‘Flirt met de Dood’

kaft andreStayeren in de oertijd was Russische roulette op twee wielen! Horror op de wielerbaan! Want de veiligheid was net zo zeldzaam als een ijsschots in de Sahara.  Het werd een bloedbad. Binnen korte tijd vonden bijna veertig renners de dood. Het aantal ongelukken waarbij stayers het nog na konden vertellen bedroeg een veelvoud.
Renners gingen niet lang mee, want als ze al niet verongelukten, was de angst voor valpartijen té groot.

Amsterdammer Piet Dickentman was, vanaf 1900 tot 1928 actief achter de motor! Een prestatie die niet genoeg geroemd kan worden. ‘Flirt met de dood‘ beschrijft het fascinerende leven van Piet Dickentman. Stuyfssportverhalen dook hiervoor in de archieven. Een duik die bijna een jaar duurde. Maar niet alleen in stoffige en dorre archieven werd gezocht, ook werd gesproken met Lotti Dickentman, Piet’s negentigjarige dochter, én Pieter Dickentman, de kleinzoon van de stayerslegende.  Voor ‘Flirt met de dood’ stelden Lotti en Pieter tientallen nooit eerder gepubliceerde foto’s beschikbaar.

● Maar meer, want de zoektocht naar sporen van Amsterdams eerste sportheld voerde ook naar de Scheldestraat: de straat waar Dickentman, tot zijn dood, gewoond had. En daar blijkt de ‘ouwe krijger’ nog steeds niet vergeten te zijn…
● Bij het onderzoek naar Piet Dickentman werden ook de namen van de verongelukte stayers boven water gehaald. Wie waren die jongens? Wat bezielde ze om wekelijks hun leven op het spel te zette? Hoe zagen ze er uit? Wat was hun maatschappelijke afkomst? En tot slot waar beëindigde ze hun korte leven…?
● Neem Willy Schmitter, in dagelijks leven drogist in het vreedzame dorp Mühlheim aan de Rijn. Willy had met zijn nerinkje in pillen en poeders rustig oud kunnen worden. Totdat… totdat Willy begon te stayeren…! Willy zal nooit meer het water door de Rijn zien stromen!
● Of neem de  ‘de schooljongen van Roxbury’, wiens leven én dood zich laten beschrijven als een heuse smartlap…!

‘Flirt met de dood’ is een monumentje voor Piet Dickentman, een al lang vergeten sportheld,  en telt honderd pagina’s vol ‘leesplezier’ met tientallen unieke foto’s.

Uitgave: Stuyfssportverhalen
Het boek, onder vermelding van naam en adres, is te bestellen door overmaking van
14.95 euro, (incluis  verzendkosten) op ING-rekening 2828253
t.n.v. A. Stuyfersant.

Het boek is ook te verkrijgen bij:

Ger Bike’s
Brink 15 Watergraafsmeer/Amsterdam (Betondorp)

Stadsboekenwinkel
Vijzelstraat 32 Amsterdam

Beekhoven Bikes
Zuideinde 477 Amsterdam-Noord

Info: stuyf@msn.com

Basketbal is mijn leven

Jesse Voorn , sportpaginaDoor het faillissement van de hoofdsponsor heeft de creditcrisis ook bij basketbalclub de Astronauts toegeslagen. De vedetten, waaronder een handvol Amerikaanse spelers, hebben de kampioen van Nederland de rug toegekeerd. Voor het nieuwe seizoen moet trainer Arik Shivek nu een beroep doen op de jeugd. Aan Jesse Voorn zal het niet liggen want die zit barstensvol moraal.

