Dat had hij nou nóóit gedacht

Een kwart eeuw reisde hij met zijn boksers over de wereld. Bij alle grote toernooien stond hij als trainer met één van zijn jongens aan de ring. En dat is niet ongemerkt gebleven. In het mondiale bokswereldje behoort Hennie Mandemaker tot de absolute top. Ondanks zijn palmares keek de man, afkomstig uit Den Bosch,  toch wel raar op dat hij gevraagd werd om trainer te worden voor het Olympische team van
In zijn meest woeste dromen had hij dat nou nóóit gedacht, dat hij daar ooit zou werken. Drie maanden verbleef de Bosschenaar in de Volksrepubliek. Ondanks dat Mandemaker als trainer gepokt en gemazeld is, keek hij daar zijn ogen uit. Alleen al dát sportcentrum van die universiteit waar hij terecht kwam. Compleet met alle toeters en bellen. Waar iedere pugilistentrainer natte dromen van krijgt. In plaats van een klein bedompt boksschooltje zoals wij die kennen, kwam Mandemaker terecht in een gym waar meer dat tachtig boksers, waaronder twee wereldkampioenen, zich dagelijks in het zweet des aanschijns de schompes werkten. En allemaal betaald en in dienst van de universiteit.
Mandemakers kwam er meteen achter dan China geen bokstraditie kent. Het is immers het land van mystieke vechtsporten als karate en kungfu. Tijd kun je niet inhalen, orakelde Einstein al. Maar die Chinezen doen anders wel hun stinkende best daarvoor. Mandemakers, hoofdtrainer voor ‘de techniek’, zag dat, wat motivatie betreft, hij weinig hoefde te doen. Hij moest eerder zijn fanatieke pupillen tot rust manen.
Hard, vreselijk hard trainen ze volgens hem. Chinese boksers blijken knokkers te zijn. Aanvallers pursang. En daar had de man uit Brabant de nodige eetstokjes voor gestoken.
‘Afwachtende stijl’, meer overzicht krijgen’, en vooral, ‘op techniek’. Dát was zijn oekaze. Succes verzekerd. Voor het kwalificatietoernooi van het allergrootste sporttoernooi van het land, was Mandemakers met zeven van zijn fighters aanwezig. Zeven van zijn jongens haalden de diverse finales.

Mandemakers, intern gehuisvest op een appartementje, is een kenner bij uitstek. Als zijn voorspelling uitkomt, dan staan de westerse boksers nog zware tijden te wachten. Chinese boksers staan, volgens hem, op het punt van doorbreken. Inmiddels is Hennie Mandemakers weer terug in zijn geliefde Brabant. Zijn visum van drie maanden voor China was inmiddels verlopen. Grote kans dat hij weer teruggaat. Hij kijkt daar nu al naar uit.

Doffe oogopslag werd een twinkeling

Boksen of de wielerkoers. Sporten waar het drama aan de kont hangt. En waar  bedrog, zogenaamde vriendschap en verraad nooit ver weg is. Vaak een tikkeltje louche. Maar nooit saai. En dat maakt het zo fascinerend. En als dat een spiegel van de maatschappij is dan keek Fighting Mack daar op latere leeftijd vaak in. Mack, ooit goed voor volle bokstempels. Was als jonge bokser Europees kampioen en won tientallen profpartijen. Had op zijn hoogtepunt tientallen zogenaamde ‘vrienden’.
Nu, zeventig jaar oud is Fighting Mack een, letterlijk, vergeten champ. Terug getrokken, op een Spartaans ingericht flatje ergens in Zandvoort brengt hij zijn dagen in eenzaamheid door. Vorig jaar oktober had ik hem geïnterviewd voor een verhaal: zie Stuyfssportverhalen. Bij het afscheid gaf ik Mack de belofte om in het voorjaar bij hem langs te komen.
Vanmorgen de belofte ingelost. Samen met Bert van Galen, nog zo’n sportadept én een doos gebak, onze opwachting bij Mack gemaakt. Het was een bijzondere ochtend. Voor ons deed Mack zijn verhaal. De man, altijd alleen  verhaalde over zijn illustere carrière, compleet met kleine boksbewegingen. Met alle diepte- maar ook hoogtepunten. En verdomd, na een kwartier verscheen een twinkeling in zijn eerst doffe oogopslag. Je zag hem bij wijze van spreken weer in de ring staan. Na afloop, terug rijdend naar huis ramde Bert de bekende spijker op zijn kop met de opmerking dat hij  zelden zo’n indrukwekkend verhaal had gehoord.

