De Verzamelaar

Op vier juni 1904, zag Paul Dangla voor de laatste keer in zijn leven de zon opgaan. Paul, 24 jaar, een voormalige boekhouder, afkomstig uit Midden-Frankrijk, én een begenadig stayer.
Paul, (zie foto) aanstormend talent, stond als één van de weinige Franse stayers, regelmatig  in Duitsland op de aanplakbiljetten. Per slot was Duitsland dé Premier League van het stayeren.
Ook op die genoemde  vierde juni, met de Gouden Wiel van Maagdenburg . Een   stayerskoers over honderd kilometer, waar Paul een goed betaald contarct voor had.
Tijdens de koers krijgt Paul, tegen de negentig kilometer, een klapband, komt ten val en sterft niet veel later aan zwaar hersenletsel. Paul Dangla werd begraven op Cimetiere de Dolmarac, een kerkhof in zijn geboortestad l‘Agen.
Ter waarschuwing aan al die snelheidsduivels werd, op Pauls graf, zijn ongeluksfiets geplaatst, en vastgeklonken aan de grafsteen. Précies een eeuw later, óp zijn sterfdag in 2004, wordt deze fiets van de sokkel gebroken en vervolgens gestolen. De dader? Een verzamelaar van wielermemorabilia!
Verzamelaars, een verachtelijk volk. Mensen zonder eer, noch geweten.  Weten als vale gieren precies, wáár De Dood had aangeklopt. Vooral bij voorheen beroemde renners. Ook tijdens die ene requiemmis van een voormalige kampioen. Waar achter in de kerk een stapeltje bidprentjes, met naam én foto van de beminde overledene, bevond. Door verzamelaars met handen vol mee geklauwd. Om deze een dag later voor veel geld op Marktplaats te verpatsen.
En nog véél erger. Zoals de begrafenis van Wim van Est. Waar diverse grote wielerorganisaties, waaronder die van de Acht van Chaam, hun medeleven betuigde door middel van bloemenkransen voorzien met tekstlinten. Nauwelijks was Van Est ten aarde besteld of deze linten werden genadeloos, gestolen. Eén keer raaien door wie.
Spreek ze daarover aan. Dan wordt er lispelend verteld, dat ze dat doen uit naam van het  ‘nationale wielererfgoed’: in hun ogen sluimert de gloed van hebzucht.
En mocht de verzamelaar ooit aan je deur komen dan is daar één remedie tegen: doe dan als de Heer. Want Jezus ranselde de farizeeërs, met een eind hout, de tempel uit.

Frumselhaartje

Godsamme! Het gevaar spat van de foto af. De schrik slaat je om het hart. En de vraag was dan ook niet hóe, maar wanneer. Want dat er ongelukken gingen gebeuren, dát was zeker.
Stayeren in de Belle Epoque: voor gekkies en andere vermetele. Jongens, draaiend in de mallemolen van het leven.
Zoals Joe Nelson, afkomstig uit Chicago. Joe, gegangmaakt door ene Stinson. Achter een motor waarvan een visuele gehandicapte kan zien, dat je je leven daarachter, niet zeker was. Dat had die Stinson ook bedacht. Om te voorkomen dat zijn voorband in de bochten, er af vloog, had hij deze met tape vastgemaakt. Nog even doorgaan over die motor. Die altijd goed was voor zo’n tachtig kilometer per uur. Maak met die snelheid maar eens een smakkerd…  

Of die Joe daar van doordrongen was? Ja! Maar dáár kom ik straks op terug.  Wat die jongen bezielde? God, zal ongetwijfeld het antwoord weten. En anders stond dat wél in de sterren geschreven. Ik bedoel Joe, goed getraind, kaggelde met zo’n tachtig kilometer achter dat ding. Die was doordrongen van het gevaar.
Dat Joe geen helm droeg was een issue. Erger was dat achter die motor, voor de veiligheid van de renner, geen meedraaiende rol had. Zo’n rol, die voorkwam dat de renner tegen de motor aan reed. De afstand voorwiel/achterkant motor, was een kwestie van een  frumselhaartje…
Tijdens een stayerskoers gehouden in het New Yorkse Madisdon Square Garden,  anno 1904, realiseerde Joe dat ongetwijfeld ook.  
Joe, volle snelheid,  raakte inderdaad héél even de motor. Joe Nelson, werd eenentwintig jaar. Hoe het dáárna, met zijn  moeder was gesteld, daar durf ik, anno nu,  niet eens aan te denken. Drie jaar eerder want september 1901, op dezelfde baan, en óók tijdens een stayerskoers, verongelukte namelijk  haar andere zoon, Johnny, 23 jaar.
Joe Nelson had dus gewaarschuwd moeten zijn…

