Brontosaurussen in het land van Wodan

Woeste, ademstollende natuur. Totále leegte. De Lofoten, Noorwegen.  Het  land van Wodan, Donar en Thor. Waar  achter ieder rotsblok Eric de Noorman, Leif de Rode, Svein Langtand  en meer van die Vikingjongens  zomaar kunnen opduiken. De Lofoten, ook hét ultieme decor voor een helse hardloopwedstrijd over honderdzesenzestig kilometer. Bestemd voor de  gedrevenen. De desolaten. De avonturiers. Mannen en vrouwen met een merkwaardige roeping.  Atleten die, in het zweet des aanschijns van de anonimiteit, de fysieke grenzen inspecteren. Eenentwintig liefhebbers  meldden zich begin  juni op het eiland  Moskenesøya.
De ultraloop van de Lofoten kon een aanvang nemen. Ruim honderdzestig kilometer rennen, klauteren en strompelen.  Over bergen, door sneeuwvelden, langs huiveringwekkende verlaten stranden. Dwars door moerassen. Begeleidt door hagel- regen- én sneeuwbuien.
De ultraloop van de Lofoten, waar precies middernacht ene Oddvar Berntsen het startschot gaf. Dat Oddvar deze klus moest opknappen was niet zó moeilijk. Oddvar, ruim tachtig jaar, is de enige bewoner van het eiland. Dat zal Ronnie Duinkerken, 43 jaar, op dat moment een rotzorg zijn. Duinkerken, een gewezen marathonloper, heeft andere zorgen.  De man kan de komende uren totaal zesduizend meter hoogteverschil slechten. Als opwarmertje de eerste twee zware beklimmingen direct na de start.
Duinkerken, afkomstig uit Rotterdam, gaat niet voor het klassement, maar om te  finishen. Hoe dan ook. Om dat vooral niet te vergeten had de medewerker van een farmaceutisch bedrijf deze opdracht op zijn arm geschreven. Urenlang rennen, dan gebeuren er vreemde dingen in de hersenen. Daar over straks meer. Eerst vertellen dat Duinkerken na meer dan zestig kilometer, in de regen, hagel en storm, het ongelooflijk koud kreeg. Langs  steile kliffen, over besneeuwde bergtoppen rent hij toch gestaag door. De handen gevoelloos van de kou.  Ondanks het afzien geniet de man, van de sprookjesachtige omgeving. Geplaveide wegen, laat staan een uitgezet parkoers zijn taboe. Duinkerken moet, via een kaart én een GPS, zelf zijn route bepalen.
Honderdveertig kilometer én drieëndertig  uur verder. Dwars door een sneeuwveld martelt Duinkerken verder. De benen staan in de hens. Rennen gaat niet meer.  Hij moet nog een berg op. Hij is bang voor de kou. Zijn lijf schreeuwt om te stoppen. De geest is sterker. Cola, chips én bananen, ingeslagen bij een verzorgingspost, doen wonderen. Hier kan geen sportdrank tegen op.
Na zesendertig uur gaat zijn geest met hem aan de haal. Duinkerken ziet fleurige parasols, boomkikkers én brontosaurussen. Met een lichte paniek en om de geest te verzetten, haalt hij zijn landkaart te te voorschijn. Twee uur in de nacht als Duinkerken achter een berg de zon ziet opkomen. Midzomernacht is niet ver weg. Voor de Rotterdammer een magisch én symbolisch moment. De finish komt in zicht. Nog één berg te gaan.
Na negenendertig loodzware uren komt  de finishplaats in Svolvær in zicht. Het is drie uur in de nacht. Als achtste, op dertien uur achter winnaar Hallvard Schjollberg, komt Ronnie  Duinkerken over de eindstreep.  Op een groepje Noren na, is er niemand daar getuigen van. Niemand? Wél Janna, zijn vriendin, die hem liefdevol opvangt. Duinkerken heeft de helletocht overleeft. Hij wil nog maar één ding: slapen.

Foto 4: Voor de start, links Ronnie Duinkerken met Oddvar Berntsen, de eenzaamste man van het hoge noorden.

