Vriendelijke champ vertrokken naar de Grote Bokshemel

Een pionier. Een voorvechter, van de zwarte sportemancipatie. Een voorbeeld voor legio Surinaamse sporters. Want hij was wél de eerste Surinaamse bokskampioen van Nederland Meerdere keren! Ga er maar aan staan om als zwart  jochie, in het roomblanke Nederland van de jaren vijftig in de ring te staan. Een geslaagde missie. Nadat Theo Baars in 1966 voor de laatste keer zijn bokshandschoenen uit trok keek hij terug op een redelijk geslaagde bokscarrière, die bestond  uit meer vijftig partijen. De rest van zijn lange, en vruchtbare leven besteedde Theo aan zijn gezin maar ook aan zijn liefde voor de bokssport. Theo Baars door iedereen unaniem omschreven als een lieve en vriendelijke man, stierf gisteren op vierentachtig jarige leeftijd.

Lees ook: https://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2016/06/05/begenadigd-stylist-en-een-gentleman/

 

Geen boksglorie maar de hel van het Oostfront

Nein! Hij was nou niet bepaald hét beeld van een Germaanse superkrijger.  Zo één waar rassenwaanzinnige Adolf prettige gevoelens van achter zijn geüniformeerde gulp kreeg. Hij was weliswaar blond, had blauwe ogen, maar was een dreumes. Een ventje van amper eenenvijftig kilo. Kwam als bokser amper boven de ringtouwen uit. Willi Kaiser had wél iets waar zijn Führer verlekkerd bij stond te knikken. Willi was dapper. Zat vol strijdlust, en altijd bereid tot dé strijd. Goed voor  een bokser.  Kaiser,  uitkomend in de vlieggewichtklasse, mocht het Vaterlant vertegenwoordigen op de Olympische Spelen van Berlijn. Waar hij zich door de voorrondes heen vocht. Ten koste van Guillermo Lopez uit Chili, Fidel Tricánico uit Uruguay, Alfredo Carlomagno uit Argentinië. Dan is het 15 augustus 1936. Een uitverkochte Deutschlandhalle met twintigduizend toeschouwers. Willi Kaiser, vierentwintig jaar, jongen afkomstig uit Rijnland-Westfalen, in de finale tegen de Italiaan Gavino Matta. De laatste kreeg er flink van langs. Willi was in vorm.  En Matta  vol met trucjes. De laatste,  twee pijnlijk dichtgeslagen ogen, verdedigde  zich steeds té laag en sloeg daarbij zijn tegenstander regelmatig onder de gordel. Voor de kleine Kaiser maakte dat geen reet uit. Hij won toch, en liet zich als eerste Duitser een gouden medaille bij het boksen omhangen.
Met op de conduitestaat honderdachttien gevechten waarvan er tachtig gewonnen,begon de zon voor Willi te schijnen.Maar de wegen des Heren zijn ondoorgrondelijk, om er maar een Bijbelse kreet tegenaan te gooien. Geen roem, met de bijbehorende financiële revenuen, maar  het Feldgrau van de Wehrmacht.
Operatie-Barbarossa, de Duitse inval  in Rusland. In plaats van het ritmische geluid van touwtje springende boksers,  het geratel van machinegeweren.

Hoogstwaarschijnlijk hoorde Willi vaag in gedachten de echo van het applaus en gejuich in de bokszalen, toen hij door de Russen krijgsgevangen werd genomen. Willi Kaiser, uit krijgsgevangenschap gekomen kwam  pas in 1949 terug in zijn geliefde Rijnland terug.

Bron onder meer: ‘Olympia 1936’, uitgegeven door Cigaretten-Bilderdienst Hamburg in 1937.

Foto 2: Het Duitse Olympische boksteam, met tweede van rechts, Willi Kaiser.

