Koninklijke begrafenis én een smartlap

Copy of karelverbistgraf 010Begin november komt er aan. Tijd voor Allerzielen. Een dag om even stil te staan bij de doden. Gedenk het sterven, en bezoek het graf van een geliefde.   En voor de vergeten overledenen?  Stuyfssportverhalen bezocht daarom het graf van Karel Verbist, rustend op de dodenakker van zijn woonplaats Wijnegem, België.
 

De beklemming slaat je direct om de strot. Tragedie is niet ver weg.  Op een kruispunt van twee paden staat een in steen gevangen vrouwenfiguur te snikken. Het is de gebeeldhouwde, troosteloze immense verdriet van een moeder. Met handen voor haar ogen geslagen, leunend tegen een graf. Aan haar voeten een fietswiel. Op de afsluitsteen een lauwerkrans. Naast de moeder een mooie vrouw die liefdevol naar een portret van een jonge man kijkt. Het graf van Karel Verbist, bevindend op een prominente plek van de begraafplaats, is één brok versteend drama. Karel, zesentwintig jaar jong. De trots en toeverlaat van zijn moeder, maar ook een talentvol stayer. Verbist begon de uitslagenlijsten te bestormen. De eerste grote contracten op de Duitse wielerbanen waren getekend.  In 1908 won Karel tien grote koersen waaronder de prestigieuze Grote Prijs van Duitsland. Karel Verbist, zoon van een straatarme moeder verdiende met zijn sport meer dan honderddertigduizend goudmark. Geld waar hij zijn moeder ruimhartig in liet meedelen.Copy of karelvebisthelm
De definitieve doorbraak naar de top was een kwestie van tijd. En dát laatste werd Karel niet gegund. 21 juli 1909, Belgisch nationale feestdag. Opgeleukt met een stayerskoers op de Karrenveld-wielerbaan in Brussel. Een uitverkocht huis, met Karel Verbist, populair bij het volk als dé grote publiekstrekker. Tegenstanders waren Vanderstuyft, Schipke en Samson. Een koers over een uur. En daar ging het helemaal mis. Een scenarioschrijver had er zijn lippen bij afgelikt. Karels dood en begrafenis, die daarop volgde, waren dan ook groots, meeslepend, dramatisch en schokten heel Vlaanderen en ver daar buiten. Met nog één minuut te gaan, in winnende positie, kreeg zijn gangmaakmotor een klapband.  Verbist,  gelanceerd tegen de omheining schoof in de bocht van de baan naar beneden. Werd vervolgens vol geschept door de aanstormende motor van Schipke, en kwam stervend op de wielerbaan terecht.
Copy of karelpad5De stayer afkomstig uit Wijnegem, ten noorden van Antwerpen,  kreeg een  koninklijke begrafenis, waar heel Vlaanderen voor uitliep. Karel Verbist, eenvoudige jongen, werd na zijn hemelgang nóg populairder. Zijn naam zong decennia lang voort. Weliswaar in een smartlap, maar toch.  ‘Kareltje, Kareltje Verbist, had ge niet gereden op d’n pist, dan had ge niet gelegen in Uw kist’, galmde het in de staminees. Een dubieuze eer voor weinig renners weggelegd. De kleine maar grote stayer,  begraven in een graf met eeuwigdurend recht kreeg in 1935 gezelschap van zijn moeder.
De heldendaden van Karel Verbist, zijn ze in Wijnegem nooit vergeten. In 2009 besloot het gemeentebestuur van Wijngem een fietspad naar hun illustere plaatsgenoot te vernoemen.
Bron: Radwelt 1907, 1908 en 1909. Een woord van dank aan Wilfried Vanden Eynden, gemeenteambtenaar van Wijnegem.

