De blinde kip pikte zijn graantje mee

smoelwerkreneWie in 1948 de absolute favoriet was? Ferdinand Kubler en niemand anders. Gokkers hadden hun geld massaal op de Zwitser gezet want hij alleen werd in staat geacht om de Grand Prix des Nations, ’s werelds meest prestigieuze tijdrit, te winnen.
De Grote Landen Prijs, honderdveertig kilometer lang,  hét Nirvana van de tijdrijders. Roem, faam én vette contracten voor de winnaar. Van een blinde kip die wel eens een graantje meepikt lagen de bookmakers niet wakker, want dé chronospecialist bij uitstek, Fausto Coppi, had afgezegd.  Kubler, in bloedvorm, had de Ronde van Zwitserland gewonnen en van hem werd verwacht dat hij, het parcours over de heuvels rondom Parijs,   het snelst zou afraffelen. Met Ferdinand op je gokbriefje zat je wel snor… Maar niet heus!
Voor gokkers én bookmakers, maar vooral voor Dolle Ferdinand, werd de Grand Prix een verschrikkelijke nachtmerrie. Want de kenners, en iedereen die daarvoor door ging, had die ene volkomen onbekende René Berton, een broodmagere bonenstaak, over het hoofd gezien. Zelf had René er helemáál niet op gerekend dat hij, een simpele, eenvoudige prof met nul overwinningen,  geschiedenis zou gaan schrijven. berton1
Het leven als beroepsrenner was voor René een zwaar labeur. Vanaf 1946, het jaar dat hij zijn proflicentie aanvroeg, was het sappelen geweest. Het waren jaren van hard trainen, koersen rijden én weinig geld verdienen: van de opbrengt van zes gewonnen regionale koersen kon zijn kacheltje niet branden. Voor René een mazzeltje dat zijn elf jaar oudere broer Alfred in hem geloofde en hem financieel ondersteunde anders had hij allang de koersfiets opgeborgen en zijn oude stiel als automonteur weer opgepakt.
Na een redelijke voorjaarscampagne in de klassiekers van 1948, brak Berton in  Parijs-Roubaix zijn schouderblad, dat betekende drie maanden herstel en even zolang geen poen. En op 19 september 1948 zit het wegseizoen  er bijna op. Voor de Girodijn rest nog één kans: de Grand Prix des Nations .
‘Maak je niet druk, René’ fluistert Alfred, tien minuten voor de start zijn broertje in het oor. ‘Je zult zien dat het allemaal goed komt’. Het was dan ook een gok die Berton genomen had. Voor de voormalige automonteur gold het credo dat ieder grammetje op je fiets er één te veel is. Met een volkomen ‘uitgekleed’ karretje, met maar één rem, géén versnellingsapparaat, noch bidonhouder maar wél 32-spaaks wieltjes en banden zo dun als worstenvelletjes, stond de bonenstaak de  start.
Wat volgde was de meest memorabele dag uit Rene’s leven. Plat op zijn fietsje, met de handen als klauwen in de bocht van het stuur, stofbril op, mond wagenwijd open,  raasde René Berton de honderdveertig kilometer af met een gemiddelde van 39 kilometer.
berton2Berton won daarmee niet alleen de GP maar klopte Kubler met meer dan vier minuten, en verbrak het veertien jaar oude parcoursrecord van Magné met vijf minuten.
Ongetwijfeld heeft René, tot aan zijn dood in 2006 nog vaak aan die negentiende september 1948 gedacht.  Het was dan ook de enige grote internationale overwinning in zijn carrière die in 1954 eindigde. 

Foto’s: René Berton tijdens zijn enige grote overwinning.

‘Verrek Kurt, ben jij dat?’ ontmoetingen aan het front

Project1Tijdens zoektochten in de digitale archieven stuitte Stuyfssportverhalen op een merkwaardig én curieus krantenartikeltje geplaatst in  december 1939. Wat voor deze blog tevens een mooie aanleiding is om  even bij de oorlog ‘stil te staan’.