 

Olympische droom spatte uiteen

Je wordt  als bokser afgevaardigd naar de Olympische Spelen van Mexico 1968. Het kledingpakket zit in je koffer. Je bent in bloedvorm. Je hebt kans op een medaille. Samen met de Olympische ploeg reis je af. Om twee dagen voor de opening te vernemen dat je niet mee mag doen. Dat over kwam Henko Baars. In zijn stamkroeg hartje Jordaan vertelt de vroegere bokser zijn verhaal.

Wat het boksen hem uiteindelijk had gebracht? Met zijn vingers  maakt hij twee nullen. Niets. Helemáál niets. Ja, teleurstelling. Dat laatste is een eufemisme. Want wat Henko Baars overkwam is voor een sporter een gruwelijke nachtmerrie. Met een garantie op een levenslange trauma.  Bijna vijftig jaar later knaagt dat  nóg aan hem. Verbitterd is hij niet. Wél teleurgesteld. De voormalige bokser heeft zijn sportcarrière al lang achter zich gelaten. Maar begin niet over dat ene incident in 1968. Hij loopt verbaal meteen leeg.  Het was dan ook geen kattenpis. Baars amateurbokser, drievoudig Nederlands kampioen. Begin jaren zestig een gevreesde pugilist met in zijn twee vuisten een knock-out. Baars werd goed genoeg bevonden om Nederland te vertegenwoordigen op de Olympische Spelen van Mexico. Wat een opmaat werd voor een groot sportdrama. Henko Baars, jongen afkomstig uit de Jordaan, en  trainend op de boksschool van Bep Kneppers gevestigd in de Haarlemmerhouttuinen. Een  voormalige middengewicht, die zich zelf  geen technische bokser noemt. Niet zo’n berekenende puntenscoorder. Hij was een knokker en sloeg zijn tegenstanders het liefst neer.  Om dat te doen moet je wél ‘eerst zelf nemen’. Incasseren. De klappen opzoeken. Dan pas kun je ze ook uitdelen. Dat lukte de Jordanees  aardig.

Waarom nooit prof?
Van de meer dan tachtig partijen won hij de helft  op knock-out. Baars neemt een slok Spa. Boven het kroegrumoer uit vertelt hij verder. Waarom hij  nooit prof werd? Voor de vroegere champ   een aftelsom. Als amateur trok hij door heel Europa. Zag iets van de wereld. En had ook een heel team achter zich. Als  prof kwam je nergens. Moest je alles alleenopknappen.  Henko Baars,  met zijn eigen typische manier van boksen, trok volle zalen. Vooral tijdens de boksgala’s gehouden in het  Krasnapolsky van de jaren zestig. Met Henko in de ring was spektakel verzekerd. Ook buiten de ring. En daar ging de Jordanees behoorlijk de fout in. Van een bokser wordt geacht  om in het maatschappelijke leven nooit de vuisten te gebruiken. Makkelijk gezegd. Daar moest je indertijd mee in de Jordaan aankomen. Volgens Baars werd hij op straat regelmatig uitgedaagd. Tot zo’n uitdager te ver ging. Baars sloeg hem neer.  Een schorsing van twee jaar volgde. Om in mei 1968 ijzersterk terug te komen in de ring.

Staalharde rechtse
Tijdens het jubileumtoernooi van de Boksbond stond een supergetrainde Henko Baars tegen de Russische middengewichtkampioen Stanislav Stroemkis. De laatste kreeg van Baars een ‘staalharde’ rechtse op de kaak en ging neer. Het publiek sprong  op de stoelen.  Uiteindelijk verloor Baars de partij op één punt. Voor de keuzecommissie was het duidelijk: Baars mocht naar de Olympische Spelen van Mexico. Nadat de middengewicht in Zeist na een grondige conditietest uitgevoerd door artsen van het NOC, was goedgekeurd, kon hij, bij Perry van der Kar op de Overtoom, zijn Olympische kledingpakket ophalen. 
Niet alleen fysiek werd Baars door de molen gehaald, ook het hoofd. Dokter Van Win, bondsarts van de boksbond,  vroeg aan zijn collega De Jongste, arts van het toenmalige NOC   toestemming voor een EEG van de hersenen van Baars. Twee dagen voor het vertrek naar Mexico, wordt De Jongste opgebeld door de voorzitter van de boksbond met de mededeling dat er iets aan de hand was met Baars’  EEG.   Waarmee aan de horizon het drama voor de Jordanees opdoemde. Van Win hield de uitslag van de scan voor zichzelf. Baars vertrok onwetend  naar Mexico.