Geplaatst in Boksen. Leave a Comment »

Voormalige champ brengt dagen door in eenzaamheid

In 1968 werd hij onverwachts Europees kampioen boksen. Een gouden toekomst werd hem voorspeld. Het liep totaal anders. Na twaalf jaar profboksen stopte hij met zijn sport  en verdween geruisloos in de anonimiteit. Wat bleef was die ene vraag: waarom hij  als bokser nooit de echte top haalde? Edwin Alberto, oftewel Fighting Mack geeft  aan   Stuyfssportverhalen uitsluitsel.

Héél  Zandvoort kent hem. Want meer dan twintig jaar werkte hij bij de lokale  benzinepomp, en  voorzag hij mobiel Zandvoort  van een volle tank en hield banden op spanning. Dat die pompbediende ooit een  voormalig Europees kampioen boksen was, was voor zijn klanten   een goed bewaard geheim. Edwin Alberto, bijgenaamd Fighting Mack, heeft zijn  illustere sportverleden nooit aan de grote  klok gehangen.  Alberto,  70 jaar, denkt zelden aan zijn  bokscarrière. En als hij dat doet alléén aan de goede momenten. Aan gevechten waar  bij  twintig van zijn tegenstanders het licht zagen uit gaan.  Mack, zoals hij zelf genoemd wil worden, gezegend met een supersnelle en verwoestende linkse, heeft een  erelijst die staat:  vijfenveertig gevechten, achtentwintig keer gewonnen, waaronder twintig door knock out en twee onbeslist. Zijn onbetwist hoogtepunt vond plaats  in augustus 1968. Wat tevens de prelude voor zijn ondergang als bokser in luidde.  Mack, een onbekende tweeëntwintig jarige, sloeg in een kolkende Italiaanse sportarena de toen heersende Europees kampioen  Carmelo Bossi knock out.
Fighting Mack, jongen afkomstig van Curaçao, de sterkste van Europa.  Voor het eerst in dertig jaar kende Nederland een Europese kampioen. Van Mack werd véél verwacht. Iets wat hij niet waar kon maken. Bij de gepensioneerde pompbediende, verschijnt een twinkeling  in zijn ogen als hij onthult hoe de titel in zijn handen kwam.  Volgens hem was het een luckey punch. Een gelukstreffer die de kaak van Bossi op drie plekken brak.  

Mack staat er nu niet meer bij stil. Het is geweest. In zijn kleine appartementje in Zandvoort herinnert niets meer aan een roemrijke boksverleden. De enige stoffelijke herinnering is een actiefoto van hem. Die koestert hij dan ook. Als de foto te voorschijnt komt breken ook de herinneringen bij hem door.
Hoe hij door zijn manager Ruhling financieel kort werd gehouden. Ruhling gaf zijn pupil een beetje geld. En soms niks. De manager hield de Antiliaanse vuistvechter zoals hij zelf zegt ‘strak’. De door de wol geverfde Ruhling wist dat Mack, een alleenstaande jongen, ‘vers’ over gekomen uit de West, meteen feest ging vieren.

Zwaarste gevecht ooit
Mack schrikt een beetje van zijn onthullingen, schudt zijn hoofd en zegt zachtjes dat hij nu niet meer negatief over Ruhling moet praten. Hij is immers al lang dood.
‘Als je wint, heb je veel vrienden’, zong Henny Vrienten. Fighting Mack kan dat alleen maar bevestigen. Vrienden en vriendinnen had hij zát. Tenminste, als hij won. Zodra er een paar keer verloren was, lieten deze hem weer net zo hard vallen. Mack staat daar niet meer bij stil. Daar is de man veel te aardig voor. Liever praat hij over zijn bokspartijen. Zoals tegen de Utrechtse weltergewicht, Ben Zwezerijen. Wat zijn zwaarste gevecht ooit werd. Góh, wat kón die man hard slaan, vertelt de champ in prachtig zangerig Antilliaans accent. Zo hard dat hij, Fighting Mack voormalig Europees kampioen, drie minuten voor dood op de vloer van de ring lag.
Fighting Mack die maar vijf maanden de beste van Europa was, hij verloor zijn titel tegen Silvano Bertini, was een ‘ongeslepen diamant’ als bokser. Een edelsteen die volgens kenners en insiders niet te slijpen viel.

