Vermoord tijdens Zesdaagse Amsterdam

dopewolf3Totaal onverwacht reed hij bijna het werelduurrecord uit de boeken. Voor de onbekende Joop de Wolf een jonge prof uit de hoofdstad zijn doorbraak. De eerste grote contracten werden ondertekend. Een grootse carrière lag in het verschiet. Twee maanden later was hij dood. Zijn overlijden, precies tachtig jaar geleden, was altijd omgeven met een waas van geheimzinnigheid. Stuyfssportverhalen reconstrueert zijn laatste dagen.

Een lullig wielerbaantje in Duivendrecht. Op een dinsdagavond ergens in september 1934.  Zonder enige specifieke voorbereiding, noch op ultralicht materiaal, maar op een ordinaire baanfiets werd daar een bijna geslaagde aanval op het werelduurrecord gedaan. Dat op een haar na sneuvelde. De sensatie was compleet. Sportjournalisten lieten rook uit typemachines komen. Zetters maakte de al opgemaakte sportpagina’s open. In één klap was de naam ‘Joop de Wolf’ gevestigd. Voor De Wolf, een jonge prof van drieëntwintig jaar, kwamen de eerste grote contracten binnen. Niet alleen voor de Zesdaagse van Amsterdam. Belangrijker, want lucratiever was zijn internationale doorbraak. Met tranen in de ogen tekende Joop de Wolf een contract voor een rits omniumkoersen in Parijs: dé plaats voor iedere zich serieus nemende baanrenner. Als opwarmertje eerst de Zesdaagse van Amsterdam. Gehouden in het toenmalige Rai-gebouw aan de Ferdinand Bolstraat.  Waar De Wolf aan de zijde van stadsgenoot Van der Heijden op de laatste dag zichzelf terugvond op de vijfde plaats.Copy of pierre viel, broccardo, guimbretiere, peix
Dan is het dag zes. De laatste, slopende  uren breken aan. Ook voor De Wolf. Letterlijk. De Wolf zal na de ‘six’ van Amsterdam  nooit meer op een koersfiets stappen. In de ochtend voelde hij zich al niet goed. Vreselijke, niet uit te houden pijn in de rug. Voor Wolfs soigneur, Pierre  Viel, een reden zijn poulain even goed te masseren. Viel, een verzorger met een bedenkelijke reputatie, een berucht gifmenger, wiens rol in het drama ‘De Wolf’ voor altijd onbekend zal blijven. Gezien zijn kennis van de ‘gifkast’ moet dat zeker De Wolf een zetje richting graf gegeven hebben. 
Nadat Viel zijn rug goed onder handen had genomen, was de pijn voor De Wolf niet meer te harden. Wielrenners en pijn. Een beetje renner verbijt dat.  Lacht dat weg. Ook Joop. Die doodziek van  start ging. Na de eerste jachten had de aanwezige arts, die al een longontsteking had vastgesteld,  de jonge Amsterdammer uit koers moeten halen. De  signalen waren overduidelijk. Totaal uitgeput en verdwaasd strompelde De Wolf, tussen de jachten door, enkele malen achtereen de cabine van de Franse renners in en liet zich op hun bed vallen. Dat het de verkeerde cabine was zag De Wolf niet eens. 
Dan breekt ‘uur 144’ aan, nog één uur te gaan, als de uitgeputte De Wolf een flinke smakkerd maakt. In een waas, met hoge koorts zoals hij twee dagen later  in Sportweek vertelde, reed hij zijn ereronde. Zelf kon hij zich daar niets van herinneren. Na afloop werd de doodzieke jonge renner  in een taxi gehesen en naar het ziekenhuis gereden. Waar volgens een berichtje in Sportweek zijn toestand ‘hoogst ernstig’ was.
Copy of dopejoopgrafEen paar dagen later kwam in de toestand van Joop de Wolf een kleine verbetering. De journalist van Sportweek mocht even langs komen. Daar tegen mijmerde De Wolf over de grote financiële schade die hij had geleden. De contracten voor Antwerpen en Parijs kon hij verscheuren. ‘Och, och, wat een zonde’, verzuchtte hij. Na aanvankelijk opgeknapt te zijn begaf zijn uitgeputte lijf het drie dagen later. Joop de Wolf, net volwassen, het slachtoffer van een incompetente baanarts, een louche soigneur maar vooral zijn eigen eerzucht, sterft op drieëntwintig jarige leeftijd. Voor zijn grafsteen werd een inzameling gehouden. Op diverse plaatsten in de stad kon geld gestort worden.

Foto 1: Joop de Wolf, Foto 2: Pierre Viel, Foto 3: Begrafenis De Wolf op Vredenhof in Amsterdam.
 Bron: Sportweek jaargang 1934.