Geen tijd
Tussen beide artsen ontstond in Mexico grote onenigheid waarvan Baars de dupe werd. De bokser wist dat er iets speelde. Terecht. Voor aanvang van het toernooi moesten alle EEG-uitslagen verplicht overhandigd zijn aan de overkoepelende arts genaamd Herngreen.  De laatste  kreeg deze. Op  één na, die van Baars. Nadat Herngreen aan Van Win vroeg waar de EEG van Baars bleef antwoordde de laatste dat hij geen tijd hier voor had.   Op grond daarvan werd de bokser reglementair, vlak voor de opening van de Spelen op het vliegtuig gezet richting Amsterdam. Een Olympische droom spatte uit elkaar. En een levenslange frustratie begon.
Bij terugkomst nam Baars contact op met de afdeling neurologie van wat nu  het Leids Universitair Medisch Centrum is. Na een EEG én meerdere hersenonderzoeken kon men geen afwijkingen vinden. Baars werd goed gekeurd.

Geen weg terug
Henko Baars, inmiddels vijfenzeventig jaar weet het nog allemaal goed. Hoe de boksbond hem liet vallen, en nooit meer iets van zich liet horen. Ook dat hij een medaillekandidaat was. 
Ach, er is nu voor Baars geen weg meer terug, is zijn antwoord op de vraag hoe het nu gaat met hem. Hij heeft een goede en mooie tijd gehad met boksen. Heeft veel gezien van de wereld. Na een tamelijk turbulent leven is hij nu gelukkig met zijn bestaan. Hoewel hij er alleen voorstaat hoor je hem niet klagen.  Of hij behalve zijn frustraties  nog iets aan die Spelen heeft overgehouden? Ja, zijn Olympische colbertje, wedstrijdshirt en broek. Die doet hij nooit meer weg. Want ondanks de teleurstelling zijn die hem heel lief.

Foto 3: Links trainer Bep Kneppers met Henko Baars.

Foto 4: Henko Baars in zijn stamkroeg hartje Jordaan.

Begenadigd stylist en een gentleman

Meer dan vijftig jaar stond Theo Baars in de boksring, als speler én als trainer. Als één van de eerste boksers van Surinaamse afkomst werd hij in 1958 nationaal kampioen.

Er werd niet raar opgekeken. In de boksschool van Piet ter Meulen, gevestigd boven een oude zeepfabriek in de Amsterdamse Joden Houttuinen, waren ze wel wat gewend. Ook dat in maart 1950, een zwarte jongen van amper achttien jaar zich aanmeldde. De ranzige, zure geur van zweet, het ritmische voetgetrippel van touwtje springende kerels, het sinistere geluid van harde klappen op lichamen én bokszakken, dat maakte Theo Baars niets uit. Theo, jochie afkomstig uit Suriname, had zijn bestemming gevonden. Trainer Piet ter Meulen, een voormalige koeienslachter in het gemeentelijke abattoir, herkende Baars’ bokstalent. Ter Meulen loodste zijn pupil op een rustige manier het rauwe wereldje van het vuistvechten binnen. Drie jaar later, tijdens een boksgala in het Concertgebouw, maakte de jonge Surinamer zijn profdebuut. Tegenstander Vick van de Berg kon na acht ronde de artiestenuitgang verlaten met een puntennederlaag.