Totaal niet happy
Als die zogenaamde kenners ook maar iets van psychologie hadden begrepen wisten die meteen dat het bij Mack niet goed zat tussen zijn oren. Die jongen was doodongelukkig.
Mack door  Ruhling, als jochie van negentien alleen  naar Nederland  gehaald, werd  door niemand opgevangen. Had geen begeleiders en voelde zich totaal niet happy.
Iedereen liet die jonge bokser aan zijn lot over. Mack weet dat nu nóg goed. Hoe hij na zijn trainingen eenzaam op zijn kamertje zat. Wat miste hij toen de warme band van zijn familie. De eenzaamheid werd zó erg dat hij in de war raakte, niet meer wist wat te doen. Volgens hem was dat de oorzaak dat hij nooit doorbrak. Anno nu, vindt hij dat hij met zijn negentien jaar véél te vroeg prof was. Hij miste daarvoor nog onvoldoende techniek en conditie voor. Heel jammer, fluistert hij.  Volgens hem had het allemaal anders kunnen lopen. Terug kijkend op zijn carrière  vond hij zich een heel goede bokser. Eentje die, in de ring,  keihard voor zich zelf was.

Nadenken over de dood
Fighting Mack, gezegend met een onverwoestbare vrolijkheid stelt dat het  allemaal geweest is.  Hij praat liever over zijn mooie partijen. Zoals tegen Daniel Martin gehouden in 1973, in een uitverkocht Carré. Volgens hem meteen zijn beste gevecht ooit. Die partij zou hij dolgraag nog een keer terug willen zien. Wát een conditie had hij toen, verzucht de old champ.
Het geheugen van boksers ‘op leeftijd’ is vaak mistig. Bij  Mack niet. Hij weet nog precies hoe dat gevecht ging. Die Martin was zó sterk, dat hij, Mack,  kwaad op zich zelf werd, en nóg harder ging slaan. Uiteindelijk ging Martin in de negende ronde definitief neer.

Het is nu moeilijk om Fighting Mack  voor te stellen als die genadeloze knock-outspecialist. De man is zeer bescheiden, vriendelijk en heeft een zachtaardige oogopslag.  

Klein pensioentje
In 1980 beëindigde Mack zijn carrière. Bewust zocht hij de anonimiteit op. Het boksen was geweest. Door hard te werken, de laatste twintig jaar bij een lokale benzinepomp, had hij daar afstand van kunnen nemen.
Of hij nu gelukkig is? Soms.  Maar ook vaak niet. Hij denkt veel na over de dood, hoewel hij nog aan het leven hangt. Hij geeft zich zelf hooguit nog tien jaar. Maar gelooft dat eigenlijk zelf niet. Het leven is eigenlijk niks, verzucht hij even later. Hij leidt een heel rustig en terug getrokken bestaan.  Iedere morgen wandelt hij een uurtje over het strand. De rest van de dag kijkt hij televisie en ‘doet’ zijn huishouden. Hij leeft van een klein pensioentje en woont alleen. Heeft geen vrienden en ook geen contact in de bokswereld. Met vrouwen heeft hij nooit geluk gehad, onthult hij aarzelend. Ooit had de vroegere Europees kampioen vrienden zat. Nu niets meer. De eenzaamheid vreet soms aan hem.

Vriendelijke champ vertrokken naar de Grote Bokshemel

Een pionier. Een voorvechter, van de zwarte sportemancipatie. Een voorbeeld voor legio Surinaamse sporters. Want hij was wél de eerste Surinaamse bokskampioen van Nederland Meerdere keren! Ga er maar aan staan om als zwart  jochie, in het roomblanke Nederland van de jaren vijftig in de ring te staan. Een geslaagde missie. Nadat Theo Baars in 1966 voor de laatste keer zijn bokshandschoenen uit trok keek hij terug op een redelijk geslaagde bokscarrière, die bestond  uit meer vijftig partijen. De rest van zijn lange, en vruchtbare leven besteedde Theo aan zijn gezin maar ook aan zijn liefde voor de bokssport. Theo Baars door iedereen unaniem omschreven als een lieve en vriendelijke man, stierf gisteren op vierentachtig jarige leeftijd.