De geest fris, én de pen scherp geslepen

reis2014 022Stuyfssportverhalen, vijf jaar online met inmiddels zo’n vijfhonderd verhalen en columns. Terwijl de onderwerpen, regelmatig  met een stoffer en kwastje in de diverse archieven werden opgediept, ging ondertussen de jacht op de oeroude sportjaargangen door. Met jachtgebied, de  boekenmarkten en veilingen. Of Marktplaats. De boekenkasten in de werkkamer kreunen inmiddels onder het gewicht. Kortom er valt nog genoeg te publiceren. En tóch…toch  werd het tijd om een pauze in te lassen. De geest moest even ontspannen. De schrijfbatterij opgeladen.  Stuyfssportverhalen even genoeg van  de bloederige stayersverhalen, vertrok daarom voor bijna vier weken  naar ‘the deep dark south’ van de Verenigde Staten. Wat een avontuurlijke roadtrip  werd over de landwegen, en bossen van de Carolina’s, door de heuvels van de Virginia’s , en de katoenakkers van Tennessee.
Vandaag mét een frisse geest terug gekomen. De pen is inmiddels geslepen. En de foto’s van de ‘gevallen’ stayers netjes op volgorde gerangschikt. Stuyfssportverhalen heeft er weer zin in.

 

Krijgt Mien van Bree eindelijk erkenning?

 Mien op traning 1937De overeenkomst? Ze zagen alle twee het levenslicht in Loosduinen. Ook kenden ze elkaar persoonlijk. En daar houd het mee op. Piet Moeskops en Mien van Bree. Wielrenners tijdens het  interbellum. Dat Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen op de sprint, zijn plaatsje in de sportgeschiedenis heeft ingenomen, is genoegzaam bekend. Voor Piets verdienste zijn talloze straten vernoemd. Mien van Bree is letterlijk vergeten. Oneerlijk, want als geen ander verdient Van Bree ook zo’n eerbetoon. In een tijd van vrouwenonderdrukking, jaren dertig, was zij de eerste pionier op het gebied van dameswielrennen. In het Nederland van dominees en kruideniers was het onbetamelijk dat meisjes op een racefiets stapten, laat staan dat ze gingen koersen. Mien van Bree had daar maling aan. De Loosduinse trok naar Vlaanderen waar het dameskoersen mateloos populair was. Tussen 1935 en het begin van de Tweede Wereldoorlog won Van Bree tientallen grote koersen, waaronder een officieuze wereldtitel. Na de oorlog was het met koersen gedaan. Mien van Bree nam de zorg van haar chronisch zieke vader op zich.Mien 2e prijs 5-4-1936
Stuyfssportverhalen ontdekte in 2011 het bestaan van Van Bree, en spoorde vervolgens haar neef op. Over Van Bree, in 1983 eenzaam en verbitterd overleden, publiceerde deze blog twee verhalen. Journaliste Mariska Tjoelker pikte dat op en heeft zich verder in Van Bree verdiept.
Mien van Bree dus, een bijna vergeten sportpionier, die nooit de erkenning kreeg die zij verdiende. Een onrecht dat recht getrokken kan worden. In Loosduinen bevindt zich een al lang bestaand, naamloos fietspad waarvoor de Zuid-Hollandse gemeente inmiddels een passende naam zoekt. Het was de lokale CDA die daarvoor een poll uitschreef en geplaatst in De Loosduinse Krant. Een voorzet voor open doel natuurlijk. Die héél Loosduinen en omstreken kan inkoppen door te kiezen voor  Mien van Bree.
24 April 2015 is het een eeuw geleden dat Mien geboren werd. Een betere aanleiding is er bijna niet.

Ook niet Loosduiners kunnen stemmen op: http://www.cdadenhaag.nl/nieuws/loosduins-fietspad-verdient-een-mooie-naam

Foto 1: Mien van Bree, Foto 2: 1936, Mien van Bree, rechts  tweede in het officieuze wereldkampioenschap

 

Aanval op wereldrecord jaar uitgesteld

maasovaalMaas van Beek schreef sensationele wielergeschiedenis door het hoog genoteerde werelduurrecord achter de derny te verbreken. Van Beek is bijna zestig jaar. Maar ook voor hem tikt de biologische tijdklok genadeloos door. Waar leeftijdgenoten dromen van een onbezorgd leventje als pensionado wil hij nog één keer zijn eigen record aanvallen. Het zal Van Beeks laatste kunstje worden. De fiets wordt daarna aan de haak gehangen. Maar de recordpoging, gepland op een hooglandbaan ergens in Amerika, gaat niet door. Het laatste op dringend advies van sportartsen én adviseur Rini Wagtmans. Een heel verstandige beslissing. Van Beek, afgelopen maart ernstig gevallen met complicaties als een geperforeerde darm, leverbeschadiging was redelijk hersteld, toen hij getroffen werd door de ziekte van Pfeiffer.  Maas van Beek, een gedreven en fanatieke sportman, wil volgend jaar nog één keer bewijzen dat hij, en niemand anders, ’s werelds snelste man achter de derny is. 