Lasser bij de NDSM
Het profboksen in de jaren vijftig en zestig, dat was sappelen, waarbij de muizen dood in de broodtrommel lagen. Ook voor Baars. Om zijn gezin met vier kinderen te onderhouden  was  Baars, naast het boksen werkzaam als lasser bij de NDSM.  In de avonduren werd getraind. Het zegt alles over zijn kwaliteiten als pugilist. Ondanks een semiprofstatus was  Baars in maart 1958 goed genoeg gevonden voor een gevecht om de nationale titel weltergewicht. In een propvolle Rotterdamse Ahoy-Hal ging bij lokale held, én heersend kampioen, Frits van Kempen in de achtste ronde het licht uit. Baars kreeg zijn goede contracten in het buitenland.
Ook in het Parijs van 1960. Tegenstander Maurice Auzel. Zoals De Telegraaf schreef was het een partij op heel hoog niveau, met twee stylisten die het vak ‘tot in de puntjes verstonden’. In het gevecht over tien ronden van drie minuten verloor Baars nipt op punten.
Over verliezen gesproken. Vier jaar mocht Baars zich kampioen noemen. Om in  1962 zijn kampioenstitel aan clubgenoot Jan de Vos in te leveren. Na afloop van de partij, gehouden in een uitverkocht Krasnapolsky, werd Theo, mét een dicht geslagen oog door zijn vrouw Jo liefdevol en zorgzaam uit de bokshandschoenen geholpen. Theo Baars, bijgenaamd ‘Tommy’, met een conduitestaat van 52 gevechten waarvan er zevenentwintig werden verloren, hing in 1966 zijn bokshandschoenen aan een roestige spijker. De Amsterdammer stelde zijn kennis in dienst als trainer, ondermeer bij de boksschool van ter Meulen, die hij zijn hele carrière trouw was gebleven.

Liefde voor het ‘spelletje’
Hoogstwaarschijnlijk was Theo Baars té aardig voor het ruwe profmetier. Wie je ook spreekt, iedereen vindt hem een heel lieve man. Ook Yz van der Weerd. De laatste, zo’n vijftig jaar geleden de boksschool van Ter Meulen over genomen, heeft alleen maar warme gevoelens over de mens Baars. Wat wil je. Toen Van der Weerd als jongen van vijftien jaar voor het eerst de drempel van de boksschool overschreed, was het de toen gelouterde prof Baars die hem onder zijn hoede nam. Dat Van der Weerd tijdens diens wedstrijdcarrière bokste op de schoenen, overgenomen van zijn leermeester, is logisch.
De voormalige champ van Surinaamse komaf, bracht als trainer zijn kennis én techniek over aan jonge aankomende boksers. Waarbij de liefde voor ‘het spelletje’  hem parten speelde. Op de club wilde hij met iedereen de ring in. Voor een gepensioneerde bokser niet goed. Slecht voor het hoofd.
Volgens Van der Weerd had Theo als bokser maar ook als trainer de nodige klappen genomen. Zelf deed Baars er alles aan om zo’n jongen tijdens sparpartijtjes zelf niet te slaan. Wat met zijn ervaring makkelijk kon. De voormalige kampioen ‘Tommy’ Baars,  als fighter  372  loodzware rondes achter de rug, en decennia  trainer, verzorgde zijn lijf goed. De man was topfit. Ondanks dát  kreeg hij tóch zijn makkes. Hij begon dingen te vergeten. Of dat de tragiek van een bokser op leeftijd is? Feit is wél dat Baars tijdens zijn carrière een paar keer op het canvas wakker werd. Onder meer door een zware knock-out, toegebracht door de Duitser Gerd Mueller. 