Helden gaan niet echt dood

Copy of italie2014 029De poortwachter van het kerkhof voldeed aan alle daarvoor gestelde eisen, want een sinistere ogende simpelaar met een hoge rug. Dat was tenminste mooi meegenomen. Minder was  dat   de man geen uitsluitsel kon geven waar het graf zich bevond. Geen verrassing. Niemand op die dodenakker kon daar antwoord op geven. Op het Sudfriedhof in Keulen was de Deutsche Gründlicheit ver te zoeken. De administratie op het kantoor was van onthutsende eenvoud. Een tiental ordners en geen computer. Goddank was daar ene Claus, doodgraver van dienst. Een zwijgzame kale man in fluorescerend jack. ‘Ah, dem Radfahrer’, riep de delver op de vraag. Vijf minuten later stond Stuyfssportverhalen aan het graf van Peter Günther.
Peter Günther meer dan vijftien jaar profstayer. Won in zijn carrière honderdvijftig koersen. Werd in 1911 wereldkampioen. Werd met zijn sport een gevuld man. Verdiende  een kwart miljoen goudmark. Met zoveel poen was  Günther evengoed een somberaar. Op alle foto’s van hem kijkt  een angstig, schichtig  en depressief Peter je aan.  Godsamme, de man had dan ook wél wat meegemaakt. Begon al bij zijn debuut achter de zware motor op vijf juli 1903. Op de  wielerbaan van thuisstad Keulen. Met de hele familie Günther op de tribunes. In de derde ronde knalden twee motoren tegen elkaar. De aanstormende Peter, achter gangmaker Otto, kon het inferno niet ontwijken. Peter Günther voor dood van de wielerbaan geschraapt, verbleef vier maanden in het Krankenlager. In latere jaren klopte de Keulenaar  nog een paar keer op de deur van het hospitaal. De man had daaruit lering moeten trekken. Maar zeg dat maar eens tegen een adrenalinejunk. Die gaan door. Ook Peter.Copy of italie2014 038
7 Oktober 1918, de Grote Herfstprijs van Düsseldorf. De laatste koers van het jaar. Ook voor Peter Günther. Letterlijk. In de negenenveertigste ronde krijgt zijn motor pech. Peter Günther, vijfendertig jaar, maakt een fatale kukel, en sterft een dag later aan een schedelbreuk. Dat Franz Krupkat deze race uiteindelijk wint is kattengespin. Het lot van Franz lag al vast. Negen jaar later verongelukte ook Krupkat achter de zware motor. Maar dit gaat over Peter Günther die op het Sudfriedhof in Keulen al bijna een eeuw ligt  te wachten op de komst van de Hemelse Heerscharen. 
Het zijn de laatste mooie dagen van het jaar. De herfst hangt in de lucht. De geur van dood is aanwezig.  Op de uitgestorven begraafplaats is alleen zachte geschraap van harkende tuinmannen te horen. Onder dennenbomen staat een bemoste en iets gebutste sarcofaag. Het is de rustplaats van de wereldkampioen. Aan de voorkant een medaillon met de afbeelding van de ongelukkige stayer.
Copy of gunterDe zijkanten van de stenen doodskist zijn bedekt met teksten. Een klein plantje piept tussen het sarcofaag en de drempel er tussen uit. Op de deksel in steen uitgehakt en door een lauwerkrans omgeven  helm die Peter had moeten beschermen.  Peter Günther, de man die ooit  honderdduizenden mensen naar de wielerbanen trok. En is nu totaal vergeten. Maar Helden gaan niet écht dood. Die bleven in herinnering.  Daar zorgt Stuyfssportverhalen wel voor.

Bron: diverse jaargangen Radwelt. Ook dank voor Renate Franz, die de juiste tip gaf.

Een eeuw geleden, maar niet vergeten

pietlint 009Na vijf  zware, pijnlijke  jaren waarin weinig verdiend werd, begon hij als profstayer door te breken.  Na overwinningen in Duitsland zoals de Grote Prijs van Nürnberg 1913 kregen de toonaangevende managers interesse. Het eerste financieel aantrekkelijke contract werd getekend. Wat tevens zijn doodvonnis werd. Vandaag, 14 april, 1914, precies een eeuw geleden,  verongelukte Piet van Nek op de wielerbaan van Leipzig, dodelijk. Zijn overlijden schokte Amsterdam. De volksheld Piet van Nek werd vijf dagen later begraven. Zijn laatste tocht was groots en meeslepend. Langs de route vanaf het ouderlijk huis in de Van Woustraat richting kerkhof stonden meer dan tachtigduizend diepbedroefde Amsterdammers om Van Nek de laatste eer te bewijzen. De lijkkoets met de gesneuvelde sportheld werd gevolgd door drie  koetsen afgeladen met bloemen en kransen. Van Nek, 28 jaar, was het eenenveertigste dodelijke slachtoffer in de levensgevaarlijke stayerssport. Van zijn vele supporters (lees het verhaal hieronder), kreeg de sportheld een monumentaal praalgraf. Van Nek’s laatste rustplaats, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, nooit bezocht, is inmiddels een beschermd monument. Op zijn sterfdag stond Stuyfssportverhalen mét bloemen aan het graf. 