Lees ook: https://stuyfssportverhalen.wordpress.com/2016/06/05/begenadigd-stylist-en-een-gentleman/

 

Geen boksglorie maar de hel van het Oostfront

Nein! Hij was nou niet bepaald hét beeld van een Germaanse superkrijger.  Zo één waar rassenwaanzinnige Adolf prettige gevoelens van achter zijn geüniformeerde gulp kreeg. Hij was weliswaar blond, had blauwe ogen, maar was een dreumes. Een ventje van amper eenenvijftig kilo. Kwam als bokser amper boven de ringtouwen uit. Willi Kaiser had wél iets waar zijn Führer verlekkerd bij stond te knikken. Willi was dapper. Zat vol strijdlust, en altijd bereid tot dé strijd. Goed voor  een bokser.  Kaiser,  uitkomend in de vlieggewichtklasse, mocht het Vaterlant vertegenwoordigen op de Olympische Spelen van Berlijn. Waar hij zich door de voorrondes heen vocht. Ten koste van Guillermo Lopez uit Chili, Fidel Tricánico uit Uruguay, Alfredo Carlomagno uit Argentinië. Dan is het 15 augustus 1936. Een uitverkochte Deutschlandhalle met twintigduizend toeschouwers. Willi Kaiser, vierentwintig jaar, jongen afkomstig uit Rijnland-Westfalen, in de finale tegen de Italiaan Gavino Matta. De laatste kreeg er flink van langs. Willi was in vorm.  En Matta  vol met trucjes. De laatste,  twee pijnlijk dichtgeslagen ogen, verdedigde  zich steeds té laag en sloeg daarbij zijn tegenstander regelmatig onder de gordel. Voor de kleine Kaiser maakte dat geen reet uit. Hij won toch, en liet zich als eerste Duitser een gouden medaille bij het boksen omhangen.
Met op de conduitestaat honderdachttien gevechten waarvan er tachtig gewonnen,begon de zon voor Willi te schijnen.Maar de wegen des Heren zijn ondoorgrondelijk, om er maar een Bijbelse kreet tegenaan te gooien. Geen roem, met de bijbehorende financiële revenuen, maar  het Feldgrau van de Wehrmacht.
Operatie-Barbarossa, de Duitse inval  in Rusland. In plaats van het ritmische geluid van touwtje springende boksers,  het geratel van machinegeweren.

Hoogstwaarschijnlijk hoorde Willi vaag in gedachten de echo van het applaus en gejuich in de bokszalen, toen hij door de Russen krijgsgevangen werd genomen. Willi Kaiser, uit krijgsgevangenschap gekomen kwam  pas in 1949 terug in zijn geliefde Rijnland terug.

Bron onder meer: ‘Olympia 1936’, uitgegeven door Cigaretten-Bilderdienst Hamburg in 1937.

Foto 2: Het Duitse Olympische boksteam, met tweede van rechts, Willi Kaiser.

 

Olympische droom spatte uiteen

Je wordt  als bokser afgevaardigd naar de Olympische Spelen van Mexico 1968. Het kledingpakket zit in je koffer. Je bent in bloedvorm. Je hebt kans op een medaille. Samen met de Olympische ploeg reis je af. Om twee dagen voor de opening te vernemen dat je niet mee mag doen. Dat over kwam Henko Baars. In zijn stamkroeg hartje Jordaan vertelt de vroegere bokser zijn verhaal.