Met een soepele, bijna sluipende pas maakt hij zijn entree in het café behorend bij Sporthallen Zuid. Dat het een leuke jongen is was de barjuffrouw niet ontgaan. Met kirrende geluidjes begroet zij Jesse Voorn die verlegen terug knikt. Iedere dag is Voorn, 19 jaar, op het parket van de sporthal aan het trainen. Jesse Voorn is dan bezig met het realiseren van zijn ultieme jongensdroom het worden van een goede basketbalprof. Maar het was maar een dubbeltje op zijn kant of Voorn was bokser geworden. En dat is nou ook weer niet zó verwonderlijk. Op piepjonge leeftijd kreeg hij van zijn vader, een voormalig profbokser, al bokslessen. De boksring was een kwestie van tijd.
Maar het leven kent van die verrassende wendingen. Laat die ‘Ouwe’ Voorn ook nog eens helemaal lijp van het basketballen zijn. Op de sportzender werd urenlang naar wedstrijden uit de Amerikaanse NBA gekeken. En Jesse liet de bokshandschoenen voor wat het was. ‘Dat vond ik toch zo prachtig,’ begint hij. ‘Die lange kerels die met de bal alles konden. Die hele entourage, die spanning. Dat wilde ik ook gaan doen. Met een bal deed ik alles na wat ik op de buis zag.’ Als jochie van tien jaar meldde hij zich in de Apollohal waar basketbalclub Lely hem de beginselen van het spel bijbracht. Maar als je talent hebt en je wilt in die sport verder komen dan ben je aangewezen op het eveneens in de Apollohal huizende club Mosquito’s. De jeugdteams van de ‘muggen’ behoren tot de sterkste van het land en de bijbehorende nationale titels zijn niet meer te tellen.
Contractje
‘De Mosquito’s zijn een kweekvijver voor basketbaltalent’, bevestigd Voorn de reputatie van de club. ‘Ze hebben een trainingsstaf van oud-profs die alles uit je halen wat er in zit. Jaarlijks stromen spelers door naar de betaalde clubs in het land’. En daar zit hem nou ook de kneep: jonge, aankomende basketballers, spelen overal behalve bij eredivisieclub de Astronauts. In de Sporthallen Zuid wordt jaarlijks het welbekende blik met Amerikaanse spelers open getrokken. Dat Voorn, 1.92 meter lang, ondanks dát, vorig jaar tóch een contractje kreeg, zegt alles over zijn talent. Maar al kan je nog zó goed spelen, mik je de bal van uit alle standen in het netje en heb je een illusionistische dribbel in huis dan wacht je toch maar één plek: de bank.
‘Ik ben als bankspeler begonnen. Wat zeggen wil dat je af en toe kan opdraven. Maar ondanks al die Amerikaanse sterspelers kreeg ik vorig seizoen genoeg kansen. Op belangrijke momenten mocht ik meedoen. Trainer Shivek heeft vertrouwen in mij. Trouwens het ligt ook aan mijzelf,’laat hij realistisch erop volgen. ‘of ik een basisplek verover’. Maar ook op de bank doet hij ervaring op, gaat zijn leerproces door. ‘Vorig seizoen speelde wij Europacup. Die wedstrijden in het buitenland met een bomvol stadion zijn fantastisch. Daar leer je wel met spanning om te gaan.’
Tering naar de nering
Hoewel de club er iets anders over zal denken komt de creditcrises voor Voorn niet ongelegen. Door het faillissement van de hoofdsponsor moet de ‘tering naar de nering’ gezet worden wat voor de Astronauts betekent dat, onder andere, de Amerikanen de club hebben verlaten. Voor het nieuwe seizoen, dat begin deze maand start, moet Arik Shivek een beroep op de jeugd doen. ‘Ik heb tegenstrijdige gevoelens over het vertrek van die Amerikanen,’nuanceert Voorn zijn debuut. ‘Van jongens als Terry Gibson, Orion Green en CC Harrison heb ik veel geleerd. Het zijn echte profs die in hun land op een hoog niveau hebben gespeeld. Als je ieder dag met die jongens traint wordt je daar echt beter van. Maar ik ben ook wel blij dat ik nu deze kans krijg. Op het veld staat nu het jeugdteam met allemaal héél jonge spelers. Maar de trainer weet er wel iets van te maken.’
Vorig seizoen streed de Astronauts tegen concurrent Den Bosch om het kampioenschap. In een kolkend en compleet uitverkochte Sporthallen Zuid grepen de Amsterdammers de titel met de bijbehorende deelname aan de Europacup. ‘Wij gaan inderdaad Europa in. In feite zijn wij maar een jeugdteam en moeten tegen geroutineerde profs spelen. Als team moeten we beseffen dat dit geen grap is,’ neemt Voorn zijn verantwoording.
Jesse Voorn is jong, werkt hard, leeft voor zijn sport en wil alles uit zich zelf halen. ‘Als ik drieëntwintig jaar ben wil ik als speler compleet zijn. Dan hoop ik op een redelijk internationale carrière. En als dat niet lukt blijf ik altijd basketballen. Dat is mijn leven.’

Geplaatst: Mug oktober 2009 Foto: Hilco Koke

‘Ik ga voor Nederland tillen’

mug_maart_2009_52_721

Wil je als Amsterdamse gewichtheffer de internationale top halen dan moet je niet alleen spieren van Zweeds staal hebben  maar ook nog eens beschikken over een mentale instelling van gewapend beton. Want getraind wordt in een stervenskoud schuurtje. Bij amper drie graden boven nul tilt, trekt en stoot  Safak Ekici, iedere dag, urenlang, honderden kilo’s koud en kil ijzer boven zich uit.

 

‘Slappe deegstengels’, met narcistische trekjes, hebben er niks te zoeken. Die staan liever, in een verwarmde sportschool, voor een spiegel, spieren te ‘pompen’. Waar Safak Ekici traint is niet eens een spiegel! Daar is helemaal niks! Ekici, traint  in een schuurtje met de lieflijkheid van een Duitse bunker, waar een klein petroleumkacheltje een, bij voorbaat verloren gevecht, tegen de kou voert.  