 

Met dank voor de tip aan mijn vroegere collega Eric Fokke die al acht jaar op de Lofoten woont. Foto’s: Eric Fokke/Lofotenbilder.no

‘Ik voel mij in Kenia waardevoller dan hier’

De sprong naar de absolute marathontop was iets te groot. En om dan nóg harder te gaan trainen om een paar minuten sneller te zijn? Veron Lust had daar geen trek in en stapte naar  ultraloop. En daarin vond hij zijn Nirvana, want Veron Lust behoort al meer dan tien jaar tot de vaderlandse top. Om dat niveau te behouden traint hij regelmatig op de hoogvlakten van Kenia. En daar, ver weg van luxe en comfort, werd hij getroffen door de bittere armoede. Lust kon dat niet meer aanzien en startte een uniek project.

Of er een steekje aan hem los zit omdat hij regelmatig wedstrijden over honderd kilometer  rent? Nee natuurlijk niet! Je bent ultraloper of niet. En bovendien, hardlopen is het oerinstinct van de mens dat die door de luxe vergeten is.

Veron Lust is alles behalve knetter. Sterker, hij beschikt over een gezonde dosis zelfreflectie. Veertien jaar geleden liet hij de stopwatch bij een marathon al stil staan op een tijd van 2.24 uur. Een tijd waarvoor hordes marathonlopers bereid zijn om zaken met de duivel te doen. Lust niet! Die zag al snel in dat je, als je de top wilde halen, daar tien minuten van af moest krijgen. En in de energie die dáárin gaat zitten had hij geen trek. En dat laatste vraagt om een uitleg.
Spierziekte
‘In de periode dat ik die snelle tijd realiseerde was mijn moeder heel erg ziek. Ze leed aan een spierziekte’, begint Lust, 47 jaar, zijn uitleg. ‘Ik heb haar verpleegd. Ik had niet alleen de zorg van mijn moeder maar ook nog mijn werk en de dagelijkse training. Voor die inspannende snelheidstrainingen om sneller te gaan had ik totaal geen energie meer.’Veron Lust schakelde een tandje terug, bleef wel rennen, wat staat voor duurlopen op een rustig tempo en ontdekte vanzelf zijn talent om dat urenlang vol te houden. Lust sloot zich aan bij het illustere gezelschap van ultralopers, een soort geheimgenootschap van rennende kilometervreters. Waar hij zijn debuut maakte?
Schrik om hart
‘In de geboorteplaats van mijn moeder’, begint hij zijn relaas. ‘Mijn moeder was Zwitserse, kwam uit het dorpje Biel en daar werd jaarlijks een hardloopwedstrijd over acht uur gehouden. De start vindt in de avond plaats en de race gaat de hele nacht door. Daar doen duizenden lopers aan mee. Ik werd achtste.’ Lust zijn debuut was een lekkere binnenkomer en hij liet daardoor de marathon voor wat die is. Inmiddels heeft hij zo’n honderd van die monsterafstanden op zijn Nikes afgelegd, en behoort hij tot de top van ons land.
‘Ik werd zes keer kampioen van Nederland. Daardoor ben ik in veel landen geweest. Ook in Japan waar de ultraloop een volkssport is. Zeven jaar geleden werd ik op het wereldkampioenschap zestiende. Dat was mijn hoogste uitslag.’ Op de vraag hoe je zijn trainingen moet voorstellen laat Lust zijn logboek zien. Alleen al van het lezen slaat een ‘gewoon’ mens de schrik om het hart. Hardloopsessies richting Den Helder of naar  Amersfoort zijn, in de zomer, dagelijkse kost. Een duursporter zal je niet snel op een bruiloft de polonaise zien aanvoeren. Duursporters leven van training naar wedstrijd en daar is geen  plaats voor frivoliteiten laat staan het leed van de wereld. Er moet iets schokkends gebeuren om het strakke regime van de dagelijkse trainingsschema’s te doorbreken. Bij Veron Lust gebeurde dat op hoogvlaktes van Kenia, ver weg van de bewoonde wereld.