Sparren met pa
Zijn zoon Marcel Baars kan naar het antwoord alleen maar gissen. Marcel weet wél andere dingen. Zoals dat zijn vader geen opschepper was. Thuis vertelde hij weinig over zijn carrière.  Voor het gezin Baars, want drie jongens en een meisje, was het boksen normaal.  Het hoorde er bij. Wel vertelde senior dat hij vaak in het buitenland vocht. Daar kon hij goed verdienen. Dat Theo Baars op hoge leeftijd nog in vorm was bevestigd Marcel. Met veel liefde vertelt de laatste over de vele trainingen met zijn vader.
Hoe Marcel  ’s avonds na zijn werk trainde in de gym met mijn toen dik zeventigjarige vader. Partijtjes sparren waarbij pa niet té hard terugsloeg. Dat Theo Baars bij boksend Amsterdam een warme indruk had gemaakt merkt zoon Marcel nog regelmatig. Op de boksschool waar hij een enkele keer komt vraagt iedereen hoe het zijn oude heer gaat. Dan komen ook de verhalen los hoe Theo hen het boksen had geleerd.  
Vijf jaar geleden begon Theo Baars te sukkelen. De kenmerken van Alzheimer werden langzaam zichtbaar. De vroegere boksheld slijt zijn dagen nu in een verzorgingstehuis. Hij  kan niet meer praten, en zit ook nog in een rolstoel. Van zijn ooit sterke lijf zijn alleen nog de gespierde armen én schouders over. Hij herkent zijn kinderen en andere familie nog wel. Die laten hem altijd foto’s zien van zijn vroegere partijen. In zijn geest trekt de mist langzaam weg.  Dan beginnen zijn ogen te glimmen.

Foto 2:  De Vos tegen Baars om het Nederlands kampioenschap. Foto 4: Theo Baars.

Dit door mij geschreven verhaal was zaterdag 4 juni j.l. gepubliceerd in Het Parool.

Geplaatst in Boksen. Tags: . 2 Comments »

Legendarische Groothuis en zijn gietijzeren boksers

Wist hij veel. Ja, hoe je een glas bier kunt tappen. En dat je een neut tot de rand vult. Maar dat notabene in zijn eigen nering pure boksgeschiedenis aan de muur hangt, was hem ontgaan. De barman van het Haarlemsch Koffiehuis, gevestigd aan de Prins Hendrikkade, kon alleen vertellen dat de parafernalia minstens een halve eeuw zijn kroeg sieren. Goed verstopt, half achter een gordijn, bevinden zich ingelijst een bokstrainersdiploma van Dick Groothuis, en een fotocollage van zijn vuistvechters. Het zijn de laatste relikwieën van een groots verleden, want de boksgeschiedenis van de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt: ooit kraamkamer van tientallen kampioenen.
De Nieuwmarktbuurt, dat merkwaardige buurtje van na de oorlog. Met zijn Zeedijk, de Wallen, stegen, kleine straatjes én grachtjes. Tikkeltje rauw, volks, plat sprekend, mét een vlijmscherpe, assertieve tong. Buurt van omes en tantes, waar de sociale controle wurgend kon zijn. Naar buiten een eenheid. Ernstige conflicten werden met de vuist opgelost. Dat de buurt drie boksscholen kende, was misschien geen toeval.
Wat inrichting betreft waren die zoals Hollywood bedoeld had. Gyms, mooi in lelijkheid. Spartaans. Kaal, ontdaan van franje. Een paar kleedruimtes, bokszakken én de onvermijdelijke ring.
Jongens  als Joop Kruis, de broers Van der Velde, Bas Duivenbode, Sjoerd Tuininga, Jan Hupke,  Henko Baars, Harco Kokmeier, Moos Linneman en Wim Snoek, zomaar wat kampioenen, maakte dat geen reet uit. Bij de boksscholen van Losekoot, Ter Meulen én Groothuis werd de techniek er letterlijk ingestampt.  Misschien dáárom wel de rede dat de beste pugilisten van het land daar vandaan kwamen? Of had dat soms iets te maken met de kwaliteiten van de trainers?
Niet helemaal! Althans, dat beweert Joop Kruis, 71 jaar. Joop, indertijd pupil van Piet ter Meulen, wéét de rede van het succes. De concurrentie! Wat staat voor dagelijkse uren trainen met champs of andere professionele boksers. Kampioenen, met honderden loodzware rondes achter hun naam. Die niet te lullig waren om tijdens de training hun ervaring te delen met aankomende boksers. Dát was volgens Kruis, hét geheim achter het succes. Joop accentueert dat even door te zeggen dat trainer Ter Meulen niet zóveel sjoege van boksen had. Of dat met andere buurttrainers ook zo was?