Je bent pas echt dood als je vergeten bent

Copy of graffranzBegin november. De dagen van Allerzielen, Halloween en andere enge occulte zaken. Bezoek het graf van een geliefde, steek een kaars op, prevel een gebed en gedenk de overledenen.  Allerzielen, dé kans om een beminde uit het Vagevuur te redden, waarbij schriftelijke garantie niet wordt  gegeven. Niet geschoten altijd mis, dus doe het, wat kan het je schelen! Al is het alleen maar ter herdenking. Zoals voor Franz Krupkat, gesneuveld op de wielerbaan van het Leipzig anno 1927. De arme Franzy, een oorlogsveteraan, vocht aan het Westfront voor de eer van zijn megalomane  keizer.
Kwam in 1917 met een behoorlijk geestelijke tik uit de oorlog. Nam het leven dan ook niet meer zó serieus. Franz Krupkat, voor de ‘krieg’ al een verdienstelijk wielrenner, besloot daarom maar om achter de zware motor te gaan fietsen.  En reed vervolgens koersen op de meer dan zestig Duitse wielerbanen waar zich wekelijks de vreselijkste zaken afspeelden. Bekijk de oeroude stayersfoto’s en je ziet kerels met strakke, witte, angstige koppen aan de start. Daar tussen staat Krupkat, ingehouden giechelend en proestend. 
De man mocht dan wel een vreemde kijk op gevaar hebben maar won tóch in twee seizoen een aantal prestigieuze koersen waaronder het hoog geachte Preussenmeisterschaft waarbij hij onder meer de oude Piet Dickentman achter zich liet.Copy of graffranz2
Het is niet uit te sluiten dat Franz in de loopgraven, onder Amerikaanse ‘vuur’ had gelegen. In de jaren twintig vorige eeuw moet Franz geen rancuneuze kerel zijn geweest. Voor een serie stayerskoersen aan de Amerikaanse Oostkust tekende hij een dik betaald contract. Heimwee bracht Franz terug naar de Heimat waar hij niet veel later zijn leven beëindigde. Op 2 juni 1927 tijdens een stayerskoers op de wielerbaan van Leipzig krijgt De Vrolijke in de dertiende kilometer een klapband. Franz Krupkat, 33 jaar zal nooit meer lachen. Aan zijn graf staat een diepbedroefde weduwe met haar vierjarig dochtertje.  Net zoals zijn botten is de herinnering aan Franz Krupkat tot stof vergaan. Franz is vergeten.  Maar nu is het  begin november, Allerzielen. Ook voor een sportheld als Franz Krupkat. Maar waar hij begraven ligt?  Zeg het maar. Vermoedelijk ergens in Berlijn. Niemand die het weet of interesseert.
Copy of franzkrupkatNiemand? Wel Stuyfssportverhalen én Tobias Kant afkomstig uit Berlijn. De laatste, vaste bezoeker van deze blog, was bereid om de begraafplaatsen in zijn stad af te zoeken. Wat hem uiteindelijk bracht bij het kerkhof van de Dorotheenstädtischen Gemeinde, waar hij op het graf van de vroeger stayerskampioen stuitte. Franz begraven onder een eenvoudige steen met de tekst ‘Wie door beroep of plicht gestorven is, heeft met zijn dood het eeuwig leven verworven’.
Het eeuwige leven, altijd fijn, maar je bent  pas echt dood als je vergeten bent. Wat dat laatste betreft kan Franz Krupkat  ongestoord verder rusten. In Amsterdam wordt zijn herinnering levend gehouden.