Wat het boksen hem uiteindelijk had gebracht? Met zijn vingers  maakt hij twee nullen. Niets. Helemáál niets. Ja, teleurstelling. Dat laatste is een eufemisme. Want wat Henko Baars overkwam is voor een sporter een gruwelijke nachtmerrie. Met een garantie op een levenslange trauma.  Bijna vijftig jaar later knaagt dat  nóg aan hem. Verbitterd is hij niet. Wél teleurgesteld. De voormalige bokser heeft zijn sportcarrière al lang achter zich gelaten. Maar begin niet over dat ene incident in 1968. Hij loopt verbaal meteen leeg.  Het was dan ook geen kattenpis. Baars amateurbokser, drievoudig Nederlands kampioen. Begin jaren zestig een gevreesde pugilist met in zijn twee vuisten een knock-out. Baars werd goed genoeg bevonden om Nederland te vertegenwoordigen op de Olympische Spelen van Mexico. Wat een opmaat werd voor een groot sportdrama. Henko Baars, jongen afkomstig uit de Jordaan, en  trainend op de boksschool van Bep Kneppers gevestigd in de Haarlemmerhouttuinen. Een  voormalige middengewicht, die zich zelf  geen technische bokser noemt. Niet zo’n berekenende puntenscoorder. Hij was een knokker en sloeg zijn tegenstanders het liefst neer.  Om dat te doen moet je wél ‘eerst zelf nemen’. Incasseren. De klappen opzoeken. Dan pas kun je ze ook uitdelen. Dat lukte de Jordanees  aardig.

Waarom nooit prof?
Van de meer dan tachtig partijen won hij de helft  op knock-out. Baars neemt een slok Spa. Boven het kroegrumoer uit vertelt hij verder. Waarom hij  nooit prof werd? Voor de vroegere champ   een aftelsom. Als amateur trok hij door heel Europa. Zag iets van de wereld. En had ook een heel team achter zich. Als  prof kwam je nergens. Moest je alles alleenopknappen.  Henko Baars,  met zijn eigen typische manier van boksen, trok volle zalen. Vooral tijdens de boksgala’s gehouden in het  Krasnapolsky van de jaren zestig. Met Henko in de ring was spektakel verzekerd. Ook buiten de ring. En daar ging de Jordanees behoorlijk de fout in. Van een bokser wordt geacht  om in het maatschappelijke leven nooit de vuisten te gebruiken. Makkelijk gezegd. Daar moest je indertijd mee in de Jordaan aankomen. Volgens Baars werd hij op straat regelmatig uitgedaagd. Tot zo’n uitdager te ver ging. Baars sloeg hem neer.  Een schorsing van twee jaar volgde. Om in mei 1968 ijzersterk terug te komen in de ring.

Staalharde rechtse
Tijdens het jubileumtoernooi van de Boksbond stond een supergetrainde Henko Baars tegen de Russische middengewichtkampioen Stanislav Stroemkis. De laatste kreeg van Baars een ‘staalharde’ rechtse op de kaak en ging neer. Het publiek sprong  op de stoelen.  Uiteindelijk verloor Baars de partij op één punt. Voor de keuzecommissie was het duidelijk: Baars mocht naar de Olympische Spelen van Mexico. Nadat de middengewicht in Zeist na een grondige conditietest uitgevoerd door artsen van het NOC, was goedgekeurd, kon hij, bij Perry van der Kar op de Overtoom, zijn Olympische kledingpakket ophalen. 
Niet alleen fysiek werd Baars door de molen gehaald, ook het hoofd. Dokter Van Win, bondsarts van de boksbond,  vroeg aan zijn collega De Jongste, arts van het toenmalige NOC   toestemming voor een EEG van de hersenen van Baars. Twee dagen voor het vertrek naar Mexico, wordt De Jongste opgebeld door de voorzitter van de boksbond met de mededeling dat er iets aan de hand was met Baars’  EEG.   Waarmee aan de horizon het drama voor de Jordanees opdoemde. Van Win hield de uitslag van de scan voor zichzelf. Baars vertrok onwetend  naar Mexico.

Geen tijd
Tussen beide artsen ontstond in Mexico grote onenigheid waarvan Baars de dupe werd. De bokser wist dat er iets speelde. Terecht. Voor aanvang van het toernooi moesten alle EEG-uitslagen verplicht overhandigd zijn aan de overkoepelende arts genaamd Herngreen.  De laatste  kreeg deze. Op  één na, die van Baars. Nadat Herngreen aan Van Win vroeg waar de EEG van Baars bleef antwoordde de laatste dat hij geen tijd hier voor had.   Op grond daarvan werd de bokser reglementair, vlak voor de opening van de Spelen op het vliegtuig gezet richting Amsterdam. Een Olympische droom spatte uit elkaar. En een levenslange frustratie begon.
Bij terugkomst nam Baars contact op met de afdeling neurologie van wat nu  het Leids Universitair Medisch Centrum is. Na een EEG én meerdere hersenonderzoeken kon men geen afwijkingen vinden. Baars werd goed gekeurd.