Welkome aanvulling voor Stadsarchief

taartarchief 007De indertijd roemruchte Amsterdamse wielerbaan Zeeburg, ooit gevestigd in de polders van wat nu de Indische Buurt  is, ‘draaide’ van 1901 tot 1916. Niet veel later werd deze gesloopt. Van de  baan, één brok vaderlandse wielergeschiedenis, is op wat artikelen, foto’s  in oeroude sportbladen als de Revue der Sporten, niets meer over. Totaal geen stoffelijke herinneringen. Ook het  Amsterdamse Stadsarchief kan dat gat niet opvullen want heeft op wat foto’s na, niets in hun collectie.   In het archief van Stuyfssportverhalen bevindt zich een origineel programmaboekje van de Zeeburgbaan uit 1915: indertijd verkregen via Jan Zomer.  Zo iets unieks behoort natuurlijk maar op één plaats thuis: het Stadsarchief .  Met een ‘wat een welkome aanvulling’ nam Stadsarchivaris Ellen Grabowsky, rechts, het sporthistorisch relikwietje in ontvangst.

Zie ook: 
http://stuyfssportverhalen.com/2012/02/01/sporthistorische-parafernalia-deed-huiveren-van-genot/

Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld

De computer afgesloten, nog één keer een blik op de boekenkasten en de werkkamer gaat op slot. Stuyfssportverhalen reist af naar Italië waar hij op zoek gaat naar sporen van zijn jeugdhelden. Maar eerst worden de mountainbike paden in de Dolomieten gecontroleerd. Het werd een confronterende ervaring.

Beetje ingesukkeld, oubollig maar met wondermooie natuur. Val di Ledro en Val di Consei, azuurblauw bergmeer, uitgestorven dorpjes als Locca, Bezzecca, Enquiso en Pieve. Geliefd vakantieoord van gepensioneerd Milaan. Hoog weggestopt in de bergen, op de grens van de provincies Trentino en Lombardije. Groen, ongerept en vooral dunbevolkt. Bezaaid met vervallen bunkers, loopgraven en forten, overblijfselen van de Eerste Wereldoorlog. Ooit het trainingsgebied  van Francesco Moser, twee valleien verder wonend en nog steeds immens populair.
Val di Consei barstensvol ongeplaveide paden. Van die weggetjes door god en alleman vergeten die steil omhoog gaan richting hemel. Bedoeld voor lokale herders, die er niet meer zijn. Davide Mora, de laatste herder ligt op het kerkhof van Bezzecca al een decennium bij te komen van die vreselijke geiten. En over zijn wandelroutes hoeft hij zich ook al geen zorgen te maken. Daar heeft mountainbikend Europa zich over ontfermd.  Tot genoegen van de lokale middenstand.
Stuyfssportverhalen kiest voor de route naar het tweeduizend meter hoog gelegen Baita Vesi. Het begin is al onheilspellend. Een bord waarschuwt voor vallende stenen waar niets van aangetrokken wordt. Over een donker en verlaten bospad met stijgingspercentages van gemiddeld tien procent, langs en over keien, rotsen, los steenslag wordt er omhoog gestakkerd.
Voor Stuyfssportverhalen, duursporter vanaf 1963 en sinds de vut nog iedere dag in training moet dat een makkie zijn. En dat werd een misrekening. Op het pad richting Baita Vesi werd er geleden, afgezien. Het woord ‘zwaar’ is een gotspe. Nooit geweten dat je het hart in je oren kon horen kloppen. Het was één grote confrontatie met zichzelf waarbij  een onthutsende ontdekking werd gedaan: de geest wil wel maar het lijf niet meer. Die weigert. Nooit meer kunnen sporten zoals jij het wilt is mentaal een klap. Een heel pijnlijke confronterende ontdekking. Omhoog stumperen is één. Maar afdalen op een ongeplaveid geitenpad rakelings langs bomen en griezelige afgronden, is gekkenwerk, doodeng. En dat heeft natuurlijk met de leeftijd te maken. Aangezien over een paar maanden de eerste AOW wordt gestort en hij dat mee wil maken worden de remmen  roodgloeiend aangetrokken. Met een zwaar bonkend hart maar heelhuids wordt het dorpsplein van Bezzecca gehaald. Waar hij op een terras van locals te horen krijgt dat Davide Mora, de laatste geitenhoeder van Val di Consei, tot zijn achtentachtigste jaar dagelijks het pad beklom. Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld.