Vijftien centimeter korter

Voor gokkers was er niet veel aan. En verrassingen waren er ook niet. De winnaar stond bij voorbaat vast. Dat Reinier Honig met de nationale stayerstitel aan de haal ging was zeker. Zo zeker, dat bij het gangmakergilde, vóór de koers daar over  werd gemord. Met als strekking dat een professional, want Honig, niets te zoeken had bij dit kampioenschap. Honigs concurrentie, waaronder enkele grote aanstormende stayerstalenten, bestaat uit jongens die, óf werken of nog studeren. Maar goed, dat maakte de pret er niet minder om. Bij dit kampioenschap kwamen de stayersadepten aan hun trekken: met de  nodige spanning en sensatie. Ga maar na.  
In de series, op volle snelheid krijgt die Honig een lekke band, een nachtmerrie voor iedere stayer. Honig, reservefiets naast de baan, wisselde razend vlug van fiets en wist de schade te beperken. Maar dat waren de series. Er was ook nog de finale over tweehonderd ronden. Waar de redelijk bevolkte tribune goed voor ging zitten. Het was Luuk Jansen, verrassend goed rijdend, die er meteen vandoor ging. Wat kenners met hun hoofd deden schudden. Een zelfmoordpoging of had die Jansen zulke goede benen? Laten we het maar op het laatste houden.
Jansen door Sam Mooij vakkundig gegangmaakt, hield hét heel lang vol. Maar eerst even vertellen dat Ocko Geserick, op de tweede plaats, gegangmaakt werd door Willem Fack. De laatste een man van tradities. Neem alleen al de helm van Fack. Geërfd van wijlen Martin ‘tuut’ Huizinga, een  gangmaker uit een ver verleden,  die decennialang geleden, zijn plekje in de Grote Stayershemel had ingenomen.
We gaan verder. Geserick op de tweede plek gevolgd door Honig. Wedstrijdverslagen, áltijd oervervelend. Daarom  meteen naar de tachtigste ronden. Voor Honig tijd  om op jacht te gaan naar zijn achtste nationale titel. Honig tweede bij het laatste gehouden Europees kampioenschap, maakte er geen half werk van. Plat op de fiets schokkend met de schouders werd het gat met iedere ronde kleiner. Tot het moment dat Jansen zal worden opgeraapt. En daar ging het bijna mis.
Jansen liet zich niet zomaar afslachten en hield Honig van het lijf. De laatste moest de rol laten gaan. En eerlijk is eerlijk, daar kwamen de stayerskwaliteiten van Honig aan te pas. Die bleef zo’n vier meter achter de motor, in de vuile wind,  vol door gaan. Aardig was de strijd om de tweede plaats. Met nog vijftien ronden te gaan wist Geserick, met opkomende kramp in de benen, nog langs de moe gestreden Jansen te glippen. Wat meteen de einduitslag was.
Dat was het nationale kampioenschap stayeren. Waarvoor, én het Alkmaars Sportpaleis maar ook de nieuwe lichting gangmakers niet genoeg voor geprezen kunnen worden. En als er dan toch iets te zeiken valt: jammer dat de rol achter de motor té ver staat. Volgens Stuyfssportverhalen moet deze minstens vijftien centimeter dichter tegen de motor aan.

Uitslag nationaal kampioenschap stayeren: 1, Reinier Honig, 2, Ocko Geserick, 3, Luuk Jansen. Foto 1: Reinier Honig, Foto 2, Willem Fack met Ocko Geserick.