Achtergesteld
‘Om in vorm te blijven besloot ik in de winter 2003 een paar weken te gaan trainen in Kenia. Hoewel ik mij daar direct thuis voelde, was het schokkend om te zien hoe keihard het leven daar is. Ik zag de armoede maar ook hoe de vrouwen en meisjes volkomen achtergesteld zijn. Die vrouwen hebben echt niets te vertellen, stellen helemaal niets voor, staan onder aan de ladder en moeten de hele dag onmenselijk hard werken om het gezin in leven te houden.’ Thuisgekomen kreeg Lust last met zijn geweten en besloot daar wat aan te gaan doen.
‘Ik nam contact op met Jos Hermens. Jos is manager van een hele rits Keniaanse marathontoppers. We besloten een kleine stichting op te richten en geld in te zamelen.’ Om als Keniaans kind van de hoogvlaktes aan de armoede ontsnappen, zijn er twee dingen nodig: scholing en hardlopen, want voor dat laatste zijn ze geschapen.
Helemaal niks
‘Wij zijn in Mbara  begonnen. Dat is een hooggelegen dorpje  op uren afstand van een verharde weg. Geld bestaat er niet. Ze leven van wat ze verbouwen zoals wat maïs en bonen. De stichting heeft  inmiddels een kleine school gebouwd. Ook zijn we begonnen met een trainingskamp voor zes meisjes. Ze krijgen niet alleen gewone kleding, maar ook een pakket sportkleding. Voor ons lijkt het niet veel maar geloof me, die mensen hebben echt helemaal niks. Deze meiden zijn via een selectiewedstrijd, waar honderden kinderen aan meededen, gekozen. Als je ziet hoe ze rennen’, roept hij vol verbazing. ‘Die kinderen barsten van het talent. Op een veldje hebben wij een baantje van driehonderd meter aangelegd waar ze dagelijks op mijn schema’s trainen. Dat ze de Olympische Spelen halen is geen utopie, maar voor mij een vaststaand feit.’
Rustig aan
Veron Lust is een bevoorrecht mens want bevrijd van de dagelijkse ketenen die ‘werken voor een baas’ genoemd worden. Ooit met zijn broer een autosloperij begonnen en naar jaren van hard werken, heeft hij zich laten uitkopen. Van de vrije tijd én geld die dat opleverde, geniet hij niet alleen zelf maar laat hij ook anderen meedelen.
‘Ik ben drie maanden per jaar in Mbara. Ik voel mij daar waardevoller dan hier. Ik ben als mens ook veranderd. Als ik hier kinderen zie huilen erger ik mij daaraan want die janken vaak als ze hun zin niet krijgen. In Kenia huilen kinderen als ze honger hebben of als ze dood gaan.’
aar nog even terug waar we begonnen zijn, het ultralopen. Of daar voor Veron Lust nog toekomst is? ‘Ik word een dagje ouder en heb besloten geen honderd kilometerwedstrijden meer te doen. Ik ben nu overgestapt op 24-uurslopen. Ja, inderdaad dat is een dag en nacht achter elkaar rennen met een tempo van tien kilometer per uur. Lekker rustig aan.’