Maar wat daar wél is zijn tientallen ijzeren schijven, een stang  én een deskundige trainer. In dergelijke ascetische omstandigheden moet je toch helemaal knots van de halter zijn om daar iedere dag, urenlang, te trainen. Als ze dat in Bulgarije ter ore komt,  hét gewichtshef-land bij uitstek, zakken ze snikkend van het lachen in elkaar.  Maar Safak Ekici doet niets liever!

Barbaarse omstandigheden

Ekici, 21 jaar, met een schouderpartij van een Mechelse pronkkast, wil dan ook de Europese top halen. En de weg naar die top is nou eenmaal hard en meedogenloos.  Wil je daar komen dan moet er eerst geleden te worden, het liefst onder barbaarse omstandigheden. Slechts kerels die hun verstand op nul zetten lukt dat. Wat dat betreft heeft Ekici, met zijn schuurtje, al een voorsprong. Maar wat is nou de lol om honderdtien kilo ijzer vlak boven je hoofd te laten balanceren? 

‘De uitdaging,’ antwoord de Amsterdammer van Turkse afkomst. ‘Je grenzen ontdekken. Om een maximaal gewicht boven je hoofd te krijgen, dát is de kick.’ Kijken naar een halter is een stang zien met daaraan een massa ijzer. Een dood ding waar hooguit een oud-ijzerboer ‘broekbobbelig’ van wordt. Maar dat blijkt niet zo te zijn! Want een halter kan emoties op roepen: je schijnt er godsgruwelijke razend op te kunnen worden.

‘Op wedstrijden ben ik heel agressief, dan ben ik heel kwaad op de halter’ onthuld de MBO-student. ‘Die agressie roep ik zelf op. Daar krijg ik adrenaline van en dan kan je meer. Maar dat moet ik niet te vaak doen want daar put ik mijn lijf behoorlijk mee uit. Mentaal is het een heel zware sport.’

Tjokvol

Zeg ‘gewichtheffen’ en je denkt onmiddellijk aan  hormoonpreparaten.  Wat meer weer eens bevestigd werd op de laatste Olympische Spelen waar complete teams van Bulgarije, Venezuela, Irak, Turkije en Griekenland, tjokvol bleken te zitten.  Het is natuurlijk ook de kat op het spek binden! Het duurt immers zes jaar om als gewichtheffer goed te worden. Maar met een paar ‘kuurtjes’ kan je die tijd met de helft terug brengen.

‘Dat is één van de grote problemen in deze sport’ verteld Tom Bruinen, nog zo’n liefhebber van het zwevende staal. Bruinen, een voormalig meervoudig  nationaal kampioen, en docent sport aan een ROC, is de trainer van Ekici. ‘Er wordt te weinig gecontroleerd’, gaat Bruinen verder. ‘Het is heel frustrerend dat andere gebruiken. Als de controle in de rest van de wereld beter wordt gaat Ekici naar de Spelen in Londen’, legt   Bruinen maar even de lat voor zijn pupil hoger.  

Bruinen’s profetische beschouwingen zijn   niet aan dovemansoren gezegd! Ekici schuift prompt nog maar wat extra schijven op de stang. Longen worden volgezogen, op zijn lijf verschijnen kloppende aderen. Met een prachtige vloeiende beweging gaat  er meer dan honderd kilo trillend de lucht in. Na zijn krachtsexplosie gooit  hij, haast nonchalant, de halter op de grond. Bij de dreun die daarop volgt voelt de verslaggever zich iets omhoog stuiteren.

Broodtrommel

Safan Ekici, vriendelijke oogopslag, bescheiden, tikkeltje verlegen, leeft en traint als een prof want meer dan veertien uur per week: maar krijgt daar geen cent voor. Om te voorkomen dat thuis de muizen dood in de broodtrommel liggen werkt Ekici in het weekend op Schiphol. Voor de NSF/NOC bijdrage, wat staat voor een maandelijkse financiële ondersteuning komt hij nog niet in aanmerking. Nog niet! Hij verwacht dat volgend jaar te krijgen.

‘Ik ben nu nog aan het investeren in mijn sport. Het is een opoffering want ik zit ook nog op school. Maar op het Europese kampioenschap, eind september, hoop ik bij de eerste twaalf te eindigen. Dat geeft meteen recht op die bijdrage.’

Het is snel gegaan met Safak Ekici, 1.70 meter bij een gewicht van achtentachtig kilo. Vier jaar geleden had hij nooit aan een halter getrokken. Tot hij Tom Bruinen, op zijn school,  tegen het lijf liep. Na twee jaar deed hij al mee aan het wereldkampioenschap voor studenten en ‘stoot’, inmiddels,  meer dan honderdtwintig kilo.