Zware klus

Wie zijn grootste supporter is? Zijn opa van 87 jaar (zie foto). Trouwens de hele familie zit komende zaterdag, tijdens het nationale kampioenschap stayeren,  op de tribunes van het Alkmaars Sportpaleis. Het  stayeren  is voor Jeroen Kaldenbach een  familieaangelegenheid. Oom Patrick Besteman is zijn gangmaker. Dat laatste is wél  zó fijn, in het stayerswereldje, waar gangmakers nou niet zijn omringt met het aureool van eerlijkheid.
Jeroen Kaldenbach, 25 jaar, een stayer in opkomst. Met op zijn conduitestaat al drie keer een tweede plaats bij het nationale kampioenschap. Ook internationaal werden grote stappen gemaakt. Afgelopen zomer was de combinatie Kaldenbach-Besteman regelmatig te vinden op de Duitse en Engelse wielerbanen. Waar dicht ‘tegen het podium’ werd geëindigd. Met  als hoogtepunt het Europese kampioenschap in het Duitse Erfurt, waar hij zich via de series wist te plaatste voor de finale waar hij zesde werd.
Stayers, vaak harde, volgroeide kerels op leeftijd, en gepokt en gemazeld. Wat dát betreft moet Kaldenbach sterker worden, maar ook meer gogme krijgen.  Tijdens de wekelijkse trainingen in  het Alkmaarse Sportpaleis, met zes renners in de baan, wordt daarom veel op snelheid getraind.
Jeroen Kaldenbach, behorend tot de stayerstop, is wat je noemt een outsider. Om hem daarom  tot  dé komende  titelkandidaat te benoemen, wordt voor hem een zware klus.  Dé favoriet voor de titel, is en blijft zevenvoudig nationaal kampioen Reinier Honig. Probeer die maar eens te kloppen.  Maar de wonderen zijn de wereld niet uit. Aan Jeroen Kaldenbach gaat het niet leggen.
En wie daar van getuige wil zijn, moet zich komende zaterdag spoeden naar het Alkmaars Sportpaleis.

Nederlands Kampioenschap stayeren, zaterdag 19 januari. Aanvang series 18.00 uur, 19.00 uur jeugdwedstrijden, Finale stayeren om 20.30 uur.
Toegang 3 euro. Parkeren gratis.

Debuut

‘Piet, jongen, dat is iets voor jou’, sprak Piet Dickentman in 1898. Dickentman, als negentienjarig renner,  aanwezig op de wielerbaan van Wenen, maakte voor het eerst kennis met een gangmaakmotor: een lullig ééncilindermotortje, die amper de vijftig  kilometer per uur aantikte. Dickentman, jongen van de Amsterdamse Westerstraat, had een profetische blik. Een  paar dagen later, op een gewone baanfiets, maakte Piet, gegangmaakt door de Berlijnse broers Lehmann, zijn debuut als stayer. Het succes van Dickentman als stayer was navenant aan de snelheden, én de bijbehorende gevaren, van de zware gangmaakmotor.
In 1900 maakte  de loeizware, Brennabormotor zijn debuut op de wielerbanen. Het echte tijdperk van het stayeren had een aanvang genomen: garantie voor spanning en sensatie, vooral op de Duitse wielerbanen.  Dat het hard ging bewees Piet op 18 juni 1905  tijdens de Preis der Stadt Leipzig waar hij de  honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten. 
Van Piet Dickentman, de allerbeste stayer uit de geschiedenis, weet deze blog, regelmatig, zeer zeldzame  foto’s, van te scoren. Maar ook feiten en verslagen, gevonden in volkomen onbekende jaargangen van sportbladen, uitgegeven tijdens Dickentmans carrière. Kortom, Stuyfssportverhalen komt daar in  2019 nog op terug.