Bron: Kriegsalbum Radwelt jaargangen 1914 t/m 1918, Radwelt jaargangen 1919 tot en met 1927.

Dank aan Tobias Kant voor de moeite en de mooie foto’s.

Door zee van onkruid op zoek graf sportheld

roblgrajsufried 011Twee totaal verschillende werelden. Gescheiden door een zes meter hoge gemetselde muur overwoekerd met klimop. Buiten raast het verkeer over de Kapucinersstrasse. Binnen de muren van het Alter Süderlicher Friedhof hangt een macabere beklemmende stilte. Ooit lag het kerkhof buiten München, maar is in de loop van de eeuwen door de stad ingehaald. Het is zo’n dodenakker waar een Edgar Allen Poe, Bram Stoker, Stephen King en andere jongens van het horrorgenre hun inspiratie opdeden, en waar je voor geen goud wilt zijn als de zon ondergaat. Het begin is goed, en de entree zet de toon. Daar zorgt het piepende,  krakende gietijzeren hek anders wel voor. Hoewel begin september vallen de bladeren massaal. Op het sombere donkere kerkhof staan zonder enige volgorde de monumentale grafstenen, in rijen van zeven,  tussen ruige hoge en wild groeiende bomen. Het is duidelijk dat er geen tuinarchitect aan te pas is gekomen. Weelderig onkruid is het gevecht met de vaak scheefgezakte graven, aangegaan. Zerken worden door boomwortels scheefgeduwd. roblgrajsufried 034
Tussen het bladerenkruin door glipt er een zonnestraal en blijft spookachtig op een graf hangen. Vaag op de achtergrond ruist het Münchener verkeer.  De jongste graven zijn van omstreeks 1918.
De dodenakker, buiten gebruik,  een monument, beetje vervallen, overwoekerd maar daarom ook weer wondermooi. Het Friedhof is de rustplaats van de voorheen upperclass van München.
En ergens tussen de honderden graven ook die van Thaddeus Robl, één der grootste sporthelden van een eeuw geleden (zie ‘link’ hieronder). Om het graf van Thaddy Robl te vinden vereist een zeker doorzettingsvermogen. Er wordt door kniehoog brandnetels gestruind en over groenbemoste grafstenen gebanjerd. Na een uur  zoeken is het resultaat  nul. Als de zon al duidelijk aan het zakken is, blijkt er goddank nog leven op het kerkhof te zijn. Een man in uniform schuifelt rond. Of hij weet waar het graf van Robl is. ‘Robl?’, is het antwoord. ‘Natuurlijk ken ik Robl. Wie niet in München. Hij is nog steeds een grote sportheld hier’, antwoordt Klaus Harde, begraafplaatsbeheerder. Klaus gidst Stuyfsportverhalen naar  de plek waar de voormalige meervoudige wereldkampioen stayeren rust. In een zee  van onkruid, mos, struiken en wild groeiende struweel, is Thaddy’s graf een  eiland van rust.
Het graf is duidelijk als één van de weinigen, onderhouden.
roblgrajsufried 042Aan de voet van zijn steen een eenzaam bloeiende rode geranium. Daarnaast een gevuld wijwatervat met kwast. Op zijn steen een foto van de vroegere sportheld. De geëmailleerde foto blijkt een kostbaar sportparafernalia te zijn. Achttien jaar geleden werd het van de grafsteen gerukt. Sinds een aantal jaar pronkt Thaddy’s konterfeitsel weer op de zerk. Thaddeus Robl, ooit miljonair met zijn sport, was straatarm tijdens zijn sterven. Zijn graf én begrafenis, bijgewoond door tienduizenden, werd betaald door een minnares. Die dat ook deed voor Robls moeder waarvan de tekst op het graf ten overvloede bewijst dat Thaddy zich mocht koesteren in de ware moederliefde. ‘Mutterliebe setzt diesen Denkmal ihren braven Sohn Robl’, liet Frau Robl in de steen beitelen.
De zon zakt, de schaduwen langer, Klaus de beheerder is in het niets opgelost en de stilte wordt beklemmend. Het wordt  de hoogste tijd afscheid te nemen van Thaddy en zijn graf. Stuyfssportverhalen, sprenkelt nog even met de kwast ingestraald wijwater over het graf en betreedt opgelucht het München van 2013.

