125 jaar

Hij had een ruige vechtstijl. Zoveel is zeker. Want als je dertien keer gediskwalificeerd wordt tijdens een gevecht, is dat een record. Weliswaar een bedenkelijke maar tóch. De man was berucht om zijn smerige trucs. Een elleboog in een oog, of een knietje in het kruis van de tegenstander, de man draaide zijn hand daar niet voor om: dat laatste vaak letterlijk. Of anders beet hij wel in de nek van zijn tegenstander, wat moet kunnen.
‘Mysterious’ Billy Smith, zat nergens mee, en was, volgens de toenmalige  pers, ‘de smerigste bokser ooit’. Mike Tyson was daar een brave Heilsoldaat bij.  Billy, Canadese profbokser, en levend tijdens de Wild, West in Amerika, had buiten de ring ook een zekere reputatie op te houden, want overleefde drie vuurgevechten in een saloon.  Terug naar de Mysterious Billy die eenennegentig keer in de ring stond. Waarvan  vierendertig werden gewonnen, met als extraatje, tweeëntwintig door knock out.
Billy, in 1890 prof geworden, sloeg, tijdens zijn negende gevecht in 1892, ene Danny Needham neer en mocht zich de eerste wereldkampioen weltergewicht noemen.  Een titel die hij tien jaar hield.
Mysterious Billy Smith, na zijn bokscarrière in Portland uitbater van de saloon ‘The Champion’s Rest’, werd in 2009 postuum opgenomen in de International Boxing Hall of Fame. Waarom dit onbenullige stukje? Omdat het gisteren precies honderdvijfentwintig jaar geleden was dat the Mysterious, tijdens een gevecht in Boston, Tommy Ryan in de zesde ronde het licht deed uitgaan: wat uiteindelijk een klein kerfje veroorzaakte in de bokshistorie.  Billy Smith werd zelf zesenzestig jaar.

Met dank aan John Brouwer de Koning en diens merkwaardige database. Bron onder meer Boxrec.

De Aap

Ernest Hemmingway,  Norman Mailer, én Truman Capote, grootmeesters  van de non-fictie, winnaars van Pulitzer Prijzen, én  de Nobelprijs voor literatuur. Maar ook groot liefhebbers van het boksen.
In de boksschooltjes én bij de ring, liggen de verhalen voor het oprapen. Ook  Armando wist dat als geen ander. Armando, schilder, beeldhouwer en auteur, gefascineerd door het ruwe, rauwe, obscure bokswereldje, publiceerde onder meer het boek De Boksers.
Voor Armando, woonachtig in Duitsland was het boksen eten en drinken. Even weg uit de sfeer van het atelier, geen stroopsmerende galeriehouders, en groupies met natte kruisen, om hem heen.
De man, strak in het pak, dompelde zich regelmatig onder in een bad gevuld met adrenaline, bier en smeulende nicotineslierten, van oudsher bij de boksring aanwezig. 
Dat Armando,  begin september 1962 aanwezig was in Keulen was geen toeval. In de Kölner Sporthalle stond de partij tussen lokale held Peter Müller en de Amsterdamse middengewicht Harko Kokmeijer, op het programma. Waar  Armando ongetwijfeld niet veel plezier aan beleefde.
Tijdens het gevecht, dat maar zeven minuten duurde, en waar zesduizend toeschouwers aanwezig waren, liep  Kokmeijer tegen een knock out op. Müller, in Keulen bijgenaamd De Aap, plaatste een linkse hoek op de maag van de Amsterdammer. Die tegen het canvas ging en uitgeteld werd.
Harko Kokmeijer,  door het Duitse publiek uitgefloten, protesteerde hier tegen. Volgens hem sloeg de Keulenaar té laag. Raar was zijn protest niet. De Aap had een merkwaardig imago op te houden. De man sloeg ooit een scheidsrechter knock out. Volgens Müller  omdat hij door hem werd benadeeld. Dat hij ergens in 1954, in de ring op een mondharmonica het Horst Wessellied speelde in de overtuiging dat dat het Duitse volkslied was, is ter kennisgeving.
Harko Kokmeijer, als pugilist geen ‘weggooier’. De Mokumer, altijd van doordrongen  dat De Dood in de ring nooit ver weg was,  stond als prof eenenvijftig keer in de ring, won zevenendertig partijen en verloor en twaalf. Kokmeijer, bekend als een fatsoenlijk bokser wars van smerige trucs, mocht om zijn erelijst, een gooi naar de Europese titel.
In oktober 1961 stond hij  in de Empire Pool, Wembley tegen de Engelsman John McCormack. Hoewel, volgens de Telegraaf, de Amsterdammer vocht als een tijger verloor hij op punten.
Harko Kokmeijer, na zijn bokscarrière, de uit de zeventiende eeuw daterende kroeg De Spaanse Gevel, op de Amsterdamse Singel, uitbaatte, stierf in 2006 op eenenzeventig jarige leeftijd.
Bron onder meer Boxrec.