 Terwijl Neurenberg volstroomt voor de partijdagen, de Hitlerjugend stampend en zingend door de straten trekt,  het leger zich opmaakt voor de naderende Blitzkrieg, en Joseph Goebbels het sinistere scenario voor de Kristalnacht uitwerkt, wordt er ook nog  gekoerst.
De ronde van Duitsland 1938. Met als topfavoriet Kurt Stöpel. De oude Kurt, in de herfst van zijn carrière, bezig met zijn laatste wedstrijd. Voor Kurt zat het fietsen er op. De oproep voor militaire dienst was al binnen. Nog één keertje vlammen op de fiets voor hij het feldgrau van de Wehrmacht aantrok.
Kurt Stöpel,  wielrenner, en dan niet in de anonieme rangen,  had met Frankrijk een speciale band al was het alleen maar om de Tour de France. Dé koers waarin hij  geschiedenis schreef door als eerste Duitser de gele trui te dragen. Het was maar een pfenning op zijn kantje of Kurt bracht deze trui tot aan Parijs. De editie van 1931 was daarvoor een opwarmer.stopelsmoel
De onbekende Stöpel  knokte zich vijf keer bij de eerste vijf in een etappe.  Om een jaar later definitief door te breken. Wat niemand voor mogelijk hield, flikte der Kurt in 1932 toch maar. Na winst in de tweede etappe naar Nantes, eindigde Kurt Stöpel in het eindklassement op de tweede plaats.
Een Duitser koersend tijdens het interbellum in Frankrijk. Dat was dubbelop strijden tegen een heel peloton Franse renners die allemaal wel een geliefde verloren hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kurt Stöpel  kon met iedere Fransoos het duel aangaan. Ook met Robert Oubron, een jonge prof. In de Tour van ’32 was het de piepjonge Oubron die het de Pruisische renner lastig maakte. Maar dan is het zes jaar later: de ronde van Duitsland. Met zijn laatste krachtinspanningen weet Kurt  als derde op het erepodium te eindigen: één plek voor Robert Oubron.
Robert Oubron zal niet veel later wraak nemen, maar dan niet in een wielerkoers.  Een donkere, koude decembernacht 1939, de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.
oubronsmoelIn het niemandsland aan de Duits-Franse grens stuit een Franse legerpatrouille op een aantal geïnfiltreerde Duitse soldaten. Het komt tot een kort vuurgevecht. Soldaat Robert Oubron laat zijn mitrailleur ratelen. Bij de inmiddels gevangen genomen Duitse patrouille is één soldaat in zijn hand geschoten.
Meegenomen naar de Franse stellingen valt het licht op de gezichten van de krijgsgevangenen. Er klinkt er een verbaasde kreet. ’Verrek, Kurt, ben jij dát?’ Sport verbroedert, doet ideologieën wegvallen. Ook voor Robert Oubron die direct de  hand van zijn vroegere sportmakker én rivaal verbond.
Kurt Stöpel, 89 jaar geworden, heeft ongetwijfeld in zijn lange leven over die bijzondere nacht na gemijmerd. En Robert Oubron? Na de oorlog nam hij zijn carrière weer op en koerste tot begin jaren vijftig. Oubron stierf op zesenzeventigjarige leeftijd.

Foto’s 1 en 2: Kurt Stöpel. Foto 3: Robert Oubron.
 Bron: Sport Revue jaargang 1933. Het Volk (United Press),  december 1939.