Foto’s: Hilco Koke, geplaatst in Mug juni 2010

Geld verdampt, herinneringen blijven

De marathon van Rotterdam? Voor een langeafstandloper uit de Watergraafsmeer is dat vloeken in de kerk. Die stad is iets te veel ‘010’, om maar in voetbaltermen te blijven. Theo Stelling rent liever in ‘eigen huis’ waar hij de marathon van Amsterdam mee bedoelt. En met succes, want in de laatste versie verbrak hij het nationale record voor veteranen in een niet misselijke tijd van 2.37 uur.
Waar maak je iemand blij mee wiens leven bepaalt wordt door rennen, rennen en nog eens rennen? Met deelname aan de marathon van New York! The Big Apple is het Nirvana van de marathon! Rennen door New York en dan sterven, in die proporties.
Voor marathonloper Theo Stelling, 51 jaar, kwam zijn droom uit. Op zijn vijftigste verjaardag kreeg hij van vrouw en zoon een geheel verzorgde reis én startnummer naar New York als cadeau. Voor Stelling, technisch medewerker bij de gemeente, werd dat een marathon met een heel emotionele lading.
‘Twee weken voor New York werd  mijn vrouw ziek. Er was kanker bij haar geconstateerd. Wij hadden toch besloten te gaan. Het was voor mij een race met twee gezichten. Het idee dat mijn vrouw zo ziek was maakte mij heel emotioneel . Maar aan de andere kant, de marathon van New York, wát een belevenis’, verzucht de tot het bot afgetrainde Stelling.  Voor een  hardloper die gewend is aan  Amsterdamse verhoudingen was hardlopen door New York een cultuurshock. Ren je in Amsterdam voor twee man en een paardenkop dat is dat in New York wel andere koek.
Driehonderd foto’s
‘Twee miljoen mensen langs de kant,’ vertelt Stelling. ‘Vooral de doorkomst door de verschillende wijken was één groot feest. Maar ook de tegenstellingen. In de Harlem en de Mexicaanse wijk kreeg je een heldenontvangst. In Brooklyn, de joodse wijk, deden die orthodoxe joden net of ze je niet zagen. En overal bandjes en live muziek. Normaal ben ik tijdens een marathon  heel fanatiek en serieus maar in New York liep ik als een toerist. Ik had mijn camera meegenomen en meer dan driehonderd foto’s gemaakt’.
De marathonsfeer in Amsterdam mag dan de gevoelstemperatuur van een vrieskist hebben, het neemt niet weg dat Stelling daar zijn ultieme loopmoment meemaakte. Het hele vorige seizoen had Stelling het rubber van zijn loopschoenen getraind. Storm, regen en kou werden daarbij op de koop toe genomen. Op de atletiekbaan van AV23 werd de snelheid aangescherpt. En allemaal onder één motto:  de tijd begint te dringen. Wil je als vijftigjarige marathonloper nog één keer de stopwatch uitdagen, dan moet er gewerkt worden.
Stelling, klein, levendige ogen, ras-Amsterdammer, vertelt. ‘In juni begon de vorm te komen. Tijdens de Senior Games, een sportspektakel in Zeeland, won ik de halve marathon. Het begon bij mij te dagen dat het in oktober wel eens heel hard kon gaan.’
Goud of blik
Najaar, de tijd dat de blaadjes van de bomen vallen, maar ook dé tijd voor de grote stadsmarathons. Begin oktober beet de hoofdstad de spits af. In het wedstrijdvak, tussen de Afrikaanse loopwonderen, ook Theo Stelling. Voor de  laatste was het erop of eronder. Goud of blik. Het parkoers kon hij wel dromen. Vooral het gedeelte langs de Amstel, daar had hij wakker van gelegen. Als het daar maar niet al te hard waait.  Dat helse open stuk vanaf Buitenveldert naar Ouderkerk, waar de Amstel overgestoken wordt en weer terug langs de rivier richting Amsterdam.
Hoe vaak had hij daar niet getraind? Speurend naar de ideale looplijn, opletten hoe en waar de wind stond. Nog even een verse rochel achter de huig vandaan trekken, en de polsstopwatch voor de zoveelste keer controleren. Stelling was er klaar voor.  Na het startschot waren de eerste tien kilometer door Zuid een kwestie van volgen, je hart niet boven het theewater jagen, opletten waar de concurrentie zat. Maar dan kwam het beruchte pad langs de Amstel.
‘Alles op die dag zat mee, vertelt de kampioen. ‘Voor een marathonloper was het schitterend weer. Met weinig wind. Langs de Amstel, in de buurt van Ouderkerk kreeg ik het heel moeilijk. Mijn directe concurrent was er van door. Ik heb langs die hele Amstel in mijn eentje lopen jagen. Terug in de stad, voor de Bijlmerbajes, kreeg ik hem te pakken. In mijn buurt, de Watergraafsmeer, rekende ik met hem af.’
Plakkie
De rest was geschiedenis. In een tijd van 2.37 uur kwam  Theo Stelling, over de streep. In het Olympisch Stadion werd hij gehuldigd als nieuwe veteranenkampioen maar ook recordhouder. Kregen de winnaars bij de mannen en heren een vet bedrag op hun rekening gestort, Stelling moest genoegen nemen met een ‘plakkie’. De Watergraafsmeerder is daar zelf nogal nuchter over. Wat kan hem dat geld nou schelen. Gezondheid is veel belangrijker. Dat het met zijn vrouw weer goed gaat, daar is de hardloper uit Oost zielsgelukkig mee. Geld verdampt maar herinneringen blijven en die zijn voor hem véél belangrijker, die pakken ze hem niet meer af.
Op zijn falie
Als hij der dagen zat is, de urinestraal zwak,  en de benen dienst weigeren, dan kijkt hij met voldoening  naar zijn rijk gevulde prijzenkast en zakt weg in mijmeringen. Hij ziet zich dan weer langs het Amsterdam-Rijnkanaal ijlen,  waarbij hij zijn schrale, afgetrainde lijf op zijn falie gaf, en  hij ziet zichzelf rennend over Queensborobridge in New York, hoort de echo van de aanmoedigingen en telt dan zijn zegeningen.
Maar zover is het nog lang niet. Begin maart startte de Stelling in de ’20 van Alphen’ de openingsklassieker van Nederland. ‘Wat ik werd? Tweede in een tijd van 1.10 uur’. Theo Stelling wiens leven bepaald wordt door hardlopen, kent ook zijn zwakheden. ‘De afgelopen winter ging het moeizaam. Met die maandenlange kou vroeg ik mij wel eens af waar ik mee bezig was. Dan lag ik liever op de bank met een zakkie  chips.’