De nooit eerder gepubliceerde foto, werd door sportfotograaf Guus de Jong, indertijd welwillend beschikbaar gesteld aan deze blog.

Jack in brons

Stuyfssportverhalen, afgelopen weken een roadtrip makend door Nieuw-Mexico en Texas ging daarbij op zoek naar sporen van zijn helden. Het geboortehuis van Buddy Holly, de saloon van judge Roy Bean, én het graf van Billy the Kid werden ondermeer bezocht. Maar ook het standbeeld van de legendarische bokser Jack Johnson in Galveston. Een verslag.

De stoep op de hoek van Broadway en de 13e Street ligt opgebroken. In een gat staan zes zwarte mannen in fluoriserende vestjes, een onduidelijke klus op te knappen. Zweet guts onder veiligheidshelmen en druipt in kleine straaltjes over glimmende gezichten. Zwijgend wordt er gebuffeld. Of ze blank, bruin dan wel zwart zijn, Texanen zijn een stug volk. Behalve als de emotionele snaar geraakt wordt. Verborgen hartstochten komen vrij. Dan ontdooien ze waar je bij staat. Zoals in Galveston, aan de Golf van Mexico waar Stuyfssportverhalen op zoek was naar sporen van Jack Johnson.
Jack Johnson, geboren en getogen in Galveston, greep in 1908 als eerste zwarte de wereldtitel bij het zwaargewicht: wat een kras gaf op de ziel van blank Amerika en dat nog steeds niet weg gepoets is.
Over Jack Johnson is genoeg gepubliceerd. Jacks leven én carrière behoort tot de algemene ontwikkeling van een boksliefhebber. Dat van Jack een aantal jaar geleden in zijn geboortebuurtje een standbeeld is onthuld iets minder. Het beeld van Jack Johnson dus, ergens verstopt in Galveston, maar waar…? Onvindbaar.
Of de gemeentewerkers misschien wisten waar deze stond. ‘Jack’? wordt achterdochtig terug geantwoord. ‘Jack Johnson, the boxer?’, klinkt het massaal. Gereedschappen worden ter plekke neergelegd. Een grijns verschijnt. ‘Sure’, klonk het collectief. Om er op te volgen dat Jack nog steeds hun grote held is. Dat een bleekscheet uit Europa naar hun Jack vraagt, blijkt in het nog steeds gesegregeerde Texas, bijzonder te zijn. ‘Ik breng je wel, volg me maar’, roept een fluoriserend jasje.
Rijdend achter een pickuptruck van de gemeente Galveston, wordt Stuyfssportverhalen afgeleverd in een zwart buurtje vol monumentale, goed onderhouden houten huizen. En daar, op de hoek van de 26e Street en Avenue M, bevindt zich een parkje ter grote van een postzegel. Onder palmbomen, met het geluid van ritselende eekhoorns en kwetterende gaaien, gloort Jack, gevangen in brons, in zijn karakteristieke bokshouding. Enkele meters van het beeld een groot bord met de geschiedenis van deze boksheld.
Jack Johnson vier jaar wereldkampioen werd in 1913 door een volledig witte jury veroordeelt tot een jaar gevangenis. Wat tevens het einde van zijn carrière was. Zijn misdaad? Hij was getrouwd met een blanke vrouw.
Maar dan is het 25 mei 2018. In the Oval Office van het Witte Huis verleent president Trump Jack Johnson postuum gratie. Eindelijk had die presidentiële patjepeeër tocht iets goed gedaan.

