Bep van Klaveren draait zich om in z’n graf

Alsof de Nederlandse Boksbond een bom had gegooid. Met de mededeling  dat Badr Hari als  kandidaat  voor de Olympische Spelen was genomineerd, ontplofte de sociale media. Vooral op de bokssites waar  de zogenaamde kenners flink stoom afbliezen. Maar de beste  meningen waren die van  de jongens ‘uit het veld’, zoals die van trainer én  ‘kampioenenmaker’, Henny Mandemaker.

‘In één woord; schandalig!’, fulmineert Hennie Mandemaker, over de kandidaatstelling van Badr Hari. ‘Een klap in het gezicht van al die bokstrainers die dag in dag uit, jonge boksers trainen. Om zo’n jongen op te leiden voor de Spelen, daar ben ik minstens acht jaar mee bezig. En dan komt de boksbond van uit het niets met die Badr Hari, een vechter van vijfendertig jaar,  op de proppen. Nogmaals een grof schandaal, alsof er geen jonge talenten zijn’.
Hennie Mandemaker 68 jaar, gelouterd bokstrainer bij Respect Gym, die diverse latere kampioen opleidde, waaronder drie met een wereldtitel. Een trainer met een gietijzeren status in de internationale bokswereld. Wat zich  rond zong.  Drie jaar geleden kreeg  Mandemaker de uitnodiging om de Olympische boksselectie van China onder z’n hoede te nemen, wat hij drie maanden deed. Maar terug naar ‘Badr’.
‘Een belachelijk besluit’, foetert Mandemaker verder, ‘Kickboksen is totáál anders dan het klassieke boksen’. Iets wat Zacky Derouich als geen ander kan bevestigen. Derouich,  sterk en talentvol bokser, afkomstig uit de stal van Mandemaker, maakte zo’n drie jaar geleden, louter uit financiële overwegingen, de overstap naar het kickboksen. Derouich had minstens een jaar van harde trainingen nodig, om de technieken van het kickboksen eigen te maken. Op de sociale media liet  Derouich, bijgenaamd Hitman,  dat ook weten. ‘Hij kan beter blijven kickboksen, maar blijkbaar wil hij een pak slaag krijgen’, aldus Hitmans boodschap richting Badr Hari.
Ook voormalig Europees kampioen Pedro van Raamsdonk liet van zich horen. ‘De jeugd heeft schijnbaar  geen toekomst bij onze boksbond’. Om te besluiten dat de boksbond ‘Totaal geen verstand heeft van de edele bokskunst’.
Terwijl de digitale discussie ‘Badr’, verder raast, is één ding zeker: Bep van Klaveren, de laatste Nederlandse Olympische kampioen, draait zich om in z’n graf. Met dank aan de Nederlandse Boksbond.

‘De dapperste bokser ooit’

‘Little Chocolate’,  als  bijnaam. Je zal  daar als zwarte bokser, vóór aanvang van een partij, maar mee aangekondigd worden. Daar was je mooi klaar mee. Hoe George Dixon zich daarbij voelde laat zich raaien. De man had centimeters eelt op z’n ziel, wat niet anders kan.  Meer dan honderdveertig keer onderging hij zo’n vernedering, want zoveel gevechten stond op George’s palmares. Little Chocolate Dixon,  vedergewicht afkomstig uit Halifax, Nova Scotia, en eind negentiende eeuw actief als vuistvechter. Trouwens, Little Chocolate, lustte van zijn tegenstanders ook wel  chocola.
De man, lang, dunne benen, ijzeren conditie en snel ‘van hand’, versloeg op negentienjarige leeftijd, notabene in het roomwitte Engeland, Nunc Wallace in een gevecht over achttien ronden. George schreef geschiedenis. Met deze overwinning werd hij de eerste zwarte wereldkampioen in het bantamgewicht.  Dixon,  zes jaar achtereen wereldkampioen, verloor op elf november 1897 zijn titel aan ene Solly Smith. Een jaar later pakte George zijn titel terug, ten koste van Dave Sullivan.
George Dixon, wegbereider van een onafzienbare stoet zwarte Amerikaanse bokskampioenen, trok in 1906 definitief zijn bokshandschoenen uit. De man kon terug kijken op drieënzestig gewonnen partijen, verloor er negenentwintig en achtenveertig waren onbeslist.
Of George rijk werd van zijn sport? Nee, natuurlijk niet. Daar zorgde onder meer louche managers wel voor. Voor George was dat Tom O’ Rourke. Twee jaar na zijn afscheid van de ring, en op een ijskoude januaridag in het New York van 1908,  stierf George Dixon, 38 jaar, én compleet berooid.
De kleine champ werd begraven op Mount Hope Cemetery in Boston. Zijn manager Tom O ‘Rourke zorgde voor Georges  grafsteen, waarop hij de tekst liet uitbeitelen, dat hier ‘George Dixon rust, de dapperste bokser die ooit geleefd had.’