Schlemiel

Copy of parentpillasRoem en drama, gingen hand in hand tijdens zijn leven. Stuyfssportverhalen had daarom al eerder over hem geschreven. George Parent, afkomstig uit Frankrijk,  behoorde dan ook tot de allerbeste stayers uit de geschiedenis. Van George zijn niet zóveel foto’s bekend. En die er zijn, zijn  dikwijls  dezelfde, want vaak genomen tijdens een start van een stayerskoers. Maar een enkele keer  duikt er een zeldzame plaat op.  Zoals de bijbehorende, op een digitale veiling gescoord.
George achter gangmaker Pillas. Een geposeerde foto, maar geeft evengoed een griezelige inkijk in het stayeren van vóór de Eerste Wereldoorlog. Waar het begrip veiligheid vér weg was. Georgie vlák achter die motor, een monster die met gemak de negentig kilometer haalde. Parent zal tijdens de koers vaak van de motor gereden zijn. Dan was het voor zo’n stayer zaak om het gaatje snel dicht te rijden. Wat altijd gepaard ging met een botsing tegen de  meedraaiende rol.
Mijn gód, met dié snelheden, je moet daar toch niet aan denken. Je weet meteen waarom, tijdens het maken van deze foto, want 1909, al drieëndertig stayers én gangmakers op het kerkhof lagen te wachten op de ‘jongste dag’. Alléén al die lange gebogen stuurpen van Georges fiets…
Je hoeft geen Pieter van Vollenhoven te zijn om te beseffen dat zo’n pen, -ongetwijfeld door een dorpssmid in elkaar geknutseld – met die botsingen af kon breken als een luciferhoutje. George, honderden koersen gereden was een overlever.  Evengoed was zijn laatste oordeel al geveld, daarover straks meer. Parent, met dat treurige hoofd achter gangmaker Pillas, koerste voornamelijk op de Franse, Vlaamse en Hollandse wielerbanen. Op de Duitse banen,de premier-league  van het stayeren, was George niet zó vaak actief. Toch behoorde  de man tot de allersterkste stayers uit de geschiedenis. Georgie werd namelijk drie jaar achtereen wereldkampioen: in een periode dat er meer dan vijftig kanshebbers waren.
Ach ja, die arme George Parent.  Vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog voor zijn land, en overleefde de hel van Verdun. Schlemielig dat de vroegere wereldkampioen  in oktober 1918, stierf aan de gevolgen van de Spaanse Griep. George Parent werd drieëndertig jaar.

Koning Eenoog

Revanches werd het genoemd. Wat natuurlijk niet zo was. Het was een strak geregisseerd spel. Ordinaire volksverlakkerij. Doorgestoken kaart.  Met de wereldkampioenen van dienst in de hoofdrol. De jaren vijftig en zestig. Geen of nauwelijks wielrennen op de televisie. De liefhebber werd via radioreportages op de hoogte gehouden. Of anders met opgesmukte verhalen in de krant. Na afloop van  zo’n wereldkampioenschap trok het rondreizend wielercircus langs de Europese wielerbanen. De regenboogtruien werden verzilverd. Dat laatste verpakt als een ‘revanche’. Waar van te voren de winnaar al bekend was.
Een enkele keer was er een onverlaat die schijt had aan de opgelegde rangorde. Zoals  Henny Marinus, – stayer afkomstig uit het van oudst  vrijgevochten en  tikkeltje anarchistische Jordaan, – die tijdens zo’n ‘revanche’ in een vol Olympisch Stadion, dwars door de combine heen reed. Over deze koers is inmiddels al het nodige geschreven.
De Revanches, waar, voor aanvang,  eerst de kampioenen werden gehuldigd. Een ceremonie van een treurige, tenenkrommende, lulligheid. Een bos bloemen, een toespraak én een ereronde voor de kampioenen.
Ook in 1964 in Amsterdam, waar onder meer verse kampioenen als een Jaap Oudkerk,  en Tiemen Groen deze kwelling moesten ondergaan. Oudkerk en Groen ’s werelds beste  amateur-stayer én achtervolger. Tussen Jaap en Tiemen in de Spaanse profstayer Guillermo Timoner: met op zijn erelijst zes wereldtitels achter zware motoren. En sindsdien door het leven ging als de ‘beste stayer ooit’: een hardnékkig misverstand! Dat was en is gewóón niet waar.
Timoner, was een aardige, begenadigde  rolrijder. De beste van zijn generatie. Maar absoluut niét de beste óóit.
De man was Koning Eenoog in het land der blinden, want kende vrijwel geen concurrentie en hoefde maar rekening te houden met een tiental stayers.
Voor de criticasters en andere Timoner-adepten: in de ranglijsten van deze blog staat  de Spanjaard niet eens bij de top-7.Tijdens de Belle Epoque én de tijd tussen de wereldoorlogen in, waren honderden topstayers, onderverdeeld in drie klassen, actief.
Kerels die meerdere keren per week hun kloten achter die pokkemotor, moesten schroeien om de broodnodige contracten te krijgen. Probeer daar maar eens de beste van te zijn.