Geplaatst: Mug April 2010 Foto’s Hilco Koke

‘Het was de hand van God’

rasjiet1Met zijn drieënvijftig kilootjes op de weegschaal lijkt hij geschapen voor de cross. Dartelend, dwarrelend, vlinderachtig, trippelt hij over zuigende modder, sompige klei en glibberige bospaadjes. Meer dan honderd koersen heeft hij gewonnen. Hardloper Rachid Mohammadi, wereldberoemd in Amsterdam-Oost.

Afgelopen winter excelleerde hij in de nationale crossen en won zilver bij het nationaal kampioenschap. Ook op de weg strijdt hij in de voorste rijen mee. Op de nationale ranglijst prijkt zijn naam nog altijd bij de beste. Maar hij traint niet meer zo veel als vroeger. De kinderen worden groot en daar wil hij meer tijd aan besteden. ‘Niet veel trainen’ is in de belevingswereld van Mohammadi nog altijd vijf keer per week de veters van zijn loopschoenen aanstrikken voor zijn trainingen door de Indische Buurt en het Oosterpark.
En dat laatste is voor hem van een aparte dimensie. Rachid Mohammadi, veertig jaar, is dan geen rennende mister nobody, een dravende anonymus. In Oost wordt hij door volstrekt onbekende landsmensen begroet, aangemoedigd. De Marokkaanse gemeenschap waardeert zijn helden. Weet Mohammadi’s erelijst op waarde in te schatten. Maar is ook op de hoogte van de maatschappelijke betrokkenheid van Mohammadi, want die is niet te beroerd om tijdens trainingen jongeren die kattenkwaad uithalen op hun gedrag aan te spreken.
‘Die jongens weten wie ik ben, wat ik doe,’ vertelt Mohammadi, ‘Ik heb nooit een grote mond terug gehad. Ze hebben respect voor mij. Van mij nemen ze het aan. Ik geef ze advies, wijs ze terecht en ben dan weer weg.’
Het hardlopen heeft Mohammadi verder op de maatschappelijke ladder gebracht. Vijftien jaar geleden liep hij, samen met zijn toen ook rennende broer, als vakantiekracht, nog in de kelder van het OLVG met een bezem rondt. Nu is hij assistent projectmanager bij een groot verzorgingstehuis.
Hoe zoiets in zijn werking gaat? Met twinkelingen in zijn ogen vertelt hij over het hardloopteam van het OLVG: een verhaal met een heel hoog ‘jongensboekgehalte’. Een team van artsen en ander personeel, dat tijdens de bedrijvenloop, verbonden aan de  Dam-tot-Dam-loop, steevast in de achterste regionen eindigde. Tot dat iemand ontdekte dat in de kelder van het ziekenhuis twee schoonmakers rondliepen die tijdens de Damrace bij de eerste tien waren geëindigd. Rachid en zijn tweelingbroer Abdullah kregen een vast arbeidscontract en werden in het team ingelijfd. Met de komst van de broertjes Mohammadi eindigde het hardloopteam een jaar later op de tweede plaats.
Voor de marathon komt de lichtgewicht uit Amsterdam-Oost te kort. Hij is meer de man van de middenafstand. De halve marathons en alles wat daar onder zit is het jachtgebied van Rachid Mohammadi. En in de winter natuurlijk de crossen. De mooie koersen zoekt hij speciaal uit. Dikwijls wedstrijden waar wat te verdienen valt. Zoals de hoog aangeslagen cross van Boskoop.
‘Dat parkoers is heel zwaar, veel water, modder en blubber.’ Volgens Rachid staat er een sterk deelnemersveld aan het vertrek. ‘Die wedstrijd heb ik al drie keer gewonnen en ben in die contreien heel populair, want ik word jaarlijks door de organisatie uitgenodigd’.