Ter herinnering aan George ‘Little Chocolate’ Dixon, waarvan komende zondag 6 januari, zijn sterfdag is.

Met dank aan de wonderlijke database van John Brouwer Koning.

Bron: Black Past, African American History, Find a Grave.

Onvergetelijk leuk

Nee, het  was beslist niet hét gevecht van de eeuw.  Bekijk de boksgeschiedenis en je komt  tientallen van dat soort partijen tegen.  Evengoed nam deze partij wél zijn plekje in, als  één de meest verrassende. Dat Ingemar Johansson, een redelijk onbekende Viking afkomstig uit Zweden, de heersende wereldkampioen zwaargewicht Floyd Patterson knock out sloeg, hakte bij de liefhebber in. Zeker op de internationale sportredacties, waar  koppenmakers zich mochten uitleven,  en de superlatieven rokend uit de schrijfmachines rolden.  Over dat gevecht, speciaal over Patterson en Johansson, zijn talloze publicaties verschenen. Stuyfssportverhalen, beperkt zich daarom  tot de naakte feiten van het jaar 1959.
Een tijd dat  mijnheer de dominee, het in dit land nog voor het zeggen had. Waardoor boksers uiterst verdachte figuren waren. Niet in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, daar waren de lokale pugilisten  helden, met wie je liever geen ruzie kreeg. 1959, midden in de Koude Oorlog. In de Amsterdamse warme buurt  stikte het van de Amerikaanse verlofgangers, afkomstig van de luchtmachtbasis Soesterberg: knauwende boerenjongens, met hoog uitgeschoren nekken, maar wél met een pak dollars op zak. De warme buurt met hoeren, lelijk als de nacht, voorzien van mooie bijnamen. Chinese Annie, Magere Josje en Parijse Leen peesden er lekker op los.
Dat de twee eerste vermoord werden in hun peeskamertje gaf de buurt een extra spannende dimensie. 1959, ook de doorbraak van de Selvera’s, een ongelofelijk, oubollig, Limburgs zangduo met de hit ‘Twee Reebruine ogen keken mij aan..’ Afgespeeld op de jukeboxen van de buurtkroegen, dan was  er altijd wel een idioot bereid om de broek te laten zakken. Verbaasde kroegbezoekers keken dan in één bruin oog. Enfin, drank in de man…
1959, Het jaar waarin de geboortegolf, het fenomeen van de Royal bioscoop op de Nieuwendijk, ontdekte. Overvolle zaal, waar vooral de jongens uit de Jordaan, regelmatig complete vendetta’s uit vochten met die van Kattenburg. In de pauze ging organist Bernard Drukker los op het gigantische bioscooporgel. Het programma? Uiteraard knokfilms! Waarbij lege flesjes Cola tegen het witte doek werden gesmeten.  De Royal, waar schrijver dezes voor het eerst verbijsterd  kennis maakte met actrice Jane Mansfield, een tietenmonster van-heb-ik-jou-daar.
Sorry lezers dat ik mij zo liet mee slepen.  We gaan terug naar het New Yorkse Yankee-stadion, anno 26 juni 1959. Het gevecht Johansson versus Patterson. Waarin, tot ontsteltenis van alles dat zich Jank mocht noemen, Patterson in de derde ronde knock out ging, en daarmee zijn wereldtitel verloor aan de Viking. Een jaar later kreeg Patterson zijn revanche en ramde Johansson in de vijfde ronde neer. Dat was dus 1959, het laatste jaar van die onvergetelijke, leuke fifties.