Geen weg terug
Henko Baars, inmiddels vijfenzeventig jaar weet het nog allemaal goed. Hoe de boksbond hem liet vallen, en nooit meer iets van zich liet horen. Ook dat hij een medaillekandidaat was. 
Ach, er is nu voor Baars geen weg meer terug, is zijn antwoord op de vraag hoe het nu gaat met hem. Hij heeft een goede en mooie tijd gehad met boksen. Heeft veel gezien van de wereld. Na een tamelijk turbulent leven is hij nu gelukkig met zijn bestaan. Hoewel hij er alleen voorstaat hoor je hem niet klagen.  Of hij behalve zijn frustraties  nog iets aan die Spelen heeft overgehouden? Ja, zijn Olympische colbertje, wedstrijdshirt en broek. Die doet hij nooit meer weg. Want ondanks de teleurstelling zijn die hem heel lief.

Foto 3: Links trainer Bep Kneppers met Henko Baars.

Foto 4: Henko Baars in zijn stamkroeg hartje Jordaan.

Begenadigd stylist en een gentleman

Meer dan vijftig jaar stond Theo Baars in de boksring, als speler én als trainer. Als één van de eerste boksers van Surinaamse afkomst werd hij in 1958 nationaal kampioen.

Er werd niet raar opgekeken. In de boksschool van Piet ter Meulen, gevestigd boven een oude zeepfabriek in de Amsterdamse Joden Houttuinen, waren ze wel wat gewend. Ook dat in maart 1950, een zwarte jongen van amper achttien jaar zich aanmeldde. De ranzige, zure geur van zweet, het ritmische voetgetrippel van touwtje springende kerels, het sinistere geluid van harde klappen op lichamen én bokszakken, dat maakte Theo Baars niets uit. Theo, jochie afkomstig uit Suriname, had zijn bestemming gevonden. Trainer Piet ter Meulen, een voormalige koeienslachter in het gemeentelijke abattoir, herkende Baars’ bokstalent. Ter Meulen loodste zijn pupil op een rustige manier het rauwe wereldje van het vuistvechten binnen. Drie jaar later, tijdens een boksgala in het Concertgebouw, maakte de jonge Surinamer zijn profdebuut. Tegenstander Vick van de Berg kon na acht ronde de artiestenuitgang verlaten met een puntennederlaag.

Lasser bij de NDSM
Het profboksen in de jaren vijftig en zestig, dat was sappelen, waarbij de muizen dood in de broodtrommel lagen. Ook voor Baars. Om zijn gezin met vier kinderen te onderhouden  was  Baars, naast het boksen werkzaam als lasser bij de NDSM.  In de avonduren werd getraind. Het zegt alles over zijn kwaliteiten als pugilist. Ondanks een semiprofstatus was  Baars in maart 1958 goed genoeg gevonden voor een gevecht om de nationale titel weltergewicht. In een propvolle Rotterdamse Ahoy-Hal ging bij lokale held, én heersend kampioen, Frits van Kempen in de achtste ronde het licht uit. Baars kreeg zijn goede contracten in het buitenland.
Ook in het Parijs van 1960. Tegenstander Maurice Auzel. Zoals De Telegraaf schreef was het een partij op heel hoog niveau, met twee stylisten die het vak ‘tot in de puntjes verstonden’. In het gevecht over tien ronden van drie minuten verloor Baars nipt op punten.
Over verliezen gesproken. Vier jaar mocht Baars zich kampioen noemen. Om in  1962 zijn kampioenstitel aan clubgenoot Jan de Vos in te leveren. Na afloop van de partij, gehouden in een uitverkocht Krasnapolsky, werd Theo, mét een dicht geslagen oog door zijn vrouw Jo liefdevol en zorgzaam uit de bokshandschoenen geholpen. Theo Baars, bijgenaamd ‘Tommy’, met een conduitestaat van 52 gevechten waarvan er zevenentwintig werden verloren, hing in 1966 zijn bokshandschoenen aan een roestige spijker. De Amsterdammer stelde zijn kennis in dienst als trainer, ondermeer bij de boksschool van ter Meulen, die hij zijn hele carrière trouw was gebleven.