Ook bij het nationale kampioenschap cross, gehouden begin maart, streed Mohammadi in de voorste linies mee. Op slechts een minuut achter de winnaar werd hij zesde, wat in zijn leeftijdsklasse goed was voor zilver. ‘Er had meer ingezeten. Een week voor het kampioenschap was ik nog ziek geweest’, verzucht hij. ‘Ik heb een heel goede winter achter de rug en niet té veel crossen gelopen, een stuk of zes, maar dat waren, kwalitatief heel sterke. Ik kwam altijd met bloemen thuis, eindigde steeds in de prijzen.
Het gesprek vindt plaats bij Mohammadi thuis. Dat hij geen praatjes ‘voor de vaak’ verkoopt bewijst de overvolle prijzenkast die de huiskamer domineert.
Rachid Mohammadi oogt pezig, tanig, heeft een lichaam taai als hondenleer. Als loper is hij dan ook gehard in Marokko. Bij het krieken van de dag, als de lokale haan zich nog even behaaglijk omdraaide, begonnen zijn trainingen. Hij weet nog goed hoe hij als zeventienjarig jochie zijn koersen rende onder een helse rood gloeiende zon. Van die primitieve Spartaanse omstandigheden heeft hij nog steeds profijt. Als het brandend, zinderend heet is en de huig bij de concurrentie tegen het gehemelte plakt draaft Mohammadi probleemloos op kop. En tijdens de ramadan is dat mooi mee genomen.
‘Ik heb tijdens de ramadan eens een halve marathon gewonnen. Het was die dag warm. Na afloop werd er volop gedronken. Niet door mij. De organisator vroeg bezorgd of ik niets moest drinken. Ik vertelde hem dat ik de hele dag niets gedronken had. Hij schrok daarvan. Maar ik won toch die koers. Waarom? Dat was de hand van God’.
Rachid Mohammadi, door en door getraind, weet, op veertig jarige leeftijd, de stopwatch op de tien kilometer binnen de eenendertig minuten stil te zetten, maar moet het tóch afleggen tegen dat ene genadeloze uurwerk: ook voor hem tikt de biologische klok meedogenloos door. Kleine kwaaltjes beginnen op te spelen. ‘Ik word ouder, train niet meer zo veel als vroeger’, stelt hij nuchter vast, ‘Duurlopen van twee uur doe ik niet meer. Ik train nu meer op het korte werk, meer snelheid. Ik besteed meer aandacht aan mijn kinderen, hun school. Soms ben ik ook te moe. Vooral na zware wedstrijden. Dan neem ik ook mijn rust. Ik forceer niets.’
Rachid Mohammadi acteert niet alleen op nationaal niveau. Een keer per jaar zoekt hij de strijd met de internationale concurrentie op. Dat gebeurt dan bij de Dam-tot-Damloop. Het hoofdstedelijke hardloopfeestje waar meer dan dertigduizend lopers mee doen, geldt voor hem als graadmeter. Voorlopig hoeft hij zich geen zorgen te maken. Tussen het Keniaanse en Ethiopische geweld weet hij zich nog steeds staande te houden.
‘Ik eindig nog steeds bij de eerste dertig. Of ik het erg vind dat die duur betaalde profs mee doen? Nee natuurlijk niet. Ik vind het juist prachtig dat de wereldtop aan de start staat. Dat geeft aan mijn uitslag toch meer cachet.’
Je mag dan wel een hero van je gemeenschap zijn, één van de snelste hardlopers van Amsterdam wezen, tientallen koersen hebben gewonnen, maar dat wil dan niet zeggen dat jezelf geen voorbeelden hebt. Op de vraag wie zijn held is loopt Rachid Mohammadi naar een kast en pakt daar een foto uit: ‘Tien minuten voor de start van de Zeven Heuvelenloop in Nijmegen gemaakt. Ik sprak hem aan. Hij was een heel vriendelijke man en vroeg belangstellend wie ik was, waar ik vandaan kwam en wat mijn looptijden waren.’
Op de foto staat een breed lachende Rachid Mohammadi samen met Haile Gebrselassie: ‘s werelds snelste man op de marathon.