Hasselblad

De wielerkoers én het boksen, per definitie het meest  fotogeniek. De redactie van het Franse sportblad Miroir de Sport besefte  dat heel goed. Op fotografen werd niet bezuinigd. Miroirs fotografen, absoluut geniaal. Kunstenaars met de lens, met de Miroir als een podium. Foto’s gemaakt,  met oog voor het lijdende, dramatische, detail. Waren ze niet aanwezig bij de koers, dan wel aan de boksring. Met de Hassellblad, of Kodak in de aanslag. Fotografen,  rekkelijk te vergelijken met collega’s aan een oorlogsfront. De Miroir, tijdens de fifties in duizelingwekkende oplages gedrukt, lag wekelijks in iedere Franse kiosk te lonken.
Als sportman op de cover, per definitie, publicitair hoog scorend. Een eer die ook Luc van Dam kreeg: weliswaar een bedenkelijke, maar toch. Bokser Van Dam, volgens overlevering een pure stylist. Had de pech dat zijn glorietijd afspeelde tijdens de oorlogsjaren. Waar weinig te verdienen was. Als bokser mocht je blij zijn dat je niet naar de Duitse oorlogsindustrie werd afgevoerd. Bekende sporters werden geacht het thuisfront rustig te houden. Ook Van Dam, die tijdens de oorlog veertig keer in de boksring stond. Dat de man op 20 januari 1943, notabene in Duitsland, vocht om de Europese titel is in meerder opzichten  opmerkelijk. Tegenstander was ene Jupp Besselmann, die ook won. Dat tien dagen later het Duitse, Achtste Leger, leeg geknokt in Stalingrad, zich overgaf aan de Rus, wat een ommekeer van de oorlog zal worden, was een kleine genoegdoening voor Van Dam.
Vijf jaar na de oorlog, want december 1950, kreeg Van Dam zijn publicitaire herkansing. Van Dam versus Sugar Ray Robinson. De laatste  afkomstig uit Harlem, met de status van een levende legende. Plaats van handeling, het Sportpaleis van Brussel.  Sugar Ray, vanaf 1941 tot december 1950, in tachtig partijen ongeslagen. Van Dam mocht in dat lijstje plaatsnemen als eenentachtigste verliezer. Aan het einde van de derde ronde, op het moment dat de gong ging, liep hij tegen zijn eerste knock down op. Zijn  neergang naar het canvas, –  een kwestie van een seconde – wat voor  die ene fotograaf van de Miroir lang genoeg was om die te vangen met z’n camera. Dat Luc een ronde later definitief knock out ging, was alleen interessant voor de statistieken. Dé foto van dé neergang sierde, paginagroot de omslag van de Miroir de Sport. Kleine troost voor Van Dam. 
Luc van Dam, met zevenennegentig overwinningen op zijn conduitestaat, overleed in 1976 op vijfenvijftig jarige leeftijd.

Diefstal

‘Walk of Shame’, en terecht. Het mag dan meer dan zeventig jaar geleden zijn, maar in Camden, New Yersey  zijn ze het nog niet vergeten. Hoe een zoon van  hun stad op schandalige wijze was bestolen van de wereldtitel zwaargewicht. Joe Walcott, ook wel Yersey Joe genoemd, mocht op vijf december 1947, na vijfenvijftig gevechten, eindelijk een gooi naar de wereldtitel doen.
Tegenstander, de toenmalige titelverdediger en bokslegende Joe Louis. Plaats van handeling het New Yorkse Madison Square Garden, met meer dan achttienduizend toeschouwers uitverkocht. Het werd een partij die na afloop heel boksminnend Amerika op zijn kop zette. Joe Louis, voor de vierentwintigste keer zijn titel verdedigde, was met 12  tegen 1 dé grote favoriet.
Misschien dáárom was het gevecht bij voorbaat al beslist in zijn voordeel. Het liep anders. Joe Louis, de God van Harlem en zwarte omstreken, werd door Yersey Joe, 33 jaar, twee keer tegen het canvas geslagen. Iedereen in het Madison Square Garden ging er van uit dat Walcott de titel had. Tot grote ontzetting van het publiek verklaarde de ringrechters Louis tot winnaar.
Het Franse sportblad Miroir de Sport,  aanwezig,  opende zijn verslag  met de kop, ‘Arme negers, negers, negers.’ Enfin, het moest nog acht jaar duren eer ene Rosa Parks, een zwarte inwoonster van Montgomery, Alabama, haar plaats in een bus weigerde af te staan aan een blanke. De segregatie gierde volop. De prachtige, paginagrote foto bij het Franse verhaal, maakte het een beetje goed. Niets beklijft zo slecht als het geheugen. Het ‘gevecht van de eeuw’, Walcott versus Louis, inmiddels weg gezakt in de krochten van het collectieve geheugen.
Maar niet in Camden, thuisstad van Yersey Joe. Na zeventig jaar waren ze  die schandelijke diefstal van een wereldtitel, van hun zoon nog láng niet vergeten.  Dat bewuste gevecht was dan ook een ‘bepalend’ moment in de geschiedenis van de stad. Afgelopen september, precies een kwart eeuw na het overlijden van  Walcott, Joe werd tachtig jaar, zijn de plannen rond, voor een levensgroot standbeeld van Walcott.
De gemeenteraad van Camden heeft zijn helden lief, en reserveert voor het bronzen beeld 185.000 dollar.  Dat de toekomstige bronzen Joe op de Walk of Shame komt staan is logisch.
En wat de bokscarrière van Yersey Jou betreft: op 18 juli 1951, inmiddels 37 jaar, werd Joe, in een partij tegen  Ezzard Charles, eindelijk wereldkampioen.