‘Ik ken alle honderd stoten’

Onnavolgbare caramboles op de vierkante decimeter, effectballen die een eigen leven lijken te leiden. Amsterdammer Sander Jonen is dan ook niet zomaar een biljarter maar wereldkampioen biljart Artistiek.

Biljartballen maken een klotsend geluid. Diffuus licht boven groene en blauwe biljarttafels. Flarden van gedempte gesprekken zweven rond. Mannen met op een bazooka lijkende kokers komen binnen. Even later worden keu’s in elkaar geschroefd. De smeulende sigarenpeuk én asbak zijn in de ban gedaan. In biljartcentrum Osdorp is de ouwerwetse Mokumse bruine kroeg op dat moment heel ver weg.
Terwijl de  jongens van biljartclub Rembrandt  bezig zijn hun caramboles bij elkaar te sprokkelen, staat op de bar een monsterlijke sporttrofee te glimmen en blinken: vers gewonnen door de uitbater van het biljartcentrum. In het Franse Florange greep Sander Jonen vorige maand de wereldtitel bij het biljart Artistiek. Zonder overdrijven kan gesteld worden dat Jonen, 38 jaar, de grootmeester van de onnavolgbare effectstoot op de vierkante decimeter is. Biljart Artistiek, het onbetwiste spektakel van het groene laken, wordt wereldwijd beoefend. De sterkste spelers komen uit Nederland, België, Spanje, Frankrijk en Turkije. Ook in Zuid-Korea en Japan is het spel populair, evenals in Mexico. Amsterdammer Jonen is groot geworden met biljart. In de kroeg van zijn vader stond hij als achtjarig pikkie ’s morgens vroeg al te oefenen. Net zestien jaar geworden, was Sander een verdienstelijk driebandspeler die niet veel later  het ‘artistiek’ ontdekte: wat staat voor honderd vaste figuren die op het laken met behulp van een mal  zijn getekend. Aan de hand van de moeilijkheid worden daarvoor punten gegeven.
Sander Jonen is daarin de beste van Europa en sinds kort ook van de wereld. ‘Ik was de grote favoriet voor de titel’, doet Jonen uit de doeken. ‘Ik was al een keer wereldkampioen en dit jaar pakte ik ook de Europese titel. Het hele spelletje heeft te maken met vertrouwen in jezelf, wat je kan. Mijn favoriete tegenstander is de Spanjaard Xavier Fonellosa. Die klopte ik in de finale van het Europees kampioenschap. Wij zijn de nummers één en twee van de wereld. In de voorronden trof ik hem al.’
Aan biljarten kleeft een stoffig  imago. Niet bij ‘artistiek’. Dat is de wereld van Hans Klok, maar dan  magic met drie biljartballen, met Jonen in de rol van de  illusionist, waarbij zijn keu als toverstok dient.
‘De sfeer en ambiance zijn voor mij heel bepalend. Wat dat betreft voelde ik mij in Frankrijk heel goed. Het kampioenschap werd in een soort theater gehouden. Heel spectaculair. Voor mij waren dat allemaal pluspunten en begon daardoor lekker en groeide langzaam in het toernooi. Minpuntje was dat de publieke belangstelling tegenviel. Normaal zit bij zo’n kampioenschap de zaal barstensvol. Nu was dat een stuk minder. Had te maken met het feit dat de lokatie op een afgelegen plaats lag.’
Bij het artistiek komt er soms veel geweld aan te pas. Vooral bij de pikeestoot, als de keu verticaal naar beneden wordt gericht, heeft het biljartlaken te lijden. ‘Ik gooi alles in de strijd voor die ene effectbal. Daarbij stoot ik keihard verticaal op de bal. Je moet de techniek dan wel goed beheersen, maar toch krijgt het laken flink op zijn sodemieter.’ De huis-tuin-en-keukenbiljarter die dat in een kroeg ook eens wil proberen, loopt geheide kans horizontaal naar buiten gedragen te worden. Mokums verse wereldkampioen heeft daarvan geen last want beschikt over een eigen tafel. Een luxe die hij pas sinds kort kent.
‘Anderhalf jaar geleden heb ik samen met mijn vrouw dit biljartcentrum overgenomen. We moeten heel hard werken en ik heb eigenlijk weinig tijd om te trainen. Die paar avonden die ik dan heb, train ik op mijn eigen biljart. Voor het wereldkampioenschap heb ik maar drie avonden kunnen trainen. Zo druk had ik het.’
Voordat Jonen met zijn nering begon, werden de centen verdiend als vloerenlegger en met demonstratiepartijen. Dat laatste was een circus met drie ballen en een keu. ‘Ik legde dan iemand op het biljart en speelde de bal dan over zijn hoofd heen die vervolgens een carambole maakte. Of plaatste dertig volle bierglazen op het biljart en speelde de bal daarover heen.’
Biljart Artistiek mag dan een feest om te zien zijn, maar kent toch te weinig toernooien in Nederland. Volgens Jonen gaat dat waarschijnlijk veranderen. ‘Tijdens het wereldkampioenschap werden door Eurosport opnames van een uur  gemaakt. Die worden in augustus uitgezonden. Ook heeft deze zender mij gevraagd om in Amsterdam een groot toernooi te organiseren.’