Van Losekoot is weinig bekend. Wél van de illustere Dick Groothuis. De boksschool van ‘Ome Dick’.  Residerend op een zolder, vierhoog in een eeuwenoud pand naast het politiebureau Warmoesstraat. Legendarische trainer. In een enkele buurkroeg zingen de anekdotes over hem nóg rond. Je kon mocht als bokser een gietijzeren reputatie hebben,  maar als je tijdens de training naar het toilet moest, werd eerst toestemming aan Groothuis  gevraagd. Groothuis, altijd vergezeld van een grote zware bouvier, Tarzan genaamd.
Boksers die tijdens de training te dicht bij Tarzan kwamen herinneren nog zijn dreigende, blinkende tanden én gegrom. Ooit schijnt Groothuis zijn Tarzan knock-out te hebben geslagen nadat deze één van zijn jongens te grazen had genomen.

Maar dat was eens. De buurt is inmiddels veranderd in een juppenwijk. Het Haarlemsch Koffiehuis, in de jaren vijftig uitgebaat door Groothuis’ echtgenote die ook verantwoordelijk was voor diploma én foto, en ooit  hangplek voor spoorwegpersoneel, postbodes, en kantoorpikken, is verworden tot een  toeristenkroeg. En de buurtboksscholen? Verdwenen. Geschiedenis! Weg romantiek. Of dat allemaal ook te maken heeft met de teloorgang van het hedendaagse Nederlandse boksen is niet zeker.

Een Kruiswegstatie van negen ronden

Copy of Ben Bril 2015 21 300Het gala behoort inmiddels tot een sportklassieker: de Ben Bril Memorial, voor de achtste keer gehouden in Koninklijk Theater Carré. Stuyfssportverhalen was daar bij en volgde Joos Poulino én Jessica Belder. Beiden gingen voor het Nederlands kampioenschap.

Hij houd van zijn eiland. Alleen een visuele gehandicapte was dat ontgaan. Een grote vlag  van Curaçao hangt pontificaal aan de deur, van de kleedkamer van Joos Poulino, 27 jaar. En deze had veel weg van een jongerensoos. Een lekker ontspannen muziekje. Vijf vrienden. Een  fruitmixer draait op volle toeren. Grappen die tegen de muur kaatsten. En relaxed zittend, Joos Poulino, een middengewicht. Naast hem trainer Joval. De laatste, stoïcijns de handen van zijn puppil intapet. Indrukwekkende tattoos verdwijnen onder lagen wit plakband. Met een paar gemummificeerde handen begint de opwarming. Volgens een aanwezige neef gaat Poulino zich nu visualiseren.
Copy of Ben Bril 2015 12 300Yes, Yes, Yes roepend, strak in de kleedkamerspiegels kijkend, worden armspieren los geschud. De man pept zich op. Achteraf gezien was dat allemaal onnodig. Joos  had net zo goed meteen de ring in kunnen stappen. Niets aan het handje.
Zijn tegenstander wekte namelijk de sterke indruk dat deze enkele uren eerder langs de Amstel een paar bokshandschoenen had gevonden en het wel aardig vond het ook eens te proberen. Waarmee het kampioenschap van Nederland een slachtpartij werd. Met Faroek Daku, een in Amsterdam wonende Oegandees van dertig jaar in de rol van slachtoffer. Passief, solliciterend naar een gesprekje met een neuroloog, onderging Daku, notabene kampioen van Afrika de afstraffing. Een levende bokszak met een incasseringsvermogen van een Centuriontank.
De verse kampioen begreep daar niets van ‘Tijdens de eerste ronde dacht ik dat kan niet waar zijn’, vertelde hij na afloop.  ‘Hij zat te bidden om die ene stoot. Ik sloeg zo hard ik kon, maar hij bleef negen ronden op de been. Ik wil graag iemand in elkaar slaan, maar niet dood maken’. De opmaat voor iets vreselijks speelde zich al vóór het gevecht af.
Copy of Ben Bril 2015 17 300Na aangekondigd te zijn door ringspeaker Eric Dijkstra bleef het stil. Wie er ook uit de coulissen kwam, geen Daku. Na minuten wachten kwam Daku eindelijk op: wapperende vlag van Oeganda voorop.  Op weg naar zijn Kruiswegstatie die uiteindelijk, door interventie van de scheidsrechter, negen ronden duurde. Voor Joos Poulino, na het gevecht kilo’s lichter, met een afzakkende broek, is zijn titel een opstapje naar meer. “Koning van Europa’ wil hij worden, riep hij na afloop, zonder  met zijn ogen te knipperen. Om haastig daar aan toe te voegen dat hij nog steeds een gewone jongen is. Zo één die zich nergens te groot voor voelt. Ook niet om  Stuyfssportverhalen te woord te staan.