Bron: Miroir de Sport jaargang 1947, the Philadelphia Inquirer.

Schrapen in een lege kassa

Onderschat je tegenstander nóóit. Vooral als je die niet kent. Hoogstwaarschijnlijk deed die ene bokser dat wél. Want wat dácht die jongen uit Amsterdam eigenlijk wel? Komt die zomaar bij een boksschool in  Las Vegas, binnenlopen. met de vraag of hij  mee mocht trainen.  Giovanni Rijkaard, 24 jaar, uit Amsterdam, profbokser, jong én ambitieus, had met ondersteuning van sponsors, een vliegticket gekocht,  bestemming Las Vegas.  In de gokstad midden in de woestijn,  bevinden zich dé vooraanstaande boksscholen van Amerika. Dé plek waar je als beginnend bokser  je carrière omhoog kunt tillen.  Op de bonnefooi, met de zege van de Heer,  was Rijkaard alle lokale boksgyms  afgeweest.
Ook bij  de fameuze gym van wereldkampioen weltergewicht, Floyd Mavweather, bijgenaamd ‘money’. Tijdens sparringspartijen mocht Rijkaard zijn kunsten vertonen.  Laat maar zien wat je kunt jongen. Niet geslagen, áltijd mis. Gearriveerde boksers, nóóit te beroerd om dat soort mannetjes, in de ring de les te lezen.
Giovanni Rijkaard, maakte en onuitwisbare indruk,  door die ene tegenstander richting canvas te slaan. Hoewel de Amsterdammer daarna, gesprekken had met de Amerikaanse promotors, kwam het niet tot zaken.
Rijkaard heeft wel veel te bieden, want  jong, explosief, sterk, en bezit veel techniek. En niet heel onbelangrijk, hij doorziet ‘het spelletje’.
Terug in  Nederland,  dat niet overspoeld wordt met bokstoernooien, is het voor een boksprof,   schrapen in een lege kassa. Ook voor Rijkaard, die vorig jaar niet voldoende gevechten had om van te leven. Tegenstanders durven niet. Of meldden zich op het laatste moment af. Zelf wordt de neef van voetballegende Frenk, incidenteel op het laatst opgeroepen voor een gevecht. Zonder specifieke voorbereiding stapt hij dan de ring in. Dapper, maar niet verstandig.
Zoals vorig jaar september, toen hij van uit het niets, een uitnodiging kreeg voor een partij tegen Stephane Tchamba, gehouden in de Carl Benz Halle in Karlsruhe. Een gevecht door  Sky-Sport, live uitgezonden. Tegen Tchamba, een geharde bokser van drieëndertig jaar, liep Rijkaard, in de zesde ronde tegen een technische knock out op.
Zelf hield Rijkaard, halfzwaargewicht,  zijn verlies op het feit dat hij voor zijn klasse iets te zwaar was. Bij de dagelijkse trainingen was het telkens een kwestie om lichaamsgewicht kwijt te raken.  Wat tijdens gevechten opbrak. Op advies van toenmalig  trainer Barry Groenteman, is Rijkaard een gewichtsklasse hoger gegaan. Lichamelijk zwaarder geworden, maar wél sterker, stond hij  afgelopen februari op het programma van The Fight Night, een groot bokstoernooi gehouden in Den Bosch.  Tegenstander Vadims Konstantinous. Dat Rijkaard na dat gevecht moest douchen is onwaarschijnlijk. De Amsterdammer werd na een dikke minuut tot winnaar uitgeroepen.  Met twee harde leverstoten ging letterlijk op de knieën.
Of de winnaar medelijden met zijn tegenstander had? Nee! Die staat er ook maar met één doel: om de oren van Rijkaards z’n  kop af te  rammen. Trouwens, je moet bij Rijkaard niet met dat gezeik aankomen dat boksen ongezond is voor  de hersenen. Volgens hem moet je dan een andere sport gaan beoefenen. Zelf is hij niet bang om een klap in ontvangst te nemen, want dan geeft die er twee terug.