Foto’s: Hilco Koke

Ik ben opgegroeid in de Apollohal

Het was carnavalzanger Arie Ribbens die de toon zette. Volgens Arie zijn Brabantse nachten namelijk lang en woest. Nou, vergeet dat maar! In het diepe zuiden borrelden absoluut geen beelden op van rock ’n roll! En van die gezellige hedonistische feesten met gilnichten en travo’s, laat staan Arie’s, beloofde swingende nachtleven, was ook geen spoor te bekennen. In Bergen op Zoom, waar je steeds het gevoel hebt dat mijnheer pastoor stiekem om de hoek staat te gluren, zijn de cheerleaders dan wéér wél jong, mooi, langbenig en vooral schaars gekleed. En als Mokummer wordt je ook nog eens begroet met ‘hadoei’ en, héél belangrijk, het leven schijnt er gemoedelijk te zijn.  Amsterdammer Mattijs Hak prijst dat laatste.

Voor een jonge, ambitieuze basketballer geeft Amsterdam te veel afleiding. Hak, 22 jaar, weet hoe leuk het in zijn geboortestad is. Maar toch… toch kiest hij liever voor een club in de provincie. Komt ook nog eens bij dat Bergen op Zoom een heel goed gestructureerde profclub binnen haar poorten heeft.  Mattijs Hak is afkomstig uit de roemruchte jeugd van de hoofdstedelijke Mosquito’s. Zo’n twaalf jaar geleden, na een oproep in de krant,  meldde de aankomende basketballer, samen  met drie klasgenootjes, zich in de Apollohal: waar een ambitieus plan gestart was om, middels een gedegen jeugdopleiding, het kwijnende basketbal een nieuwe impuls te geven. Dat laatste had een grote invloed op zijn latere leven.. Inmiddels mogen trainers als een Tree Marioneaux en Adrie Willemzorg trots op hun werk zijn. De eerste generatie van ‘hun jongens’ zijn ingelijfd door de diverse profclubs.
Drie jaar geleden werd Hak door de Brabanders gecontracteerd. ‘Ik heb totaal geen spijt dat ik voor de Giants gekozen hebt,’ vertelt Hak twee uur voor de wedstrijd tegen Amsterdam. ‘In Brabant kan ik mij zonder afleiding helemaal concentreren op het basketbal. Voor mij is het belangrijk om op een rustige plek te zijn. Hoe het leven van een prof eruit ziet? Dat is de hele dag met het spel bezig zijn. s’Morgens hebben we krachttraining en de middaguren worden basketballend door gebracht.’Hak roemt de organisatie bij de Giants. De sociale controles in dorpen mag dan benauwd zijn maar dat wordt goed gemaakt door het saamhorigheidsgevoel. ‘De mensen in de club zijn heel warm, lief. Er zijn hier veel vrijwilligers actief die je in alles helpen. Zo eten wij met het team, tussen de middag, warm bij de lokale hotelschool’.
Met zijn 1. 90 meter oogt Mattijs, tussen torenlange ploeggenoten, opvallend klein.  In de geest van een wijs, intectueel, Betondorps filosoof ,dat ‘ieder nadeel zijn voordeel hep’, weet Mattijs dat te pareren. ‘Inderdaad, voor het basketbal ben ik eigenlijk te klein. Maar wat is nou vijftien centimeter korter. Ik zit daar niet zo mee. Als je langer bent ben je ook minder mobiel. Kleiner is vaak handiger en sneller,’ sneert de guard.
Het gesprek vindt plaats in de ontvangstruimte van de sporthal. Buiten op het parkeerterrein stopt de touringcar van tegenstander Amsterdam. Op de typische slungelige manier eigen aan basketballers komen de spelers binnen. De begroeting met Hak is meer dan hartelijk. Dit zijn duidelijk vrienden. ‘Ik ken het hele team van Amsterdam. Wat dacht je dan? We komen allemaal uit de opleiding van Tree. We zijn allemaal opgegroeid in de Apollohal. Man, man, wat mis ik de Apollohal enorm,’ glipt het er emotioneel uit.
De naam van Tree Marioneuax is gevallen. De Amerikaan die als prof in de jaren zeventig in Amsterdam kwam en er altijd is gebleven. De man die het Amsterdamse basketbal met zijn gedegen jeugdopleiding op de kaart heeft gezet. Voor Mattijs Hak heeft Marioneaux,  afkomstig uit New Orleans, nog een specialere betekenis. ‘Tree? Dat is mijn opleider. Hij heeft alle jongens in de Apollohal de liefde en passie voor het basketballen bij gebracht. Hij heeft de grootste invloed op mijn leven gehad en nog steeds’. Hak onthuld een romantisch verhaal.  Tree Marioneaux vond in de Apollohal niet alleen een stel gemotiveerde jongens, maar ook zijn grote liefde, Esther, de moeder van Mattijs. ‘Mijn stiefvader is heel betrokken bij mijn leven. Natuurlijk praten we veel over basketballen, de man was prof in Amerika en speelde later bij Europese profclubs. Hij geeft vaak aanwijzingen, goede tips. Ik ben nogal eigenzinnig en moet van hem meer luisteren naar mijn coach.’
Mattijs Hak, een jongen uit Mokum, wonend in een flatje in Bergen Op Zoom. Een sporter die zijn droom waar gemaakt heeft, die een betrekkelijk onbezorgd leven leidt is opmerkelijk nuchter. ‘Ik moet realistisch zijn. Dit leven stopt een keer. Ik wil dan iets sociaals gaan doen. Dan kom ik zeker terug naar Amsterdam’.