Follies Bergère

Twee zwarte jongens. Aangespoeld in het vrijgevochten Parijs van 1908. Afkomstig uit Amerika, waar de rook van de Burgeroorlog amper was opgetrokken. Een duo,getormenteerd door racisme. Vrij in naam én wet. Maar ze moesten nou ook weer niet hun kop té ver boven het blanke maaiveld uitsteken.
Marshall ‘Mayor’ Taylor en Sam McVea, wielrenner en bokser. Gefotografeerd begin juni 1908 op de Buffalowielerbaan in Parijs. Bloedbroeders. Al was het alleen maar door hun lotsbestemming.
Over Taylor, een toenmalig fenomeen op de sprint, is inmiddels genoeg gepubliceerd, en daardoor een legende geworden.
McVea is de grote onbekende. Nog steeds. Ten onrechte. Sla de sportbladen uit die tijd open en foto’s van Sam spatten je regelmatig tegemoet. Tijdens de Belle Epoque behoorde McVea tot de beste vechters van zijn generatie.
McVea, zwaargewicht uit Texas, zoon van vroegere slaven. Kwam voor een serie contracten in 1907 naar Parijs. En bleef vier jaar in de Lichtstad, met ‘uitstapjes’ naar de rest van Frankrijk, dat staat voor vijfendertig gevechten. Bokspartijen georganiseerd door en voor de Franse happyfiew. Sam won dertig keer. Achtentwintig tegenstanders werden wakker op het canvas.
Dat Sam ook ‘vocht’ in het toen redelijk verdorven Follies Bergère is ter duiding. Maar Sams partij tegen Joe Jeanette, afkomstig uit New York, ging voor eeuwig de geschiedenis in als het langste ooit.
Jeanette versus McVea gehouden in Cirque de Paris, negenenveertig ronden,  drie uur lang, met voor McVea dramatische afloop. Enfin, Stuyfssportverhalen had daar al eerder over geschreven.
Terug naar de Buffalo-wielerbaan. Waar Taylor als voormalige wereldkampioen een van de sprintvedettes was. Hoe, en waarom McVea daar was? Niét meer te achterhalen. Wél dat een aanwezige fotograaf van het sportblad La Vie au Grande Air de jongens, tijdens een onderonsje op de foto ving.
Sam McVea sloot in 1921 op zevenendertigjarige leeftijd voor eeuwig zijn ogen. Ondanks zijn succesvolle bokscarrière, had de man geen rooie cent op de bank staan. Voor de voormalige champ wachtte een naamloos graf. Het was zijn collega Jack Johnson die niet alleen zijn begrafenis betaalde maar ook Sams  eeuwige graf.
Sam McVea rust nog steeds op Mount Olivert Cemetery in New York.
Bron: onder meer La Vie au Grande Air jaargang 1908.

Lees ook: https://stuyfssportverhalen.com/2009/02/12/parijs-1909-en-het-langste-gevecht-ooit/

Hitman met romantische kant

Zijn hart ligt bij het klassieke boksen. Laat daar geen misverstand over zijn. Daar voor trainde hij tien jaar lang, dagelijks het vuur uit zijn lijf. Dat Henny Mandemaker, dé kampioenenmaker uit Den Bosch, zijn trainer was, was een extra stimulans. Maar liefde moet wél van twee kanten komen. Als je twintig partijen, met redelijk succes  in de ring hebt gestaan, wil je ook wat terug krijgen. Zoals een redelijke beloning. Wat dat laatste betreft lagen bij Zacky Derouich, 29 jaar, de muizen dood in de broodtrommel. Door té weinig partijen hield hij geen cent aan het boksen over. En als je geen sponsor hebt, dan houdt het op.
Voor Zacky, bijgenaamd De Hitman, restte maar één ding; de overstap maken naar het kickboksen. Waar wél het geld zit en genoeg partijen op de rol staan. Voor een klassieke vechter als Derouich was de switch moeilijk, want een heel nieuwe techniek moest eigen gemaakt worden.
De man, naast zijn sport ook smart-coach voor mensen met verstandelijke en psychische klachten, blijkt een geboren talent. Binnen twee jaar beheerste de Bosschenaar de geheimen van het kickboksen en hij stootte meteen door naar de hoogste regionen, met dank aan zijn trainingsteam ‘teambeekwildernoudri’.
Veertien keer stond De Hitman inmiddels op de affiches. Wat staat voor evenzoveel loodzware gevechten. Zoals afgelopen februari, de partij tegen de taaie Lars Van Haaften, waar Derouich de ring verliet met een gebroken rib én een gescheurde wenkbrauw. O ja, de Bossche vechtmachine had dat gevecht wél gewonnen.
Met het succes komen ook de uitnodigingen. Derouich, niet ontsnapt aan de aandacht van promotor en organisator Mike Polanen, kreeg van de laatste een invitatie voor een gevecht in China. Wat voor de Brabander meteen een memorabele gebeurtenis werd.
Tegenstander was Hu Yafel, een geharde, oriëntaalse vechter, want zeventig partijen achter zijn naam, en absolute held van het vijfduizendkoppige thuispubliek.
Voor een uitverkocht, kolkend stadion versloeg Derouich de thuisfavoriet. ´Respect´, dát is het woord dat hem ten deel viel. Als een held werd hij in China behandeld. Zijn naam zong rond. En op straat werd de Bosschenaar herkend. En al die Chinezen wilden met Zacky op de foto.
Wat niemand wist, waren de zware weken vóóraf aan dat gevecht. De voorbereiding daarvan viel midden in de ramadan. Voor hem een moeilijke tijd. Om het lichaam niet te veel uit te mergelen werd getraind, onder leiding van Rahal Noudri, na zonsondergang. Als extra zware belasting kreeg hij ook nog te horen dat zijn vader longkanker had. Uit dat laatste haalde Derouich de juiste energie én motivatie. Om zijn pa trots te maken, moest er gewonnen worden.
Zacky Derouich, kickbokser ´om den broden´, meedogenloos in de ring, gevreesd door zijn tegenstanders, blijkt ook een zachte, romantische kant te hebben. Tijdens een boksgala, voor het oog van honderden toeschouwers, vroeg hij zijn vriendin Yasmine ten huwelijk.