Ekici mag je een topsporter noemen: maar dan wel een volkomen onbekende. Ja, in de moskee kennen ze hem wel. Daar rekenen ze erop dat hij naar de komende Olympische Spelen gaat. Maar ‘onbekendheid’ kan zo maar veranderen, want niets zó onvoorspelbaar als topsport.

Een held

Wacht maar af als die Ekici, bij het Europese kampioenschap de ‘geest’ krijgt en bij de eerste eindigt. Dan gaan er gekke dingen gebeuren: wat voor de toeschouwers op de voorste rij nog link kan zijn. ‘Als ik alleen al mijn persoonlijk record breek, en dat zit er aan te komen, dan spring ik van blijdschap van het podium,’ onthult hij, licht euforisch.

‘Maar ik durf er niet aan te denken dat ik bij de komende Europese kampioenschappen bij de eerst vijf eindig. In  Turkije ben je dan een held,’ verklapt hij. ‘In Turkije is gewichtheffen de tweede sport van het land’.  Maar dan niet bij de Amsterdamse Turken. Ekici is namelijk Mokum’s  enige Turkse gewichtheffer. En dat heeft allemaal te maken met een hardnekkig vooroordeel.

‘Ze denken dat je, door die zware gewichten, klein blijft, dat je niet doorgroeit. Flauwekul! Dat is puur toeval. Deze sport selecteert zich zelf uit. Kleinere mannen gaan eerder gewichtheffen dan basketballen en omgekeerd.’

Safak Ekici voelt zich een echte Amsterdammer niet in de laatste plaats omdat hij in de Jordaan woont. Maar nou weten we nog steeds niet wat voor kleur shirt hij op de internationale kampioenschappen gaat dragen. ‘Oranje’, zegt hij tussen twee stoten door. ‘Ik ga voor Nederland tillen. Ik ben door Bruinen ontdekt, en ben in deze stad begonnen met mijn sport’.

Geplaatst: Mug, maart 2009. Foto: Hilco Koke

 

Floyd gaat naar de paardendokter

windhondenracezondag21Tegen het favoriete boompje wordt snel een plas gedaan. Zenuwen gieren door het lijf, want een race staat op punt van beginnen. Afgetraind tot het merg van de botten verdwijnen ze in de starthokken. Laat de haas maar los, want Mevrouw De Kruis, Umbro en Floyd hebben er trek in.