Geplaatst in Mug April 2008

Sparta uit,altijd lastig

polsyDe Spartathlon! Dat staat voor zesendertig uur non-stop hardlopen! Door hitte en kou, over een afstand van tweehonderdzesenveertig kilometer. Rennen langs snelwegen waarbij je rakelings gepasseerd wordt door denderend vrachtverkeer, maar ook in het pikkedonker, over onverharde paden, langs gapende afgronden, want een berg van duizend meter moet beklommen worden. Huiveringwekkend, en levensgevaarlijk. Tussen Athene en Sparta wordt, jaarlijks, de grenzen van het fysieke, maar ook van de verbeelding, ruimschoots gepasseerd. Met meer dan zeventig procent uitvallers behoort de Spartathlon tot de zwaarste loop in zijn soort. Simon Pols schreef heroïek want haalde de finish.

Die Pheidippides toch! Die kón je nog eens om een boodschap sturen. Als boodschapper van het Griekse leger rende hij, vijfhonderd jaar voor Christus, van Athene naar Sparta om Koning Leonidas een bericht te overhandigen. Het begrip ‘Spartaans’ kreeg een extra dimensie toen Pheidippides, zesendertig uur onafgebroken gerend, als beloning een kom water kreeg. ‘Pheid’, nam een slok, en viel prompt dood neer. De geschiedschrijver Herodotus verhaalde over de oervader aller marathonlopers en stond daarmee meteen aan de wieg van een waanzinnige, apocalyptische ren, want aan de hand van zijn geschriften werd het parkoers gereconstrueerd. In 1983 vond de eerste moderne versie plaats. Dat je voor de Spartathlon een beetje ‘knots’ moet zijn kan Simon Pols, 56 jaar, van harte beamen. Volgens hem moet je wel een steekje los hebben om je aan daar aan te wagen. Natuurlijk overdrijft Pols, 56 jaar, een beetje. Als hardloper is hij gestaald en gehard. Meer dan honderdveertig marathons raffelde hij af en tientallen ultralopen staan op zijn conto. Met trainingsweken van meer dan tweehonderd kilometer stond Pols, samen met driehonderdvijftig andere ‘liefhebbers’, aan de voet van de Acropolis in Athene. ‘Ik ben geen type met een brok in de keel,’ begint Pols, in dagelijks werkzaam bij de Hema. ‘Maar starten aan de voet van zo’n historisch complex doet toch wel wat met je. s’ Morgens zeven uur werden we weggeschoten. Athene is druk, warm, veel smog en dus weinig zuurstof. We hebben twee uur lang door de stad gerend, langs olieraffinaderijen met doordringende geur van walmende schoorstenen, langs scheepswerven met heel veel vrachtverkeer.’ Over de Spartathlon had Pols het nodige gehoord. Verhalen waaruit een beeld naar voren kwam, dat, er langs de poorten van de hel gerend moest worden en waar maar dertig procent de finish haalde. Dat klopte: er wachtte hem pure horror, pijn en andere lichamelijke ongemakken. Maar ook een vriendschap voor het leven. Een paar kilometer buiten Athene kwam Pols samen te lopen met een andere Nederlander, Carel Schrama. ‘We hadden niets afgesproken maar bleven tot de finish wel bij elkaar. Mentaal kan je elkaar dan beter steunen. Na tachtig kilometer begon ik last te krijgen van kramp. Normaal gesproken is dat einde verhaal. Maar ik had het geluk dat het gebeurde voor één van de tachtig verzorgingsposten. Een masseur slaagde erin om de krampen weg te krijgen’. Kramp is erg maar de