Giovanni Rijkaard, vierentwintig jaar en al vier jaar profvechter,  in een sport waar de dood altijd over je schouder mee loert. Als jongen van amper twintig jaar professional geworden.  Of dat niet te jong was? Volgens hem kun je over die leeftijd altijd discussiëren. En buiten dat, als professional, is het al geen vetpot, maar nog áltijd beter dan je vechtkunsten vertonen bij de amateurs. Bij de laatste categorie was er van bondszijde totaal geen steun. Alle kosten moest de Amsterdamse pugilist uit eigen zak betalen. Dan maar liever prof worden. Met behulp van een aantal sponsors, én zijn prijzengeld kan hij daar nét van leven. 
Giovanni Rijkaard, vijfentachtig kilo aan botten en spieren, traint vijf keer per week, wat volgens hem uitputtende sessies zijn, waar hij diep in zijn ‘krachtenarsenaal’ moet graven.
Voor de Ben Bril Memorial, begin november waar Rijkaard op het aanplakbiljet staat, is de Amsterdammer ongetwijfeld  ‘op scherp.’

Foto 2: Giovanni Rijkaard met Barry Groenteman.

Henko Baars overleden

Café Lowietje, hartje Jordaan, beroemd en bekend geworden door de politieserie Baantjer. Op de zaterdagen druk bezocht door toeristen, hopend op een vleugje Jordanese romantiek. Lowietje,  bruine Amsterdamse volkskroeg zoals deze behoort te  zijn. Aan de muur foto’s van bekende stamgasten en aan de stamtafel de laatste échte Jordanezen, waaronder Henny Marinus, (links op de foto) en Henko Baars, (rechts). Marinus en Baars, buurtjongens op leeftijd, en beide gewezen  sporthelden.  Marinus, tweevoudig Nederlands wielerkampioen, en Baars,  ooit een gevreesde amateurbokser met drie nationale titels. En daar hield de vergelijking tussen Baars en Marinus meteen op.
De altijd  aimabele en vriendelijke Marinus had, tot op hoge leeftijd, zijn pr goed voor elkaar. In iedere Jordanese kroeg waar hij zijn afzakkertje nam, hangt z’n  foto als wielrenner. En de argeloze gasten die dat waren ontgaan werden door hem even bijgepraat over z’n wielerverleden. Was altijd leuk te zien dat Marinus’ verhaal meteen via de i-phone werd nagetrokken.  ‘Het klopt ook nog’, werd er verbaasd geroepen. Waarop Henny meteen wat te drinken aangeboden kreeg.
Baars was de tegenpool van Marinus. Op enkele intimi na wist niemand in de kroeg wat zijn boksverleden was. Baars,   tachtig partijen, waarvan  de helft via knock out werd gewonnen,  drie keer Nederlands kampioen en trainend  bij de oerjordanese boksschool van Kneppers. Dat Baars  in 1968 zijn land mocht vertegenwoordigen op de Olympische Spelen van Mexico, was een bevestiging van zijn kunnen. Wat een sportief hoogtepunt had moeten zijn, werd een prelude, voor een levenslange trauma.
Baars een medaillekandidaat, gearriveerd in Mexico-City, kreeg enkele dagen voor zijn eerste partij te horen, dat hij direct naar huis gestuurd werd. Reden? Een, latere, discutabele hersenscan enkele weken voor de Spelen gemaakt van Baars. De Nederlandse Boksbond liet Baars meteen vallen en liet vervolgens niets meer van zich horen. Baars, tijdens zijn latere leven,  redelijk verbitterd hierover, had behalve zijn Olympische colbertje, niets aan het boksen overgehouden.
Maar ook sporthelden hebben niet het eeuwige leven. Vorig jaar stierf op bijna tachtigjarige leeftijd Henny Marinus.
Henko Baars, 78 jaar, heeft Marinus niet lang overleefd. Afgelopen week sloot de voormalige bokskampioen definitief zijn ogen. Het wordt stil in café Lowietje.