Geef ze een hand en je bent je Europese titel kwijt

Al zijn profpartijen weet hij nóg te herinneren. Totaal honderdzevenendertig ronden, die hij in detail kan reconstrueren. Behalve dat ene gevecht. Waarin hij zijn Europese titel verloor. Daar weet hij niets meer van. Duistere zaken waren de oorzaak. Verbitterd is hij niet. Daar heeft Pedro van Raamsdonk, met een profbokscarrière, die bestond uit twintig partijen, waar van vijftien gewonnen, geen rede voor. Wat zijn beste gevecht was? Tegen Europees kampioen Tom Collins. Die zijn titel meteen kwijt was.  Van Raamsdonk,  vers Europees kampioen, en al na tien partijen. Niet één bokser in Europa had dat kunstje geflikt. En niet denken dat die Tom Collins een opgewarmd lijk was. De man stond tweede op de toenmalige wereldranglijst.
Het profboksen! De wereld van managers en promotors, die je liever géén hand geeft. Kans dat je dan een ring mist. Of je titel kwijt raakt. Een omgeving waar louche praktijken nooit ver weg zijn. Als amateurbokser was hij daar jarenlang voor gewaarschuwd. Hij, de enige Hollandse vuistvechter die ooit meedeed aan de Golden Gloves in Amerika, maakte uiteindelijk tóch de overstap naar de beroepsrangen.
Profbokser in Nederland. Sappelen. Leven op het randje van het maatschappelijke bestaan. Wat Van Raamsdonk ook probeerde, geen sponsor was geïnteresseerd in hem. Medische verzorging? Ja, van een toenmalige manager van een professionele wielerploeg. Die Van Raamsdonk zo gek maakte om een keer langs te gaan bij de wielerploegarts. Die meteen met de testosteronspuit klaar stond. Van Raamsdonk weigerde.

Om je Europese topstatus te verdedigen vereist investering. Niet alleen met keiharde trainingen maar vooral met geld. Wat dacht je wat goede sparringpartners kostten? Van Raamsdonk had daar het geld niet voor. Als sparringpartner fungeerde zijn trainer Joop Kruis, toen dik in de veertig. Het leven is als een pijp kaneel. Waar Van Raamsdonk zijn deel rijkelijk van kreeg. Als Europees kampioen gaan ze je gebruiken, word je uitgemolken.
‘Ze’ dat was manager Ruhling, die beginnende aankomende boksers tegen je laat vechten. Dat geeft zo’n jongen status. Ook die ene uitdager die volgens Ruhling, niet veel voorstelde. Toevallig kon Pedro deze vechter nog uit zijn amateurtijd. De man, alles behalve een koekie, was ook ‘toevallig’ afkomstig uit het management van Ruhling. Voor de Amsterdamse champ de eerste signalen om na te denken over beëindigen van zijn sport.