Vanuit geparkeerde auto’s klinkt een luguber gehuil en gekef. Mannen met verweerde koppen halen liefdevol hun honden eruit. Afghanen, Whippets, en Greyhounds worden bekeken, geprezen, en krijgen vervolgens een hesje met nummer aan. Na een korte warming up gaan ze de zes starthokken in om vervolgens achter een gemotoriseerd voortgedreven haas aan te rennen. Meer dan tachtig honden doen mee. Ook de drie Whippets van Ton Koenen. En die hebben maar een wens: hollen achter zo’n lekkere haas aan. Ook Mevrouw De Kruis, Umbro en Floyd, de supersnelle hondjes van Koenen. ,,Ander uur per dag train ik ze.’’ En dat is niet schuimbekkend door de velden laten rennen. ,,Ik hou ze tijdens de trainingen aan de lijn, en dan maar wandelen. Want hoe langer je een hond ‘vasthoud’ hoe sneller hij op de baan gaat.’’
Het begrip ‘snelheid opdoen’ kent Koenen ook. ,,Voort het echte conditiewerk ga ik dinsdagavond naar de baan.’’ Iedere sport heeft zijn psychologische trucjes om de atleet op scherp te stellen. Ook Koenen past die toe. ,,Als ik een dood konijn vind, verstop ik die. Dan lopen wij er vervolgens nonchalant langs en dan ruiken ze hem. Dan mogen ze hem gaan halen.’’ Wat die twee kleine rukkers zich geen twee laten zeggen.
‘Floyd natuurlijk’, is het antwoord op de vraag wie zijn favoriet is. ,,Ik heb een goed ‘beesie’aan hem. Hij is pas twee jaar oud heeft drie grote koersen gelopen en een gewonnen.’’
En als blijk van waardering mag Floyd de nachten doorbrengen in de echtelijke sponde van de Koenens. Mevrouw De Kruis en Umbro niet. Eigen schuld dikke bult, moeten ze maar harder rennen.
,,Als Floyd goed blijft lopen mag hij misschien meedoen aan de wereldkampioenschappen volgend jaar in Rotterdam,’’ droomt Koenen hardop. ,,Ik weet zeker dat hij een kans maakt. Ik ben dan ook heel zuinig op hem.’’
En geheel volgens de keiharde en ongeschreven wetten van de topsport wordt Floyd verzorgd en vertroeteld. ,,De honden krijgen speciale voeding waar veel eiwitten in zitten. Met mijn honden zit ik twee keer per maand bij de dokter voor onderzoek. Wordt onder meer gekeken of het ijzergehalte goed is.’’
Als Koenen het woord dokter laat vallen dan moeten we vooral niet denken aan zo’n sukkel die parkieten en muizen behandelt, maar aan het betere werk. ,,Ik ga met ze naar de paardendokter, want goed is voor een paard is ook goed voor mijn honden.’’
Zoals een fles jenever hoort bij een ouderling, is dat doping bij topsport.
,,Ik geef mijn honden geen dope. Trouwens niemand hier. Wij zijn teveel liefhebbers van de beestjes.’’
Volgens Koenen komt dopegebruik wel voor op de Britse renbanen, waar de honden Viagra krijgen: de reddingsboei van menig oude man.,,Het is bekend dat als je ze Viagra geeft ze een hogere startsnelheid krijgen.’’
Koenen heeft van zijn honden een studie gemaakt, en ziet wanneer ze in vorm komen. ,,Als Floyd in vorm komt gaat die dominant gedrag vertonen. ’s Morgens voor de koers is hij bloednerveus. Dan ruikt hij gewoon dat er wedstrijden zijn. Dan geef ik hem vroeger eten, want met een volle maag rent niet zo lekker.’’
En dan wordt Floyd opgeroepen door de microfonist om naar het starthok te gaan. Floyd maakt nog even een warming up waarbij hij over zijn hele lijf trilt. ,,Wedstrijdzenuwen,’’ volgens Koenen, die langzaam naar de renbaan loopt.
Als Floyd het geluid van de elektrische haas hoort, blaft hij enthousiast. De concurrenten kijken kwijlend en verlekkerd over het hekje. Ze hebben er zin in. Met een gazen muilkorfje om verdwijnen ze in de starthokken.
En dan gebeuren er een paar dingen tegelijk. De haas zoeft langs, de deurtjes slaan open en de honden stuiven met zestig kilometer per uur er achter aan. Aërodynamisch worden bochten genomen en als de haas over de finish komt duiken de honden er boven op, waarbij meteen duidelijk wordt waarom de atleten een korfje dragen. Floyd eindigt als tweede.
,,Hij kreeg bij de start een duw en was uit balans,’’ zegt een Koenen teleurgesteld. Hetgeen voor Mevrouw De Kruis en Umbro ongekende perspectieven opent om aan de hondenmand te ontsnappen.

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

In de race onderscheidt Devente zich van de jongens

Al zit je tjokvol talent, maar ben je onbemiddeld dan kan je het toch vergeten: want zo zit de wereld van het formuleracen in elkaar. Ben je toch gek van het autoracen dan maar een treetje lager zoals Daniel Devente en die hoor je niet klagen. In het kartracen is hij de grote mijnheer, de onbetwiste kampioen die bij iedere race op pollposition staat. De concurrentie jaagt op de Amsterdammer.