Gehoorschade

Schrijfmachines ratelden als mitrailleurs. Sportredacties kwamen superlatieven tekort, en koppenmakers dachten in  chocoladeletters. Iedere, zich zelf respecterende Amerikaanse krant, opende de voorpagina, met nieuws over het gevecht tussen Jess Willard en uitdager Jack Dempsey. Fight of the Century werd de partij  genoemd. Sensatienieuws. Tijdens de twintigste eeuw volgde nog tientallen van dat soort fights. Evengoed ging de confrontatie tussen Jess Willard en Jack Dempsey de geschiedenis in als één groot bloedbad. Voor de kansen van Dempsey, een kop kleiner dan Willard, gaf niemand een cent. Jess Willard, een voormalig cowboy en de heersend wereldkampioen, had een angstaanjagende, en verwoestende reputatie als bokser.
In 1913  stond de cowboy in de ring tegen Jack Bull Young. Tijdens de negende ronde  raakte Willard de Bull zó hard, dat een stuk kaak afbrak en diens  hersenen terecht kwam.  Jack Bull Young stierf ter plekke. Willard werd na afloop gearresteerd en beschuldigd van moord. Dat de rechter hem later vrijsprak was ter kennisgeving.
In 1915 greep Willard de wereldtitel door Jack Johnson, de eerste zwarte wereldkampioen, te verslaan. De arme Jack, die  niet alleen in de boksring vocht,  maar ook tegen rassenonderdrukking: (zie ook: ‘Jack in brons’, elders op deze blog).
Vier jaar lang was Willard, 38 jaar, de ongeslagen wereldkampioen. Tot de voor hem fatale vierde juli 1919, bijna een eeuw geleden. Plaats van handeling, Toledo, Ohio. Uitdager, de jonge Jack Dempsey. Tegen de pers had cowboy Willard gebluft dat, wat hem betrof, het de gemakkelijkste gevecht uit zijn carrière ging worden.
Na een halve minuut in de eerste ronde, moet Willard zijn uitspraak hebben vervloekt. In die dertigste seconden kreeg hij een linkse op de kaak,  die meteen brak. Een opmaat voor een vreselijk pak slaag.  De man ging nog zeven keer neer, brak daarbij een aantal ribben, een jukbeen, zijn neus, en had voor  de rest van zijn leven last van gehoorschade. Willard,  nog twee ronden volgehouden, hing na dat gevecht definitief zijn bokshandschoenen aan de spijker.Jess Willard, ijzersterk, blies in 1968, op zevenentachtigjarige leeftijd zijn laatste adem uit. Waarmee hij uiteindelijk weer verloor van Jack Dempsey, die de achtentachtig aantikte.

Bron: ondermeer de wonderlijke  database van John Brouwer de Koning, Boxrecord, en de Kansas City Times.

 