https://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2013/09/05/thaddy-verachtte-de-dood-als-geen-ander/

Ballero werd in de muur geschoven

Casaquidi, een vlooienpik op de landkaart van Toscane, midden tussen de kwekerijen voor siergewassen.  Kloppend hart het dorpsplein met de kerk van San Pietro, een Banca Toscana, een pizzeria, en café Golcairi, waar ondanks het vroege middaguur mannen met schorre, raspende stemmen, flink staan in te nemen. Of ze hem persoonlijk gekend hadden?   ‘Si, naturalment, era uno  di loro’, hij was één van ons, wordt maar even vertaald. Er wordt naar de muur van de kroeg gewezen. Tussen de sporttrofeeën van de plaatselijke voetbalclub hangt een ingelijste foto van een wielrenner met de tekst ‘Chiao Ballero’.
Franco Ballerini, door de locals liefkozend Ballero genoemd mag dan wel twee jaar dood zijn, vergeten is hij nog niet. Helemaal niet door de Casaquidis, zijn meest toegewijde tifosi.  In de kroeg, op de televisie, zagen ze hun Ballero over de kasseien van De Hel stuiteren. Tijdens Parijs-Roubaix, editie 1992, moeten er in café Golcairi vreselijke, onbeschrijfelijke taferelen  hebben plaatsgevonden.  Ballerini, jongen uit de streek, ver voor het peloton, dansend  over de stenen, met aan zijn wiel de Fransman Duclos-Lassal.  De laatste blij dat er nog leven in zijn lijf zat, kwam niet op kop en beloofde niet mee te sprinten. De afloop behoort inmiddels  tot de top-5 van wielerdrama’s.
 Franco, de gedoodverfde winnaar, werd  met een millimeter geklopt, en stond te huilen als een kind. Om op  de vraag waar het mis gegaan was te antwoorden dat zijn grootste fout was om ooit te gaan koersen. Door rancune en wraak gedreven won de Toscaan daarna nog twee keer Parijs-Roubaix. Twee jaar geleden, inmiddels gestopt als renner, verongelukte Franco Ballerini als deelnemer bij een autorally en werd begraven in zijn geliefde Casaquiri. Waar op de begraafplaats van enige crisis niets te merken valt. De grafstenen zijn zonder uitzondering van glanzend, kostbaar marmer, vaak voorzien van manshoge beelden. De Pieta, Maria met haar gestorven zoon in de armen, is veruit favoriet.
De Pieta mag dan niet echt exclusief zijn, maar dat zal Carlo Tredici ongetwijfeld een rotzorg zijn. Carlo, lokale handelaar in arte funeraria, is een pragmatisch mens. Aan het hek van het kerkhof hangt schaamteloos een reclamebord voor zijn morbide nering. Aan Franco Ballerini had Tredici een slechte klant. De voormalige kasseienvreter werd gewoon in de muur geschoven.  Op drie hoog. Met als buren links en rechts Marcello Gori, en Emma Formili. Boven hem een zekere Marina, een schalks lachende vrouw.
Het graf is mooi door de eenvoud. Een wit marmer afdekplaat met daarop in zilver zijn handtekening, geboorte- en sterfdatum. In reliëf een kasseienpad met een wielrenner. Het portret van Franco Ballerini ervoor, verse plant er achter. Een bidprentje van San Vincinio en een vaantje van de Italiaanse wielbond zijn de enige tekenen van aanwezigheid van supporters. Een jonge vrouw zojuist bloemen gelegd op een graf, komt langs, strijkt over zijn portret en slaat een kruis. ‘Chiao Franco’, fluistert ze, en loopt door.
Franco Ballerini, slechts zesenveertig geworden, de man die twee fouten in zijn leven maakte. De eerste kostte hem een Parijs-Roubaix en de tweede zijn leven want kasseienhelden behoren op de fiets te sterven en niet in een rallyauto.

Foto 2: Het Rai-Dernycriterium uitvoering 1995. Franco Ballerini achter Jan Jonker.