Liefde voor het ‘spelletje’
Hoogstwaarschijnlijk was Theo Baars té aardig voor het ruwe profmetier. Wie je ook spreekt, iedereen vindt hem een heel lieve man. Ook Yz van der Weerd. De laatste, zo’n vijftig jaar geleden de boksschool van Ter Meulen over genomen, heeft alleen maar warme gevoelens over de mens Baars. Wat wil je. Toen Van der Weerd als jongen van vijftien jaar voor het eerst de drempel van de boksschool overschreed, was het de toen gelouterde prof Baars die hem onder zijn hoede nam. Dat Van der Weerd tijdens diens wedstrijdcarrière bokste op de schoenen, overgenomen van zijn leermeester, is logisch.
De voormalige champ van Surinaamse komaf, bracht als trainer zijn kennis én techniek over aan jonge aankomende boksers. Waarbij de liefde voor ‘het spelletje’  hem parten speelde. Op de club wilde hij met iedereen de ring in. Voor een gepensioneerde bokser niet goed. Slecht voor het hoofd.
Volgens Van der Weerd had Theo als bokser maar ook als trainer de nodige klappen genomen. Zelf deed Baars er alles aan om zo’n jongen tijdens sparpartijtjes zelf niet te slaan. Wat met zijn ervaring makkelijk kon. De voormalige kampioen ‘Tommy’ Baars,  als fighter  372  loodzware rondes achter de rug, en decennia  trainer, verzorgde zijn lijf goed. De man was topfit. Ondanks dát  kreeg hij tóch zijn makkes. Hij begon dingen te vergeten. Of dat de tragiek van een bokser op leeftijd is? Feit is wél dat Baars tijdens zijn carrière een paar keer op het canvas wakker werd. Onder meer door een zware knock-out, toegebracht door de Duitser Gerd Mueller. 

Sparren met pa
Zijn zoon Marcel Baars kan naar het antwoord alleen maar gissen. Marcel weet wél andere dingen. Zoals dat zijn vader geen opschepper was. Thuis vertelde hij weinig over zijn carrière.  Voor het gezin Baars, want drie jongens en een meisje, was het boksen normaal.  Het hoorde er bij. Wel vertelde senior dat hij vaak in het buitenland vocht. Daar kon hij goed verdienen. Dat Theo Baars op hoge leeftijd nog in vorm was bevestigd Marcel. Met veel liefde vertelt de laatste over de vele trainingen met zijn vader.
Hoe Marcel  ’s avonds na zijn werk trainde in de gym met mijn toen dik zeventigjarige vader. Partijtjes sparren waarbij pa niet té hard terugsloeg. Dat Theo Baars bij boksend Amsterdam een warme indruk had gemaakt merkt zoon Marcel nog regelmatig. Op de boksschool waar hij een enkele keer komt vraagt iedereen hoe het zijn oude heer gaat. Dan komen ook de verhalen los hoe Theo hen het boksen had geleerd.  
Vijf jaar geleden begon Theo Baars te sukkelen. De kenmerken van Alzheimer werden langzaam zichtbaar. De vroegere boksheld slijt zijn dagen nu in een verzorgingstehuis. Hij  kan niet meer praten, en zit ook nog in een rolstoel. Van zijn ooit sterke lijf zijn alleen nog de gespierde armen én schouders over. Hij herkent zijn kinderen en andere familie nog wel. Die laten hem altijd foto’s zien van zijn vroegere partijen. In zijn geest trekt de mist langzaam weg.  Dan beginnen zijn ogen te glimmen.

Foto 2:  De Vos tegen Baars om het Nederlands kampioenschap. Foto 4: Theo Baars.

Dit door mij geschreven verhaal was zaterdag 4 juni j.l. gepubliceerd in Het Parool.

Geplaatst in Boksen. Tags: . 2 Comments »