Is de kampioen van Nederland kartracen niet in het bezit van een kermistitel? De vraag ligt brandend en verschroeiend op de lippen en wordt sissend geblust bij het aanhoren van het verhaal van Daniel Devente (28). Want om in een racemachientje met dik honderdtwintig over een soort achtbaan te scheuren daar moet je in het bezit van kwaliteiten zijn, zoals ijswater in de aderen, het concentratiegevoel van een topschaker een paar stalen onderarmspieren plus het nodige motorgevoel. Menig huidig formule 1 racepiloot is zijn carrière gestart in de kuip van een kart. Of Devente ooit plaats neemt in een brullende bolide daar is hij zeer gedecideerd over. Nee dus.
,,Voor de formuleklasse ben ik te laat begonnen met racen. Ik doe het pas zeven jaar en voor ik ingewerkt ben, ben ik al tegen de dertig. Ze hebben liever een jonkie. Ik heb het wel geprobeerd door op Zandvoort een racecursus te volgen en dat ging goed. Maar je kunt nog zo veel talent hebben als je geen geld meeneemt kan je het vergeten.’’ Devente heeft daar vrede mee, vertelt zijn relaas nuchter zonder frustratie of wrok. En waarom zou hij ook: in de kart is hij een van de beste van het land.
,,Veel van mijn collega’s kijken tegen mij op, en willen mij verslaan. Als ze in de uitslag pal achter mij zitten vinden ze het prachtig. Waarom zou ik klagen?’’ In de roulette wat de ‘race’genoemd wordt zet hij wekelijks lijf en ledematen op het spel. Allereerst doet hij wat hij moet doen en dat is starten op pollposition: Devente beheerst het kunstje van de snelste kwalificatietijd als geen ander. En dan begint de race. De starter steekt de vlag omhoog, 25 motors huilen, uitlaatgassen dwarrelen weg en 24 piloten willen maar een ding: jacht maken op de man op pollposition. Een normaal mens zou in zo’n situatie smachten naar een valiumpje maar Devente geeft geen krimp.
,,Nee daar moet je maar niet aandenken en al helemaal niet achterom kijken. Ik maak bij de start tempo en probeer weg te rijden van de rest. Het is een gevecht om de millimeter waarbij je goed moet uitkijken, het blijft link want je hebt benzine aan boord.’’ Devente beweert dat zijn sport eerlijk is en dat de beste piloot altijd wint en dat heeft niets te maken met het materiaal. ,,Bij de wedstrijden worden de karts beschikbaar gesteld door de baan. En dan moet je laten zien dat je in een mindere kart ook goed bent. Sommigen van die wagens hebben een onderstuur, dat wil zeggen dat hij de neiging heeft om recht uit te gaan. Daar moet je mee omgaan, feeling voor hebben, je niet druk maken, gewoon ontspannen in je kart zitten. Daar onderscheiden de mannen zich van de jongens.’’
Karts hebben een, tikkeltje, lullige uitstraling en vergeleken bij een Formule 1 bolide is het een ei zonder zout. Maar de wedstrijden liegen er niet om. Een race duurt drie uur en die wordt gereden door teams. Ieder uur is een tankstop en wordt er van rijder gewisseld. Devente en zijn jongens rijden ook monsterafstanden zoals afgelopen najaar in België waar een internationale 24-uursrace gehouden werd. De 55 kilo zware coureur beleefde daar ultieme momenten. ,,Na de vijfde ronde kwamen wij op de eerste plaats en dat hebben wij niet meer weg gegeven. Iedere uur was er een tankstop en werd er van rijder gewisseld. We hebben tien uur in de regen gereden, maar achteraf was het een heel mooie ervaring.Of mijn gewicht een voordeel is? Nee! Het reglement schrijft voor dat je minimaal 70 kilo moet wegen. Ik rij met vijftien kilo lood om aan dat gewicht te voldoen.’’
Op de vraag aan Daniel Devente wie zijn held is wordt zwijgend geantwoord: hij haalt een spacy racehelm tevoorschijn voorzien van een handtekening van Juan Pablo Montoya de formule1 coureur. Hoe een modale racer, afkomstig uit Geuzenveld, daar aan komt is een verhaal op zich. Bij een van zijn races was de hoofdprijs een vijfdaagse reis naar de Grand Prix van Monza, voor formule 1, waar rond gekeken mocht worden bij de renstal van Williams. De aspirant winnaar moest wel even de snelste tijd neer zetten. Devente maakte zijn reputatie van ‘rondekiller’ weer eens waar en kon naar Italië afreizen.
,,Ik was vijf dagen te gast bij Williams en mocht overal komen. Iedereen, van monteurs tot coureur Montoya, waren hartstikke aardig en ik had echt het idee dat ik er bij hoorde.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Bodybuilden is een spirituele sport

hedwiegIedere dag reist hij af naar Den Haag, waar hij door IJzeren Willem wordt opgewacht, zijn trainer en goeroe. Bodybuilder ben je per slot van rekening vierentwintig uur per dag en daar komt meer voor kijken dan maar wat aan ijzer trekken’. Niet alleen het lijf maar ook de ‘spirit’moet getraind worden. Want voor je het weet ben je een grote kerel met een te klein intellect. Amsterdammer Hedwieg Parden heeft er een wetenschap van gemaakt. En niet voor niets. Parden is de nummer twee van de wereld.