Geplaatst in Boksen. Tags: . 1 Comment »

Drie ronden én een gebroken kaak

Copy of benbril1aDe opkomst van boksers. Met de gebruikelijke bombast. Harde muziek. Spotlights. Show. En een spreekstalmeester mét lange uithalen. Voor Jessica Belder allemaal nieuw. De dertig al lang gepasseerd, maar toch haar debuut als profbokster in Carré. Strak van de zenuwen staat ze in de ring, te wachten op haar tegenstandster. Terwijl Belder, 55 kilo, de laatste instructies krijgt van trainer Joval, staat in de coulissen een jongensachtig grietje van amper veertien jaar te trappelen. Bokshandschoenen aan. Je gelooft je ogen niet. Een kind. En net als je haar wil vragen of ze een briefje met toestemming van haar moeder heeft, wordt ze door ringspeaker Eric ‘Jakhals’ Dijkstra, perfect brallend aangekondigd.
Copy of benbril11aGabrielle Mezei, uiteindelijk eenentwintig, tegenstander van  Belder, met inzet, de vakante Nederlandse titel.  Dan gebeuren er meerdere dingen tegelijk. Terwijl Mezei dansend de ring betreedt, hoort het publiek Dijkstra een onheilspellende mededeling doen. Volgens de Jakhals is Mezei afkomstig uit een bergdorpje in Transsylvanie. Mijn Heer. Als ze maar niet in nekken gaat bijten. Goddank staat ze op heilige grond want Koninklijk theater Carré, decor van de achtste Ben Bril Memorial. Maar we gaan verder met Jessicia Belder versus Gabrielle Mezei: de laatste met een conduitestaat van zeven gevechten, drie gewonnen en twee verloren.
De meiden gaan los voor een partij over tien ronden van twee minuten. Die maar drie ronden duurt. Gabrielle Mezei, moet de strijd staken want een gebroken kaak. Voor Belder profbokster met ambitieuze plannen voor een Europese titel, een deceptie. Geen echte glorie. Geen heroïsch gevecht die blijft beklijven. 
De verse kampioene, een nuchtere meid. Als geen ander weet ze dat het als pugiliste  sappelen is. Bij  een gemiddelde Nederlandse profbokster liggen de muizen immers dood in de broodtrommel.
Copy of benbril7aEr is geen cent te verdienen. Belder, pure liefhebber van de sport, is daarom in dagelijks leven registeraccountant bij Endemol. Waar ze nog in proeftijd is.  Hele dagen werken én een carrière als bokster. Of dat wel gaat? Wat dat laatste betreft maakt ze zich niet druk.  Volgens haar is het een kwestie van goed plannen. Vroeg opstaan, werken en in de avond trainen bij Raymond Joval waar ze trainingsweken van zestien uur aftikt. De nieuwe kampioene, allesbehalve een vedette. Blij met ieder klein ‘dingetje’. Zoals haar nieuwe sponsor, die een trainingskamp van een week bij een gerenommeerde gym in Londen, bekostigde.