Foto’s: Hilco Koke

Fluks’ avonturen in Spanje

Als jonge talentvolle basketballer ben je in Nederland mooi gesjocht. Vergeet die jarenlange droom maar om op topniveau te spelen! Ga maar lekker, met al je talenten, op het buurtpleintje basketballen, want clubs nemen liever een stel duurbetaalde derderangs Amerikanen dan eigen jeugd. Gedesillusioneerd stoppen de meesten. Simon Fluks liet het er niet bij zitten en ging zijn basketbaltalent in Spanje te gelde maken. Hij belandde in de wereld van topsport, zwart geld, staking, en een faillissement.
Hij kreeg bijkans eelt op zijn kont. Anderhalf jaar zat hij, als wisselspeler, op de bank bij profclub Amsterdam. Hij werd geacht daar blij mee te zijn. Sterker, hij moest het maar zien als een eer. Want om als broekie van amper achttien jaar een piepklein contractje bij basketbalclub Amsterdam te krijgen, is niet iedere basketballer gegeven. Maar niet voor Simon Fluks! Had hij zich daarvoor jaren alles ontzegd, zich de pletter getraind? Goddank kwam daar opeens de kans om te ontsnappen aan die vermaledijde bank.
Belediging
‘Halverwege het seizoen 2007 kreeg ik een aanbieding uit Spanje om daar te komen spelen’, vertelt Fluks. ‘Van Amsterdam mocht ik niet weg, die hield me aan mijn contract. Dat was jammer maar begrijpelijk. Maar wat ik niet begreep: dat ik een week later uit de selectie werd gegooid en in het tweede moest spelen. Het bestuur zag het als een persoonlijke belediging dat ik weg wilde. Ik moest het namelijk een eer vinden dat ik er bij zat.’
Profclub Weert liet dat buitenkansje niet liggen en lijfde de Amsterdammer direct in. Maar ook in Limburg lijden ze aan de ‘Amerikaanse ziekte’. Na een aanvankelijke goede start werden zeven Yanks aangetrokken. Exit voor Fluks, 21 jaar, die geen andere mogelijkheid zag dan over de grenzen te kijken. ‘Ik benaderde een mij bevriende spelersmakelaar die in Spanje actief is. Die regelde voor mij een contract bij Lerida, een Catalaanse club uit de derde divisie waar ik halverwege december aan de bak kon. Bij Lerida, die grootste plannen had om door te stoten naar de top, kwam ik terecht in een geolied team. Dat was wel lastig om direct hun spelsysteem door te krijgen’.
Immigrant
De eerste maanden moest Fluks erg wennen. Het spel blijkt daar niet alleen veel sneller te zijn maar ook het communiceren ging heel moeizaam. ‘De coach sprak geen woord over de grens en tijdens time-outs ratelde hij in het Spaans tegen mij wat ik fout deed. Uiteindelijk ben ik op Spaanse les gegaan.’
Als ‘immigrant’ moet je je aanpassen. Wat dat betreft geen probleem met Fluks, geboren en getogen in de schaduw van de Westertoren. Dat hij een appartementje met drie andere spelers moest delen, maakte hem geen zier uit. ‘Dat huisje werd iedere dag schoongemaakt en er was een kok die voor ons kookte. Dat was allemaal goed verzorgd. Ook mochten wij gratis gebruikmaken van een fitnesscentrum, gevestigd in hetzelfde gebouw. Ik had het er wel naar mijn zin.’ Maar er waren toch van die kleine dingen die Fluks aan het denken zetten. Zoals de manier van betalen. ‘Ik kreeg iedere maand mijn geld, maar niet zoals ik dat gewend was. Dat werd namelijk uitbetaald in een witte enveloppe. Dat geld was volgens mij zo zwart als steenkool. Maar zolang ik dat kreeg vond ik het wel prima.’
Spaargeld leven