De sportschool is gevestigd op de eerst verdieping van een voormalig schoolgebouw in een negentiende eeuwse Haagse wijk. De trap eindigt in een deur. Drie zwijgende en bovenmatig breedgeschouderde mannen vormen het ontvangstcomité. Beseffend dat de herinnering aan ADO-Ajax en de daarmee gekoppelde anti hoofdstadgevoelens nog vers zijn, vervloekt de verslaggever zijn Amsterdamse accent en ziet zich zelf al de trap afstuiteren. Willem Jonkman, Jacob Barendrecht en Hedwieg Parden zijn geen voetbalsupporters maar gedreven sportjongens, die het geen ene moer uitmaakt waar je vandaan komt. En bovendien, een van hen is ook een Mokummer: Hedwieg Parden 39 jaar.
Waarom Parden niet in Amsterdam oefent maar ieder dag naar de hofstad afreist, wordt snel duidelijk. Voor de trainingen van Willem natuurlijk. Willem wordt niet voor niets ‘de IJzeren’genoemd. En dat is niet omdat er dagelijks tonnen ijzer in diens sportschool worden verstouwd, maar om zijn Spartaanse methoden.
,,Willem haalt het talent in je naar boven en laat je bewust worden van je eigen kunnen,’’ vertelt Parden. ,,Willem is de pionier van onze sport en zijn gym is een zogenaamde werkschool. Ze komen uit heel Nederland om hier te trainen. Ik doe al meer dan twintig jaar aan bodybuilding. Drie jaar gelden ben ik hier beland. In Amsterdam trainde ik elke dag uren lang, dronk daarbij zo’n acht liter water en bleef op negentig kilo steken. In Den Haag train ik maar drie kwartier per dag en ben ruim twintig kilo aangekomen. Alleen spieren. In acht maanden had Willem mij op wereldniveau gebracht.’’
De gedachten aan hormoonpreparaten dringen zich onherroepelijk op. Maar door de grote sociale onderlinge controle is Willems sportschool clean. En heeft Parden laatst niet mee gedaan aan een wedstrijd onder de vlag van de NOC/NSF, compleet met dopingcontrole’s? Hedwieg Parden gaat uitleggen wat bodybuilden precies is. Niet alleen een kwestie van aan ijzer trekken, doceert Parden.
,,De voeding is heel belangrijk. Ik eet alleen maar eiwitten, koolhydraten en voedingssupplementen. Drie kwartier voor trainen lijkt niet veel, maar ik doe het met een heel hoge intensiteit. Na zo’n training ben ik redelijk kapot. De hele dag moet ik dan herstellen en gebruik daarvoor om de anderhalf uur een maaltijd. De vitaliteit komt uit goede voeding.’’
De meeluisterende Jacob Barendrecht laat zijn tas, gevuld met eten, voelen. Het optillen van de tas is al een training op zich. Jacob doet zijn valies open en haalt zijn dagelijkse voedsel eruit: een kilo gekookte rijst met rozijnen en maïs, twee zakken rouwkost, een bak met gekookte aardappelen, blikjes tonijn, een pak brood, een kilo gekookte kip en diverse flesjes met eiwitdrank. Van al dat gepraat krijgt Jacob honger en trekt nog maar een blikje vis open. Parden vertelt verder.
,,Mijn streven is harmonie met mijn lijf. De kunst van het bodybuilden is dat er geen vocht tussen de huid en de spier zit. Voor een wedstrijd moet het lijf helemaal droog zijn. Een jury beoordeelt je op symmetrie, vetpercentage en presentatie. Voor wij opkomen worden we met olie ingesmeerd. Dat is om de spieren te accentueren en om het licht dat de huid niet absorbeert terug te kaatsten.’’
Het leven van een trainende asceet staat niet bepaald bol van de rock ’n roll. Voor een gewone sterveling lijkt dat behoorlijk afstompend. Hedwieg Parden is het daar niet mee eens. ,,Bodybuilding is een heel spirituele sport. Ook als ik niet train, ben ik geestelijk bezig. Dat kan heel diep gaan. Want door die trainingen is mijn lijf fysiek aan het veranderen. Spiritueel ben ik aan het mee groeien. Anders ben je een grote kerel met een kleine geest.’’
Zijn sport promoten gaat Parden goed af, maar over zijn eigen prestaties is hij vrij bescheiden. ,,Ik heb aan alle groet toernooien meegedaan. Ik werd tweede bij het NK, EK en het wereldkampioenschap. Voor nog betere prestaties gaan de financiën meespelen. Dan moet er meer vlees gegeten worden en vooral meer en betere voedingssupplementen. Die zijn heel duur. Ik kan dat niet betalen.’’
Wat je Parden nou niet moet vragen is of hij nog lang met zijn sport door gaat. Zijn ogen worden vierkant van verbazing om zo’n domme vraag. ,,Ik krijg altijd een vreemd gevoel als mij dat gevraagd wordt. Dat is hetzelfde als aan een niet-roker vragen wanneer hij gaat roken. Bodybuilding is mijn leven man. Dat geeft mij een goed gevoel.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Schrekker jong maar niet de minste

lindsey-schrekkerIn de de hoofdmacht van de Volewijckers krijgt jeugd voorrang. Speelsters vanaf vijftien jaar strijden iedere week op het hoogste handbalniveau. Niet vreemd dat zij met haar achttien jaar een van de ervaren meiden is. Linsey Schrekker is de aankomende ster en beleefde afgelopen oktober haar debuut in het nationale team.