Het begon met een pakje kauwgum

Diep in de middag. Het is kil, somber, mistflarden hangen rond de heuvels. In de verte flitst onweer. Ergens luidt een kerkklok. Geen mens, dier of auto te bekennen. De gebruikelijke blaffende hond ontbreekt. De Apennijnen als een perfect decor van een Draculafilm.  Na een zoektocht van enkele uren wordt Castellania bereikt, een boerendorp, hooguit enkele honderden inwoners, hoog weggestopt in de Apennijnen. Vraag aan een willekeurige wielerkenner wat daar te zoeken is en hij dreunt het antwoord op. Voor de onwetende: het is het dorp waar Fausto Coppi geboren én begraven is. Castellania, geen reet te beleven. Je wil er niet eens dood gevonden worden. Zie het maar als een soort van bedevaart. Een boetedoening. Voor Coppi-adepten maakt dat allemaal niets uit. Die hebben de tocht er graag voor over. Het dorp is één groot museum met maar één onderwerp, Fausto himself.
Fausto Coppi, treurig leven, jong gestorven,voor sommigen een cultheld. Marylin Monroe, James Dean, dat niveau dus. Maar dat laten we maar aan labiele sensatienichten over. Voor Stuyfssportverhalen is Coppi, de kampioen onder de kampioenen, want won vijf keer de Giro d’Italia, droeg dertig keer de roze leiderstrui, ging twee keer met een Touroverwinning naar huis, was wereldkampioen, won de grote klassiekers en verbrak het werelduurrecord. De  man kende ook een dramatisch leven. Hoe dat precies zat verwijzen wij graag naar de boeken van Jan Zomer, Wout Koster, Martin Ros en vele tientallen andere auteurs. Wij komen voor het ultieme Coppigevoel dat begon in de jaren vijftig bij het openen van een pakje kauwgum mét wielrenplaatje. Trof je Coppi in je Bubblegum dan kon je dag niet meer stuk.  Daar is het vermoedelijk mee begonnen. Fausto Coppi als jeugdheld.
 Met nog twee bochten  richting Castellania te gaan zie je boven je Il Campionissimo in volle glorie verschijnen. Tegen de donkere lucht op een  electriciteitsgebouw een vijf meter grote foto met een dansende Coppi tegen de flanken van de Izoard. Dat is de overture van wat nog te wachten staat. Het hele dorp blijkt één grote eerbetoon te zijn aan hun aller beroemdste inwoner ooit. Op iedere schuur, blinde muur, of woningen,  foto’s uit zijn loopbaan. En niet van dat lullige, benepen gedoe maar afmetingen type billboard. Coppi als jeugdrenner, na zijn werelduurrecord, de Ronde van Italië  en zeg het maar: het hangt er allemaal.  Dat zijn geboortehuis een museum is dát geloven we wel. Wij gaan voor het grote werk  Zijn graf. En dat gaat de grenzen van de verbeelding ruimschoots voorbij. Alsof er een koning ligt begraven.  Zoiets kan alleen door een katholieke architect zijn ontworpen. Kolossaal, pompeus en theatraal in omvang, compleet met altaar.
Daar achter het graf waar Coppi niet alleen rust. Naast hem ligt zijn broer Serge,  ook wielrenner, en net zo ellendig en jong aan zijn einde gekomen. Kwam om bij een valpartij in de ronde van Piemonte, negen jaar voor zijn broer. Maar wij komen voor Fausto en staan als enige aan diens graf. Enkele meters naast het grafmonument een kapel. Zonder  de gebruikelijke roomse parefarnalia. Aan alle muren, van onder tot het plafond relikwieën uit de wielergeschiedenis. Roze-, gele én wereldkampioenshirts van Fausto Coppi maar ook de regenboogtruien van Vittorio Adorni, Francesco Moser, de gele trui van Louis Bobet, kampioenshirts van Gavazzi, Barronchelli en andere voormalige fietshelden, als ode aan de oude meester.
Tussen al die wielerschatten ook een kaal, gebutst, oud racestuur. En dat ene lullige stuurtje is het meest ontroerende object. Het zat op de fiets waarmee Serse Coppi de dood vond.