Kortom Fluks kon lekker ballen, kreeg op tijd zijn poen, voor zijn natje en droogie werd gezorgd, en het team draaide aan de top als een trein. Maar zoals in ieder sprookje gebeuren er onverwacht rare en vreemde zaken. ‘Eind februari kwam de club in problemen en kregen wij geen geld meer. Tot eind april moest ik van mijn spaargeld leven. Werk jij voor niks’, antwoordt hij op de vraag of er toch gespeeld werd. ‘Wij gingen een week in staking en uiteindelijk kregen wij ons geld. Ik als eerste. Dat had er mee te maken dat ik buitenlander was. Inmiddels is de club failliet en is Fluks weer terug in Mokum, waar het op basketbalgebied ook kommer en kwel is. ‘Bij de Nederlandse clubs heeft de recessie flink toegeslagen. Er zijn al een paar verenigingen failliet of hangen aan een zijden draadje. Ik heb nu contact met een team maar dat is nog heel prematuur.’
Een profsporter is net een auto. Laat je die te lang stil staan dan komen er geheid problemen. Fluks beseft dat als geen ander. ‘Iedere dag train ik urenlang in de Apollohal. Met een aantal topspelers waaronder de in Amsterdam vakantie vierende NBA-prof Francisco Elson, spelen wij partijtjes. Dat doen wij over twee speelvelden zodat er flink gerend moet worden. De andere uren zit ik in de sportschool. Ook heb ik mijn studie commerciële economie weer opgepakt. Ik ben bezig mijn scriptie te schrijven.’
Voorrang
Over zijn toekomst als basketballer maakt Simon Fluks zich de nodige zorgen. In eigen land is er voor een jonge ambitieuze basketballer geen droog brood te verdienen. Spanje met zijn tientallen profclubs, dát is het beloofde land. Maar daar is het ‘eigen volk eerst’.
‘Ik wil graag terug, maar daar zitten ze niet op mij te wachten. Spaanse clubs zijn iets anders dan hier in eigen land. Daar krijgt de jeugd wél voorrang. Maar wel eigen jeugd, hè. Het is heel moeilijk om daar tussen te komen.’

Geplaatst in Mug, Juli 2010 Foto’s: Hilco Koke

Posted in Diverse. Tags: . 1 Comment »

Wie was nou de uitvinder van de Vikingschaats…?

Het was Rintje Ritsma die hem overhaalde het nog een keer te proberen. De rest is geschiedenis want Gerard van der Velde won goud in Salt Lake City. De duizend meter raasde hij af in een destijds ongelooflijke tijd van 1.07.18, een nieuw wereldrecord. In de docu ook beelden van schaatsenfabriek Viking van Jaap Havekotte.
Want geen schaatsgeschiedenis zonder schaatsen uit deze fabriek. Eind vorig jaar stond  de hoogbejaarde  Havekotte  de Telegraaf een interview toe waarin de historie van zijn ‘merk’ langs kwam. Havekotte (foto links: geplaats in Sportief 1949) repte ook over zijn toenmalige partner, Ko Lassche, die hij, in dat verhaal, van diefstal beschuldigde en daarom, zo’n achtenvijftig jaar geleden de laan uitstuurde.
Maar het was die zelfde Lassche die aan de wieg van het succes van Viking stond. In het weekblad Sportief van 1949 bevestigde Havekotte dat. ‘Een jongeman belde bij mij aan,’ vertelde Havekotte aan Sportief,. ‘Die mij een paar zelf gemaakte schaatsen liet zien. Het waren Noorse schaatsen die hij van biscuitblik gemaakt had. Ik zag meteen dat die jongen, Ko Lassche want dat was zijn naam, een eerste klas vakman moest zijn. Toen is bij ons het idee geboren zélf de fabricatie van Noorse schaatsen ter hand te nemen.’
Lang hield die samenwerking niet stand want Lasschke werd door Jaap weggeschopt.
Bert Lassche, zoon van Ko, reageerde furieus en het was columnist  Frenk der Nederlanden van Het Parool, die zijn verhaal oppikte… Hieronder diens verslag.