lakmoesproef moest nog komen. Na honderdzestig kilometer doemde de Sangiapas op. Een berg van duizend meter die in het pikkedonker genomen moest worden. ‘Ik had een hoofdlampje op. In het donker zag je geen steek. Een weg was er niet, wél onverharde karrensporen. Hardlopen of wandelen was er niet meer bij. Dat was puur klimmen over gigantische rotsen, langs gapende afgronden. Het was huiveringwekkend, levensgevaarlijk. Ondanks al die risico’s heb ik die nacht heerlijk gelopen’. Terwijl Pols door de Griekse duisternis ijlt, tikt de klok door, uren verglijden, als lokale hanen kukelend een nieuwe dag in luiden. De zon laat zijn eerste stralen over de vlakte van Peleoponesus stralen en Sparta is nog ‘maar’ tachtig kilometer ver. Normaal is zo’n afstand voor Pols een ‘stukkie om’ maar niet met een brandende zon op je kop. ‘De zon scheen ongenadig en het was meer dan vijfendertig graden. De laatste veertig kilometer voerde langs een autosnelweg. Totaal geen schaduw. Ik had al twee dagen, onafgebroken in de hitte gerend. Dat begon mij op te breken. Het hardlopen moest ik afwisselen met wandelen. Het was heel moeilijk mij steeds op gang te trekken. Mentaal steunde Schrama mij, en wachtte telkens. De Spartathlon is een sloper’, vertelt Pols geheel overbodig. ‘Mijn spieren verbrandde zoveel dat het voedsel dat ik nam niet eens mijn darmen haalde. Ik heb niet één keer hoeven te poepen’. De horrorverhalen die Pols over de Spartathlon gehoord had bleken dus echt te zijn. Pols werd bevangen door de hitte. Uitgedroogd, licht hallucinerend, zwalkende en op pure wilskracht kwam de Amsterdammer Sparta binnen, waar hem een heldenontvangst te wachten stond. Een kwartier voor de limiet van zesendertig uur haalde hij de finish. In de historie van de Spartathlon flikte slechts zeventien Nederlanders eerder dat kunstje. Gebrek aan gevoel voor geschiedenis kan je de Grieken niet verwijten. De finishstreep was getrokken bij het standbeeld van Koning Leonidas waar Pols het idee kreeg in een tot leven gekomen Griekse mythe belandt te zijn. Pols gaat vertellen. ‘De laatste kilometers stonden duizenden mensen ons toe te juichen. Aan de streep stond de burgemeester van Sparta en van meisjes in klassieke dracht kreeg ik een lauwerkrans op het hoofd, maar ook een kom water. De traditie schrijft voor dat je vervolgens de voeten van het standbeeld even aanraakt’. En toen gebeurde er iets wat sport nou zo leuk en boeiend maakt. Ondersteund door zijn loopvriend Carel Schrama raakte Pols raakte het beeld aan en nam vervolgens een slok water. Op dat moment moet Pheidippides, aan gene zijde, ongetwijfeld grijnzend geknikd hebben: Pols viel flauw. In een rolstoel, gekoppeld aan een infuus, werd Simon Pols afgevoerd. ‘Ik was uitgedroogd en kreeg via het infuus vocht toegediend. ‘s Avonds zat ik weer aan het bier. Op een beetje spierpijn na was ik volkomen hersteld’. Of iemand met een volledige baan en op zijn leeftijd nog een keer zo’n helse tocht gaat rennen daar is Pols duidelijk over. ‘Dit was mijn laatste ultraloop. De Spartahtlon was een kroon op mijn werk. Ik loop nog wat marathons zoals eind deze maand in Amsterdam’.

Geplaatst: Mug oktober 2008