En wie dat zijn? Op basis van uitslagen, de concurrentie én het aantal verreden koersen waren dat George Parent, Bobby Walthour, Taddy Robl, Piet Dickentman, Paul Guignard en Victor Linart. Op deze ranglijst hobbelt Timoner daar vér achter aan.
Het stayeren, is van het mondiale titeltoernooi verbannen: met dank aan een handvol corrupte, criminele gangmakers. Ook de ‘revanches’ zijn een zachte dood gestorven. En alleen de ouderen onder ons weten zich de wielerbaan, inmiddels gesloopt, van het Stadion te herinneren.

Allerzielen

Necrofielen sluipen met een ‘harde’, over het kerkhof. Nabestaanden steken een kaarsje voor hun overleden geliefden op. En priesters murmelen het dodengebed.
2 November Allerzielen, altijd fijne tijd voor occultisten en ander soort liefhebbers van ‘gene zijde’. Stuyfssportverhalen doet ook even mee en rukte op het kerkhof van Heerdt, Duitsland zomaar een naam van een grafzerk: Jozef Schwarzer!
Jozef dus, bijgenaamd Sepp, van beroep mecanicien. De laatste nam begin negentienhonderd  zijn plekje in, op de petroleumtandem, een gangmaakmotor waar het voor een renner, alles behalve fijn was om daar achter te vertoeven. De  hedendaagse Onderzoeksraad voor Veiligheid bestond  nog niet want anders was dat gevaarte nooit op de wielerbaan verschenen. De petroleumtandem, een monster op twee wielen door twee man amper in bedwang gehouden, fungeerde als dodelijke gangmaakmotor. Spektakel gegarandeerd. Wat dát betreft kwam men ruim een eeuw geleden niets tekort. Met verontrustende regelmaat verongelukte óf de renner, dan wel de gangmaker.
Enfin, kort te houden, begin 1907 had Sepp de petroleumtandem wel gezien. Sepp ging op eigen benen staan. De man kocht een gangmaakmotor want een zogenaamde éénzitter en engageerde de Amerikaanse stayer Louis Mettling. Louis en Sepp, een koppel dat niet echt bedeeld was met mazzel. In de pijnlijk nauwkeurig bijgehouden uitslagenlijsten van Radwelt jaargang 1907, blijkt dat ze maar twee keer tweede werden. Met een schamele 4000 goudmark als beloning staan Sepp en Louis, op 9 juni 1907 aan het vertrek aan de Grote Prijs Stad Dresden.
En daar ging het helemaal mis. In de 132e ronde, hoorde Sepp, boven het geraas van zijn motor uit, het weeë geluid van zacht schurend vlees op hard beton. Louis 22 jaar, ten val gekomen, stierf enkele weken later aan een zware hersenbloeding.>Of Sepp Schwarzer zich daardoor liet ontmoedigen? Natuurlijk niet! Adrenalinejunkies, per definitie gekkies.
Vol moraal, maar vooral lef, verschijnt Sepp een jaar later op de wielerbanen met achter zich Fritz Ryser: een melancholische, depressieve kerel die wél akelig hard achter de motor reed. Zo hard, dat Schwarzer hem naar zes gewonnen koersen leidde, waaronder het Meisterschaft von Preußen.

Geschiedenis maakte het duo door op twee augustus 1908, op de uitverkochte wielerbaan van Steglitz, wereldkampioen te worden. Een succes waar maar vier weken profijt van was. Op dertig augustus, staan Fritz en Sepp op het programma van de Grosse Preis Düsseldorf.
Of Sepp zijn materiaal goed controleerde? Had hij dat maar wel gedaan. Tijdens  de koers krijgt de gangmaakmotor van Sepp een klapband.  Sepp, ten val gekomen, krijgt enkele seconden later de motor van de achter hem koersende  Werner Krüger over zijn hoofd heen. Aardige bijkomstigheid: achter Krüger reed de Amsterdammer John Stol: de laatste ook betrokken bij de massaslachting op de wielerbaan van de Botanische Garden in het Berlijn van 1909, waar een motor het publiek invloog: negen doden. John Stol stopte per direct met stayeren.
Enfin, we gaan terug naar Jozef ‘Sepp’ Schwarzer 27 jaar geworden, en begraven op de begraafplaats van Heerdt, een dorpje in de buurt van Dusseldorf.

Bron: Radwelt 1907 en 1908.