Veldwachter verantwoordelijk voor helse zondag

woenselrennersTijdens de hoogmis had pastoor Oomen het moeilijk. Onder zijn kazuifel, diep weggeborgen in zijn jaegeronderbroek, maakte z’n pielemuis namelijk amok. Terwijl mijnheer pastoor een wellustige blik werpt op de misdienaar, staat buiten de kerk veldwachter Peters op wacht, en zit wielrenner Perere, koersend over boerenpaden, in de kopgroep.  Wat een doodgewone augustuszondag in het  Brabantse Woensel anno 1901, had moeten worden werd een helse Dag des Here: met dank aan veldwachter Peters.
Koddebeier Peters, had het best getroffen met zichzelf. Het ging zijn dag worden. De bromsnor van dienst, nooit iets spannender meegemaakt dan het betrappen van een boer op aanlengen van de melk, moest nu een paar duizend mensen in bedwang houden, wat hem wel toevertrouwd was.  Het was dan ook de eerste grote wielerronde van Woensel. Staand in de Woenselsestraat, tegenover het tramstation, draaide hij de punten van zijn snor omhoog, en maakte zich nog maar even breder. Achter zijn rug dromde het grauw op want wilde niets missen van de koers. 
‘Goedverdoeme’, mompelde de gemeenteveldwachter, wiens blaas op knappen stond, ‘Waar blijven die gasten nou?’ Om zijn blik te verruimen, deed Peters een paar stappen naar voren: wat er één te veel was. Woensels eigenste sheriff komt in botsing met de aanstormende  kopgroep van zes renners. De voluit sprintende Van der Horst, afkomstig uit Strijp, knalt voluit op Peters, die enkele meters verder bloedend uit vele wonden op de keien belandt. woenselofficial
Drie renners duiken over de ernstig gewonde veldwachter, waaronder ene Perere afkomstig uit Helmond. En de laatste ging geschiedenis schrijven, door als eerste Nederlandse renner tijdens een koers dodelijk te verongelukken. Terwijl Perere met een gebroken nek naar het ’t Liefdehuis in Woensel wordt afgevoerd, snelt pastoor Oomen, met een rode, verhitte kop naar de stervende veldwachter.
Oomen dient Peters de laatste sacramenten mét wijwater toe waarmee diens ziel in ieder geval gered was.  Dorpsdokter Luugen laat zich ook niet onbetuigd. Nadat Luugen de eveneens ten val gekomen  renner Van Lieshout, afkomstig uit Tongere bij elkaar heeft geraapt, brengt hij, in zijn rijtuig de zwaar gewonde veldwachter Peters naar diens huis. 
woenselsnorDe massale valpartij, mét dodelijke afloop, bracht in het brave Nederland de moralistische scherpslijpers in het geweer. ‘Of dit beulenwerk nog langer behoort te worden toegestaan op niet afgesloten openbare wegen. En dat zoo maar straffeloos de openbare veiligheid in gevaar mag brengen’, vraagt de scribent van het Algemeen Handelsblad zich af. Om te vervolgen dat hij het hele wielrennen ‘maar onmenschlijk vind.’
Dat was dus 25 augustus 1901, een gewone zondag in het Brabantse land. En hoe het met veldwachter Peters was afgelopen? Je kon alles over de man zeggen, maar niet dat hij van porselein was. Na eerst als stootkussen voor zes sprintende renners te hebben gefungeerd, knapte de diender wonderbaarlijk op. Dat laatste was natuurlijk te danken aan het, door Hem,  ingestraalde water toegediend door  pastoor Oomen, waar geen pil, injectiespuit of wat voor preparaat tegen op kan.

Voor de liefhebbers van het morbide wielrennen verwijzen wij graag naar het ‘digitale begraafplaatsje’ van Stuyfssportverhalen.   Kijk op:  https://stuyfssportverhalen.wordpress.com/category/verongelukte-wielrenners/