Een proces dat versneld werd door zijn partij tegen uitdager Jan Lefeber in 1988. Een gevecht om de Europese titel gehouden in het Sportpaleis Ahoy. Vooraf aan de partij kreeg Van Raamsdonk een Spaatje-Rood aangeboden. Het voorspel voor een catastrofe.Van Raamsdonk houd nú nog vol dat daar ‘íets’ in zat wat niet hoorde.
Bij het binnenkomen van de boksring zag zijn familie en supporters meteen dat er iets mis was. Van Raamsdonk oogde  behoorlijk verdwaasd. Achteraf een wonder dat hij de hele partij op zijn benen bleef.

Dat de titel verloren werd, lag in het verschiet. Jan Lefeber wordt door Van Raamsdonk niets kwalijk genomen. Wél diens toenmalige equipage. Want had hij, Pedro van Raamsdonk,  vóór het titelgevecht niet meermalen aangedrongen op een dopingcontrole?  De manager van Jan Lefeber, weigerde. En zat in het begeleidingsteam van Lefeber niet die ene, indertijd, beruchte wielersoigneur?
Ach het is allemaal verleden tijd. Pedro van Raamsdonk heeft aan Stuyfssportverhalen zijn verhaal verteld. Zittend in een grand-café ergens aan de Amstel, drinkt hij zijn glas thee leeg. Voor hem op tafel liggen wat actiefoto’s van zijn bokscarrière. Een passerende dame ziet dat. Stelt zich direct voor, en vraagt of hij de man op de foto’s is. De gewezen kampioen lacht bescheiden en knikt vriendelijk.
Van Raamsdonk is een tevreden mens, waarmee het  maatschappelijke  best goed afgelopen is. Als brandwacht bij de Amsterdamse brandweer telt hij zijn zegeningen.

Dat had hij nou nóóit gedacht

Een kwart eeuw reisde hij met zijn boksers over de wereld. Bij alle grote toernooien stond hij als trainer met één van zijn jongens aan de ring. En dat is niet ongemerkt gebleven. In het mondiale bokswereldje behoort Hennie Mandemaker tot de absolute top. Ondanks zijn palmares keek de man, afkomstig uit Den Bosch,  toch wel raar op dat hij gevraagd werd om trainer te worden voor het Olympische team van
In zijn meest woeste dromen had hij dat nou nóóit gedacht, dat hij daar ooit zou werken. Drie maanden verbleef de Bosschenaar in de Volksrepubliek. Ondanks dat Mandemaker als trainer gepokt en gemazeld is, keek hij daar zijn ogen uit. Alleen al dát sportcentrum van die universiteit waar hij terecht kwam. Compleet met alle toeters en bellen. Waar iedere pugilistentrainer natte dromen van krijgt. In plaats van een klein bedompt boksschooltje zoals wij die kennen, kwam Mandemaker terecht in een gym waar meer dat tachtig boksers, waaronder twee wereldkampioenen, zich dagelijks in het zweet des aanschijns de schompes werkten. En allemaal betaald en in dienst van de universiteit.
Mandemakers kwam er meteen achter dan China geen bokstraditie kent. Het is immers het land van mystieke vechtsporten als karate en kungfu. Tijd kun je niet inhalen, orakelde Einstein al. Maar die Chinezen doen anders wel hun stinkende best daarvoor. Mandemakers, hoofdtrainer voor ‘de techniek’, zag dat, wat motivatie betreft, hij weinig hoefde te doen. Hij moest eerder zijn fanatieke pupillen tot rust manen.
Hard, vreselijk hard trainen ze volgens hem. Chinese boksers blijken knokkers te zijn. Aanvallers pursang. En daar had de man uit Brabant de nodige eetstokjes voor gestoken.
‘Afwachtende stijl’, meer overzicht krijgen’, en vooral, ‘op techniek’. Dát was zijn oekaze. Succes verzekerd. Voor het kwalificatietoernooi van het allergrootste sporttoernooi van het land, was Mandemakers met zeven van zijn fighters aanwezig. Zeven van zijn jongens haalden de diverse finales.

Mandemakers, intern gehuisvest op een appartementje, is een kenner bij uitstek. Als zijn voorspelling uitkomt, dan staan de westerse boksers nog zware tijden te wachten. Chinese boksers staan, volgens hem, op het punt van doorbreken. Inmiddels is Hennie Mandemakers weer terug in zijn geliefde Brabant. Zijn visum van drie maanden voor China was inmiddels verlopen. Grote kans dat hij weer teruggaat. Hij kijkt daar nu al naar uit.