Ze heeft er jaren voor nodig gehad om het stadium te bereiken. Het is gelukt. Als ze nu de handbalarena betreedt begint het proces van Jekyll en Hyde, de knop gaat geestelijk om. In plaats van dat lieve aandoenlijke meisje uit Noord, staat er een  harde, tikkeltje gemene, ‘tricky’ handbalster die gaat spelen op de grens van het gevoegelijke. Dat zijn de noodzakelijke ingrediënten om mee te draaien aan de top van het nationale handbal, want met alleen techniek kom je er niet. Linsey Schrekker (18) afkomstig uit de jeugdopleiding van de Volewijckers heeft dat goed begrepen en heeft er ook geen moeite mee.
Schrekker is de opponent van de piepjonge hoofdmacht van de Volewijckers. Een team met de gemiddelde leeftijd van net twintig jaar: een getal dat omhoog gekrikt wordt door handbaldiva Natasja Burgers. Schrekker is dan wel een van de jongste maar daarom niet de minste. Afgelopen oktober beleefde ze haar première in het Nederlands team. Zelf vond ze dat ze nog te kort kwam, maar dat is tijdelijk.
,,We speelden tegen Duitsland en in mijn team zitten veel meiden die in buitenlandse dienst zijn. Ik stond steeds naar ze te kijken hoe ze het deden. Voor mij was het een groot leerproces. In Oranje speelde ik op de linkeropbouw en dat is niet de plaats wat ik bij Volewijckers in neem. De coach was tevreden en verwacht dat ik nog beter ga worden.’’ Alleen een supporter, lijdend aan een tunnelsyndroom, beweert dat Sporthal Elzenhage, de thuisbasis van de Volewijckers, een zinderende heksenketel is waar bezoekende ploegen met angstzweet binnen komen.  Voor Schrekker was het daarom een cultuurschok toen zij afgelopen november in Roemenië met het Nederlands team een toernooi speelde. En dan niet voor een handjevol liefhebbers wat ze gewoonlijk gewend is, maar een volle bak.
,,Ik was bloednerveus, wat al begon met warmlopen. Al die mensen die naar jou zitten te kijken. Iedere speelster werd apart naar voren geroepen en aan het publiek voorgesteld en bij het afspelen van de volksliederen liepen de kriebels langs mijn rug. Ik zit op krachttraining maar ben in de groei en kom nog spiermassa tekort. De fysieke kracht bij de meiden van Oranje is heel groot ook bij de tegenstanders. Als ze je vast hebben kom je niet meer los.’’
Jonge schoolgaande topsporters hebben over de medewerking van de scholen niet te klagen. Maar niet als je, zoals Schrekker, op de kappersschool zit, want het leren om een permanentje te zetten schijnt waanzinnig moeilijk te zijn en dan kan je geen dag school missen. ,,Ze accepteren niet dat ik in de top speel. Iemand die heel graag kapster wil worden heeft geen behoefte aan sport, is de gangbare mening. Voor Roemenië mocht ik een weekje vrij nemen, maar daar moest ik eerst voor op de knieën. Een paar weken geleden kon ik in Parijs spelen maar kon het wel vergeten want kreeg geen vrij.’’
Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst, om er maar een lullig tegeltjeswijsheid tegen aan te gooien. Maar jong is ook dartel, onbevangen, geen ervaring, en dan kan je gemakkelijk op je bek gaan. Wat van toepassing is bij de Volewijckers. Spelend op het hoogste niveau met een team gevuld met piep jonge meiden, sommigen zelf van vijftien jaar, gaat het soms goed maar ook faliekant fout. De eerste helft van de competitie werd maar twee keer gewonnen. En wekelijks een pak ros krijgen dat moet voor dramatische taferelen zorgen in de kleedkamers. ,,Nee’’, onthult ze berustend, ,,Er wordt in de kleedkamer niet gehuild. In plaats daar van heeft iedereen zijn mening. Ik steek die van mij ook niet onder de banken. Het bleek dat het niet meer klikte tussen de meiden en de trainer. Onderling hebben wij besloten dat hij weg moest. Ik vond het heel moeilijk want het is een aardige man, maar als het niet gaat moet je aan het team denken.’’
Wat aan de Volewijckers ontbrak is een leidster, een oudere ervaren speelster, die de lijnen uitzet, en rust brengt. Met de komst van Natasja Burgers is die vacature opgevuld. ,,Burgers heeft jarenlang in het buitenland gespeeld en geeft de nodige rust en routine. Als zij mee speelt wordt het spelletje meteen anders. Laatst viel ze met een blessure uit en prompt waren wij meteen stuurloos.’’
Linsey Schrekker, een meid afkomstig uit Noord, is verknocht aan de Volewijckers maar als ze de kans krijgt is ze weg. Het buitenland lonkt want daar kan je handbaltalent te geld maken. ,,Natuurlijk wil ik naar het buitenland, als het even kan naar handballand Denemarken. Als je verder wil ontwikkelen moet dat wel. Ik heb nog steeds progressie.’’

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

error: Content is protected !!