Foto’s gemaakt omstreeks 1900. Bron: Algemeen Handelsblad augustus 1901

De beruchte quint-Mulder was een feit

quintmulderDat was even een goede investering! Jan Mulder, aanwezig op de wereldtentoonstelling  in Parijs, kocht daar voor zestienhonderd piek, een quintyplette, een vijfmanstandem. Een smak geld in 1895, maar dan had je wél wat. En Jan, bijgenaamd De Houte, wist wel waar hij zijn karretje mee ging bemannen. Mulder kende  nog wel wat jongens. Van die ruwe onbehouwen  knapen waar je een blokkie voor omliep. Mannen net zo wild als Jan en dagelijks te vinden op de wielerbaan achter het Rijksmuseum. De beruchte quint-Mulder was een feit, met Jan, – want het was mooi wél zijn karretje –  aan het stuur. Achter Jans kont Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn, Jan Slesker, en Piet Dickentman. Wedstrijden tussen quinten? Spektakel verzekerd. Vlogen ze niet de baan uit dan was er wel knokken na afloop. Zoals tegen de quint van Italië.  Italianen en sport, een explosieve combinatie.
Het was maar een héél klein zwiepertje die de Houte met zijn jongens uitdeelde. Genoeg om de complete squadra in één klap te elimineren. Nadat de  houtsplinters uit Italiaanse ledematen waren gepulkt ging stuurman Parmac verhaal halen: met een mes in de handen. Dirk van den Berg, een gewezen worstelkampioen, keek ‘per ongeluk’ even de andere kant uit. Het was Dickentman die de rel wist te sussen. Voor quint-Mulder werd Nederland te klein. Jan en zijn rebellenclub gingen voor het grotere werk, want geld, naar Duitsland.Copy of huret9
In Charlottenburg bij Berlijn werd een flatje gevonden:  en wat hadden ze dáár gelachen, vertelde Slesker vijftig jaar na dato in het blad Sportief. Maar er werd ook iedere dag hard getraind op de Friedenaubaan. Vanuit Berlin werd heel Europa bestreken. Quint-Mulder, wat staat voor vijf bravourejongens, verdiende geld als water.
De gangmaakmotor was nog maar net uitgevonden. Behalve koersen tegen andere vijftallen fungeerde  de quint ook als levende gangmaking. Voor niks gaat de zon op en gratis kan je ook nog ‘s in de sloot pissen. Wilde je als profrenner achter Jan en consorten rijden dan  moest de portemonnee open. Honderd mark rekende Mulder voor een paar sprintjes aantrekken. Een financiële klapper werd gemaakt in Hamburg waar behalve wedstrijden voor quinten de  stayerskoers over honderd kilometer het hoofdnummer was. Constant Huret, wereldkampioen stayeren  was dé publiekstrekker. Huret had wél een groot probleem: zijn motor was niet gearriveerd, die stond ergens op één of ander treinperron. Of de quint-Mulder  niet als gangmaker wilde fungeren. Voor twaalfhonderd goudmark ging Jan akkoord.
‘We hebben die Huret honderd kilometer laten jakkeren. Hij werd tweede’, verteld de inmiddels bejaarde Slesker in 1949 aan Sportief.
dirktandemNadat Piet Dickentman in 1899 de overstap maakte naar de zojuist ingevoerde zware motor, was het tijdperk van de vijfzitter voorbij. En de beroemde quint zelf? Die heeft tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de catacomben van het Olympisch Stadion liggen te verstoffen om opeens spoorloos te verdwijnen. Hoogstwaarschijnlijk in de container gegooid.

Foto 1: De quint-Mulder, v.l.n.r. Jan Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn, Dirk van den Berg en Piet Dickentman.
Foto 2: Constant Huret in 1898 achter de motor.

