goed te zien. Ik had ‘goede benen’. Tevens was ik een nierpatiënt.
Op een ochtend plaste ik onder helse pijnen een niersteen als een handgranaat uit. Wie mij dat wijs had gemaakt vroeg de internist, nadat ik vertelde van die liter vocht én mijn trainingen. Nooit, maar dan ook nóóit verraadde ik mijn goeroe. En wat wist zo’n internist nou…  Ging over Moos niet het hardnekkige gerucht dat deze, met de inhoud van zijn koffertje, een dode weer tot leven kon wekken? Ik bedoel maar!
Ondanks Moos’ verzorging had ik het als renner niet verder geschopt dan een meerijder. En  Moos Bremer, een aardige, lieve man, is al decennia niet meer onder ons. Met Moos is ook het begrip ‘geheimzinnige soigneur’ uitgestorven. Het wielrennen een stuk romantiek armer…

Foto rechts: Jaren twintig, Moos Bremer winnaar van de Kikkertbeker een tijdrit. Moos maakte, na zijn fietscarriere, het prachtige, en inmiddels uitgestorven vak van wielersoigneur eigen.

Foto: Guus de Jong

error: Content is protected !!