Het Parool
Zijn hele leven heeft hij zijn mond gehouden, maar nu moet het hoge woord er maar eens uit. Niet Jaap Havekotte, maar zijn vader, Ko Lassche, is de geestelijke vader van de Viking, de stalen noor die door Art en Keessie wereldfaam vergaarde. Bert Lassche: ‘Havekotte heeft altijd de eer opgestreken, maar nu hij om zich heen schopt, moet het echte verhaal maar eens worden verteld’.
Hij kijkt er niet vrolijk bij, want Lassche (Amsterdam, 1946) heeft ondanks alles wel respect voor ‘Ome Jaap’. ‘Havekotte heeft veel betekend voor de schaatssport in Nederland, dat staat buiten kijf. Ze mogen hem van mij in het zonnetje zetten, maar de uitvinder van de Viking is hij niet, wat hij ook beweert.’
Ten bewijze legt Lassche documenten, foto’s plakboeken op tafel. En dan zijn er natuurlijk nog de schaatsen zelf. De woonkamer van zijn huis in Schellingwoude hangt er vol mee, van de Linschoter krulschaats uit de negentiende eeuw tot de noren die zijn vader fabriceerde. Lassche slaat met zijn hand op de Telegraaf, waarin de nu 97-jarige Havekotte zijn vader onlangs betichtte van diefstal. ‘Walgelijk is het, zo laag bij de grond, en dat ten opzichte van een man aan wie hij alles te danken heeft. Mijn vader verdient dat niet.’
Ko Lassche (Nieuwendam, 1917) was als kind in de weer met ijzers, buizen en schoentjes. Na de oorlog maakte de koperslager in Durgerdam schaatsen van zaagbladen en koekblikken uit de voedseldroppings. Daarmee ging hij naar Havekotte, in die tijd een vooraanstaand figuur in de schaatswereld. Lassche: ‘Ome Jaap zag direct dat mijn vader een eerste klas vakman was. Begin 1948 gingen ze een samenwerkingsverband aan. Havekotte zorgde voor het startkapitaal, want mijn vader had geen stuiver. Ze werden allebei directeur. Daarom is het zo onverteerbaar dat Havekotte hem nu in de krant als een dom hulpje afschildert.’
Het duo begon een werkplaats in de Gerard Doustraat, maar de zaken gingen zo goed, dat ze een fabriek in de Derde Oosterparkstraat openden. De Vikingschaatsen vlogen als warme broodjes de deur uit en al snel hadden ze zeven man personeel voor zich werken. Maar in 1952 kwam aan de samenwerking een einde. Volgens Havekotte zette hij Lassche (foto rechts, Sportief 1949) op straat nadat die was betrapt op de diefstal van twee paar schaatsen.
‘Allemaal onzin’, zegt Bert Lassche. ‘Mijn vader was geen zakenman, dat klopt. Hij wilde vooral mooie schaatsen maken. Maar hij was een dief van zijn eigen portemonnee, niet van het bedrijf. Hij gaf ze weg aan vrienden in de hoop dat die dan in wedstrijden reclame gingen maken. Dat heeft kwaad bloed gezet, want Havekotte zat altijd op de penning.’
Hoe dan ook, Lassche begon weer voor zichzelf. In een oude boerderij in Amstelveen opende hij de Hjälmarfabriek. Hij gunde Havekotte het recht op de naam Viking. Lassche: ‘Mijn vader was niet haatdragend en heeft zelfs daarna nog werk voor Havekotte gedaan’.
In 1966 kwam hij bij een ongeluk om het leven. Zijn zoon staart uit het raam, naar de weilanden langs de Schellingwouderdijk. ‘De sloten zijn alweer bevroren’, zegt hij zacht. Dolgraag zou hij zelf ook het ijs opgaan, maar zijn knieën willen even niet meer. Hij neemt me mee naar de schuur, waar hij nog altijd schaatsen slijpt. ‘Uit heel Noord-Holland komen ze hier naar toe’.
Hij pakt de oude matrijzen van zijn vader en zegt: ‘Het doet wel pijn, hoor, zo’n aanval. Ik was zo kwaad dat ik Havekotte na die publicatie meteen heb opgebeld. Hij klapte helemaal dicht. Onbegrijpelijk dat een man op zijn leeftijd nog om zich heen gaat schoppen. Voor mij is hij niet langer ome Jaap, maar mijnheer Havekotte.’

error: Content is protected !!