Ideale handlanger van de bourgeoisie

vanstadenpoortOp het ijs het trotse bestuur. Aan de poort hun handlanger, Karel van Staden. Welkom bij de Amsterdamse IJsclub achter het Rijksmuseum. Dat ijspret rangen en standen doet wegvallen, is hoogst twijfelachtig. Zeker niet in het Amsterdam van rond 1900. Want wilde je zwieren en zwaaien op het Museumplein, dan moest eerst de portemonnee getrokken worden. Ruim zeven piek was de jaarcontributie: alleen opgebracht door de welgestelde.  De gemiddelde Amsterdammer, thuis een hok met kinderen, kon dat niet missen en mocht glijden op de grachten en vijvers.
Vorst, ijs en schaatsen. Eeuwenlang de ideale combinatie voor een collectieve vorm van nationale idioterie. Dobberden met een beetje vorst de eenden nog in de grachten, op de baan achter het Rijksmuseum lag er dan een ijsvloer. Voor de elite hét sein om de doorlopers  onder te binden. En wat hadden ze een leut. Vooral in de avond. Bij het ‘feestelijke’ licht van vetpotten, lampions en Bengaals vuur heimelijk de meiden bij hun kont pakken. Onderwijl vermaakt ‘met leuke deunen’ van de  Prinsesse Harmonie onder leiding van dirigent Haut, wat altijd fijn was. Het sportieve proletariaat mocht toekijken. Buiten de hekken wel te verstaan. Verschil moet er zijn. Het bestuur van de ijsclub, mannen met bolhoeden, streeppakken én knettervesten voorzien van gouden horlogeketting, behoefde zich geen zorg te maken om clandestien naar binnen geglipt gepeupel. Daar zorgde Karel van Staden wel voor.vanstaden
Karel, de ideale handlanger van de bourgeoisie, stond namelijk aan de toegangspoort. Van Staden, net zo hardvochtig als het door hem te bewaken ijs, was de schrik van schaatsend en arm Amsterdam. Van Staden, door zijn baasjes benoemd  tot ‘chef der bedienden’ zat daar niet mee. Sterker, de chef was trots op zijn Judasbestaan. ‘Ik heb er al heel wat gesnapt, en uit het gat van de deur geschopt’, vertelt hij glunderend aan Het Nieuws van den Dag. Niet alleen clandestiene schaatsers maakte hij het leven zuur. Ook fotografen. Was er een wedstrijd, zoals het wereldkampioenschap in  1892, en kwam het journaille massaal, dan was het  feldwebel Van Staden die wel even ging uitmaken waar de fotografen mochten staan.  ‘Menig brutale kiek-kast-held had ik tot de orde geroepen’, lult hij in de krant. God weet wat voor schitterende actiefoto’s hij van Jaap Eden, daarmee om zeep had geholpen. Na een winters schrikbewind van vijfentwintig jaar werd de helse poortwachter in 1915, in het clubhuis van de ijsclub verwacht.
vanstadenbestuurKarel werd gehuldigd. Achter de bestuurstafel het voltallige bestuur. Staand,  als een kwispelende kwijlpoedel, de jubilaris. Na een aantal ongetwijfeld niet gemeende woorden kreeg Van Staden een envelopje met inhoud. Wat de Revue der Sporten deed uitroepen dat het ‘Voor den grijzen kerel wel een onvergetelijk moment zal zijn geweest.’ Anders voor menig Amsterdammer wel.

Foto 1: Toegangspoort van de ijsbaan Museumplein. Rechts Van Staden, Foto 2: de ijsbaan op het Museumplein, foto 3: Huldiging van Van Staden.

Bron: Nieuws van den Dag jaargang 1915, Jubileumboek Amsterdamse IJsclub uitgegeven in 1914, Revue der Sporten.

Van onze correspondent in New York

bochelWrakkige, houten, spartaans aandoende stadionnetjes die niet eens die naam verdienden. Kippenhokken voor hooguit een paar duizend man,  waar de timmerman, om de boel overeind te houden, overuren draaide. Niet alleen op de wielerbaan of het veld was het afzien. Op de tribunes werd ook geleden. Voor een bezoeker was het maar de vraag of hij of zij heelhuids het einde haalde.  Dat was de sportbeleving in Nederland zo’n eeuw geleden.
Sport! Een  hoogstverdachte aangelegenheid, waar vooral geen cent aan gespendeerd mocht worden. En wee die sporter die zijn kop boven het maaiveld uitstak. Met goedkeuring van de dominee werd die er onmiddellijk afgehakt. ‘Doe maar gewoon…’, dat soort hypocriete, moralistische geleuter. Nee, dan in Amerika. Mijlenver vooruit! Voor Charles Plaat, redacteur van de Revue der Sporten was het dan ook een cultuurschok. Het is Zaterdagmiddag 15 april 1912, als de man  aanwezig is in New York bij wat nu de Amerikaanse World Series zijn.  Superlatieven waren niet aan te slepen. Voor Charles begon het voorspel op weg naar het Polo Grounds stadium, thuisbastion van honkbalclub The Giants. Verbijsterd constateerde hij ‘drommen menschen die zich in hordes naar het stadion begaven’. Om te vervolgen dat het heel gewoon is dat Newyorkse werkgevers hun employés een uur eerder vrij gaven om de the ballgame bij te wonen.bocheltribune
Plaat kreeg ongetwijfeld spontaan natte plekken in zijn lange onderbroek bij het betreden van het stadion. Zoiets kolossaal had de man nog nooit gezien.  ‘Prachtige dubbel-decked ijzeren tribunes met menschenmassa’s waar wij in de Oude Wereld geen begrip van hebben’, noteert hij ijverig.  Na een korte uiteenzetting over het basebalspel en de match Giants versus the Athletics, beschrijft hij tot in detail de opkomst van de teams. Vooral het fenomeen ‘mascotte’ krijgt zijn aandacht. Anno nu beschikt iedere zichzelf serieus nemende vaderlandse basket- en honkbalclub over een mascotte. De laatste, één of andere kneus die zich in een mal schuimrubber pak hijst en de hele wedstrijd ‘leuk’ is met infantiel en irritant vermaak. In 1912 beschikte men niet over zo’n pak.
bochelstadionDát probleem werd door the Athletics creatief opgelost. De opkomst van het  baseballteam de Athletics, met hún mascotte, (zie foto) wordt door Plaat fijntjes beschreven.   Enfin voor bultenaren waren dat nog eens gouden tijden. Kom daar nu eens om.