Vuurdoop

De wielerbaan van Bieleveld, Noordrijn-Westfalen. Beton en onoverdekt, maar wél één van de aller-snelste stayersbanen van Europa. Driehonderddertig meter lang. Breed, hoge steile bochten. Waar renners zijn overgeleverd aan de elementen. Vooral de wind. Stayeren op ´Bieleveld´, waar snelheden vaak angstig hoog zijn. Vroegere stayers, daar ooit gekoerst, kunnen daar smaakvol over vertellen. Hoe ze met een versnelling van zeventig tanden voor en dertien achter, achter de motor ‘lekker hard zaten te rossen’.
Maar voor een beginnend stayer, met alleen een paar koersjes op het hout van het Alkmaarse Sportpaleis, slaat bij het aanzicht van ‘Bieleveld’ de schrik om het hart.
Wat dat betreft had Ocko Geserick zijn vuurdoop. Geserick, een begenadigd baanrenner. Koerst regelmatig achter de derny. En werd gespot door gangmaker Willem Fack. De laatste zat zonder vaste renner, zag wel kwaliteiten in Geserick als aankomend stayer.
Na een paar trainingen op Alkmaar, had Geserick afgelopen zaterdag in Bieleveld zijn première. Waar zenuwen door zijn lijf gierden. Met drie brullende motoren naast elkaar de bocht in gaan, is volgens hem spannend.
En natuurlijk de altijd aanwezige wind. Stayeren op het hout van Alkmaar is voor flyers. De open Duitse wielerbanen zijn andere koek. Dat is voor de mannen die een zware versnelling kunnen rijden. Die met die dwarrelende harde wind weten om te gaan. Een vak apart. Daar kwam Ocko achter. Op de rechte stukken met wind tegen is een kwestie van even hard trappen. Om met wind mee, de benen ‘te laten lopen’. Dat laatste had laatste had Geserick niet onder de knie. Gevolg: keiharde botsingen tegen de rol van de motor. Voor een beginnend stayer, met die hoge snelheden, een traumatische ervaring.
Voor Ocko Geserick, 1.93 meter lang, en tweeëntwintig jaar jong, zoon van de vroegere stayer Eric, was Bieleveld een opmaat voor het Europese Kampioenschap gehouden op 6 en 7 september in het Duitse Erfurt. Een half open baan van tweehonderdvijftig meter. Volgens Geserick wordt daar met een lichtere versnelling gekoerst, wat hem goede hoop bezorgt.
Trouwens, het komende winterseizoen zit zijn agenda ook vol. Deelnames aan de stayersdriedaagse van Alkmaar, het Nederlandse kampioenschap derny, de vijftig kilometer én het stayerskampioenschap staan op de rol.

Sterfdag

Hardhorend én een posttraumatische stressstoornis. Opgelopen aan het Oostfront van de Eerste Wereldoorlog. Waar de man vocht voor zijn  Kaiser und Vaterlant.  Na twee jaar frontdienst mocht hij met groot verlof. Als geharde oorlogsveteraan kwam terug in zijn geboortestad  Berlijn en nam zijn stiel van vóór de oorlog weer op. Max Bauer deed waar hij goed in was.  Voor de Weltkrieg was hij een verdienstelijk gangmaker van onder meer de stayers  Robl, Demke, Verbist en Tommy Hall. Dat het eerste trio onder dramatische omstandigheden jong verongelukte was toeval. Hoogstwaarschijnlijk nam Max dat voor kennisgeving aan. In de loopgraven was hij wel erger gewend.
Maar anno 1916 werd Max de vaste gangmaker van zijn acht jaar jongere broer Fritz. Na enkele trainingen op de Treptowerwielerbaan achtte de broertjes de tijd rijp. De Bauers werden geëngageerd  voor  de Grote Memento-Prijs gehouden op zondag 20 augustus 1916 op ‘hun’ eigen Treptowerbaan.
Door het kanonvuur aan het front had Max gehoorproblemen. Max kon dan ook zijn broertje niet horen roepen tijdens een  aanval op renner Stellbrink. Fritz raakte  even los van de motor. Doof en fatalistisch hoorde  raasde de oorlogsveteraan door. Attent gemaakt door het zwaaiende publiek keek Max toch maar even om, en raakte vervolgens de zijkant van de gangmaakmotor van Stellbrink.  Max Bauer werd 27 jaar.

error: Content is protected !!