Niets is toeval

Sléchts dertien seconden! Dertien tellen, die zijn leven voorgoed zouden veranderen. Hoe een droom, in een paar zuchten veranderde in een nachtmerrie. Waarbij roem en bijbehorende status verdampte. En heel Frankrijk een kater bezorgde. Dat zijn moeder een mentale inzinking kreeg was ter kennisgeving. Laurent Dauthuille liet dat allemaal gebeuren. Na die bewuste dertien seconden veranderde zijn leven voorgoed. De man werd nooit meer de oude. Hoe had hij dat in godsnaam, allemaal weg kunnen geven? Een vraag waarmee hij tot zijn dood worstelde.
Laurent Dauthuille dus, een Franse middengewicht bokser van zesentwintig jaar. Sloeg, achtereenvolgens, toonaangevende boksers als een Jake La Motta, Johnny Greco en Steve Belloise tegen het canvas. De ster van Laurent, begon te rijzen. Promotors in Amerika was dat niet ontgaan. De aas van Frankrijk, kreeg in september 1950, zijn wereldtitelgevecht. Tegenstander Jake La Motta. Plaats van onheil, het Olympia Stadium in Detroit. Jake La Motta, bijgenaamd de Stier van de Bronx, heersend wereldkampioen, met negenendertig partijen achter zijn naam, waarvan vijf verloren.
Dauthille versus La Motta, in een partij over vijftien ronden. Door de Franse staatsomroep live uitgezonden. Frankrijk, door de sportpers al weken opgewarmd, collectief aan de radio gekluisterd.
Laurent, bloednerveus, voor het gevecht. Stapte met één motivatie de ring in: zijn moeder. Ma Dauthuille, een arme weduwe: om het nóg maar even melodramatischer te maken. Ach, dat maakte ook geen reet uit. Niets is toeval. Ook niet de ondergang van Laurent Dauthuille. Hoewel het tijdens het gevecht daar niét naar uitzag.
Wereldkampioen La Motta, geen schijn van zijn reputatie, kreeg veertien ronden lang, er ongenadig van langs. De Stier van de Bronx, regelmatig hangend in de touwen, verworden tot een zielig kalfje.
‘Rustig uitboksen, jongen, de wereldtitel is bijna binnen’, had trainer Barraut zijn poulain bij het begin van de vijftiende en laatste ronde in zijn oor gefluisterd. En dáár ging het prompt mis. Of Laurent Dauthuille overmoedig was geworden? God zal het wel weten. Zelfverzekerd lachend, met een straatlengte puntenvoorsprong, stapte hij de ring in. De klus ging afgemaakt worden. En trok vervolgens weer in de aanval. Tot dertien seconden voor het eind. Want meer had de sluwe La Motta niet nodig om de hoop van Frankrijk met een linkse hoek knock out te slaan. In Frankrijk stopte de klokken. De stem van de radioreporter sloeg over. En moeder Dauthuille huilend voor de buizenradio.
Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille zijn laatste partij. En zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1950.

Goddelijke Kale

Veertien februari, Valentijnsdag. Waarbij je geacht wordt om je liefde te betuigen aan je geliefde. Een  uit Amerika overgewaaide malligheid, waar columnist dezes, niét aan mee doet. Evengoed tóch éven stilstaan bij deze opmerkelijke dag.
Al was het alléén maar  dat op deze datum, precies vijftien jaar geleden, Marco Pantani, aan zijn definitieve laatste klim begon. De kleine, Goddelijke Kale, de man van de verschroeiende snok, ooit in het pak gestoken door die schele, gedrogeerde schurk, uit Austin, had genoeg van dit aardse tranendal.
En er waren meer die hun kras kerfde op deze datum, zoals Al Capone! Vergeleken met Al, waren de zogenaamde daden, van Willem Holleeder, kwajongensstreken.  Al, niet van de pot gerukt, liet op 14 februari 1929, in de North Clarc Street, Chicago, zeven leden van een concurrerende gang doodschieten. Kom daar maar eens op als modale Hollandse boef.
14 Februari 1929, ook de datum waarop in Watsonville, Californie, het gevecht plaats vond tussen lokale favoriet Jess DeMotte versus Jock Malon, bijgenaamd  Johnny Murphy.
DeMotte, Italiaanse roots, tegen de van Ierse afkomst zijnde Jock: áltijd bloed aan de paal. Lang had het thuispubliek niet kunnen genieten van deze partij. Ierse  Jock, ramde in de eerste ronde Jess bewusteloos tegen het canvas.
Jock Malone, middengewicht uit Saint Paul, Michigan, beleefde zijn debuut in 1916 tegen Gorilla Jones, en vocht tijdens zijn carrière honderdzestig partijen. Stapte daarbij honderddertig keer als winnaar uit de ring. Drieëndertig tegenstanders werden wakker op het canvas.  Jock’s laatste gevecht was in 1930, tegen Tiger Johnny Cline, waarbij de Ier, inmiddels drieëndertig jaar, een aframmeling kreeg.
Ach god, die  Jock, ooit gevreesd in de ring kende een dramatische ouwedag. De laatste jaren bracht hij bij zijn moeder én zuster door. In wiens huis hij in 1964, een hartaanval kreeg, waarbij hij door zijn Schepper op vierenzestig jarige leeftijd definitief werd uitgeteld.
Jock Malone, begraven ergens op een begraafplaats in New York.

Bron: het digitale archief van de New York Times.

error: Content is protected !!