Foto 1: De opkomst van the Athletics uit Philadelphia. Foto 2: De in de jaren vijftig gesloopte Polo Ground, Foto 3: De wrakkige Amsterdamse wielerbaan na een klein storm.

Bron: Revue der Sporten jaargangen 1912 en 1915.

Kasseienstamper eindigt zonder benen

crupelandtTour de France 1910. De allereerste etappe met finish in Roubaix.  En daar ging hij toe slaan. Charles Crupelandt, geboren en getogen in Roubaix, en wist niet beter dan dat een weg bestond uit kinderkopjes. Trainde dagelijks over die tering kasseiweggetjes, waar hij zijn toekomstige ‘kinderbijslag’ sluipenderwijs aan gort reed. Crupelandt, zesdejaars prof met een erelijst zo dik als een anorexiapatiëntje. Stond slechts twee keer na afloop van een koers met bloemen te zwaaien. Maar de winter van 1909 werd orde op zaken gesteld. Geen wijntje noch Trijntje. Ascetisch en hard ging er getraind worden. In storm, regen, hagel en sneeuw over die lege sinistere hellepaden.  Charles had dat er graag voor over. Het alternatief was veel erger want de linnenfabrieken van Roubaix. crupeland
Charles, bijgenaamd De Stier van het Noorden hield woord en won. Een Touretappe winnen, aardig voor de statistieken. Maar wil je als Roubiaxian tot je laatste snik onsterfelijk zijn dan moet er iets anders gebeuren. Parijs-Roubaix winnen bijvoorbeeld.  Charles kende de publicitaire waarde van P-R, wist dat de kranten daar dagen lang van vol stonden. Besefte heel goed wat dat te weeg bracht en dacht met huivering aan de hysterische  toestanden aan de finish waar het leger de mensenmassa onder controle hield.
Voor Crupelandt, groot geworden  met het begrip ‘kassei’, zal het een schandvlek zijn als dié klassieker, niet op zijn erelijst stond. De Stier flikte het kunstje. Liefst twee keer. In 1912 dokkerde Charles over zijn geliefde stenen naar eeuwige roem. Twee jaar later ging hij op herhaling. Met een erelijst waarop vier gewonnen Touretappes, én winst in klassiekers als Parijs-Roubaix en Parijs-Tours, brak de Eerste Wereldoorlog los. Charles Crupelandt vocht mee, toonde heldenmoed. Met een Croix de Guerre één van de hoogste onderscheidingen verliet de voormalige kasseienvreter de loopgraven.
crupelandtkasseiZijn leven krijgt dan een wending waar dramaschrijvers een patent op hebben. Crupelandt, wordt namelijk een tragisch figuur, een soort Job op de mestvaalt. De voormalige kasseienstamper gaat zich  met obscure zaakjes bezig houden, wordt betrapt, verguisd en geschorst door de wielerbond. Er volgt een treurig leven vol kommer en kwel waar de diagnose ‘diabetes’ nog bij kon.  Blind, geamputeerd aan beide benen en straatarm sterft de vroegere wielerheld in een tehuis voor daklozen. Lang na zijn dood krijgt Roubaix’ aller beroemdste wielrenner eindelijk de eer die hij bij zijn leven niet kreeg. De allerlaatste kasseistrook in Parijs-Roubaix is naar hem vernoemd. Charles Crupelandt werd negenenzeventig  jaar.
Bron: Vie au Grand Air jaargangen 1909 t/m 1916. Wikipedia